Toen Elinor en Marianne den volgenden morgen samen wandelden,
vertelde de laatste aan hare zuster een nieuwtje, dat deze, ondanks
al wat zij reeds had ervaren omtrent Marianne's onvoorzichtigheid en
onnadenkendheid, verbaasde, door een zóó treffend bewijs te leveren
van die beide eigenschappen. Marianne vertelde haar verrukt, dat
Willoughby haar een paard had ten geschenke gegeven, een van de door
hem zelf gefokte paarden op zijn landgoed in Somersetshire, dat juist
geschikt was, om door eene dame te worden bereden. Zonder te bedenken,
dat het niet in haar moeders bedoeling lag paarden te houden,--dat
zij, indien zij al op dat besluit wilde terugkomen, terwille van dit
geschenk, een ander paard moest koopen voor een knecht, dien knecht
moest huren om het te berijden, en ten slotte nog een stal moest laten
bouwen om beide onder dak te brengen,--had zij zonder eenige aarzeling
het aanbod aangenomen, en vertelde haar zuster ervan met de grootste
opgetogenheid. "Hij is voornemens zijn bediende dadelijk ervoor naar
Somersetshire te zenden", voegde zij erbij, "en als het komt, gaan we
iederen dag rijden. Jij mag het ook gebruiken. Stel je toch eens voor,
Elinor, hoe zalig het zijn zal, in galop over onze heuvels te snellen."
Wel zéér ongeneigd was zij, te ontwaken uit dien geluksdroom,
zich te laten overtuigen van al de pijnlijke, maar noodzakelijke
bijkomstigheden, aan de zaak verbonden, en een tijdlang weigerde zij
koppig, ze in te zien. Een bediende meer zou zooveel niet kosten; mama
zou daar stellig niet op tegen hebben, voor hem was trouwens elk paard
goed genoeg; hij kon er altijd wel een krijgen van Het Park; en wat den
stal betrof, een klein schuurtje zou immers voldoende zijn. Eindelijk
waagde Elinor de vraag te opperen, of het wel gepast zou zijn, zulk
een geschenk aan te nemen van iemand, dien zij nog zoo weinig, of
althans zoo kort, kende.--Dat ging te ver. "Je vergist je, Elinor,"
zei ze met nadruk, "als je meent dat ik Willoughby maar oppervlakkig
ken. Ik heb nog niet lang met hem omgegaan, maar kennen doe ik hem
beter dan iemand anders ter wereld, behalve jou en mama. Tijd noch
gelegenheid zijn noodig om vertrouwelijkheid te doen ontstaan;--dat
doet alleen natuurlijke neiging. Sommige menschen zouden elkaar in
zeven jaar niet leeren kennen, en voor anderen zijn zeven dagen meer
dan genoeg. Ik zou 't meer ongepast van mijzelf vinden, als ik van
mijn broer een paard aannam, dan van Willoughby. Van John weet ik
zoogoed als niets af, hoewel we jaren onder een dak gewoond hebben;
maar mijn oordeel over Willoughby staat reeds lang vast."
Elinor vond het maar 't verstandigst, dat punt niet meer aan te
roeren. Zij kende haar zusters aard. Tegenstand in zulk een teere
aangelegenheid zou haar des te koppiger doen volharden in haar eigen
meening. Doch door een beroep op haar genegenheid voor hare moeder,
door haar voor te stellen, hoe die toegevende moeder zichzelve in
ongelegenheid zou moeten brengen, als zij (zooals te verwachten viel)
zou toestemmen in die uitbreiding van hun personeel, werd Marianne
tenslotte gekalmeerd; en zij beloofde, haar moeder niet tot zoo
onverstandige toegevendheid te zullen verleiden door te spreken
over het voorstel, en den eersten keer dat zij Willoughby weer zou
ontmoeten, hem te zeggen, dat zij verplicht was, het af te wijzen.
Zij hield haar woord, en toen Willoughby hen nog dien zelfden
dag kwam bezoeken, hoorde Elinor hoe zij op zachten toon hem hare
teleurstelling te kennen gaf, omdat zij zich verplicht zag, zijn
geschenk te weigeren. De redenen voor haar veranderd inzicht werden
hem tevens medegedeeld, en zij maakten een nader aandringen van zijne
zijde onmogelijk. Het was echter duidelijk blijkbaar, dat het hem
zeer speet; en nadat hij dit met nadruk had betuigd, liet hij er
op denzelfden gedempten toon op volgen: "Maar Marianne, het paard
blijft toch je eigendom, al kun je het nu niet gebruiken. Ik bewaar
het slechts zoolang tot je het komt opeischen. Als je Barton verlaat,
om in een eigen thuis je eigen huishouding te beginnen, dan zal Queen
Mab je ontvangen."
Elinor hoorde hem dit alles zeggen; en uit al zijn woorden, uit zijn
uitdrukking terwijl hij ze sprak, en uit het feit dat hij haar zuster
bij haar voornaam noemde, bleek haar oogenblikkelijk de onmiskenbaar
innige vertrouwelijkheid, de rechtstreeksche bedoeling, die niet den
minsten twijfel lieten aan hun onderlinge verstandhouding. Van dat
oogenblik af stond het voor haar vast, dat zij in stilte verloofd
waren, en die overtuiging wekte in haar geene andere reden tot
verwondering, dan deze, dat zulk een openhartig paar de ontdekking
van het geheim, door haar, of wie ook van hun vrienden, aan het toeval
overliet. Den volgenden dag vertelde Margaret haar iets, dat de zaak
in een nog helderder daglicht plaatste. Willoughby had den vorigen
avond bij hen doorgebracht, en toen Margaret een poos met hem en
Marianne alleen in de huiskamer was gebleven, had zij gelegenheid
gehad tot waarnemingen, die zij met een allergewichtigst gezicht aan
haar oudste zuster kwam berichten, zoodra zij samen alleen waren.
"O Elinor!" riep zij; "ik heb je een groot geheim te vertellen,
over Marianne. Ik geloof stellig, dat ze nu heel gauw gaat trouwen
met Mijnheer Willoughby."
"Dat heb je nu al bijna iederen dag gezegd, antwoordde Elinor,
"sedert ze elkaar voor 't eerst op High-Church Down ontmoetten; en
toen ze elkaar nog geen week kenden, was je al zeker, dat Marianne
zijn portret in haar medaillon droeg, tot het uitkwam dat het een
miniatuur-portretje van onzen oudoom was."
"O, maar dit is heel iets anders. Nu gaan ze stellig gauw trouwen,
want hij heeft een lok van haar haar."
"Pas maar op, Margaret. Misschien is dàt nu weer een haarlok van
_zijn_ oudoom."
"Neen werkelijk, Elinor; 't is van Marianne. Ik weet het stellig;
want ik zag hem het afknippen. Gisterenavond na de thee, toen jij en
mama uit de kamer waren gegaan, zaten ze druk samen te praten en te
fluisteren, en hij scheen haar telkens iets te vragen; en ten laatste
nam hij haar schaar, en knipte een lange krul van haar haar af, want
ze had het loshangen; en toen kuste hij het, en vouwde 't in een stuk
wit papier en legde dat in zijn notitieboek."
Deze bijzonderheden, uit zoo betrouwbare bron, kon Elinor niet
weigeren te gelooven, en zij was daartoe te minder geneigd, wijl het
voorgevallene volkomen in overeenstemming scheen met wat zijzelve
gehoord en gezien had.
Margaret gaf van haar schranderheid niet altijd blijk op de wijze,
die haar zuster het best kon behagen. Toen Mevrouw Jennings haar op
een avond te Barton Park dringend vroeg om toch eens te vertellen,
welke jonge man bij Elinor het hoogst stond aangeschreven, iets,
waarnaar zij reeds lang fel nieuwsgierig was, keek Margaret haar zuster
eens aan en zei: "Ik mag het zeker niet vertellen; of wèl, Elinor?"
Daarom moest natuurlijk iedereen lachen, en Elinor lachte zoogoed
mogelijk mee. Maar het kostte haar moeite. Zij wist maar al te goed,
dat Margaret iemand op het oog had, wiens naam zij niet kon verdragen
van nu af aan geregeld te moeten hooren, als Mevrouw Jennings met
haar grappen begon.
Marianne had oprecht medelijden met haar; maar zij maakte de zaak
eer erger dan beter, door met een hooge kleur en op driftigen toon
tegen Margaret te zeggen: "Vergeet niet dat je dingen, waarvan je
niet zeker bent, niet moogt oververtellen."
"'t _Zijn_ geen dingen, waarvan ik niet zeker ben," zei Margaret;
"je hebt het mij zelf verteld."
De vroolijkheid van 't gezelschap werd hierdoor nog verhoogd, en
Margaret werd dringend verzocht, nog iets meer los te laten.
"Och toe, Margaret, vertel het ons nu maar," zei Mevrouw Jennings. "Hoe
heet die mijnheer?"
"Ik mag 't niet zeggen, mevrouw. Maar ik weet het wèl; en waar hij is,
dat weet ik ook."
"Ja, dat kunnen we wel raden, in zijn eigen huis, te Norland,
natuurlijk. Ik wed dat het de dominé is."
"Neen, dàt is hij niet. Hij is in 't geheel niets."
"Margaret," zei Marianne, erg boos nu, "je weet best, dat je dit
alles maar uit den duim zuigt, en dat er niet eens zoo iemand bestaat."
"O, dan is hij zeker voor kort overleden, Marianne; want dat er zoo
iemand bestaan hééft, dat weet ik wel zeker, en zijn naam begint met
een F."
Innig dankbaar was Elinor, dat Lady Middleton op dat oogenblik de
opmerking maakte, "dat het geducht hard regende," hoewel zij die
opzettelijke onderbreking van het gesprek minder toeschreef aan eenig
medegevoel voor háár, dan aan den afkeer der gastvrouw van zulke
grove scherts, waarin haar moeder en haar man nu eenmaal behagen
hadden. Het door haar ingeleide onderwerp werd aanstonds opgevat
door Kolonel Brandon, die bij alle voorkomende gelegenheden anderer
gevoelens placht te ontzien; en beiden hadden elkaar over den regen
veel te vertellen. Willoughby opende de piano en vroeg Marianne, iets
voor te spelen, en bij die onderscheiden pogingen van verschillenden
der aanwezigen, om van het onderwerp af te stappen, kwam het gelukkig
tot rust. Maar Elinor bekwam niet zoo snel van den schrik, dien het
haar had veroorzaakt.
Er werd dien avond een plan beraamd om den volgenden dag een fraai
buitengoed te gaan bezichtigen, dat omstreeks twaalf mijlen van
Barton verwijderd lag, en toebehoorde aan een schoonbroeder van
Kolonel Brandon, zonder wiens geleide het niet te zien was, daar de
eigenaar, die buitenslands vertoefde, op dat punt strikte orders had
gegeven. Het park en de omgeving werden als bijzonder mooi geroemd,
en Sir John, die luide hun lof verkondigde, kon er in elk geval goed
over oordeelen, want hij had, in de laatste tien jaar, minstens
tweemaal elken zomer tochtjes erheen georganiseerd. Bij het park
behoorde een uitgestrekt meer, waarop des middags zou worden gezeild;
proviand werd medegenomen, er werden alleén open rijtuigen gebruikt,
en het beloofde een recht genoegelijke buitenpartij te zullen worden.
Enkelen onder het gezelschap vonden het een ietwat gewaagd plan,
om dezen tijd van het jaar, terwijl het de laatste veertien dagen
elken dag had geregend, en Mevrouw Dashwood, die reeds verkouden was,
liet zich door Elinor overreden om thuis te blijven.