HOOFDSTUK XIX

Edward bleef een week te Barton; Mevrouw Dashwood drong er zeer op

aan, dat hij langer zou blijven; doch hij scheen, alsof zelfkwelling

zijn eenig doel was, vast besloten om juist te vertrekken, nu hij

het meest van het bijzijn zijner vriendinnen genoot. In de laatste

twee of drie dagen was zijn stemming, ofschoon nog zeer afwisselend,

toch aanmerkelijk verbeterd; hij begon zich meer en meer te hechten

aan het huis en de omgeving, sprak nooit van vertrekken zonder

een diepen zucht,--gaf te kennen dat hij over zijn tijd vrijelijk

kon beschikken,--wist zelfs nog niet recht, waarheen hij zou gaan,

als hij hen verliet; maar toch, vertrekken _moest_ hij. Nog nooit

had hem een week zoo kort geschenen;--hij kon niet gelooven dat het

alweer voorbij was. Dat zei hij herhaaldelijk, en nog meer liet hij

zich ontvallen, dat wees op een omkeer in zijn gevoelens, en met zijn

daden in tegenspraak was. Hij vond het in Norland niets prettig; aan

de stad had hij een hekel; maar òf naar Norland, òf naar Londen moest

hij gaan. Hij waardeerde hun hartelijkheid meer dan iets ter wereld,

en hij kende geen grooter genoegen dan met hen samen te zijn. Toch

moest hij hen na een week reeds verlaten, tegen zijn eigen en hun

aller wensch, en terwijl hij aan geen tijd gebonden was.

Elinor weet al wat zonderling scheen in zijn handelwijze aan zijn

moeder, en het was een geluk voor haar, dat hij een moeder had,

van wier karakter zij zoo weinig afwist, dat het als doorgaande

verontschuldiging kon gelden voor al wat er vreemds was in het

gedrag van haar zoon. Maar hoezeer zij zich ook teleurgesteld en

gegriefd gevoelde, ja somtijds geërgerd door zijn onzekere houding

tegenover haar, zij bleef toch over het geheel ten volle bereid om

al zijn handelingen te beschouwen met die eerlijke toegevendheid

en onpartijdige ruimheid van oordeel, die haar, met vrij wat meer

moeite, door haar moeder indertijd waren afgedwongen ten behoeve van

Willoughby. Zijn gebrek aan opgewektheid, aan openhartigheid, en aan

vastheid in zijn optreden, werden maar steeds weer toegeschreven aan

zijn behoefte aan onafhankelijkheid en zijn nauwkeuriger bekendheid

met Mevrouw Ferrars' beschikkingen en plannen. De korte duur van zijn

bezoek, zijn volharden bij zijn voornemen nu reeds te vertrekken, ook

dit alles sproot voort uit dat zelfde geweld aandoen van zijn neiging,

de zelfde onvermijdelijke noodzakelijkheid om zijn moeder voorloopig

te ontzien. De oude, diep gewortelde tweespalt tusschen plicht en

neiging, het verzet van het kind, in opstand tegen ouderlijk gezag,

was van alles de oorzaak. Wel gaarne zou zij hebben geweten, wanneer

deze moeilijkheden zouden zijn uit den weg geruimd, deze tegenstand

overwonnen,--wanneer Mevrouw Ferrars tot andere gedachten zou komen,

en haar zoon de vrijheid zou laten, zijn geluk te vinden. Doch zij

werd wel gedwongen, die ijdele wenschen te laten varen, en troost te

zoeken in haar hernieuwd vertrouwen op Edward's genegenheid, in de

herinnering aan elk getuigenis daarvan, door woord of blik, die hem

te Barton ontsnapten, en vooral in dat vleiend bewijs van zijn trouw,

dat hij voortdurend aan zijn vinger droeg.

"Mij dunkt, Edward," zei Mevrouw Dashwood, toen zij den laatsten

morgen aan het ontbijt zaten, "dat je gelukkiger zoudt zijn, als je

een beroep hadt, dat je tijd in beslag nam, en richting gaf aan je

plannen en handelingen. Voor je vrienden zou daaraan allicht eenig

bezwaar zijn verbonden; je zoudt niet in staat zijn, zooveel tijd aan

hen te wijden als thans. Maar," voegde zij er met een glimlach bij,

"in één opzicht zou het toch een direct voordeel voor je zijn; je

zoudt dan weten, wáárheen te gaan, wanneer je hen verliet."

"Ik verzeker u," antwoordde hij, "dat ik de waarheid van 't geen u

zegt, reeds lang heb ingezien. Het was, en is, en zal waarschijnlijk

altijd voor mij een groot ongeluk zijn, dat ik geen noodzakelijke

bezigheid heb, die mij in beslag neemt, geen beroep, dat mijn krachten

vergt en mij in staat stelt, mij ook maar eenigszins onafhankelijk

te voelen. Maar het ongeluk wilde, dat mijn eigen kieskeurigheid en

die mijner vrienden mij gemaakt hebben tot wat ik ben, een werkeloos,

hulpeloos wezen. Wij konden het nooit eens worden over de keuze van

een beroep. Ik gaf altoos de voorkeur aan den geestelijken stand, en

dat doe ik nog. Maar dat vond mijn familie niet wereldsch genoeg. Zij

wilden dat ik militair zou worden. Dat was nu weer veel te wereldsch

voor mij. In de rechten studeeren, nu, dat was althans deftig genoeg

naar hun zin; veel jongelui, die kamers hadden in den Temple, maakten

een goed figuur in de eerste kringen, en reden rond in karretjes,

die 't bekijken waard waren. Maar ik voelde niets voor de rechten,

zelfs niet voor die weinig diepgaande studie van de wet, die mijn

familie op het oog had en goedkeurde. De marine was uit het oogpunt van

"stand" wel aan te bevelen; maar toen de vraag mij werd voorgelegd,

was ik al te oud om daar nog mee te beginnen,--en ten slotte, nu

het eenmaal niet noodig was, dat ik een beroep koos, nu ik even goed

vertooning kon maken en geld uitgeven zònder een rooden rok als mèt

dat aanhangsel, werd ten slotte verklaard, dat leegloopen voor mij de

voordeeligste en meest eervolle bezigheid zou zijn, en een jongmensch

van achttien jaar is in den regel niet zoo ernstig gesteld op werk,

dat hij zich zal verzetten tegen het dringend verzoek zijner vrienden

om niets uit te voeren. Ik werd dus ingeschreven te Oxford, en heb

sedert geluierd naar den eisch."

"En naar ik vermoed, zal 't gevolg hiervan zijn," zeide Mevrouw

Dashwood, "nu gebleken is, dat ledigheid je eigen geluk niet heeft

bevorderd, dat je zoons zullen worden opgeleid voor alle mogelijke

vakken, bezigheden, ambten en beroepen, die iemand ter wereld beoefenen

of waarnemen kan."

"Zij zullen worden opgevoed op een wijze," zeide hij op ernstigen toon,

"die hen zoo weinig mogelijk doet gelijken op mijzelf, in gevoelens,

in daden, in omstandigheden, in alles."

"Kom, kom, dat is nu maar een ontboezeming, die rechtstreeks voortkomt

uit je zwartgallige stemming, Edward. Je bent zwaarmoedig, en denkt

dat ieder, die anders is dan jezelf, gelukkig moet zijn. Vergeet niet,

dat het verdriet over een afscheid van goede vrienden door iedereen

nu en dan wordt gevoeld, afgezien van opvoeding of plaats in de

maatschappij. Je moogt je eigen geluk niet miskennen. Wat je noodig

hebt is geduld--of noem het liever bij een aantrekkelijker naam;

spreek van hoop. Je moeder zal je mettertijd die onafhankelijkheid

verzekeren, waarnaar je zoozeer verlangt; dat is haar plicht, en zij

zàl, zij moet binnenkort, ook ter wille van háár geluk, verhinderen,

dat je geheele jeugd wordt gesleten in onvruchtbare ontevredenheid. Wat

brengen misschien niet een paar maanden te weeg!"

"Ik zou wel eens willen weten," antwoordde Edward, "welk goeds zelfs

een groot aantal maanden voor mij zou kunnen uitwerken."

Al deelde zijn neerslachtige stemming zich niet mede aan Mevrouw

Dashwood, zijn zwaarmoedigheid maakte het afscheid, dat spoedig

hierna volgde, voor hen allen des te pijnlijker, en liet in Elinor een

gevoel van onrust achter, dat zij eerst na verloop van tijd en niet

zonder moeite vermocht meester te worden. Doch daar zij zich vast had

voorgenomen het te onderdrukken, en te zorgen dat zij niet méér dan

een der overige leden van het gezin zou schijnen te lijden onder zijn

afwezigheid, koos zij niet het middel, door Marianne bij een dergelijke

gelegenheid zoo zorgvuldig aangewend ter bevordering en bestendiging

van hare smart, door bij voorkeur stilte, eenzaamheid en lediggang

te zoeken. Even verschillend als beider doel waren hun middelen,

en evenzeer geschikt tot het bevorderen van ieders bijzonder oogmerk.

Elinor ging, zoodra hij was heengegaan, aan haar teekentafel zitten,

bleef den geheelen dag druk bezig; zocht noch vermeed zijn naam te

noemen, scheen bijna niet minder belang te stellen dan anders in

hun aller aangelegenheden, en zoo zij al door dit gedrag haar eigen

verdriet niet kon verzachten, het werd er althans niet onnoodig

door verzwaard, en zij bespaarde haar moeder en zusters veel

zorg omtrent haar gemoedsgesteldheid. Een dergelijk gedrag, zoo

lijnrecht in tegenstelling met het hare, scheen Marianne volstrekt

niet verdienstelijk, zoomin als haar eigen houding haar verkeerd had

toegeschenen. De vraag omtrent zelfbeheersching loste zij bijzonder

gemakkelijk op;--waren onze neigingen sterk, dan was zelfzucht

onmogelijk; waren zij gematigd, dan stak er geen verdienste in. Dat

haar zuster's neigingen gematigd _waren_, waagde zij niet te ontkennen,

al gaf zij het niet zonder schaamte toe; en de kracht harer eigene

bewees zij wel zéér duidelijk, door die zuster, ondanks deze pijnlijk

grievende overtuiging, nog steeds te blijven achten en liefhebben.

Al zonderde zij zich dus niet af van de anderen; al zocht zij

niet om hen te vermijden, hardnekkig de eenzaamheid buitenshuis,

en lag zij niet den geheelen nacht wakker om te kunnen nadenken,

Elinor ondervond, dat iedere dag haar voldoende gelegenheid schonk

om te denken aan Edward en aan Edward's gedrag, met alle mogelijke

gevoelens, die haar verschillende stemmingen op verschillende tijden

in haar konden verwekken;--met teederheid, medelijden, instemming,

afkeuring en twijfel. Er waren oogenblikken in overvloed, waarin,

zoo al niet door de afwezigheid van haar moeder en zuster, dan toch

wegens den aard hunner bezigheden, gesprekken waren uitgesloten, en zij

evengoed alleen had kunnen zijn. Het stond haar geest onvermijdelijk

vrij om te denken; haar gedachten konden niet elders met geweld worden

vastgehouden, en verleden en toekomst in verband met een zoo gewichtige

aangelegenheid, moesten zich wel aan haar opdringen, haar aandacht in

beslag nemen, en zich geheel en al meester maken van haar herinnering,

haar gepeinzen en haar verbeelding.

Uit zulk een droomerij werd zij, toen zij, op een morgen kort na

Edward's vertrek, aan haar teekentafel zat opgeschrikt door de komst

van bezoek. Zij was toevallig geheel alleen. Het dichtvallen van

het hekje aan den ingang van het grasveld voor hun huis deed haar

uit het venster kijken, en zij zag verscheiden personen, die recht

op hun deur kwamen aanwandelen. Daaronder bevonden zich Sir John en

Lady Middleton met Mevrouw Jennings; maar zij zag bovendien nog twee

anderen, een haar geheel onbekende heer en dame. Zij zat dicht bij

het venster, en zoodra Sir John haar in het oog kreeg, liet hij de

plichtpleging van aan de deur kloppen aan het gezelschap over, stapte

over het gras, en noodzaakte haar, het venster te openen om met hem

te spreken, ofschoon de afstand tusschen de deur en het venster zoo

gering was, dat men moeilijk op de eene plek een woord kon zeggen,

dat op de andere niet werd verstaan.

"Kijk eens," zei hij, "we hebben je vreemde gasten meegebracht. Wat

zeg je wel van hen?"

"Pas op! ze zullen u hooren."

"O, dat is niets, 't Zijn de Palmers maar. Charlotte ziet er

alleraardigst uit, hoor. Je kunt haar zien, als je dezen kant

uitkijkt."

Daar Elinor zeker wist, dat zij Charlotte over een paar minuten

zou zien, zonder zoo onbescheiden te zijn, waagde zij het, zich te

verontschuldigen.

"Waar is Marianne? Weggeloopen omdat ze ons zag aan komen? De piano

staat open, zie ik."

"Ik geloof, dat zij is gaan wandelen."

Hier voegde Mevrouw Jennings zich bij hen, die geen geduld had te

wachten tot de deur openging, en volstrekt moest vertellen wat _zij_

op het hart had. Zij kwam met veel drukte naar het raam stappen.

"Hoe maak je 't, kind? en hoe gaat het met Mevrouw Dashwood? En waar

zijn je zusters? Wel, wel, heel alleen! je zult blij zijn, dat er

iemand komt om je gezelschap te houden. Ik heb mijn anderen schoonzoon

en mijn dochter meegebracht om kennis met je te maken. Verbeeld je,

dat ze zoo onverwacht zijn gekomen! Ik dacht al dat ik een rijtuig

hoorde, toen we gisteravond aan de thee zaten; maar ik had geen flauw

idee dat zij 't konden zijn. Ik dacht maar niet anders of Kolonel

Brandon was teruggekomen, en ik zei nog tegen Sir John: "Mij dunkt,

ik hoor een rijtuig, dat is bepaald Kolonel Brandon, die terug is..."

Elinor moest zich midden in haar verhaal omkeeren om het overige

gezelschap te ontvangen; Lady Middleton stelde de beide vreemden voor;

Mevrouw Dashwood en Margaret kwamen meteen beneden, en allen gingen

zitten om elkaar eens op te nemen, terwijl Mevrouw Jennings met haar

verhaal voortging, onder de wandeling door de gang naar de zitkamer,

ditmaal tegen Sir John.

Mevrouw Palmer was een paar jaar jonger dan Lady Middleton, en in elk

opzicht geheel verschillend van haar zuster. Zij was klein en vrij

gezet, en had een allerliefst gezichtje, dat de meest opgeruimde

uitdrukking vertoonde, die men zich kon voorstellen. Haar manieren

waren bij lange na niet zoo bevallig; maar zij was oneindig meer

innemend. Zij kwam glimlachend binnen--glimlachte zoo lang het

bezoek duurde, behalve wanneer ze luid lachte, en glimlachte nog,

toen ze vertrok. Haar echtgenoot was een ernstig uitziende jonge man

van vijf- of zes en twintig jaar, die een meer gedistingeerden en

ook een meer verstandigen indruk maakte dan zijn vrouw, maar minder

geneigd scheen te behagen, of behagen te laten blijken. Hij kwam de

kamer in met iets zeer zelfbewust in zijn houding, boog even voor de

dames zonder een woord te spreken, en nadat hij haar en het vertrek

met een vluchtigen blik had opgenomen, nam hij een courant van de

tafel, en bleef daarin lezen, zoolang het bezoek duurde. Mevrouw

Palmer daarentegen, die door de natuur was begiftigd met een aanleg

om in alle omstandigheden beleefd en verheugd te zijn, zat nog niet

op haar stoel of zij barstte los in uitroepen van bewondering over

de kamer en al wat zich erin bevond.

"O, wat een verrukkelijke kamer is dit! Ik heb nooit zoo iets

beeldigs gezien! Hoe vindt u toch wel, mama, dat verschil bij de

vorige maal, dat ik hier was! Ik heb het altijd zoo'n aardig huisje

gevonden, mevrouw (tot mevrouw Dashwood), maar u hebt het zoo beeldig

gemaakt! Kijk toch eens, hoe verrukkelijk! Wat zou ik zelf graag

zoo'n huis hebben. Jij ook niet, man?"

De heer Palmer gaf geen antwoord, en sloeg zijn oogen zelfs niet op

van de courant.

"Mijnheer Palmer hoort mij niet," zei ze lachend. "Dat doet hij wel

meer, soms. Zoo grappig!"

Die opvatting was voor Mevrouw Dashwood iets nieuws; zij was nooit

gewend geweest in iemands onachtzaamheid iets geestigs te vinden en

zij kon niet nalaten hen beiden ietwat verwonderd aan te zien.

Mevrouw Jennings praatte intusschen door, zoo hard ze maar kon, en

ging voort met haar verslag van hun verrassing den vorigen avond,

bij 't zien van haar kinderen, zonder ophouden, tot het verhaal was

uitverteld. Mevrouw Palmer lachte hartelijk bij de herinnering aan

aller verbazing, en allen verhaalden, tot twee of driemaal toe, dat

het een alleraardigste verrassing was geweest. "Je begrijpt, hoe blij

we allen waren hen te zien," voegde Mevrouw Jennings erbij, terwijl

ze zich naar Elinor vooroverboog, en zachter sprak, alsof niemand het

mocht hooren, hoewel de anderen aan de overzij van het vertrek waren

gezeten; "maar met dat al had ik toch wel gewild, dat ze niet zoo'n

haast hadden gemaakt, en niet zulk een lange reis hadden gedaan want

ze gingen over Londen, voor zaken die ze daar hadden af te doen; omdat

het voor háár" (veelbeteekenend knikkend en naar haar dochter wijzend)

"eigenlijk verkeerd is in haar positie, weet je. Ik wou hebben dat

ze van morgen zou thuis blijven en rusten; maar ze wou volstrekt mee;

ze verlangde zoo, jelui allen te zien!"

Mevrouw Palmer lachte, en zei dat het haar geen kwaad zou doen.

"Ze verwacht in Februari haar bevalling," ging Mevrouw Jennings voort.

Lady Middleton kon dat gepraat niet langer aanhooren, en gaf zich

dus de moeite aan den Heer Palmer te vragen of hij veel nieuws vond

in de courant.

"Neen, in 't geheel niets," zei hij, en las verder.

"Daar komt Marianne aan," riep Sir John. "Palmer, nu zal je een

reusachtig mooi meisje zien."

Hij ging dadelijk in de gang, deed zelf de voordeur open en bracht

haar in de kamer. Mevrouw Jennings vroeg haar, zoodra ze haar zag, of

ze niet naar Allenham was geweest; en Mevrouw Palmer lachte hartelijk

om die vraag, om te laten blijken, dat zij het wel begreep. De Heer

Palmer keek op toen zij binnen kwam, staarde haar een paar minuten

aan, en wijdde zich daarop weer aan zijn courant. Mevrouw Palmer kreeg

nu de teekeningen in het oog, die aan den wand hingen. Zij stond op,

om ze nader te bezien. "Och, hoe mooi! Prachtig vind ik ze! Kijkt u

toch eens, mama, is dat niet snoezig? Beeldig zijn ze, ik zou er uren

naar kunnen kijken." Daarop ging ze weer zitten en vergat meteen,

dat er zooiets als schilderijen de kamer waren.

Toen Lady Middleton opstond om heen te gaan, deed de Heer Palmer

eveneens, legde de courant neer, rekte zich eens uit en keek allen

beurtelings aan.

"Heb je een dutje gedaan, schat?" zei zijn vrouw lachend.

Hij gaf haar geen antwoord, en zei alleen, na het vertrek nog eens te

hebben opgenomen, dat het erg laag van verdieping en dat de zoldering

scheef liep. Daarop maakte hij zijn buiging en trok met de anderen af.

Sir John had hen allen dringend verzocht, den volgenden dag op het

Park te komen doorbrengen. Mevrouw Dashwood, die niet verkoos drukker

gebruik te maken van hun gastvrijheid dan zij deden van de hare,

bedankte zeer bepaald, wat haarzelve betrof; haar dochters konden doen

zooals zij goedvonden. Maar zij waren niet nieuwsgierig te zien hoe de

Heer en Mevrouw Palmer hun middagmaal gebruikten, en eenig genoegen

was in ander opzicht niet van hen te wachten. Zij poogden zich dus

eveneens te verontschuldigen; het weer was ongestadig en voorspelde

niet veel goeds. Maar Sir John liet zich niet afschepen,--ze zouden

met het rijtuig worden afgehaald, en ze moesten komen. Lady Middleton,

die bij hun moeder niet verder aandrong, deed dit wèl bij hen. Mevrouw

Jennings en Mevrouw Palmer stemden in met haar dringend verzoek,

allen schenen evenzeer erop gesteld, niet _en famille_ te dineeren,

en de jonge dames moesten wel toegeven.

"Waarom vragen ze ons eigenlijk?" zei Marianne, zoodra ze weg waren,

"'t Heet dat de huurprijs van dit huisje laag is; maar 't komt ons

toch al heel onvoordeelig uit, wanneer we op Barton Park moeten eten

bij alle gelegenheden, dat er iemand logeert, bij hen of bij ons."

"'t Is nog evengoed hun bedoeling, beleefd en vriendelijk voor ons te

zijn met hun herhaalde uitnoodigingen," zei Elinor, "als het dat was

een paar weken geleden. Als hun avondpartijtjes nu vervelend en saai

zijn, dan ligt die verandering niet aan hèn. Dat verschil moeten we

ergens anders zoeken."

Gevoel en verstand · 第 28 / 61 题