Het voorgenomen tochtje naar Whitwell liep heel anders af, dan Elinor
had verwacht. Zij had erop gerekend bang op het water, doornat en
doodmoe te te zullen zijn; maar het kwam nog ongelukkiger uit; want
zij gingen in het geheel niet.
Om tien uur waren allen vergaderd op het Park, waar zij zouden
ontbijten. Het weer liet zich vrij goed aanzien, schoon het den
geheelen nacht had geregend; want de wolken dreven uiteen, en meermalen
vertoonde zich even de zon. Allen waren vroolijk en opgewekt, blij in
't vooruitzicht van een prettigen dag, en vast voornemens hun pleizier
niet te laten bederven door een weinig ongemak of tegenspoed. Aan het
ontbijt werden de brieven binnengebracht. Een ervan was voor Kolonel
Brandon;--hij nam den brief aan, keek naar het adres, verschoot van
kleur, en ging meteen de kamer uit.
"Wat scheelt Brandon?" vroeg Sir John.
Niemand kon het hem zeggen.
"Ik hoop dat hij geen slechte tijding heeft gekregen," zei Lady
Middleton. "Het moet wel iets bijzonders zijn, dat Kolonel Brandon
zoo plotseling van mijn ontbijttafel doet opstaan."
Na een minuut of vijf kwam hij terug.
"Toch geen slecht nieuws, Kolonel?" vroeg Mevrouw Jennings, toen
hij binnentrad.
"O neen, mevrouw; in 't geheel niet."
"Kwam de brief uit Avignon? Ik hoop toch, dat uwe zuster niet erger
is geworden?"
"Neen, mevrouw. De brief kwam uit Londen, 't was over zaken; anders
niet."
"Maar hoe kon het handschrift u zoo van streek brengen, als het niets
dan een brief over zaken was? Neen, neen, Kolonel, zoo komt u er niet
af; vertel ons nu maar de waarheid."
"Maar moeder," zei Lady Middleton; "bedenk toch wat u zegt."
"Misschien hebt u bericht gekregen, dat uw nichtje Fanny getrouwd
is?" zei Mevrouw Jennings, zonder acht te slaan op haar dochters
vermaning.
"Neen, dat was het ook niet."
"Nu, dàn weet ik, van wie de brief was. En ik hoop dat zij het
goed maakt."
"Wie bedoelt u, mevrouw?" zei hij, met ietwat verhoogde kleur.
"O, u weet best wie ik bedoel."
"Het spijt mij wel zéér, mevrouw," hernam hij, zich tot Lady Middleton
wendend, "dat ik juist vandaag dien brief moest ontvangen; want
hij handelt over zaken, die mijn onmiddellijk vertrek naar Londen
noodzakelijk maken."
"Naar Londen!" riep Mevrouw Jennings. ""Wat kunt u om dezen tijd van
het jaar in de stad hebben te doen?
"Ik zelf verlies veel erdoor," ging hij voort, "daar ik van zulk
aangenaam gezelschap moet afscheid nemen, doch het spijt mij te meer,
omdat ik vrees, u zonder mijne tegenwoordigheid geen toegang tot
Whitwell te kunnen verschaffen."
Dat was een slag voor hen allen!
"Maar als u een briefje aan de huishoudster schreef, Mijnheer Brandon,"
zei Marianne haastig; "zou dat niet voldoende zijn?"
Hij schudde het hoofd.
"We gaan toch," zei Sir John. "Het mag niet afspringen, nu we er bijna
zijn nog wel. Er zit niet anders op, Brandon, dan dat je morgen naar
de stad gaat."
"Ik wenschte wel dat het zoo gemakkelijk geschikt kon worden. Maar
ik kan mijn reis waarlijk geen dag uitstellen."
"Als u ons maar wilde vertellen, wat die zaak eigenlijk _is_,"
zei Mevrouw Jennings; "dan konden wij er over oordeelen, of het kon
uitgesteld worden of niet."
"Het zou geen zes uren verschil maken," zei Willoughby, "als u de
reis uitstelde tot we terug waren."
"Ik mag geen _uur_ verliezen."
Elinor hoorde, hoe Willoughby zachtjes tegen Marianne zei: "Er zijn
van die menschen die een hekel hebben aan buitenpartijen. Brandon
behoort er ook toe. Hij was zeker bang om kou te vatten, en bedacht
er deze uitvlucht op, om eraf te komen. Ik durf er vijftig guinea's
op verwedden, dat hij dien brief zelf geschreven heeft."
"Natuurlijk," antwoordde Marianne.
"Men kan je niet overhalen om van meening te veranderen, Brandon; dat
weet ik van ouds," zei Sir John; "als je eenmaal een voornemen hebt
opgevat. Maar ik blijf nog hopen, dat je je zult bedenken. Vergeet
niet, dat de beide dames Carey ervoor van Newton zijn gekomen, dat
de drie dames Dashwood ervoor van huis zijn komen wandelen, en dat
Mijnheer Willoughby twee uur vroeger dan gewoonlijk is opgestaan,
alles om dat uitstapje naar Whitwell."
Kolonel Brandon betuigde opnieuw zijn spijt, dat hij het gezelschap
moest teleurstellen, maar verklaarde tevens, dat dit onvermijdelijk
was.
"Nu, wanneer kom je dan terug?"
"Ik hoop dat we u hier weer te Barton zullen mogen verwelkomen," voegde
Lady Middleton erbij, "zoodra u weer uit Londen kunt vertrekken;
we moeten het uitstapje naar Whitwell dan maar uitstellen tot uw
terugkomst."
"Dat is heel vriendelijk van u. Maar het is zóó onzeker, wanneer
het mij mogelijk zal zijn terug te keeren, dat ik daaromtrent geen
afspraak durf maken."
"O, maar terugkomen moet en zàl hij," riep Sir John. "Als hij aan
't eind van de week niet weer hier is, ga ik hem halen."
"Ja, doe dat," zei Mevrouw Jennings; "dan kom je misschien erachter,
wat die zaak toch zijn mag."
"Neen, ik begeer mijn neus niet in andermans-zaken te steken; 't zal
wel iets zijn, waarvoor hij zich schaamt."
Een bediende kwam zeggen, dat de paarden van den Kolonel gereed waren.
"Je gaat toch niet te paard naar de stad?" vroeg Sir John.
"Neen,--niet verder dan tot Honiton. En dan met de postkoets."
"Nu, als je besloten bent te gaan, goede reis dan. Maar ik zou mij
liever nog eens bedenken."
"Ik verzeker je, dat het mij niet mogelijk is."
Hij nam afscheid van het geheele gezelschap.
"Is er geen kans, dat ik u en uw zusters dezen winter in de stad zal
ontmoeten, Juffrouw Dashwood?"
"Ik vrees van niet."
"Dan moet ik afscheid van u nemen voor langer dan mij lief is."
Voor Marianne boog hij alleen, zonder iets te zeggen.
"Kom, Kolonel," zei Mevrouw Jennings, "laat ons nu nog eer u heengaat,
hooren wat er achter zit."
Hij zei haar beleefd goedendag en ging, vergezeld door Sir John de
kamer uit.
De klachten en verzuchtingen, die de hoffelijkheid tot nu toe had
weerhouden, barstten van alle zijden los, en zij waren het steeds
weer op nieuw met elkaar eens, dat het afschuwelijk ergerlijk was,
zoo te worden teleurgesteld.
"Nu met dat al, ik kan 't je wel vertellen, wat dat voor zaken zijn",
zei Mevrouw Jennings zegevierend.
"Weet u het, mevrouw?" zeiden bijna allen tegelijk.
"Ja, 't is natuurlijk iets met Juffrouw Williams."
"En wie is Juffrouw Williams?" vroeg Marianne.
"Wat? Weet je niet wie Juffrouw Williams is? Je hebt toch stellig al
van haar gehoord? Zij is een bloedverwante van den Kolonel, lieve kind,
heel na verwant. We zullen maar niet zeggen, hoe na, om den jongen
dames geen aanstoot te geven." Iets zachter zei ze tegen Elinor:
"Ze is zijn natuurlijke dochter."
"Is het waar?"
"O ja; en ze lijkt sprekend op hem. Ik wed dat de Kolonel haar al
zijn geld nalaat."
Toen Sir John terugkwam, stemde hij van harte in met aller uitingen
van spijt over het gebeurde; maar besloot met te zeggen, dat zij nu
eenmaal allen bijeen waren, en iets moesten doen om de vroolijkheid
erin te houden; en na eenig overleg werd men het eens, al mocht de ware
vroolijkheid dan ook alleen in Whitwell te vinden zijn geweest, een
rijtoer in de omstreken hun althans een behoorlijke mate van voldoening
zou verschaffen. De rijtuigen kwamen voor; dat van Willoughby was het
eerste, en Marianne had er nog nooit zoo gelukkig uitgezien, als toen
zij instapte. Hij reed snel het park door; ze waren spoedig uit het
gezicht, en niemand kreeg hen meer te zien tot ze weer kwamen opdagen,
niet eer alle anderen reeds weer waren teruggekeerd. Ze waren beiden
verrukt over hun rit; maar zeiden alleen dat zij zich aan de boschpaden
hadden gehouden, terwijl de anderen de heuvels waren opgegaan.
Er was afgesproken, dat 's avonds zou worden gedanst, en dat ieder zoo
vroolijk zou zijn als de dag lang was. Aan het diner kwamen nog eenige
Carey's, en zij hadden het genoegen met zijn twintigen aan tafel te
zitten, 't geen Sir John veel voldoening schonk. Willoughby nam als
gewoonlijk plaats tusschen de beide oudste dames Dashwood. Mevrouw
Jennings zat aan Elinor's rechterhand, en zij hadden nog niet lang aan
tafel gezeten toen zij, zich achter haar en Willoughby naar Marianne
overbuigend, zeide, luid genoeg dat beiden het konden hooren: "Al ben
je nòg zoo loos, ik heb je gesnapt. Ik weet, waar je van morgen geweest
bent." Marianne kreeg een kleur en zei haastig: "Waar dan?" "Wist u
niet," zei Willoughby, "dat we een toertje hadden gedaan samen?"
"Ja, ja, mijnheer Durf-al, dat wist ik heel goed, en ik had het erop
gezet, uit te vinden, wáárheen dat toertje geweest was. Ik hoop dat
je huis naar je zin was, Marianne. 't Is verbazend groot, en als ik
je daar kom bezoeken, dan denk ik wel, dat je 't nieuw zult hebben
gemeubileerd; want dat had het al noodig toen ik het zag, zes jaar
geleden."
Marianne keek voor zich, verward en verlegen.
Mevrouw Jennings lachte hartelijk, en Elinor hoorde nu, dat zij, vast
besloten erachter te komen waar zij geweest waren, Willoughby's knecht
had laten uitvragen door haar eigen kamenier, en langs dien weg was
gewaar geworden, dat zij naar Allenham waren geweest, daar geruimen
tijd hadden gewandeld in den tuin, en het geheele huis bezichtigd.
Elinor kon bijna niet gelooven, dat dit waar kon zijn, want het leek
al zeer onwaarschijnlijk, dat Willoughby zou voorstellen, of Marianne
erin toestemmen, het huis binnen te gaan, terwijl Mevrouw Smith er
vertoefde, die Marianne volkomen vreemd was.
Zoodra zij de eetkamer verlieten, vroeg Elinor haar zuster wat ervan
aan was, en vernam tot haar groote verbazing, dat al wat Mevrouw
Jennings had verteld de zuivere waarheid was geweest. Marianne was
zelfs heel boos, dat zij eraan getwijfeld had.
"Waarom toch zou je denken, Elinor, dat we _niet_ daarheen waren
gegaan, of _niet_ het huis hadden bekeken? Heb je dan niet dikwijls
zelf gewenscht, dat te kunnen doen?"
"Ja Marianne, maar niet wanneer Mevrouw Smith thuis was, en zonder
ander gezelschap dan Mijnheer Willoughby."
"Mijnheer Willoughby is nu eenmaal de eenige persoon, die het recht
heeft, om dat huis te laten zien, en daar er in zijn rijtuig maar
plaats was voor twee konden wij onmogelijk anderen meenemen. 't Was
de prettigste dag, dien ik in mijn leven heb doorgebracht."
"Ik vrees," zei Elinor, "dat genoegen en gepastheid niet altijd
onvermijdelijk samengaan."
"Integendeel, juist dat genoegen bewijst zijn eigen onschuld; als er
werkelijk iets ongepasts was in wat ik deed, dan zou ik dat voortdurend
gevoeld hebben; want we weten het altijd als we iets verkeerds doen,
en met dàt besef kon ik geen pleizier hebben gehad."
"Maar, Marianne, begin je ook nu nog niet te twijfelen, of je gedrag
wel was zooals het behoorde, nu het je reeds zulke uiterst onbescheiden
opmerkingen heeft op den hals gehaald?"
"Als Mevrouw Jennings' onbescheiden opmerkingen tot bewijs moeten
dienen van onbehoorlijk gedrag, dan doen wij allen ons heele leven lang
niet anders dan overtredingen begaan in dat opzicht. Ik geef evenmin
om haar afkeuring, als ik zou hechten aan haar lof. Ik zie niet in,
dat ik iets verkeerds heb gedaan, door in den tuin van Mevrouw Smith
te wandelen, of haar huis te bezien. Beiden zullen eenmaal toebehooren
aan Mijnheer Willoughby, en..."
"Al zouden ze eenmaal aan jezelf toebehooren, Marianne, dan hadt je
nog geen recht, te doen wat je deedt."
Zij bloosde bij die toespeling, doch het was duidelijk te zien, dat
deze haar wel behaagde; en na een minuut of tien ernstig te hebben
nagedacht, kwam ze bij haar zuster terug, en zei vriendelijk en
vroolijk: "Misschien _was_ het wel een beetje ondoordacht van mij,
Elinor, om mee naar Allenham te gaan; maar Mijnheer Willoughby was
er zoo bijzonder op gesteld, mij het buitengoed te vertoonen; en
het huis is bijzonder mooi. Boven is er een allerliefste zitkamer,
juist de goede grootte, voor dagelijksch gebruik, en met nieuwe
meubels zou die verrukkelijk kunnen worden. Het is een hoek-vertrek,
met ramen aan twee zijden. Aan den eenen kant heeft men het uitzicht
over het grasveld achter het huis, op een prachtig bosch, tegen een
helling gelegen, en aan den anderen op de kerk en het dorp, met die
mooie, streng omlijnde heuvels er achter, die we zoo dikwijls hebben
bewonderd. Ik zag het niet eens op zijn best; want de meubels waren
allertreurigst,--maar als het nieuw werd ingericht... Willoughby zegt,
dat het met een uitgaaf van een paar honderd pond een van de mooiste
zomerverblijven in Engeland zou kunnen worden."
Als Elinor naar haar had kunnen luisteren, zonder door de anderen
gestoord te worden, dan zou ze alle kamers van het huis met evenveel
genoegen hebben beschreven.