HOOFDSTUK XVI

Marianne zou het onvergefelijk van zichzelve hebben gevonden,

als ze had kunnen slapen, den eersten nacht na het afscheid van

Willoughby. Ze zou den anderen den volgenden morgen niet zonder

schaamte in het gezicht hebben durven zien, als ze niet bij het opstaan

grooter behoefte had gehad aan rust, dan toen ze ging liggen. Maar de

gevoelens, die haar in zelfbedwang schande deden zien, bewaarden haar

voor het gevaar, zich die schande op den hals te halen. Zij lag den

geheelen nacht wakker, en _bijna_ den geheelen nacht schreide zij. Ze

stond met hoofdpijn op, kon niet spreken en weigerde iets te eten;

deed dus haar moeder en zusters onophoudelijk verdriet en verzette

zich tegen elke poging van hunne zijde om haar te troosten. Haar

gevoeligheid was waarlijk niet machteloos!

Na het ontbijt ging zij alleen wandelen, en zwierf bijna den geheelen

morgen rond in de omstreken van Allenham, zwelgend in herinneringen aan

verloren geluk, en zich onder tranen beklagend over den tegenwoordigen

tegenspoed.

Ook den avond sleet zij in algeheele overgave aan haar gevoel. Zij

speelde al de geliefkoosde liederen over, die zij Willoughby placht

voor te spelen, iedere melodie, waarin hun stemmen zoo dikwijls hadden

samengeklonken, en zat voor de piano te staren naar de muziek, die

hij voor haar had gecopieerd, tot haar hart zoo overstelpt was van

verdriet, dat zij niet treuriger kòn worden; en iederen dag schonk zij

op die wijze nieuw voedsel aan hare smart. Uren aaneen zat zij voor

de piano beurtelings te zingen en te schreien, en dikwijls werd haar

stem geheel door tranen verstikt. Ook in haar boeken, zoowel als in

muziek, zocht zij met voorliefde de rampzaligheid die de tegenstelling

tusschen voorheen en thans haar onvermijdelijk moest doen gevoelen. Zij

las niets anders, dan wat zij samen te lezen plachten.

Zóó heftige smart kon niet van eindeloozen duur zijn, na eenige dagen

verflauwde zij tot kalmer neerslachtigheid; doch de reeds genoemde

bezigheden, die zij dagelijks hervatte; haar eenzame wandelingen

en stille overpeinzingen leidden ook thans bijwijlen tot hevige

uitbarstingen van verdriet.

Van Willoughby kwam geen brief, en Marianne scheen dien ook niet te

verwachten. Haar moeder was verwonderd, en Elinor maakte zich opnieuw

ongerust. Maar Mevrouw Dashwood had altijd verklaringen bij de hand,

wanneer ze die behoefde, die althans haarzelve tevreden stelden.

"Je weet wel, Elinor," zei ze, "hoe dikwijls Sir John onze brieven

van de post haalt en ze voor ons bezorgt. We zijn het nu eens, dat

de zaak liever niet ruchtbaar moet worden, en we moeten erkennen dat

dit onmogelijk zou zijn, als Sir John hunne brieven over en weer in

handen kreeg."

Elinor kon dit niet tegenspreken, en zij trachtte die beweegreden

voldoende te achten ter verklaring van hun stilzwijgen.

Er was echter één middel om achter den waren staat van zaken te komen,

en alle geheimzinnigheid te verbannen, zóó recht op het doel afgaand,

zoo eenvoudig, en naar hare meening zoo verkieselijk, dat zij niet

kon nalaten, haar moeder dit aan de hand te doen.

"Waarom vraagt u Marianne niet zelf," zei zij, "of ze al of niet met

Willoughby verloofd is? Van u, haar moeder, die zoo vriendelijk en

toegevend voor haar is, kan die vraag haar niet grieven. 't Zou het

natuurlijk uitvloeisel zijn van uw genegenheid voor haar. Zij placht

één en al openhartigheid te zijn, tegenover u vooral."

"Die vraag zou ik haar nooit willen doen; in geen geval. Neem

eens voor een oogenblik aan, dat zij niet verloofd waren, hoeveel

verdriet zou ik haar dan doen door dat uitvragen. 't Zou in elk

geval heel weinig edelmoedig zijn. Ik zou nooit meer haar vertrouwen

verdienen, wanneer ik haar wilde dwingen tot een bekentenis van 't

geen voorloopig niemand nog mag weten. Ik ken Marianne door en door;

ik weet hoeveel zij van mij houdt, en dat ik niet de laatste zal zijn,

die de toedracht der zaak vernemen zal, wanneer de omstandigheden die

kennisgeving raadzaam doen achten. Ik zou nooit willen pogen iemands

vertrouwen af te dwingen; het allerminst dat van mijn eigen kind,

omdat haar plichtgevoel haar mogelijk zou weerhouden, dat vertrouwen

te weigeren, waar zij het liever niet geschonken had."

Elinor vond, met het oog op haar zuster's jeugd, deze opvatting

overdreven; en drong nog nader bij haar moeder aan; doch te

vergeefs; gezond verstand, natuurlijke bezorgdheid, vanzelfsprekende

voorzichtigheid, alles moest achterstaan bij Mevrouw Dashwood's

romantisch overdreven fijn gevoel.

Meerdere dagen verliepen, eer Willoughby's naam door een der

leden van het gezin in Marianne's tegenwoordigheid werd genoemd;

Sir John en Mevrouw Jennings achtten zich tot die kieschheid niet

verplicht, en hun geestigheden vermeerderden de pijn van menig

pijnlijk oogenblik;--doch op zekeren avond zeide Mevrouw Dashwood,

toen zij toevallig een deeltje van Shakespeare opnam:

"We hebben Hamlet nog niet uitgelezen, Marianne, onze beste Willoughby

ging heen, eer we 't hadden geëindigd. We zullen het wegleggen,

en als hij terugkomt... Maar het zal misschien maanden duren, eer

dàt gebeurt."

"Maanden?" riep Marianne, zeer verwonderd. "O neen,--weken zelfs niet!"

Mevrouw Dashwood had reeds berouw van haar gezegde, doch het deed

Elinor genoegen, daar het Marianne een antwoord had ontlokt, dat

haar volkomen vertrouwen in Willoughby uitdrukte, en haar voorkennis

omtrent zijn plannen verried.

Op zekeren morgen, een week ongeveer na zijn vertrek, haalden

hare zusters Marianne over, hen te vergezellen op hun dagelijksche

wandeling, inplaats van alleen rond te zwerven. Tot nu toe had zij op

die eenzame tochten angstvallig alle gezelschap vermeden. Als haar

zusters plan hadden de heuvels te beklimmen, dan sloop zij naar het

bosch; spraken zij van het dal, dan klom Marianne langs de steilste

paden, en zij was nooit ergens te vinden, wanneer de anderen gereed

waren om uit te gaan. Ten laatste echter werd er beslag op haar

gelegd door Elinor, die deze voortdurende afzondering zeer verkeerd

achtte. Zij wandelden langs den weg: door het dal, meestal zwijgend;

want Marianne's _geest_ liet zich niet dwingen, en Elinor, tevreden

nu zij in een opzicht haar zin had gekregen, wilde thans niet méér

beproeven. Voorbij den ingang van het dal, waar het landschap, ofschoon

nog schilderachtig en afwisselend, minder bergachtig werd en ruimer

uitzicht verleende, konden zij een groot deel overzien van den weg,

waarlangs zij voor de eerste maal naar Barton waren gekomen; en toen

zij deze plek hadden bereikt, bleven zij staan, om rond te zien en

het uitzicht te genieten over de vlakte, die zij van uit hun huisje in

de verte konden onderscheiden, thans vanuit een punt, tot waar hunne

wandelingen zich toevallig nog niet eerder hadden uitgestrekt. Onder

de voorwerpen, die het landschap stoffeerden, bespeurden zij spoedig

een, dat zich bewoog; het was een man te paard, die naderbij kwam. Na

een paar minuten zagen zij, dat het een heer was, en een oogenblik

later riep Marianne vol verrukking: "Hij is het; o zeker!--ik weet

dat hij het is!" en zij wilde hem reeds tegemoetsnellen, toen Elinor

haastig zeide: "Werkelijk Marianne, je vergist je. Het is Willoughby

niet. Deze man is zoo groot niet als hij, en heeft een andere houding."

"O jawel, jawel," riep Marianne, "hij is het; 't is zijn figuur,

zijn jas, zijn paard. Ik wist wel, dat hij gauw zou komen."

Ze liep onder het spreken haastig verder; en Elinor versnelde eveneens

haar schreden, om Marianne bij te houden, daar zij bijna zeker was,

dat het Willoughby niet kon zijn, en zij haar zuster's gedrag niet

wilde laten in 't oog vallen. Weldra waren zij geen dertig meter meer

van den vreemden heer verwijderd. Marianne keek nogmaals op; haar hart

ontzonk haar; zij keerde zich om en liep haastig terug; doch tegelijk

met de stemmen harer zusters, die haar toeriepen stil te staan,

hoorde zij een derde, bijna even welbekend als die van Willoughby,

hetzelfde verzoek tot haar richten, en toen zij zich verbaasd op

nieuw omwendde, herkende en begroette zij Edward Ferrars. Hij was de

eenige persoon ter wereld, wien zij op dat oogenblik kon vergeven,

dat hij niet Willoughby was; de eenige die haar een glimlach had kunnen

ontlokken. Zij drong haar tranen terug om hem toe te lachen, en vergat

een oogenblik haar eigen teleurstelling voor haar zuster's blijdschap.

Hij stapte af, liet zijn paard aan zijn rijknecht over, en wandelde met

hen terug naar Barton, waar hij hun een bezoek wilde komen brengen. Hij

werd door allen verwelkomd met de grootste hartelijkheid; vooral door

Marianne, die nog levendiger voldoening liet blijken over zijn komst

dan Elinor zelve. In Marianne's oogen scheen de begroeting tusschen

Edward en haar zuster slechts de voortzetting van die onverklaarbaar

koele houding, die zij hen te Norland reeds zoo dikwijls tegenover

elkaar had zien in acht nemen. Vooral van Edward's zijde ontbrak aan

die begroeting al wat een minnaar bij zulk een gelegenheid door blikken

of woorden had moeten aan den dag leggen. Hij was verlegen, scheen

niet eens blijde, hen te zien, keek noch verheugd, noch vroolijk,

zei bijna niet anders dan wat hem gevraagd werd, en liet tegenover

Elinor geen spoor van bijzondere genegenheid blijken. Marianne keek

en luisterde met toenemende verbazing. Ze begon bijna een hekel aan

Edward te krijgen, en ten slotte eindigde die opwelling, zooals elk

gevoel bij haar moest eindigen, met een terugkeer in gedachten tot

Willoughby, wiens gedrag dan ook wel een opvallende tegenstelling

vormde met dat van zijn uitverkoren aanstaanden schoonbroeder.

Na het korte stilzwijgen, dat volgde op de eerste verbaasde

begroetingen en vragen over en weer, vroeg Marianne aan Edward of hij

rechtstreeks uit Londen kwam. Neen, hij was reeds veertien dagen in

Devonshire geweest.

"Veertien dagen!" herhaalde zij, verwonderd, dat hij zoolang had

kunnen vertoeven in hetzelfde graafschap als Elinor, zonder haar te

komen opzoeken. Hij keek verlegen en bedrukt, terwijl hij antwoordde,

dat hij bij kennissen had gelogeerd in de buurt van Plymouth.

"Ben je nog voor kort in Sussex geweest?" vroeg Elinor.

"Een maand geleden ongeveer was ik nog te Norland."

"En hoe ziet ons dierbaar Norland er wel uit?" riep Marianne.

"Ons dierbaar Norland," zei Elinor, "zal er wel uitzien, zooals

gewoonlijk om dezen tijd van het jaar; de bosschen en de wegen bedekt

door een dichte laag dorre bladeren."

"O," riep Marianne, "met welke gevoelens van zielsverrukking zag

ik ze vroeger niet vallen! Wat was het zalig, als de wind ze op

mijn wandelingen in dichte vlagen om mij heen deed dwarrelen! Welke

gevoelens wekten zij niet, in vereeniging met het jaargetij, met de

geheele atmosfeer! Nu is er niemand, die acht op hen slaat. Ze worden

beschouwd als een last, haastig weggeveegd, en zooveel mogelijk aan

het gezicht onttrokken."

"Niet iedereen," zei Elinor, "is zóó verrukt van dorre bladeren

als jij."

"Neen, mijn gevoelens worden niet dikwijls gedeeld, niet dikwijls

begrepen. _Soms_ echter wèl."

Zij verzonk een korte poos in gepeins; doch zei, zich als 't ware

daaruit losrukkend, terwijl zij Edward op het landschap wees: "Zie,

Edward; dit is nu de vallei van Barton. Kijk nu dien kant eens uit,

en blijf dan bedaard, als je kunt. Zie je die heuvels? Heb je ooit zoo

iets prachtigs gezien? Links ligt Barton Park, tusschen die bosschen en

dat struikgewas. Je kunt den zijgevel van het huis onderscheiden. En

daar, aan den voet van dien laatsten heuvel, die zoo statig zich

verheft, ligt ons huisje."

"'t Is een mooie streek," gaf hij ten antwoord; "maar die laag gelegen

gedeelten zullen 's winters wel erg modderig zijn."

"Hoe kan je nu denken aan modder, terwijl je zulke dingen voor

oogen hebt?"

"Omdat ik, onder meer, één buitengewoon modderig laantje voor mijn

oogen zie."

"Vreemd toch!" zei Marianne tot zichzelf, onder 't voortwandelen.

"Heb je aardige buren hier? Zijn de Middleton's prettige menschen?"

"Neen, volstrekt niet," zei Marianne; "we hadden 't niet ongelukkiger

kunnen treffen."

"Maar, Marianne," riep haar zuster; "hoe kan je dat zeggen? Hoe kan

je zoo onrechtvaardig zijn? Het is een heel aardige familie, Edward,

en ze zijn voor ons allervriendelijkst geweest. Heb je dan vergeten,

Marianne, hoeveel prettige dagen we aan hen te danken hadden?"

"Neen," zei Marianne iets zachter, "en hoeveel onaangename oogenblikken

evenmin."

Elinor hield zich alsof zij het niet hoorde, en zich thans tot hun

gast wendend, poogde zij iets als een geregeld gesprek met hem gaande

te houden door te vertellen van hun nieuwe huis, de inrichting ervan,

en zoo meer, waardoor ze hem althans enkele vragen en opmerkingen

ontlokte. Zijn koelheid en terughouding kwetsten haar diep; zij was

geërgerd en bijna boos; doch met het vaste voornemen haar gedrag

jegens hem liever in overeenstemming te brengen met het verleden,

dan met zijn houding van nu, vermeed zij elk vertoon van ergernis of

ongenoegen en behandelde hem, zooals zij oordeelde, dat hij, wegens

hun familiebetrekking, behoorde behandeld te worden.

Gevoel en verstand · 第 24 / 61 题