Het bezoek van Mevrouw Dashwood bij Lady Middleton had den volgenden
dag plaats, en twee van hare dochters vergezelden haar; doch Marianne
wilde liever niet medegaan, en verontschuldigde zich op grond van
een onbeduidend voorwendsel. Haar moeder, die hier uit opmaakte, dat
Willoughby den avond te voren beloofd had, haar te zullen opzoeken
gedurende hunne afwezigheid, had er niets op tegen, dat zij tehuis
bleef.
Bij hun terugkomst van Barton Park zagen zij Willoughby's rijtuig en
zijn bediende vóór het huis staan wachten, en Mevrouw Dashwood begreep,
dat haar vermoeden bewaarheid was. Tot dusver ging alles, zooals zij
verwacht had; maar toen zij het huis binnentrad, aanschouwde zij, wat
geen vooruitziende schranderheid haar had kunnen doen voorzien. Juist
toen zij de voordeur ingingen, zagen zij Marianne haastig uit de
huiskamer komen, blijkbaar bitter bedroefd, met haar zakdoek voor
de oogen, en zonder op hen te letten, de trap oploopen. Verwonderd
en verschrikt gingen zij aanstonds de kamer binnen, die zij pas
verlaten had, en vonden er niemand dan Willoughby, die tegen den
schoorsteenmantel geleund stond, met den rug naar hen toegekeerd. Hij
wendde zich om, toen zij binnenkwamen, en zijn gelaat vertoonde ten
duidelijkste de sporen eener even heftige aandoening, als die, welke
Marianne had overmeesterd.
"Scheelt haar iets?" riep Mevrouw Dashwood reeds op den drempel;
"is zij niet wel?"
"Ik hoop het niet," antwoordde hij, met een poging om vroolijk te
kijken, en na een oogenblik liet hij er met een gedwongen glimlach
op volgen: "Het zou zoo vreemd niet zijn, wanneer ikzelf mij onwel
gevoelde; want ik ga op het oogenblik gebukt onder een grievende
teleurstelling!"
"Teleurstelling!"
"Ja; want het is mij niet mogelijk, mij te houden aan onze
afspraak. Mevrouw Smith heeft van morgen het overwicht van haar rijkdom
doen gelden tegenover een armen afhankelijken bloedverwant door mij
voor zaken naar Londen te zenden. Ik heb zooeven mijn opdrachten
in ontvangst genomen, en Allenham vaarwel gezegd; en bij wijze van
vertroosting ben ik nu komen afscheid nemen van u."
"Naar Londen!--en ga je vandaag nog?"
"'t Is bijna reeds mijn tijd."
"Dat treft wel ongelukkig. Maar je moet doen, wat Mevrouw Smith
verlangt;--en haar opdracht zal je toch, hoop ik, niet lang van ons
verwijderd houden."
Hij kreeg een kleur, terwijl hij antwoordde: "U bent wel vriendelijk,
maar het is niet mijn bedoeling, zoo spoedig terug te keeren naar
Devonshire. Mijn bezoeken bij Mevrouw Smith worden nooit herhaald
binnen het jaar."
"En is Mevrouw Smith dan je eenige vriendin? Is Allenham het
eenige huis hier in de buurt, waar je welkom zoudt zijn? Foei,
Willoughby. Acht je je verplicht een uitnoodiging van mijne zijde af
te wachten?"
Hij bloosde nog dieper, en zei alleen met neergeslagen oogen:
"U bent waarlijk te goed."
Mevrouw Dashwood zag Elinor verbaasd aan. Elinor was niet minder
verwonderd. Een korte poos bewaarden allen het stilzwijgen. Mevrouw
Dashwood was de eerste, die sprak.
"Ik kan alleen herhalen, mijn waarde Willoughby," zeide zij, "dat ge
altijd welkom zult zijn in Barton Cottage; want ik wil niet aandringen
op uw spoedige terugkomst hier; daar ge zelf alleen kunt beoordeelen,
in hoeverre die Mevrouw Smith aangenaam zou zijn; en op dat punt
ben ik evenmin geneigd uw oordeel te wantrouwen, als ik gezind ben
twijfel te koesteren omtrent uw eigen wenschen."
"Voorloopig," antwoordde Willoughby verward, "zijn mijn verplichtingen
van dien aard... dat... ik durf niet hopen..."
Hij zweeg. Mevrouw Dashwood kon van verbazing geen woorden vinden,
en weer volgde er stilte. Willoughby verbrak het zwijgen door met een
flauwen glimlach te zeggen: "'t Is dwaasheid, nog langer zoo te blijven
dralen. Ik wil mijzelf niet verder kwellen, door een samenzijn met
vrienden, in wier gezelschap ik thans onmogelijk behagen scheppen kan."
Hij nam haastig van hen allen afscheid en verliet het vertrek. Zij
zagen hem in zijn rijtuig stappen en een oogenblik later verdween
het uit hun gezicht. Mevrouw Dashwood was te bewogen om haar gevoel
in woorden te uiten, en ging de kamer uit, om in eenzaamheid zich
over te geven aan de gevoelens van droefheid en zorg, veroorzaakt
door dit plotseling vertrek.
Elinor was niet minder ongerust dan haar moeder. Het daareven gebeurde
vervulde haar met angst en wantrouwen. Willoughby's houding bij het
afscheid, zijn verwarring en zijn voorgewende vroolijkheid maar vooral
zijn blijkbare ongeneigdheid om haar moeders uitnoodiging aan te nemen,
een terughouding, zóó vreemd in een minnaar,--in iemand als hij, dat
alles wekte in de hoogste mate haar bezorgdheid. Het eene oogenblik
vreesde zij, dat van zijn kant nooit eenig ernstig plan had bestaan;
en dan weer dacht zij, dat tusschen hem en haar zuster misschien
iets onaangenaams was voorgevallen; Marianne's droefheid, toen zij
uit de kamer kwam, had zéér goed het gevolg van een heftigen twist
kunnen zijn; en toch wanneer zij bedacht, hoe Marianne hem liefhad,
scheen twist tusschen hen haar bijna iets onmogelijks.
Doch onder welke omstandigheden dan ook hunne scheiding mocht hebben
plaats gehad; aan de diepe droefheid van haar zuster viel niet te
twijfelen, en zij dacht met innig medelijden aan de heftige smart,
waarin Marianne zeer waarschijnlijk thans niet slechts verlichting
zocht en vond, doch die zij het haar plicht zou achten aan te wakkeren
en te verlevendigen.
Na een half uurtje kwam haar moeder terug, en hoewel haar oogen
beschreid waren, keek zij toch niet bedrukt.
"Nu is onze beste Willoughby al een paar mijlen ver van Barton,
Elinor," zei ze, terwijl zij haar werk opnam en ging zitten; "en met
welk een bezwaard gemoed is hij op reis gegaan!"
"'t Is alles even vreemd. Zoo plotseling vertrokken! Het schijnt wel
het werk van één oogenblik. Wat was hij gisteravond nog gelukkig in
ons bijzijn, en zoo hartelijk, zoo vroolijk!--En nu, na slechts tien
minuten voorbereiding, is hij weg--niet voornemens terug te keeren? Er
moet meer zijn voorgevallen dan hij ons heeft willen bekennen. Hij
sprak niet als anders; hij was zichzelf niet. _U_ moet dat verschil
even goed hebben opgemerkt als ik. Wat kan het zijn? Een twist tusschen
hen beiden? Waarom zou hij anders zoo ongeneigd zijn gebleken om uwe
uitnoodiging aan te nemen?"
"'t Was niet, omdat hij het niet wenschte, Elinor! Dàt zag ik duidelijk
genoeg. Het stond niet in zijn macht. Ik heb over alles goed nagedacht,
dat verzeker ik je, en ik begrijp nu volkomen alles, wat mij eerst
even vreemd scheen als jou."
"Werkelijk, mama?"
"Ja. _Ik_ voor mij ben tot een heel bevredigende slotsom gekomen;--maar
jij, Elinor, die bij voorkeur twijfelt, als je daar kans toe
ziet... _jou_ zal die niet voldoen, dat weet ik wel; al zal je _mijn_
vertrouwen erin niet kunnen wegpraten. Ik ben vast overtuigd, dat
Mevrouw Smith zijn genegenheid voor Marianne vermoedt; dat zij die
afkeurt--misschien omdat zij andere plannen met hem heeft en daarom
erop gesteld is, hem uit den weg te krijgen; die zaak, die hij
voor haar moet regelen en waarvoor ze hem wegzendt, is natuurlijk
maar een voorwendsel, dat zij bedacht heeft. Zoo stel ik mij het
gebeurde voor. Daarbij komt dit: hij _weet_, dat zij die verbintenis
niet goedkeurt; hij durft haar dus op het oogenblik niet bekennen,
dat hij met Marianne is verloofd, en in zijn afhankelijke positie,
voelt hij zich verplicht, op haar plannen in te gaan, en Devonshire
voor eenigen tijd te verlaten. Ik weet het wel, je zult zeggen:
dat alles kàn, en kan óók _niet_ gebeurd zijn; maar ik luister naar
géén tegenwerping eer je mij een andere manier aan de hand doet, om
de zaak zóó gunstig uit te leggen. En wat heb je daar nu op te zeggen?"
"Niets, mama; want u hebt mijn antwoord reeds vooraf verwacht en
uitgesproken."
"Dus je zoudt gezegd hebben: het kan evengoed _niet_ als wèl zoo zijn
geweest. O Elinor, wat zijn je gevoelens toch onbegrijpelijk! Je
zoudt liever kwaad gelooven dan goed. Je zoudt liever _zoeken_
naar verdriet voor Marianne, en schuld van dien armen Willoughby,
dan naar verontschuldiging voor zijn gedrag. Je _verkiest_ hem nu
eenmaal schuldig te achten omdat hij bij het afscheid van ons niet
zoo hartelijk scheen als gewoonlijk. En is er dan geen verschooning te
vinden in een zekere verstrooidheid en neerslachtigheid, veroorzaakt
door de pas ondervonden teleurstelling? Zal geen enkele mogelijkheid
overwogen mogen worden, enkel en alleen omdat zij geen zekerheid
is? Zijn wij niets verplicht aan den man, dien wij om zoo goede
reden liefhebben, en die ons niet de geringste aanleiding gaf tot
verdenking? Mag dan de mogelijkheid niet worden aangenomen van
beweegredenen, volkomen gegrond op zich zelf, doch die voorloopig
onvermijdelijk verborgen moeten blijven? En, wat is het, per slot
van rekening, waarvan je hem verdenkt?"
"Dat kan ik u eigenlijk zelf niet zeggen. Maar het vermoeden van
iets onaangenaams is 't onvermijdelijk gevolg van een verandering,
zooals wij die daareven in hem hebben waargenomen. Er is echter
veel waars in wat u zegt omtrent de overwegingen te zijnen gunste,
die wij moeten laten gelden, en ik wensch werkelijk eerlijk te zijn
in mijn oordeel over iedereen. Willoughby kàn ongetwijfeld zeer
voldoende redenen hebben voor zijn gedrag, en ik hoop, dat dit het
geval is. Maar het zou toch meer iets voor hem zijn geweest, die
openlijk te erkennen. Geheimzinnigheid mag raadzaam zijn; maar ik
kan niet nalaten mij te verwonderen, dat juist hij die betracht."
"Je moogt hem geen verwijt maken van ontrouw aan zichzelf, waar die
afwijking noodzakelijk is. Maar je geeft dus werkelijk toe, dat ik
gelijk had, in wat ik tot zijn verdediging aanvoerde?--daar ben ik
blij om--dan gaat hij vrij uit."
Niet geheel en al. Het kan raadzaam zijn, hun verloving--(àls ze
verloofd zijn,)--geheim te houden voor Mevrouw Smith,--en als dat
het geval is, dan is het natuurlijk zéér noodig, dat Willoughby thans
slechts zelden in Devonshire gezien wordt. Maar dit is nog geen reden
om die verloving te verbergen voor òns."
"Verbergen voor òns? maar lieve kind, beschuldig je Willoughby
en Marianne van achterhoudendheid op dat punt? Dàt is wel vreemd,
terwijl je blikken hun dag aan dag een verwijt maakten van hun gebrek
aan voorzichtigheid."
"Van hun genegenheid heb ik geen bewijs meer noodig," zei Elinor,
"maar van hun verloofd zijn wèl."
"Ik ben omtrent beide punten volkomen gerust."
"En toch is er door geen van hen beiden één woord tegenover u gerept
van dat onderwerp."
"Ik had geen woorden noodig; hun daden spraken voor mij duidelijk
genoeg. Bewees niet zijn houding jegens Marianne en ons allen,
in de laatste weken, dat hij haar liefhad en als zijn aanstaande
vrouw beschouwde, en dat hij ons de genegenheid toedroeg die men
koestert voor zijn naaste verwanten? Hebben wij elkaar niet volkomen
begrepen? Vroeg hij niet dagelijks mijne toestemming, door zijn blik,
zijn houding, zijn oplettende en eerbiedige voorkomendheid? Mijn beste
Elinor, is het mogelijk dat je hun verloving in twijfel trekt? Hoe
kon die gedachte bij je opkomen? Hoe kan je veronderstellen, dat
Willoughby, overtuigd als hij moet zijn van je zuster's liefde,
haar zou verlaten, voor maanden achtereen misschien, zonder haar zijn
gevoel te openbaren;--dat ze zouden scheiden zonder elkaar wederzijdsch
vertrouwen te hebben geschonken?"
"Ik geef toe," antwoordde Elinor, "dat alle omstandigheden, op één na,
spreken ten gunste van hun verloving; maar die ééne is het volslagen
stilzwijgen, door beiden daaromtrent bewaard, en voor mij weegt die
eene tegen bijna alle andere op."
"Wat is dat vreemd. Je moet wel slecht over Willoughby denken, wanneer
je, na al wat tusschen hen is voorgevallen, nog kunt twijfelen aan
den aard van hun onderlinge verhouding. Dus hij sou al dien tijd
tegenover je zuster een rol hebben gespeeld? Denk je dat hij in zijn
hart onverschillig haar is?"
"Neen, dat kàn ik niet denken. Hij moet haar liefhebben, en dat doet
hij; daaraan twijfel ik niet".
"Een vreemd soort van teederheid is dat dan toch, die hem toestaat
haar te verlaten, zoo onverschillig, zoo onbezorgd omtrent de toekomst,
als je denkt, dat hij doet."
"U moet niet vergeten, mama, dat ik de zaak nooit als zeker
beschouwde. Ik beken, dat ik wel eens twijfel heb gekoesterd. Die
twijfel is echter reeds verminderd en zal misschien spoedig geheel
verdwijnen. Als het blijkt, dat zij in briefwisseling zijn, dan ben
ik niet bang meer."
"Je bent wèl toegevend, moet ik zeggen! Als je hen voor het
altaar zaagt staan, dan zou je nog denken, dat ze _misschien_
wel gingen trouwen. 't Is een leelijke trek in je.--Maar zulke
bewijzen heb _ik_ niet noodig. In mijn oogen is er niets gebeurd,
dat twijfel rechtvaardigde; tot verbergen werd geen poging gedaan;
alles ging volkomen open en zonder terughouding in zijn werk. Aan
je zuster's wenschen kan je niet twijfelen. 't Is dus Willoughby,
dien je verdenkt. En waarom? Is hij niet gevoelig en een man van
eer? Gaf hij ons door onstandvastigheid reden tot zorg en vrees? Zou
hij bedriegelijk kunnen zijn?"
"Ik geloof van niet; ik geloof van niet," riep Elinor. "Ik houd van
Willoughby; ik houd oprecht van hem; en twijfel aan de zuiverheid van
zijn karakter doet mijzelve niet minder pijn dan u. Tegen mijn wil is
die twijfel gerezen, en ik wil dat gevoel niet aanmoedigen. Ik beken,
dat ik schrikte van morgen, door die verandering in zijn houding; hij
sprak niet zooals van hem te verwachten viel, en bleef onhartelijk
tegenover uw vriendelijkheid. Maar dat alles laat zich verklaren
door de omstandigheden, die u als waar veronderstelt. Hij had pas
afscheid genomen van Marianne, had haar zien gaan, wanhopig bedroefd;
en als hij zich verplicht achtte, uit vrees Mevrouw Smith te ergeren,
de verleiding te weerstaan om hier spoedig terug te keeren, terwijl hij
toch wist, door het weigeren van uwe uitnoodiging, door te zeggen dat
hij voor langen tijd afscheid nam, tegenover ons gezin den schijn op
zich te laden van illoyaal en zonderling gedrag, dan had hij waarlijk
wel reden verlegen en verward te zijn. Onder die omstandigheden zou een
eenvoudige en openhartige uiteenzetting van zijn moeilijkheden hem meer
tot eer hebben gestrekt, en mijns inziens meer hebben gestrookt met
zijn aard en aanleg; maar ik zal niemand zijn gedrag verwijten, wegens
zoo enghartige redenen als een verschil in zienswijze met mijzelve,
of eene afwijking van wat _ik_ als goed en redelijk beschouw."
"Nu spreek je, zooals het behoort. Willoughby verdient waarlijk niet
beschouwd te worden met achterdocht. Al kennen _wij_ hem nog niet lang;
hij is hier geen vreemdeling; en wie heeft ooit iets te zijnen nadeele
gezegd? Hadden zijn omstandigheden hem veroorloofd, zelfstandig op te
treden en onmiddellijk te huwen, dan had het vreemd kunnen schijnen,
dat hij ons verliet, zonder mij alles thans reeds te bekennen; doch
dit is niet het geval. Het is een verloving, die in sommige opzichten
geen voorspoedig begin heeft gehad, want de tijd van hun huwelijk is
onzeker en veraf; zoodat dan ook stilzwijgen omtrent de zaak, thans,
voor zoover het mogelijk is, zeer raadzaam is geworden."
Hier werden zij gestoord door Margaret, die binnenkwam; en Elinor
had thans gelegenheid, na te denken over haar moeder's opvattingen;
te erkennen dat vele van haar vermoedens gegrond schenen, en te hopen,
dat alle zouden bewaarheid worden. Zij zagen Marianne niet eer het tijd
was om te eten, en zij zonder een woord te zeggen de kamer binnenkwam
en aan tafel ging zitten. Haar oogen waren rood en gezwollen, en het
scheen alsof zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Zij vermeed
hun aller blikken, kon noch eten, noch spreken, en toen haar moeder
na eenigen tijd zwijgend en met innig medelijden haar hand drukte,
bezweek haar geringe kracht geheel--zij barstte in tranen uit en
verliet het vertrek.
Deze diepe verslagenheid van geest bleef den geheelen avond
voortduren. Zij had geen macht over zichzelve, wijl die macht door
haar niet werd begeerd. Bij de geringste opmerking over iets, dat met
Willoughby in verband stond werd zij overweldigd door hare droefheid,
en ofschoon haar moeder en zusters hun uiterste best deden om haar
te ontzien, het was onmogelijk, tenzij ze een volstrekt stilzwijgen
wilden bewaren, elk onderwerp te vermijden, dat voor haar gevoel op
hem betrekking had.