Marianne zou het onvergefelijk van zichzelve hebben gevonden,
als ze had kunnen slapen, den eersten nacht na het afscheid van
Willoughby. Ze zou den anderen den volgenden morgen niet zonder
schaamte in het gezicht hebben durven zien, als ze niet bij het opstaan
grooter behoefte had gehad aan rust, dan toen ze ging liggen. Maar de
gevoelens, die haar in zelfbedwang schande deden zien, bewaarden haar
voor het gevaar, zich die schande op den hals te halen. Zij lag den
geheelen nacht wakker, en _bijna_ den geheelen nacht schreide zij. Ze
stond met hoofdpijn op, kon niet spreken en weigerde iets te eten;
deed dus haar moeder en zusters onophoudelijk verdriet en verzette
zich tegen elke poging van hunne zijde om haar te troosten. Haar
gevoeligheid was waarlijk niet machteloos!
Na het ontbijt ging zij alleen wandelen, en zwierf bijna den geheelen
morgen rond in de omstreken van Allenham, zwelgend in herinneringen aan
verloren geluk, en zich onder tranen beklagend over den tegenwoordigen
tegenspoed.
Ook den avond sleet zij in algeheele overgave aan haar gevoel. Zij
speelde al de geliefkoosde liederen over, die zij Willoughby placht
voor te spelen, iedere melodie, waarin hun stemmen zoo dikwijls hadden
samengeklonken, en zat voor de piano te staren naar de muziek, die
hij voor haar had gecopieerd, tot haar hart zoo overstelpt was van
verdriet, dat zij niet treuriger kòn worden; en iederen dag schonk zij
op die wijze nieuw voedsel aan hare smart. Uren aaneen zat zij voor
de piano beurtelings te zingen en te schreien, en dikwijls werd haar
stem geheel door tranen verstikt. Ook in haar boeken, zoowel als in
muziek, zocht zij met voorliefde de rampzaligheid die de tegenstelling
tusschen voorheen en thans haar onvermijdelijk moest doen gevoelen. Zij
las niets anders, dan wat zij samen te lezen plachten.
Zóó heftige smart kon niet van eindeloozen duur zijn, na eenige dagen
verflauwde zij tot kalmer neerslachtigheid; doch de reeds genoemde
bezigheden, die zij dagelijks hervatte; haar eenzame wandelingen
en stille overpeinzingen leidden ook thans bijwijlen tot hevige
uitbarstingen van verdriet.
Van Willoughby kwam geen brief, en Marianne scheen dien ook niet te
verwachten. Haar moeder was verwonderd, en Elinor maakte zich opnieuw
ongerust. Maar Mevrouw Dashwood had altijd verklaringen bij de hand,
wanneer ze die behoefde, die althans haarzelve tevreden stelden.
"Je weet wel, Elinor," zei ze, "hoe dikwijls Sir John onze brieven
van de post haalt en ze voor ons bezorgt. We zijn het nu eens, dat
de zaak liever niet ruchtbaar moet worden, en we moeten erkennen dat
dit onmogelijk zou zijn, als Sir John hunne brieven over en weer in
handen kreeg."
Elinor kon dit niet tegenspreken, en zij trachtte die beweegreden
voldoende te achten ter verklaring van hun stilzwijgen.
Er was echter één middel om achter den waren staat van zaken te komen,
en alle geheimzinnigheid te verbannen, zóó recht op het doel afgaand,
zoo eenvoudig, en naar hare meening zoo verkieselijk, dat zij niet
kon nalaten, haar moeder dit aan de hand te doen.
"Waarom vraagt u Marianne niet zelf," zei zij, "of ze al of niet met
Willoughby verloofd is? Van u, haar moeder, die zoo vriendelijk en
toegevend voor haar is, kan die vraag haar niet grieven. 't Zou het
natuurlijk uitvloeisel zijn van uw genegenheid voor haar. Zij placht
één en al openhartigheid te zijn, tegenover u vooral."
"Die vraag zou ik haar nooit willen doen; in geen geval. Neem
eens voor een oogenblik aan, dat zij niet verloofd waren, hoeveel
verdriet zou ik haar dan doen door dat uitvragen. 't Zou in elk
geval heel weinig edelmoedig zijn. Ik zou nooit meer haar vertrouwen
verdienen, wanneer ik haar wilde dwingen tot een bekentenis van 't
geen voorloopig niemand nog mag weten. Ik ken Marianne door en door;
ik weet hoeveel zij van mij houdt, en dat ik niet de laatste zal zijn,
die de toedracht der zaak vernemen zal, wanneer de omstandigheden die
kennisgeving raadzaam doen achten. Ik zou nooit willen pogen iemands
vertrouwen af te dwingen; het allerminst dat van mijn eigen kind,
omdat haar plichtgevoel haar mogelijk zou weerhouden, dat vertrouwen
te weigeren, waar zij het liever niet geschonken had."
Elinor vond, met het oog op haar zuster's jeugd, deze opvatting
overdreven; en drong nog nader bij haar moeder aan; doch te
vergeefs; gezond verstand, natuurlijke bezorgdheid, vanzelfsprekende
voorzichtigheid, alles moest achterstaan bij Mevrouw Dashwood's
romantisch overdreven fijn gevoel.
Meerdere dagen verliepen, eer Willoughby's naam door een der
leden van het gezin in Marianne's tegenwoordigheid werd genoemd;
Sir John en Mevrouw Jennings achtten zich tot die kieschheid niet
verplicht, en hun geestigheden vermeerderden de pijn van menig
pijnlijk oogenblik;--doch op zekeren avond zeide Mevrouw Dashwood,
toen zij toevallig een deeltje van Shakespeare opnam:
"We hebben Hamlet nog niet uitgelezen, Marianne, onze beste Willoughby
ging heen, eer we 't hadden geëindigd. We zullen het wegleggen,
en als hij terugkomt... Maar het zal misschien maanden duren, eer
dàt gebeurt."
"Maanden?" riep Marianne, zeer verwonderd. "O neen,--weken zelfs niet!"
Mevrouw Dashwood had reeds berouw van haar gezegde, doch het deed
Elinor genoegen, daar het Marianne een antwoord had ontlokt, dat
haar volkomen vertrouwen in Willoughby uitdrukte, en haar voorkennis
omtrent zijn plannen verried.
Op zekeren morgen, een week ongeveer na zijn vertrek, haalden
hare zusters Marianne over, hen te vergezellen op hun dagelijksche
wandeling, inplaats van alleen rond te zwerven. Tot nu toe had zij op
die eenzame tochten angstvallig alle gezelschap vermeden. Als haar
zusters plan hadden de heuvels te beklimmen, dan sloop zij naar het
bosch; spraken zij van het dal, dan klom Marianne langs de steilste
paden, en zij was nooit ergens te vinden, wanneer de anderen gereed
waren om uit te gaan. Ten laatste echter werd er beslag op haar
gelegd door Elinor, die deze voortdurende afzondering zeer verkeerd
achtte. Zij wandelden langs den weg: door het dal, meestal zwijgend;
want Marianne's _geest_ liet zich niet dwingen, en Elinor, tevreden
nu zij in een opzicht haar zin had gekregen, wilde thans niet méér
beproeven. Voorbij den ingang van het dal, waar het landschap, ofschoon
nog schilderachtig en afwisselend, minder bergachtig werd en ruimer
uitzicht verleende, konden zij een groot deel overzien van den weg,
waarlangs zij voor de eerste maal naar Barton waren gekomen; en toen
zij deze plek hadden bereikt, bleven zij staan, om rond te zien en
het uitzicht te genieten over de vlakte, die zij van uit hun huisje in
de verte konden onderscheiden, thans vanuit een punt, tot waar hunne
wandelingen zich toevallig nog niet eerder hadden uitgestrekt. Onder
de voorwerpen, die het landschap stoffeerden, bespeurden zij spoedig
een, dat zich bewoog; het was een man te paard, die naderbij kwam. Na
een paar minuten zagen zij, dat het een heer was, en een oogenblik
later riep Marianne vol verrukking: "Hij is het; o zeker!--ik weet
dat hij het is!" en zij wilde hem reeds tegemoetsnellen, toen Elinor
haastig zeide: "Werkelijk Marianne, je vergist je. Het is Willoughby
niet. Deze man is zoo groot niet als hij, en heeft een andere houding."
"O jawel, jawel," riep Marianne, "hij is het; 't is zijn figuur,
zijn jas, zijn paard. Ik wist wel, dat hij gauw zou komen."
Ze liep onder het spreken haastig verder; en Elinor versnelde eveneens
haar schreden, om Marianne bij te houden, daar zij bijna zeker was,
dat het Willoughby niet kon zijn, en zij haar zuster's gedrag niet
wilde laten in 't oog vallen. Weldra waren zij geen dertig meter meer
van den vreemden heer verwijderd. Marianne keek nogmaals op; haar hart
ontzonk haar; zij keerde zich om en liep haastig terug; doch tegelijk
met de stemmen harer zusters, die haar toeriepen stil te staan,
hoorde zij een derde, bijna even welbekend als die van Willoughby,
hetzelfde verzoek tot haar richten, en toen zij zich verbaasd op
nieuw omwendde, herkende en begroette zij Edward Ferrars. Hij was de
eenige persoon ter wereld, wien zij op dat oogenblik kon vergeven,
dat hij niet Willoughby was; de eenige die haar een glimlach had kunnen
ontlokken. Zij drong haar tranen terug om hem toe te lachen, en vergat
een oogenblik haar eigen teleurstelling voor haar zuster's blijdschap.
Hij stapte af, liet zijn paard aan zijn rijknecht over, en wandelde met
hen terug naar Barton, waar hij hun een bezoek wilde komen brengen. Hij
werd door allen verwelkomd met de grootste hartelijkheid; vooral door
Marianne, die nog levendiger voldoening liet blijken over zijn komst
dan Elinor zelve. In Marianne's oogen scheen de begroeting tusschen
Edward en haar zuster slechts de voortzetting van die onverklaarbaar
koele houding, die zij hen te Norland reeds zoo dikwijls tegenover
elkaar had zien in acht nemen. Vooral van Edward's zijde ontbrak aan
die begroeting al wat een minnaar bij zulk een gelegenheid door blikken
of woorden had moeten aan den dag leggen. Hij was verlegen, scheen
niet eens blijde, hen te zien, keek noch verheugd, noch vroolijk,
zei bijna niet anders dan wat hem gevraagd werd, en liet tegenover
Elinor geen spoor van bijzondere genegenheid blijken. Marianne keek
en luisterde met toenemende verbazing. Ze begon bijna een hekel aan
Edward te krijgen, en ten slotte eindigde die opwelling, zooals elk
gevoel bij haar moest eindigen, met een terugkeer in gedachten tot
Willoughby, wiens gedrag dan ook wel een opvallende tegenstelling
vormde met dat van zijn uitverkoren aanstaanden schoonbroeder.
Na het korte stilzwijgen, dat volgde op de eerste verbaasde
begroetingen en vragen over en weer, vroeg Marianne aan Edward of hij
rechtstreeks uit Londen kwam. Neen, hij was reeds veertien dagen in
Devonshire geweest.
"Veertien dagen!" herhaalde zij, verwonderd, dat hij zoolang had
kunnen vertoeven in hetzelfde graafschap als Elinor, zonder haar te
komen opzoeken. Hij keek verlegen en bedrukt, terwijl hij antwoordde,
dat hij bij kennissen had gelogeerd in de buurt van Plymouth.
"Ben je nog voor kort in Sussex geweest?" vroeg Elinor.
"Een maand geleden ongeveer was ik nog te Norland."
"En hoe ziet ons dierbaar Norland er wel uit?" riep Marianne.
"Ons dierbaar Norland," zei Elinor, "zal er wel uitzien, zooals
gewoonlijk om dezen tijd van het jaar; de bosschen en de wegen bedekt
door een dichte laag dorre bladeren."
"O," riep Marianne, "met welke gevoelens van zielsverrukking zag
ik ze vroeger niet vallen! Wat was het zalig, als de wind ze op
mijn wandelingen in dichte vlagen om mij heen deed dwarrelen! Welke
gevoelens wekten zij niet, in vereeniging met het jaargetij, met de
geheele atmosfeer! Nu is er niemand, die acht op hen slaat. Ze worden
beschouwd als een last, haastig weggeveegd, en zooveel mogelijk aan
het gezicht onttrokken."
"Niet iedereen," zei Elinor, "is zóó verrukt van dorre bladeren
als jij."
"Neen, mijn gevoelens worden niet dikwijls gedeeld, niet dikwijls
begrepen. _Soms_ echter wèl."
Zij verzonk een korte poos in gepeins; doch zei, zich als 't ware
daaruit losrukkend, terwijl zij Edward op het landschap wees: "Zie,
Edward; dit is nu de vallei van Barton. Kijk nu dien kant eens uit,
en blijf dan bedaard, als je kunt. Zie je die heuvels? Heb je ooit zoo
iets prachtigs gezien? Links ligt Barton Park, tusschen die bosschen en
dat struikgewas. Je kunt den zijgevel van het huis onderscheiden. En
daar, aan den voet van dien laatsten heuvel, die zoo statig zich
verheft, ligt ons huisje."
"'t Is een mooie streek," gaf hij ten antwoord; "maar die laag gelegen
gedeelten zullen 's winters wel erg modderig zijn."
"Hoe kan je nu denken aan modder, terwijl je zulke dingen voor
oogen hebt?"
"Omdat ik, onder meer, één buitengewoon modderig laantje voor mijn
oogen zie."
"Vreemd toch!" zei Marianne tot zichzelf, onder 't voortwandelen.
"Heb je aardige buren hier? Zijn de Middleton's prettige menschen?"
"Neen, volstrekt niet," zei Marianne; "we hadden 't niet ongelukkiger
kunnen treffen."
"Maar, Marianne," riep haar zuster; "hoe kan je dat zeggen? Hoe kan
je zoo onrechtvaardig zijn? Het is een heel aardige familie, Edward,
en ze zijn voor ons allervriendelijkst geweest. Heb je dan vergeten,
Marianne, hoeveel prettige dagen we aan hen te danken hadden?"
"Neen," zei Marianne iets zachter, "en hoeveel onaangename oogenblikken
evenmin."
Elinor hield zich alsof zij het niet hoorde, en zich thans tot hun
gast wendend, poogde zij iets als een geregeld gesprek met hem gaande
te houden door te vertellen van hun nieuwe huis, de inrichting ervan,
en zoo meer, waardoor ze hem althans enkele vragen en opmerkingen
ontlokte. Zijn koelheid en terughouding kwetsten haar diep; zij was
geërgerd en bijna boos; doch met het vaste voornemen haar gedrag
jegens hem liever in overeenstemming te brengen met het verleden,
dan met zijn houding van nu, vermeed zij elk vertoon van ergernis of
ongenoegen en behandelde hem, zooals zij oordeelde, dat hij, wegens
hun familiebetrekking, behoorde behandeld te worden.