Den volgenden dag keerden de Palmers naar Cleveland terug, en aan
de beide families te Barton werd het weer overgelaten, elkander
te vermaken. Dat duurde echter niet lang; Elinor had nauwelijks de
laatste bezoekers uit haar hoofd gezet,--was nauwelijks bekomen van
haar verwondering over Charlotte's vermogen om tevreden te zijn zonder
oorzaak, over het komediespel van den Heer Palmer, dat zijn betere
eigenschappen verborg, en over het vreemde gebrek aan natuurlijke
overeenstemming, dat dikwijls bestond tusschen man en vrouw, of Sir
John's en Mevrouw Jennings' nooit verflauwende ijver in het bevorderen
van den gezelligen omgang verschafte haar reeds weder nieuwe kennissen,
ter uiterlijke en innerlijke waarneming. Op een uitstapje naar Exeter
hadden zij op een zekeren morgen twee jonge dames ontmoet, die tot
Mevrouw Jennings' voldoening verre familie van haar bleken te zijn,
en dit was voor Sir John voldoende om hen dadelijk op Barton Park
te logeeren te vragen, zoodra haar bezigheden te Exeter haar dat
zouden veroorloven. De bezigheden te Exeter werden zonder bedenken
verschoven voor zulk een uitnoodiging, en Lady Middleton was bij
Sir John's terugkomst niet weinig verschrikt door het bericht, dat
zij binnenkort een bezoek kon verwachten van twee meisjes, die zij
nooit in haar leven had gezien, en van wie zij volstrekt niet wist
of zij welgemanierd,--of zelfs maar dragelijk fatsoenlijk waren;
want aan de beweringen van haar man en haar moeder te dien opzichte
hechtte zij niet de minste waarde. Dat zij familie van haar waren,
maakte het nog des te erger; en Mevrouw Jennings' pogingen om haar te
troosten berustten dan ook op zeer onvoldoende gronden, wanneer zij
haar dochter voorhield, dat het er niets toe deed of die meisjes wat
meer of minder deftig waren, daar nichtjes onder elkaar het daarmee
zoo nauw niet behoorden te nemen. Daar hun komst nu echter niet meer
viel te verhinderen, schikte Lady Middleton zich in het geval met al de
wijsgeerigheid van een welopgevoede vrouw, en vergenoegde zich ermee,
haar echtgenoot ongeveer vijf of zesmaal per dag naar aanleiding van
het gebeurde eenige zacht verwijtende opmerkingen toe te voegen.
De jonge dames verschenen, en zagen er volstrekt niet burgerlijk
of ouderwetsch uit. Ze waren keurig gekleed, hadden zeer beleefde
manieren, waren verrukt van het huis, dweepten met de inrichting, en
toevallig waren ze zóó dol op kinderen, dat ze reeds Lady Middleton's
sympathie hadden verworven, eer ze nog een uur op het Park waren
geweest. Zij verklaarde dat ze hen werkelijk heel aardige meisjes
vond, 't geen voor haar gelijkstond met geestdriftige bewondering. Sir
John's vertrouwen in zijn eigen oordeel werd door dien levendigen lof
ten zeerste versterkt, en hij toog onmiddellijk naar Barton Cottage,
om aan de dames Dashwood te vertellen, dat de Steele's waren gekomen,
en hun te verzekeren dat het allerliefste meisjes waren. Uit die
aanbeveling viel echter niet veel op te maken; Elinor wist nu al dat
"allerliefste meisjes" waren te vinden in elk plaatsje in Engeland,
en dat die uitdrukking elke denkbare verscheidenheid van gestalte,
gelaat, gemoedsaard en begrip omvatte. Sir John wilde de geheele
familie op staanden voet mee laten terugwandelen naar het Park, om
zijn gasten te zien. Goedaardige, menschlievende man! Het viel hem
zwaar, zelfs een nicht in den derden graad voor zich alleen te houden.
"Toe kom nu mee," zei hij, "om mij pleizier te doen;--je _moet_
komen,--ik laat je niet los.--Je zult eens zien, hoe aardig je ze
zult vinden. Lucy is een reusachtig knap meisje, en zoo vroolijk
en lief! De kinderen zijn niet van haar af te slaan, alsof ze een
oude bekende was. En allebei verlangen ze verbazend jelui te zien,
want ze hebben in Exeter gehoord, dat jelui de mooiste meisjes van
de wereld waart; en ik heb hun gezegd dat dat de zuivere waarheid is,
en nog een heeleboel meer. Je zult verrukt van hen zijn, dat weet ik
zeker. Ze hadden de heele koets vol speelgoed voor de kinderen. Hoe kan
je nu zoo onaardig zijn, om niet te komen! 't Zijn toch ook nichtjes
van jelui, in zekeren zin. Jelui bent nichtjes van _mij_, en _zij_
van mijn vrouw; dus je bent familie van elkaar."
Maar Sir John kreeg zijn zin niet. Hij kreeg niet anders dan de
belofte, dat ze over een paar dagen een bezoek zouden komen brengen
op het Park, en trok af, verbaasd over hun onverschilligheid, om naar
huis te wandelen, en opnieuw tegen de dames Steele uit te weiden over
hunne bekoorlijkheden, zooals hij tegenover hen den lof der dames
Steele had uitgebazuind.
Toen het beloofde bezoek op het Park en dus ook hun voorstelling
aan de jonge dames plaats had, vonden zij aan het uiterlijk van de
oudste, die bijna dertig was, en een leelijk, en daarbij niet eens
verstandig gezicht had, niets te bewonderen; maar zij moesten toegeven
dat de andere, die niet meer dan twee- of drie en twintig kon zijn,
werkelijk mooi mocht genoemd worden; ze had welbesneden trekken,
een levendigen vluggen oogopslag, en iets modieus in haar voorkomen,
dat wel geen natuurlijke losheid of bevalligheid kon vergoeden,
maar haar toch een zekere distinctie verleende. Hun manieren waren
bijzonder beleefd en voorkomend, en Elinor moest al spoedig erkennen,
dat het hun niet ontbrak aan een zeker soort van verstand, toen zij
zag met welk een aanhoudende en welberekende beminnelijkheid zij zich
wisten aangenaam te maken bij Lady Middleton. Over haar kinderen waren
zij in één voortdurende verrukking, verkondigden luide den lof van hun
schoonheid, gaven zich moeite om hun gunst te winnen, en willigden hun
grilligste wenschen in; terwijl ze al den tijd, dien de voldoening
aan dezen dringenden eisch der beleefdheid hun overliet, besteedden
aan het bewonderen van alles wat Lady Middleton deed, wanneer zij
toevallig eens met iets bezig was, of aan het naknippen van het
patroon eener sierlijke nieuwe japon, die zij haar den dag te voren
hadden zien dragen, en waarin hare verschijning hun onuitputtelijke
uitingen van bewonderende verrukking had ontlokt. Gelukkig voor
hen, die door middel van dergelijke zwakheden plegen te vleien, is
iedere liefhebbende moeder, hoezeer ook, waar het den lof van haar
kinderen geldt, het onverzadelijkste aller schepselen, tevens op
dat punt het meest lichtgeloovige; haar eischen zijn buitensporig,
doch uiterst gemakkelijk te voldoen, en de alle perken te buiten
gaande minzaamheid en geduld, door de dames Steele jegens haar
kroost aan den dag gelegd, wekten in Lady Middleton niet de minste
verwondering of achterdocht. Met moederlijke ingenomenheid beschouwde
zij al de brutale vrijpostigheden en ondeugende streken, die haar
nichten zich goedschiks lieten welgevallen. Zij keek toe, terwijl
de strikken uit hun ceintuur werden getrokken, hun haar in wanorde
werd gebracht, hun werktaschjes werden geplunderd en hun mesjes en
scharen geroofd, en zij twijfelde niet, of het gesmaakte genoegen
daarbij was wederkeerig. Zij vond het alleen maar verwonderlijk,
dat Elinor en Marianne er zoo bedaard bij konden blijven zitten,
zonder hun verlangen te uiten om te deelen in de pret.
"John is vandaag door 't dolle heen!" zei ze, toen hij Juffrouw
Steele haar zakdoek afnam en dien uit het raam gooide.--"Hij zit
vol guitenstreken!"
En toen kort daarop haar tweede zoontje zijn nicht allerpijnlijkst
in den vinger kneep, merkte zij met innige voldoening op, dat William
zoo speelsch was.
"En hier hebben we mijn lieve kleine Annemarie", voegde zij erbij,
het kleine meisje van drie jaar liefkoozend, dat zich een paar minuten
achtereen had stilgehouden: "Die is altijd zoo zacht en stil,--het
rustigste kindje dat men zich kan voorstellen!"
Doch daar het ongeluk wilde, dat bij deze uitingen van teederheid een
speld in mama's kapsel het kind even in den hals schramde, barstte het
voorbeeldig stille schepseltje los in zulke oorverdoovende kreten,
dat geen spreekwoordelijk luidruchtig creatuur het haar verbeteren
kon. Haar moeder's ontzetting, hoe hevig ook, werd nog overtroffen door
den schrik en de bezorgdheid der dames Steele en alle drie namen in
dien uitersten nood hun toevlucht tot elk middel dat de liefde slechts
kon uitdenken om de folteringen der kleine lijderes te verzachten. Zij
werd op haar moeders schoot gezet en overladen met kussen, terwijl
de eene juffrouw Steele bij haar neerknielde om de wond te betten
met lavendelwater, en de andere haar mond vol suikerboonen stopte. Nu
zij haar tranen zoo rijkelijk beloond zag, was het kind wel zoo wijs
om niet op te houden met schreeuwen. Ze bleef uit alle macht huilen
en snikken, schopte haar beide broertjes, toen ze haar te na kwamen,
en hun aller vereende pogingen om haar tot bedaren te brengen bleven
vruchteloos, tot Lady Middleton zich gelukkig herinnerde, dat bij een
dergelijk ongeval in de vorige week een lepel abrikozengelei gunstig
had gewerkt ter verzachting van een buil op het voorhoofd; en daar, bij
het voorstel om tegen deze ongelukkige schram dezelfde remedie toe te
dienen, het doordringend geschreeuw der jonge dame door een korte pauze
werd onderbroken, bestond de gegronde hoop, dat het geneesmiddel niet
zou worden verworpen. Zij werd dus in haar moeders armen weggedragen,
op zoek naar de heilzame medicijn, en daar de twee jongens, hoewel
hun moeder hen dringend verzocht in de kamer te blijven, volstrekt
wilden meegaan, bleven de vier jonge dames achter in een atmosfeer
van kalmte, die het vertrek sedert vele uren niet meer had gekend.
"Dat arme schepseltje!" zei Juffrouw Steele, zoodra zij waren
heengegaan. "Het had wel héél erg kunnen afloopen."
"Maar ik begrijp toch eigenlijk niet hòe," riep Marianne, "tenzij dan
misschien onder geheel andere omstandigheden. Op deze manier plegen de
menschen altijd bezorgheid te vermeerderen, terwijl er voor werkelijke
zorg geen reden is."
"Wat is Lady Middleton toch een allerliefste vrouw," zei Lucy Steele.
Marianne zweeg; zij kon onmogelijk zeggen wat ze niet meende, al gold
het de onbeteekendste kleinigheid, en dus werd altoos aan Elinor
de taak overgelaten, onwaarheid te spreken, wanneer de beleefdheid
dat vereischte. Ze deed haar best, nu dit van haar gevergd werd,
door Lady Middleton te prijzen met meer warmte, dan zij gevoelde,
hoewel met vrij wat minder geestdrift dan Juffrouw Lucy.
"En Sir John ook," riep de oudste zuster "wat is dat een aardige man!"
Ook hier werd Juffrouw Dashwood's lof, die eenvoudig was en
onopgesmukt, geuit zonder den minsten _éclat_. Zij merkte alleen op,
dat hij bijzonder vroolijk en vriendelijk van aard was.
"En wat hebben ze allerliefste kinderen! Ik heb nog nooit zulke mooie
kinderen gezien! Ik ben nu al doodelijk van ze; trouwens ik ben altijd
gek op kinderen geweest."
"Dat wil ik graag gelooven," zei Elinor met een glimlach, "te oordeelen
naar wat ik van morgen heb bijgewoond."
"Het komt mij zoo voor, zei Lucy, "dat u de kleine Middletons nog al
verwend vindt; misschien worden ze dat ook wel, meer dan goed voor hen
is, maar het is zoo natuurlijk van Lady Middleton; en wat mij betreft,
ik zie graag kinderen waar een beetje leven en vroolijkheid inzit;
ik kan ze niet uitstaan, als ze bedaard en stil zijn."
"Ik moet eerlijk bekennen," antwoordde Elinor, "dat ik te Barton Park
mij nooit geneigd voel, aan stille en bedaarde kinderen anders dan
met voorliefde te denken."
Op dit gezegde volgde een korte stilte, het eerst verbroken door
Juffrouw Steele, die bijzonder spraakzaam scheen, en nu vrij onverwacht
begon:
"En hoe vindt u Devonshire nu wel, Juffrouw Dashwood? Het zal u wel
hebben gespeten, uit Sussex weg te gaan."
Ietwat verbaasd over die vraag, of althans over den gemeenzamen toon,
waarop ze geuit werd, antwoordde Elinor bevestigend.
"Norland is een héél erg mooi buitengoed, is 't niet?" liet Juffrouw
Steele hierop volgen.
"Sir John bewonderde het ten minste zéér," zei Lucy, die scheen te
vinden dat haar zuster's vrijmoedigheid wel eenige verontschuldiging
behoefde.
"Ik denk, dat ieder die het goed ooit zag, het wel _moet_ bewonderen,"
antwoordde Elinor, "hoewel het niet waarschijnlijk is, dat anderen
de schoonheden ervan zóó kunnen waardeeren, als wij doen."
"En hadt u daar veel knappe cavaliers? Hier in deze buurt zullen
er wel zooveel niet zijn; ik voor mij vind ze altoos een groote
aanwinst overal."
"Maar waarom dacht je eigenlijk," zei Lucy, zich blijkbaar schamend
voor haar zuster, "dat er minder knappe jongelui zouden zijn in
Devonshire dan in Sussex?"
"Welneen, lieve kind, dat zeg ik ook immers niet. In Exeter zijn
tenminste cavaliers genoeg, maar hoe kan ik nu weten of er in Norland
ook aardige heeren zijn? Ik was alleen maar bang, dat de dames Dashwood
het in Barton saai zouden vinden, als ze daar niet zooveel galante
cavaliers hadden als vroeger. Maar misschien geven de jonge dames wel
niet om heeren, en kunnen ze het evengoed stellen zonder hen. Ik voor
mijn part, ik mag ze graag lijden, als ze ten minste netjes gekleed
zijn en zich aardig voordoen. Ik kan ze niet uitstaan als ze slordig
en vuil voor den dag komen. Daar heb je nu Meneer Rose in Exeter,
een heele heer, als je hem zoo ziet, bepaald fatterig; hij is klerk
bij Meneer Simpson, weet u, en toch, als je hem 's morgens tegenkomt,
dan ziet hij er ontoonbaar uit. Uw broer was vóór zijn trouwen zeker
ook een echte dandy, Juffrouw Dashwood, omdat hij zoo rijk was?"
"Ik zou 't u werkelijk niet kunnen zeggen," antwoordde Elinor;
"omdat ik niet precies begrijp wat u bedoelt. Maar dàt weet ik wel,
wat hij indertijd is geweest vóór zijn trouwen, dat is hij nu nog;
want hij is in 't minst niet veranderd."
"O heden, neen; getrouwde lui zijn nooit galante cavaliers meer;
die hebben wel wat anders te doen."
"Hè, Anne," riep haar zuster; "jij praat ook over niets anders dan
heeren; Juffrouw Dashwood zal gaan meenen dat je nergens anders aan
denkt." En om het gesprek een andere wending te geven, begon zij haar
bewondering te uiten van het huis en meubels.
Dit staaltje van de conversatie der dames Steele was voldoende. De
onbeschaafde vrijpostigheid en mallepraat van de oudste lieten van
haar geen goeds meer verwachten, en daar Elinor, ondanks de schoonheid
en het schrander voorkomen der jongere zuster maar al te goed haar
gemis van ware beschaving en eenvoud doorzag, vertrok zij, zonder in
het minst te verlangen, hen nader te leeren kennen.
Zoo dachten de dames Steele er niet over. Zij waren uit Exeter gekomen
met een behoorlijke hoeveelheid bewondering, ten dienste van Sir John
Middleton, zijn gezin en zijn geheele familie, en uit dien ruimen
voorraad deelden zij kwistig mede aan zijn schoone nichten, die
zij voor de mooiste, bevalligste, talentvolste en liefste meisjes
verklaarden, die ze ooit hadden gezien, en die zij hartgrondig
verlangden, nader te leeren kennen. Die nadere kennismaking was,
zooals Elinor spoedig ontdekte, hun onvermijdelijk lot; want daar Sir
John geheel en al op de hand der dames Steele was, bleek hunne partij
te sterk voor verzet van de andere zijde, en zij moesten zich dus
schikken in de soort van intimiteit, die bestaat in het bijna iederen
dag een paar uur samen in de zelfde kamer zitten. Meer kon Sir John
niet doen; maar hij zag ook niet in, dat meer dan dat kon verlangd
worden; naar zijne meening beteekende samenzijn vertrouwelijkheid,
en zoolang zijn geregelde plannetjes om hen met elkaar in aanraking
te brengen, maar slaagden, twijfelde hij geen oogenblik of zij waren
gezworen vriendinnen.
Om hem recht te laten weervaren, hij deed wat in zijn vermogen was,
om hen tot openhartigheid aan te sporen, door de dames Steele op de
hoogte te brengen van al wat hij maar wist of kon vermoeden omtrent de
meest kiesche aangelegenheden, waarin zijne nichtjes waren betrokken,
en Elinor had hen nog geen tweemaal ontmoet, of de oudste van het
tweetal wenschte haar reeds geluk met het feit, dat haar zuster
't zoo getroffen had, door sinds haar komst te Barton een knappen
galant te veroveren.
"'t Is toch maar een mooi ding, een meisje zoo vroeg al getrouwd
te hebben," zei ze, "en ik hoor dat hij een echte dandy is, en een
verschrikkelijk knap gezicht heeft. Ik hoop dat u het ook zoo goed
zult treffen; maar misschien hebt u al een vriend achter de hand."
Elinor kon moeilijk verwachten, dat Sir John schroomvalliger zou
zijn in de uiting van zijn vermoedens omtrent haar genegenheid
voor Edward, dan hij zich getoond had, waar het Marianne betrof;
van de beide geestigheden genoot de eerste, als nieuwer, en nog
speling voor gissingen overlatend, zelfs zijn voorkeur; en sedert
Edward's bezoek hadden zij nooit samen aan tafel gezeten, zonder
dat hij een dronk wijdde aan haar liefsten hartewensch, vergezeld
van zooveel beteekenende blikken, en zooveel knikjes en knipoogjes,
dat hij de algemeene aandacht op haar vestigde. Ook de letter F. werd
daarbij steeds druk besproken, en was de bron gebleken van zulk een
onuitputtelijken voorraad grappen, dat Elinor geëindigd was met er
voor goed de geestigste letter van het alphabet in te zien.
Zooals zij reeds vermoedde, werden de dames Steele bij voorkeur
op de bewuste aardigheden vergast, en zij wekten in de oudste een
nieuwsgierig verlangen om den naam te vernemen van den heer, op wien
hier gezinspeeld werd, een verlangen, dat, brutaal aan den dag gelegd,
volkomen strookte met haar algemeene indringende onbescheidenheid
in het uitvorschen van hun familieaangelegenheden. Maar Sir John
had niet lang pleizier in het prikkelen der door hemzelf gewekte
nieuwsgierigheid; want hij vond minstens evenveel behagen in het noemen
van den bewusten naam, als Juffrouw Steele in het vernemen ervan. "Zijn
naam is Ferrars," zei hij, duidelijk verstaanbaar fluisterend;
"maar vertel het vooral niet verder, want het is een groot geheim."
"Ferrars!" herhaalde Juffrouw Steele; "is mijnheer Ferrars de
gelukkige? Wel, wel, de broer van uw schoonzuster, Juffrouw
Dashwood? nu, dat is een aardig jongmensch; ik ken hem heel goed."
"Hoe kan je nu zooiets zeggen, Anne?" riep Lucy, die geregeld haar
zuster's opmerkingen te verbeteren placht. "Al hebben we hem nu een
paar maal bij onzen oom aan huis ontmoet, daarom behoef je nog niet
te zeggen, dat we hem heel goed kennen."
Elinor hoorde alles oplettend en zeer verwonderd aan. Wie was die
oom? waar woonde hij? hoe hadden zij elkander leeren kennen? Zij
wenschte van harte dat het gesprek over dit onderwerp mocht worden
voortgezet, al verkoos zij niet, zich erin te mengen; maar er werd
niet verder over gesproken, en voor het eerst in haar leven vond zij
Mevrouw Jennings niet nieuwsgierig genoeg naar onbeduidende nieuwtjes,
noch voldoende bereidvaardig tot het mededeelen ervan. De manier
waarop Juffrouw Steele van Edward had gesproken vermeerderde haar
nieuwsgierigheid; zij meende er iets onwelwillends in te bespeuren,
dat het vermoeden wekte, als zou de spreekster iets ten nadeele van
hem weten, of zich verbeelden te weten. Doch haar nieuwsgierigheid
bleef onvoldaan; want Juffrouw Steele liet den naam Ferrars verder
onopgemerkt voorbijgaan, ook toen Sir John er nogmaals op zinspeelde
en dien zelfs openlijk uitsprak.