HOOFDSTUK XX

Toen de dames Dashwood den volgenden dag den salon te Barton

Park binnen traden door de ééne deur, kwam Mevrouw Palmer haastig

binnenloopen door de andere, even vergenoegd en vroolijk als den dag

te voren. Zij schudde hun allen hartelijk de hand, en was verrukt

over het weerzien.

"Ik ben zoo blij, dat u gekomen bent!" zei ze, terwijl ze plaats nam

tusschen Elinor en Marianne; "want 't is zulk slecht weer, ik was bang

dat u niet kwam; en dat zou ellendig zijn geweest; want morgen gaan

we weg. Dat moet wel, omdat we de volgende week de Westons te logeeren

krijgen, weet u? De heele reis kwam zoo ineens op; ik wist van niets,

tot het rijtuig voorkwam, en toen eerst vroeg mijnheer Palmer mij of

ik meeging naar Barton. Hij is altijd zoo grappig! Hij vertelt mij

nooit iets! Het spijt mij zoo, dat we niet langer kunnen blijven;

maar we zullen elkaar gauw weer ontmoeten, hoop ik, in de stad."

Zij waren verplicht haar het ongegronde dier verwachting te doen

inzien.

"Gaat u niet naar de stad?" riep Mevrouw Palmer lachend, "dat zou mij

erg tegenvallen. Ik zou juist een geschikt huis voor u kunnen huren

vlak naast het onze, in Hanover Square. Och, u _moet_ komen. Ik zal

met het grootste pleizier met u uitgaan, tot aan mijn bevalling,

als Mevrouw Dashwood liever niet onder de menschen komt."

Zij bedankten haar voor haar welwillendheid; maar waren verplicht al

haar smeekingen te weerstaan.

"Och toe, lieve schat", riep Mevrouw Palmer haar man toe die op dat

oogenblik de kamer inkwam, "help mij toch de dames Dashwood overhalen

om dezen winter naar de stad te gaan."

Haar lieve schat gaf geen antwoord, en begon, na vluchtig voor de

dames te hebben gebogen, te klagen over het weer. "Afgrijselijk is

het hier!" zei hij. "Zulk weer maakt dat men aan alles en iedereen

een hekel krijgt. Binnen is 't al even vervelend als buiten met dien

regen. Men komt ertoe, zijn kennissen te verfoeien. Wat bezielt Sir

John, er geen biljart op na te houden? Er zijn maar weinig menschen,

die weten wat behagelijkheid is. Sir John en het weer zijn allebei

even onhebbelijk."

Langzaam aan kwamen nu ook de anderen binnen.

"Ik ben bang, dat Marianne vandaag niet zooals gewoonlijk een wandeling

naar Allenham heeft kunnen doen," zei Sir John.

Marianne keek zeer ernstig en gaf geen antwoord.

"O, houdt u zich voor ons maar zoo dom niet," zei Mevrouw Palmer;

"want wij weten er alles van; en ik bewonder uw goeden smaak, want

ik vind hem ook een bijzonder knappen man. Wij wonen niet zoo ver

van hem af,--niet meer dan een mijl of tien, geloof ik."

"Zeg maar liever dertig!" zei haar man.

"O, nu, dat maakt niet veel verschil. Ik ben nooit in het huis geweest;

maar ik heb gehoord, dat het mooi is, en aardig gelegen."

"'t Ellendigste nest, dat ik ooit heb gezien," zei de Heer Palmer.

Marianne bewaarde een strak stilzwijgen, hoewel men aan haar gezicht

kon zien, hoe zeer zij belangstelde in 't geen gezegd werd.

"Is het zoo leelijk?" ging Mevrouw Palmer voort;--"dan is het zeker

een ander buitengoed, dat zoo mooi was, denk ik."

Toen zij in de eetkamer aan tafel zaten, merkte Sir John tot zijn spijt

op, dat ze maar met hun achten waren. "Lieve," zei hij tot zijn vrouw,

"wat is dat nu vervelend, dat we maar met zoo weinig zijn. Waarom

vroeg je de Gilberts niet, of ze vandaag konden komen?"

"Ik heb je immers gezegd, man, toen je mij erover sprak, dat het niet

ging. Ze hebben 't laatst bij ons gedineerd."

"Wij zouden ons aan zulke plichtplegingen weinig storen," zei Mevrouw

Jennings tegen Sir John.

"Dat zou dan heel ongemanierd van u zijn," merkte de Heer Palmer op.

"Je spreekt iedereen tegen, manlief," zei zijn vrouw, lachend als

gewoonlijk. "Weet je wel dat je erg onbeleefd bent?"

"Ik wist niet, dat ik iemand tegensprak, toen ik je moeder ongemanierd

noemde."

"O, mij mag je gerust uitschelden," zei de goedgeluimde oude dame. "Je

hebt Charlotte nu eenmaal van mij overgenomen, en je kunt haar niet

teruggeven. Dus in dat opzicht ben ik je de baas."

Charlotte lachte hartelijk om het denkbeeld, dat haar man haar niet

kon kwijtraken, en zei triomfantelijk, dat het haar niets kon schelen,

al was hij nog zoo onaardig, ze moesten nu eenmaal samen het leven

door. Het was werkelijk onmogelijk, zich iemand voor te stellen, meer

onverzettelijk in haar goed humeur en onwankelbare vroolijkheid, dan

Mevrouw Palmer. De met opzet ten toon gespreide onverschilligheid,

lompheid en ontevredenheid van haar man hinderden haar volstrekt

niet, en als hij haar berispte of onaangenaamheden zei, vond zij dat

uiterst vermakelijk.

Mijnheer Palmer is toch zóó grappig!" fluisterde zij Elinor in,

"Hij is altijd uit zijn humeur."

Elinor was, bij nadere beschouwing, ongeneigd, te gelooven,

dat hij zoo echt en van nature kwaadaardig en lomp was, als hij

zich voordeed. Misschien had zijn humeur een beetje geleden door

het besef, dat hij, zooals velen van zijn sekse, gedreven door een

onverklaarbare voorliefde voor schoonheid, de echtgenoot was geworden

van een buitengewoon domme vrouw;--maar zij wist wel, die soort van

vergissing werd te algemeen begaan, dan dat een verstandig man dit

als een blijvende grief zou kunnen beschouwen. Het was meer een wensch

om zich te onderscheiden, geloofde zij, die ten grondslag lag aan de

minachtende wijze waarop hij iedereen behandelde, en alles afkeurde

wat hem onder de oogen kwam. Het was het verlangen zijn meerderheid

boven anderen te doen gelden. De beweegreden was te algemeen om

verwondering te wekken; maar de gebezigde middelen, al beantwoordden

zij dan ook aan het doel, door zijn meerderheid te bewijzen op het

punt van onhebbelijk gedrag, konden bezwaarlijk in iemand, behalve

zijn vrouw, genegenheid voor hem wekken. "Lieve Juffrouw Dashwood,"

begon Mevrouw Palmer iets later, "ik heb aan u en uw zuster een groote

gunst te vragen. Zoudt u met Kerstmis een poosje te Cleveland willen

komen logeeren? Toe, doet u dat,--en komt u dan als de Westons bij ons

zijn. U kunt u niet voorstellen, hoe heerlijk ik dat zou vinden. 't

Zou bepaald verrukkelijk zijn!--Zou jij ook niet dolgraag willen,

man, dat de dames Dashwood bij ons te Cleveland kwamen?"

"Natuurlijk," antwoordde hij spottend,--"ik kwam naar Devonshire met

geen ander doel."

"Ziet u wel," zei zijn vrouw; "Mijnheer Palmer rekent er op, dat u

komt; nu kunt u niet weigeren."

Doch beiden bedankten haastig en met nadruk voor hare uitnoodiging.

"O, maar u _moet_ en u _zult_ komen. Ik weet stellig, dat u 't heel

gezellig zult vinden. De Westons zijn er ook, en 't zal verrukkelijk

zijn. U weet niet, wat een aardig buitentje Cleveland is, en 't is

er nu zoo vroolijk. Want Mijnheer Palmer reist overal in de buurt

rond, om stemmen te winnen tegen de verkiezingen, en dan komen er

zooveel menschen dineeren, die ik in 't geheel niet ken; dat is

alleraardigst. Maar het is voor hem wel héél vermoeiend, die arme

jongen, want hij moet zich dan wel aangenaam maken bij iedereen."

Elinor kon haar gezicht bijna niet in bedwang houden, toen zij toegaf,

dat die verplichting hem wel zwaar moest vallen.

"Gezellig zal dat zijn," zei Charlotte, "als hij lid van het Parlement

is,--dunkt u niet? Wat zal ik dàn lachen! Zoo aller grappigst, dat

al zijn brieven geadresseerd zullen zijn aan een M.P. Maar hij zegt

dat hij niet van plan is ooit aan mij te schrijven. Dat verkiest hij

niet. Is 't niet, man?"

De Heer Palmer nam geen notitie van haar vraag.

"Hij kan schrijven niet uitstaan, weet u," ging zij voort, "dat vindt

hij een horreur, zegt hij."

"Neen," zei de Heer Palmer, "dien onzin heb je uit _mijn_ mond niet

gehoord. Maak mij alsjeblieft niet aansprakelijk voor de manier waarop

jij met de taal omspringt."

"Hoort u toch eens; nu ziet u, hoe grappig hij is. Zoo is hij nu

altijd. Soms zegt hij een halven dag geen woord tegen mij, en dan

komt hij op eens met iets grappigs voor den dag--het doet er niet

toe wáárover."

Toen zij naar den salon teruggingen, verbaasde zij Elinor ten zeerste,

door haar te vragen, of zij den Heer Palmer niet een bijzonder aardigen

man vond.

"Zeker," zei Elinor; "hij maakt een aangenamen indruk."

"O, daar ben ik blij om. Ik dacht het wel: hij is zoo aardig, en hij

is toch zoo ingenomen met u en uw zusters; u kunt u niet voorstellen,

hoe teleurgesteld hij zal zijn, als u niet te Cleveland komt. Ik kan

maar niet begrijpen, waarom u toch bezwaar maakt."

Elinor moest nogmaals haar verzoek afwijzen, en maakte een einde aan

dat dringend gevraag, door over iets anders te beginnen. Zij achtte

het waarschijnlijk, dat Mevrouw Palmer, die in de buurt woonde van

Willoughby, haar allicht meer bijzonderheden kon meedeelen omtrent de

wijze, waarop hij in de algemeene opinie stond aangeschreven, dan zij

had kunnen vernemen door de Middletons, die hem slechts oppervlakkig

kenden, en zij zou gaarne, van wie ook, eenige bevestiging hebben

gehoord van zijn verdienstelijke eigenschappen, die de mogelijkheid

van vrees voor Marianne had kunnen uitsluiten. Zij begon met de vraag,

of de Heer Willoughby bij hen wel eens te Cleveland kwam op bezoek,

en of zij goede bekenden van hem waren.

"O ja zeker; ik ken hem héél goed," antwoordde Mevrouw Palmer. "Niet

dat ik hem ooit heb gesproken; maar in de stad zag ik hem overal. Hoe

't zoo kwam weet ik niet; maar ik logeerde toevallig nooit te Barton,

als hij te Allenham was. Mama heeft hem hier vroeger eens ontmoet

maar toen logeerde ik bij mijn oom te Weymouth. Ik geloof wel, dat

we elkaar veel zouden hebben gezien in Somersetshire, als 't niet

zoo ongelukkig had getroffen, dat we nooit op denzelfden tijd buiten

waren. Hij komt weinig te Combe, geloof ik; maar al kwam hij er nog

zoo dikwijls, dan denk ik toch niet, dat Mijnheer Palmer hem zou gaan

opzoeken; want hij heeft andere meeningen in de politiek, weet u, en

't is ook zoo geducht ver weg. Ik weet best, waarom u naar hem vraagt;

uw zuster gaat met hem trouwen. Daar ben ik verbazend blij om; want

dan wordt ze mijn buurvrouw."

"Werkelijk," zei Elinor, "u weet veel meer van de zaak af dan ik,

wanneer u reden hebt, dat huwelijk te verwachten."

"O, doet u nu niet, alsof 't niet waar is, want u weet wel, dat

iedereen er den mond vol van heeft. Nu pas in de stad heb ik het nog

weer gehoord."

"Maar, Mevrouw Palmer!"

"Wezenlijk, op mijn woord van eer. Maandagmorgen in Bond Street,

juist voor we weggingen kwam ik Kolonel Brandon tegen, en hij vertelde

't me dadelijk."

"U doet me verbaasd staan. Kolonel Brandon zou 't u verteld hebben? U

vergist u bepaald. Iets van dien aard mee te deelen aan iemand, die

er geen belang in kon stellen, zelfs al was het waar, dat is niet,

wat ik van Kolonel Brandon zou verwachten."

"'t Was toch werkelijk, zooals ik u zeg, en ik zal u vertellen hoe 't

zoo kwam. Toen we hem tegenkwamen, keerde hij om, en liep met ons mee,

en we begonnen te praten over mijn broer en zuster en zoo meer, en ik

zei tegen hem: "Ik hoor, Kolonel, dat Barton Cottage nieuwe bewoners

heeft gekregen, en mama schrijft mij, dat de meisjes heel mooi zijn, en

een van hen gaat trouwen met den Heer Willoughby, van Combe Magna. Is

dat waar? U kunt het natuurlijk weten; want u komt pas uit Devonshire."

"En wat zei de Kolonel toen?"

"O--hij zei niet veel; maar hij keek, alsof hij wel wist, dat het

waar was; dus van dat oogenblik af was ik er zeker van. Ik vind het

verrukkelijk, dol! Wanneer gaan ze trouwen?"

"Kolonel Brandon maakte het goed, hoop ik?"

"O ja, best; en hij was één en al lof over u; hij deed maar niets

dan allerlei moois van u vertellen."

"Zijn goede meening is mij veel waard. Hij is een man zooals er

weinigen zijn, dunkt mij, en alleraangenaamst in den omgang."

"Dat vind ik ook.--'t Is zoo'n allerliefste man;--Zoo jammer eigenlijk,

dat hij zoo ernstig en zoo vervelend is. Mama zegt, dat _hij_ ook

verliefd was op uw zuster. Ik verzeker u, dat is een groot compliment,

want hij wordt haast nooit verliefd op iemand."

"Kent men in uw omgeving te Somersetshire den Heer Willoughby over

't algemeen goed?" vroeg Elinor.

"O ja, héél goed;--dat is te zeggen, ik geloof niet dat veel menschen

hem kennen, omdat Combe Magna zoo ver uit de buurt is; maar iedereen

vindt hem een aangenaam mensch. Niemand is zoo algemeen bemind als

Mijnheer Willoughby, wáár hij ook komt, dat moet u maar eens aan uw

zuster vertellen. Ze mag van geluk spreken, hoor, dat ze hem krijgt;

maar hij van zijn kant nog wel meer; want zij is zoo mooi en zoo lief,

dat voor haar niets te goed is. Maar eigenlijk vind ik u haast niet

minder mooi dan haar; want ik vind u allebei snoezig; en dat vindt

Mijnheer Palmer ook, al konden we hem er gisteravond niet toe krijgen,

het toe te geven."

Mevrouw Palmer's inlichtingen omtrent Willoughby waren niet bepaald

waardevol; maar elk getuigenis te zijnen gunste, hoe gering ook,

deed Elinor genoegen.

"Ik ben zoo blij, dat we elkaar nu eindelijk hebben leeren kennen,"

ging Charlotte voort. "En nu hoop ik dat we altijd goede vrienden

zullen blijven. U weet niet, hoe ik verlangde, u te zien. 't Is zoo

heerlijk, dat u nu in dat huisje woont! 't Kon niet heerlijker! En dat

uw zuster nu zoo'n goed huwelijk doet. Ik hoop dat u dikwijls te Combe

Magna komt logeeren. Ieder zegt, dat het een beeldig buitengoed is."

"U hebt Kolonel Brandon al lang gekend, niet waar?"

"O ja, heel lang al; sedert mijn zuster trouwde. Hij was een van Sir

John's beste vrienden. Ik geloof," voegde zij er iets zachter bij,

"dat hij blij zou geweest zijn, als hij mij had kunnen krijgen. Sir

John en mijn zuster hadden 't graag gezien. Maar mama vond hem voor

mij geen geschikte partij; anders zou Sir John het aan den Kolonel

hebben gezegd, en dan zouden we dadelijk getrouwd zijn."

"Wist Kolonel Brandon dan niet te voren van dat voorstel van Sir John

aan uw moeder? Had hij nooit te kennen gegeven, dat hij genegenheid

voor u gevoelde?"

"O neen; maar als mama er niets tegen had gehad, dan geloof ik stellig,

dat hij dolgraag had gewild. Hij had mij toen nog maar een paar maal

gezien; want ik was nog niet van de kostschool thuisgekomen. Maar

ik ben veel gelukkiger, zooals 't nu is. Mijnheer Palmer is juist de

soort van man, die bij mij past."

Gevoel en verstand · 第 29 / 61 题