"Ik wou," zei Margaret, een nieuw onderwerp op het tapijt brengend,
"dat iemand ons één voor één een groot fortuin present gaf."
"O, als dàt kon gebeuren!" riep Marianne, terwijl haar oogen
schitterden van opgewondenheid, en haar wangen gloeiden van blijdschap
over dat denkbeeldig geluk.
"Met dien wensch kunnen we ons zeker allen vereenigen," zei Elinor,
"ondanks de geringe bevrediging, die rijkdom vermag te schenken."
"Wat zou ik blij zijn," riep Margaret uit. "Ik ben benieuwd wat ik
er wel mee zou doen."
Marianne keek, alsof dàt punt voor haar aan geen twijfel onderhevig
was.
"Ik zou niet weten, hoe ik een groot fortuin moest besteden," zei
Mevrouw Dashwood, "als mijn kinderen alle drie reeds rijk waren zonder
mijn hulp."
"U moest dan maar beginnen met de voorgenomen verbeteringen van dit
huis," merkte Elinor op; "dan zou die moeilijkheid gauw zijn uit den
weg geruimd."
"Wat zouden er dàn uitgebreide bestellingen worden gedaan in Londen,"
zei Edward, "door alle leden van het gezin! Wat een blijde dag voor
boek- en muziekhandelaars en voor kunstkoopers! Elinor zou hun de
vrije hand laten, en zich al de fraaiste nieuwste etsen en plaatwerken
laten zenden;--en Marianne, ik ken haar royale opvattingen, er zou geen
muziek genoeg in Londen zijn om haar te voldoen. En boeken!--Thomson,
Cowper, Scott,--ze zou ze allen weer op nieuw aanschaffen, ze zou alle
exemplaren opkoopen, wed ik, om te verhinderen, dat ze in onwaardige
handen geraakten, en ze zou alle boeken willen hebben, waarin oude,
kronkelig vergroeide boomen worden bewonderd. Is het zoo niet,
Marianne? Wees niet boos als ik een beetje ondeugend ben. Maar ik
wou je eens laten zien, dat ik onze oude twistgesprekken nog niet
had vergeten."
"Ik wil graag aan 't verleden herinnerd worden, Edward,--herinneringen,
't zij ze treurig of vroolijk zijn, roep ik gaarne op, en je kunt
mij nooit grieven door te spreken over vroegere tijden. Je hebt
juist geraden, hoe ik mijn geld besteden zou; een gedeelte ervan,
mijn gereed geld tenminste, zou stellig dienen tot aanvulling van
mijn verzameling boeken en muziek."
"En 't kapitaal zou worden belegd in lijfrenten voor de schrijvers,
of hunne erfgenamen."
"Neen, Edward, daar zou ik iets anders mee hebben te doen."
"Misschien zou je 't uitloven als belooning voor den persoon, die het
best in een geschrift je geliefkoosden stelregel wist te verdedigen,
dat niemand meer dan eenmaal in zijn leven verliefd kan zijn, want
op dat punt is je meening zeker nog onveranderd?"
"Natuurlijk. Als men eenmaal zoo oud is als ik, dan is ons oordeel
tamelijk gevestigd. 't Is niet waarschijnlijk, dat ik nu nog iets
zou zien of hooren, dat mij van meening veranderen deed."
"Je ziet wel, Marianne staat nog even vast op haar stuk," zei Elinor,
"ze is nog steeds dezelfde."
"Ze is alleen wat ernstiger geworden dan vroeger."
"Dat mag _jij_ me niet verwijten, Edward," zei Marianne. "Je bent
zelf ook zoo heel vroolijk niet".
"Waarom denk je dat?" antwoordde hij, met een zucht. "Maar vroolijkheid
lag nooit in mijn aard."
"In Marianne's aard evenmin, dunkt mij," zei Elinor. "Zij is niet
wat ik een levendig, opgewekt meisje zou noemen; ze is heel ernstig
en vol vuur bij al wat ze doet;--ze spreekt soms veel, en altoos met
overtuiging;--maar eigenlijk vroolijk is ze bijna nooit."
"Ik geloof dat je gelijk hebt," antwoordde hij, "en toch heb ik haar
altoos als een druk, levendig meisje beschouwd."
"Op dergelijke vergissingen heb ik mijzelve dikwijls betrapt," zei
Elinor, "op een volkomen verkeerd begrijpen van iemands karakter in een
of ander opzicht; door mij te verbeelden dat de menschen vroolijker
of ernstiger, of verstandiger of dommer waren, dan ze feitelijk
zijn, en ik kan zelf niet zeggen waarom, of waaruit die vergissing
voortsproot. Soms laat men zich beïnvloeden door wat ze zeggen omtrent
zichzelf, en heel dikwijls door wat anderen van hen vertellen, zonder
zich den tijd te gunnen tot wikken en wegen eer men oordeelt."
"Maar ik dacht dat het juist goed was, Elinor," zei Marianne, "zich
geheel en al te laten leiden door het oordeel van anderen. Ik dacht
dat wij alleen meeningen mochten vormen, om ze te onderwerpen aan
die van onze buren. Dat is altijd je leer geweest."
"Neen, nooit, Marianne. Mijn bedoeling is nooit geweest dat het begrip
zich onderwerpen zou. Al wat ik ooit heb willen gewijzigd zien, was
het gedrag. Je moet mij niet verkeerd begrijpen. Ik beken, dat ik
dikwijls heb gewenscht, je onze kennissen over 't algemeen met meer
voorkomendheid te zien behandelen, maar heb ik je ooit aangeraden hun
gevoelens over te nemen, of je in gewichtige dingen te laten leiden
door hun oordeel?"
"Het is je dus niet gelukt, je zuster over te halen tot je zienswijze
op 't punt van de burgerlijke beleefdheid," zei Edward tot Elinor. "Heb
je niets gewonnen?"
"Integendeel," antwoordde Elinor, terwijl ze Marianne veelbeteekenend
aanzag.
"In theorie," zei Edward, "sta ik geheel aan jouw kant, maar ik vrees
dat ik in de praktijk op je zuster gelijk. Ik wensch nooit aanstoot te
geven; maar ik ben zoo belachelijk verlegen, dat ik dikwijls lomp lijk,
terwijl ik alleen word belemmerd door mijn aangeboren onhandigheid. Ik
heb mij wel eens verbeeld dat ik zeker door de natuur voorbestemd was
om bij voorkeur in onbeschaafd gezelschap te verkeeren, zoo weinig
voel ik mij op mijn gemak onder lieden uit hoogeren stand, wanneer
ze mij vreemd zijn."
"Marianne kan voor haar nalatigheid in dat opzicht niet bepaald
verlegenheid als verontschuldiging aanvoeren," zei Elinor.
"Zij kent haar eigen waarde te goed, om valsche schaamte te gevoelen,"
antwoordde Edward. "Verlegenheid is alleen het gevolg van een zeker
minderheidsbesef in een of ander opzicht. Als ik mijzelf kon wijsmaken,
dat ik mij gemakkelijk en luchtig bewoog, dan zou ik niet verlegen
zijn."
"Maar terughoudend zou je altijd blijven," zei Marianne, "en dat is
nog erger."
Edward zette groote oogen op--"Terughoudend? Ben ik terughoudend,
Marianne?"
"Ja, heel erg."
"Ik begrijp je niet," antwoordde hij, met een hoogen
blos.--"Terughoudend!--hoe dan? in welk opzicht? Wat had ik je dan
moeten vertellen? Wat vermoedde je dan?"
Elinor keek vreemd op, toen zij hem zoo ontroerd zag; maar zei, om
het gesprek een schertsende wending te geven: "Je kent mijn zuster
toch genoeg om te begrijpen wat ze bedoelt? Je weet immers wel dat
zij ieder terughoudend noemt, die niet even snel spreekt, en al wat
zij mooi vindt niet even verrukt bewondert als zij zelf?"
Edward gaf geen antwoord. Hij werd weer juist zoo ernstig en nadenkend
als in het begin, en bleef langen tijd stil en afgetrokken.