Elinor maakte zich over de neerslachtigheid van haar vriend ernstig
ongerust. Zijn bezoek verschafte haar slechts een zeer beperkt
genoegen, nu hij zelf er blijkbaar slechts ten halve van genieten
kon. Het was duidelijk merkbaar dat hij zich ongelukkig voelde; zij
wenschte wel, dat hij haar even duidelijk de genegenheid liet blijken,
die zij eenmaal vast vertrouwde hem te hebben ingeboezemd; doch tot
nog toe scheen het zeer onzeker, dat die voorkeur was blijven bestaan,
en zijn teruggetrokken houding tegenover haar sprak het ééne oogenblik
tegen, wat een bezielde blik in het vorige verried.
Hij kwam den volgenden morgen bij haar en Marianne in de eetkamer, eer
de anderen beneden waren; en Marianne, die altijd gaarne bereid was,
waar zij kon, hun geluk te bevorderen, liet hen spoedig alleen. Doch
eer zij halverwege de trap was opgegaan, hoorde zij dat de kamerdeur
werd geopend, en zag tot haar verbazing Edward zelf op den drempel
staan.
"Ik ga naar het dorp om naar mijn paarden te zien," zei hij, "nu je
toch nog niet gaat ontbijten; ik kom dadelijk terug."
Toen Edward zich weer bij hen voegde, sprak hij opnieuw zijn
bewondering over de omgeving uit; hij had op zijn wandeling naar
het dorp vele punten in de vallei op hun mooist gezien; en van uit
het dorp zelf, dat veel hooger gelegen was dan hun huisje, had men
een ruim uitzicht over de geheele streek, dat hem buitengemeen had
getroffen. Dit was een onderwerp, waaraan Marianne gaarne haar aandacht
schonk, en reeds begon zij te vertellen van haar eigen bewondering
voor het landschap, en hem meer in bijzonderheden te vragen naar 't
geen hem het meest was opgevallen, toen Edward haar in de rede viel
door te zeggen: "Vraag nu niet te veel dóór, Marianne; je weet, ik heb
van schilderachtigheid geen verstand, en ik zal je stellig ergeren
door mijn onkunde en gebrek aan smaak, als we tot bijzonderheden
afdalen. Ik noem bergen steil, die jij grootsch zoudt noemen, ik
vind vormen vreemd en wanstaltig, die mij moesten verrukken door
hun grillige woestheid, en ik zeg, dat ik voorwerpen op een afstand
niet kan onderscheiden, terwijl ze volgens jou slechts vaag zouden
schemeren door de wazige zachtheid van een nevelige atmosfeer. Je
moet maar tevreden zijn met de soort van bewondering, die ik eerlijk
aan den dag kan leggen. Ik vind dit een mooie streek,--de bergen
zijn steil; in de bosschen groeit zwaar geboomte, en het dal ziet er
gezellig en welvarend uit, met sappige weilanden, waartusschen goed
onderhouden boerderijen verspreid liggen. Het is juist, wat ik versta
onder een mooie streek, omdat hier schoonheid en nut vereenigd zijn
te vinden--en ik geloof graag, dat het ook wel schilderachtig zal
zijn, omdat jij het bewondert; ik kan mij gemakkelijk voorstellen,
dat er heel wat rotsen en uitstekende punten in te vinden zijn,
begroeid met grauw mos en verwilderd struikgewas, maar die maken op
mij geen indruk. Schilderachtigheid is aan mij niet besteed."
"Ik vrees, dat het maar al te waar is," zei Marianne; "maar waarom
vind je 't noodig, je daarop te beroemen?"
"Ik zou haast denken," zei Elinor, "dat Edward in de ééne affectatie
vervalt, om de andere te vermijden. Omdat hij meent, dat veel menschen
méér bewondering beweren te gevoelen voor de schoonheden der natuur
dan ze werkelijk doen, en een afkeer heeft van die aanstellerij,
stelt hij zich zelf aan, alsof hij onverschilliger was en minder
bevoegd tot oordeelen in dezen, dan feitelijk het geval is. Hij is
kieskeurig, en verkiest zich aan te stellen op zijn eigen manier."
"'t Is wèl waar," zei Marianne, "dat bewondering van natuurschoon tot
een goedkoope napraterij is geworden. Iedereen beweert nu even fijn te
voelen en poogt even sierlijk dat gevoel uit te drukken als degene,
die het eerst de schoonheid van het schilderachtige onder woorden
bracht. Ik verfoei iedere soort van jargon, en het is wel gebeurd,
dat ik mijn gevoelens maar vóór mij hield, omdat ik geen woorden kon
vinden om ze in uit te drukken, dan door 't gebruik van versleten
phrasen, die zin en beteekenis hadden verloren door hun banaliteit."
"Ik ben overtuigd," zei Edward, "dat jij werkelijk de verrukking
_gevoelt_ over een mooi vergezicht, die je _beweert_ te voelen. Maar
van den anderen kant moet je zuster _mij_ nu weer niet méér laten
voelen dan ik _beweer_. Ik houd óók van mooie vergezichten, maar
niet op grond van hun schilderachtigheid. Ik houd _niet_ van kromme,
verdraaide, half vergane boomen; ik vind ze veel mooier als ze
recht en hoog zijn en door en door gezond. Ik houd óók niet van
havelooze, vervallen hutjes. En ik heb géén pleizier in brandnetels,
of distels, of heide en brem. Ik zie vrij wat liever een genoegelijk
boerderijtje dan een uitkijk-toren, en een groepje netgekleede,
tevreden dorpsbewoners behaagt mij meer dan de schilderachtige
bandieten van de wereld konden doen."
Marianne keek Edward verbaasd, en haar zuster medelijdend aan.--Elinor
lachte maar eens.
Ze gingen niet verder door op dat onderwerp, en Marianne bleef
nadenkend zwijgen, tot een nieuw voorwerp plotseling haar aandacht
trok. Zij zat naast Edward, en toen hij zijn theekopje van Mevrouw
Dashwood aannam, bewoog hij zijn hand zoo vlak voor haar oogen,
dat haar een ring opviel, met een haarvlechtje in het midden, die
hij aan den vinger droeg.
"Vroeger heb ik je nooit een ring zien dragen, Edward", riep
zij. "Is dat Fanny's haar? Ik herinner mij, dat zij beloofde 't je
te geven. Maar ik dacht, dat zij een donkerder tint van haar had."
Marianne zei, zonder na te denken, wat in haar opkwam,--maar toen ze
zag, hoe pijnlijk Edward was getroffen, gevoelde zij een ergernis over
haar onbedachtzaamheid, die de zijne nog ver overtrof. Hij kleurde
tot over de ooren, en zei, met een vluchtigen blik naar Elinor: "Ja,
het is mijn zuster's haar. De kleur verandert altijd een beetje,
als het in goud gevat is."
Elinor ving zijn blik op, en keek ook niet onbevangen. Evengoed als
Marianne, geloofde zij onmiddellijk, dat het haar eigen haar moest
zijn; het eenige verschil tusschen beider gevolgtrekkingen was dit:
dat Marianne het beschouwde als een vrijwillig geschenk van haar
zuster; terwijl Elinor overtuigd was, dat hij het had bemachtigd door
diefstal of langs een anderen weg, zonder hare voorkennis. Zij was
echter niet gezind, dit als een beleediging te beschouwen, en hield
zich alsof het voorgevallene haar aandacht was ontgaan, door dadelijk
over iets anders te spreken; terwijl ze zich in stilte voornam van nu
af elke gelegenheid aan te grijpen om het haar van nabij te bezien,
en zich de onomstootelijke zekerheid te verschaffen, dat het precies
de kleur van haar eigen was.
Edward bleef nog geruimen tijd niet op zijn gemak, en verviel later
weer in een van zijn langdurige vlagen van afgetrokkenheid. Hij was den
geheelen morgen bijzonder ernstig gestemd. Marianne verweet zichzelve
heftig wat ze had gezegd; maar ze zou eerder bereid zijn geweest,
zich haar misslag te vergeven, als ze geweten had, hoe weinig ergernis
die in haar zuster had gewekt.
Reeds voor den middag kregen zij bezoek van Sir John en Mevrouw
Jennings, die hadden gehoord dat er een heer op Barton Cottage
logeerde, en den gast eens kwamen opnemen. Met de hulp van zijn
schoonmoeder kwam Sir John er al spoedig achter, dat de naam Ferrars
met een _F_ begon, en die ontdekking was voldoende, om een toekomstige
mijn van geestigheden ten koste van de verliefde Elinor te doen leggen,
waarvan de losbarsting alleen door hun kortstondige bekendheid met
Edward vooralsnog kon worden verhinderd. Nu echter reeds werd haar
door enkele uiterst veelzeggende blikken te kennen gegeven tot hoever
hun doorzicht, gegrond op Margaret's inlichtingen, wel reikte.
Sir John kwam nooit bij de Dashwoods, zonder hen òf ten eten te vragen
voor den volgenden dag, òf op de thee, nog den zelfden avond. Bij deze
gelegenheid en tot meerder genoegen van den gast, tot wiens vermaak
hij zich verplicht voelde het zijne bij te dragen, inviteerde hij
hen voor beiden tegelijk.
"Jelui _moet_ van avond bij ons theedrinken," zei hij, "want we
zijn heelemaal onder ons;--en morgen mag je niet weigeren bij ons te
dineeren, want het is een groote partij". Mevrouw Jennings vond dit
ook volstrekt noodzakelijk. "En wie weet, of het dan niet tot een
dansje komt," zei ze. "Dat zal jou aanstaan, Marianne."
"Dansen?" riep Marianne. "Hoe kan dat nu! Wie danst er dan?"
"Wie? Nu, jelui zelf, en de Careys, en Whitakers dan toch? O, je dacht,
dat niemand meer dansen kon, nu zeker iemand is heengegaan?"
"Ik wou om een lief ding," riep Sir John, "dat Willoughby weer kon
meedoen."
Toen hij Marianne hierop zag blozen, kreeg Edward achterdocht. "Wie
is die Willoughby?" vroeg hij zachtjes aan Elinor, die naast hem zat.
Zij antwoordde vluchtig. Marianne's gezicht gaf veel meer te
kennen. Edward zag genoeg, om niet alleen de bedoeling der anderen
te vatten, maar ook uitdrukkingen van Marianne, waarover hij zich
verwonderd had, verklaard te zien, en toen het bezoek vertrokken was,
ging hij aanstonds naar haar toe en zei fluisterend: "Ik ben aan
't raden geweest. Zal ik je eens vertellen, wat ik denk?"
"Wat bedoel je?"
"Zal ik 't maar zeggen?"
"Ja zeker."
"Ik denk... dat Mijnheer Willoughby wel eens op de jacht gaat."
Marianne was verrast en verlegen; maar zij kon toch niet nalaten
te glimlachen om zijn stille guitigheid, en zei, na een oogenblik
zwijgens: "O Edward! Hoe kon je... Maar er zal, hoop ik, eens een
tijd komen... Ik weet zeker, dat je van hem houden zult."
"Daar twijfel ik niet aan," antwoordde hij, wel eenigszins verwonderd
over haar ernst, en de warmte waarmee ze sprak; want als hij niet
had gedacht, dat het maar een grap was, waarmee haar kennissen haar
plaagden, naar aanleiding van een vluchtige gecharmeerdheid tusschen
haar en dien Mijnheer Willoughby, dan zou hij niet hebben gewaagd,
erop te zinspelen.