HOOFDSTUK XVII

Mevrouw Dashwood was slechts een oogenblik verrast, toen zij hem zag;

want in haar oogen was zijn komst te Barton de natuurlijkste zaak

van de wereld. Haar blijde en hartelijke welkomstbetuigingen duurden

langer dan haar verwondering. Hij werd door haar allervriendelijkst

ontvangen; zijn verlegenheid, koelheid, en terughouding bleken niet

bestand tegen zulk een begroeting. Zij waren reeds aan het wankelen

gebracht, eer hij het huis binnentrad, en namen de wijk voor Mevrouw

Dashwood's innemende manieren. Werkelijk kon iemand moeilijk verliefd

zijn op eene harer dochters, zonder die liefde ook tot háár uit te

strekken; en Elinor zag hem tot haar blijdschap spoedig weer de oude

worden. Zijn genegenheid voor hen allen scheen weer op te leven, en

men kon voelen dat hij belangstelde in hun welvaren. Opgewekt was

hij echter niet; hij vond het huis mooi; bewonderde het uitzicht,

was voorkomend en vriendelijk; maar de ware vroolijkheid ontbrak. Zij

merkten het allen op, en Mevrouw Dashwood, die het toeschreef aan

zijn moeder's gemis van vrijgevigheid, ging aan tafel zitten met een

gevoel van ergernis over alle zelfzuchtige ouders.

"Welke vooruitzichten heeft Mevrouw Ferrars tegenwoordig voor je op het

oog, Edward?" vroeg zij, toen zij na het eten rondom het vuur zaten;

"moet je nog steeds een groot redenaar worden, tegen je zin?"

"Neen. Ik hoop dat moeder nu wel overtuigd is, dat ik voor het openbare

leven evenmin talent als neiging bezit."

"Maar hoe moet je roem dan worden gevestigd? Want beroemd moet je

worden, als je de familie zult tevredenstellen; en zonder neiging

tot uiterlijk vertoon, zonder behoefte aan omgang met vreemden,

zonder beroep, en zonder zelfvertrouwen, zou je dat wel moeilijk

kunnen blijken."

"Ik zal 't maar niet beproeven. Ik koester geen wensch om mij te

onderscheiden, en ik heb alle reden te hopen, dat ik dat nooit zal

doen. Den hemel zij dank, dat men mij genialiteit en welsprekendheid

niet kan afdwingen."

"Ik weet het wel, je hebt geen eerzucht. Je wenschen zijn alle even

gematigd."

"Even gematigd als die van andere menschen ook, zou ik denken. Ik

wensch, juist als ieder ander, volkomen gelukkig te zijn; maar,

precies als die anderen, op mijn eigen manier. In beroemdheid zal ik

geen geluk vinden."

"Geen wonder!" riep Marianne. "Wat heeft rijkdom of grootheid met

geluk te maken!"

"Grootheid maar weinig," zei Elinor; "rijkdom heel veel."

"O Elinor, schaam je! Geld geeft alleen dáár geluk, waar het in niets

anders te vinden is. Buiten zekere bescheiden grenzen, kan het geen

werkelijke voldoening schenken, voor zoover het de aanspraken geldt

van ons eigen ik."

"Misschien blijken we het ten slotte toch nog eens," zei Elinor

glimlachend. "Ik wed dat _jouw_ bescheiden grenzen en _mijn_ rijkdom

heel veel op elkaar gelijken, en daarzonder, dat geven we elkaar toe,

zouden we, zooals de wereld nu eenmaal is, alles ontberen, wat ons

uiterlijk gemak en behagen kan verschaffen. Jij vat de zaak alleen

wat breeder op dan ik. Kom er maar mee voor den dag; wat zijn je

'bescheiden grenzen?'"

"Een achttienhonderd of tweeduizend pond in het jaar; _meer_ dan

ook niet."

Elinor lachte. "_Twee_ duizend pond in het jaar! Voor mij is _een_

al rijkdom. Dat had ik wel gedacht."

"Maar tweeduizend pond is werkelijk een heel bescheiden inkomen,"

zei Marianne. "Met minder kan een gezin toch wel haast niet toe. Ik

vind niet dat ik buitensporige eischen stel. Een voldoende aantal

bedienden; een rijtuig, twee misschien, en jachtpaarden kan men niet

houden, als men met minder dan dat moet rondkomen."

Weer glimlachte Elinor, toen zij haar zuster zoo nauwkeurig hun

toekomstige uitgaven te Combe Magna hoorde beschrijven.

"Jachtpaarden!" herhaalde Edward.--"Maar waarom moet je jachtpaarden

erop nahouden? Iedereen jaagt toch niet."

Gevoel en verstand · 第 25 / 61 题