Mevrouw Dashwood en hare dochters hadden zich weinig voorgesteld, toen
zij pas in Devonshire waren komen wonen, dat de verplichtingen van den
gezelligen omgang al spoedig zooveel van hun tijd zouden in beslag
nemen, of dat zij zoo herhaaldelijk uitnoodigingen en zoo geregeld
bezoeken zouden ontvangen, dat hun zeer weinig vrije tijd overbleef
voor ernstiger bezigheid. Toch was dit het geval. Toen Marianne
hersteld was, werden de plannen voor feestelijkheden in zijn eigen
huis en daarbuiten, die Sir John reeds lang had beraamd, werkelijk
ten uitvoer gebracht. De danspartijen op het Park namen een aanvang,
en boottochtjes werden gemaakt, zoo dikwijls een buiige Octobermaand
dat toeliet. Bij alle bijeenkomsten van dien aard was Willoughby van de
partij, en de luchtige en gemakkelijke toon, die natuurlijk heerschte
bij dergelijke gelegenheden, was juist erop berekend, om de toenemende
vertrouwelijkheid van zijn omgang met de Dashwoods te bevorderen, om
hem gelegenheid te schenken, Marianne in al haar lieftalligheid gade
te slaan; om steeds duidelijker zijn levendige bewondering te doen
blijken; en om door haar houding hem de stelligste verzekering te doen
ontvangen van haar genegenheid. Elinor kon zich niet verwonderen over
hun wederkeerige neiging. Zij wenschte alleen, dat deze minder openlijk
werd aan den dag gelegd, en een paar malen waagde zij het werkelijk,
Marianne de gewenschtheid van eenige zelfbeheersching onder het oog
te brengen. Maar Marianne verfoeide al wat naar verbergen zweemde,
waar openbaren niets waarlijk oneervols insloot, en opzettelijk
gevoelens te bedwingen, die op zich zelf niet afkeurenswaardig waren,
scheen haar niet alleen een onnoodige poging, maar een schandelijke
onderwerping van de rede aan banale en onjuiste opvattingen.
Willoughby dacht er eveneens over, en hun gedrag legde, ten allen
tijde, van hunne meeningen het trouwste getuigenis af.
In zijn tegenwoordigheid had zij voor niemand oog dan hèm. Al wat hij
deed, was goed. Al wat hij zei, was geestig. Als de avondjes op het
Park werden besloten met een spelletje kaart, dan bedierf hij zijn
eigen kansen en die van alle anderen, om haar de troeven in handen te
spelen. Wanneer de avond met dansen werd doorgebracht, dansten zij de
helft van den tijd met elkaar; en als ze gedurende een paar dansen
volstrekt moesten scheiden, stonden ze samen te praten, en zeiden
tegen anderen geen woord. Ze werden natuurlijk geducht uitgelachen
om hun gedrag; maar het scheen wel of spotternij hen niet beschamen,
en ternauwernood ergeren kon.
Mevrouw Dashwood nam zoo hartelijk en levendig deel in al hun
gevoelens, dat zij onmogelijk geneigd kon zijn, paal en perk te stellen
aan dit overdreven vertoon. Voor haar was dat slechts het natuurlijk
gevolg van een sterke genegenheid in een jongen en vurigen geest.
Het was een gelukkige tijd voor Marianne. Zij hing met haar geheele
hart aan Willoughby, en het sterke verlangen naar Norland, dat zij uit
Sussex had medegebracht werd, meer dan zij ooit mogelijk had geacht,
verzacht door de bekoring die zijn gezelschap verleende aan haar
tegenwoordige omgeving.
Elinor was niet zoo blij gestemd. Haar hart was niet zoo rustig, haar
genoegen in hun vermaken niet zoo onvermengd. Zij had geen vriend
en metgezel aangetroffen, die haar kon vergoeden wat zij achterliet,
en haar kon leeren, minder dan ooit met weemoed aan Norland terug te
denken. Noch Lady Middleton, noch Mevrouw Jennings konden met haar
de gesprekken voeren, die zij miste; hoewel de laatste onuitputtelijk
spraakzaam was, en van den beginne af een voorliefde voor Elinor had
doen blijken, die haar het leeuwendeel van de mededeelingen dier
dame bezorgde. Zij had haar eigen levensgeschiedenis reeds drie
of vier malen aan Elinor verteld, en als Elinor's geheugen bestand
was geweest tegen de zware eischen, die dit leerzaam verhaal eraan
stelde, dan had zij reeds aan het begin hunner kennismaking op de
hoogte kunnen zijn van de geringste bijzonderheden omtrent de laatste
ziekte van den Heer Jennings en wat hij gezegd had tegen zijn vrouw
een paar minuten voor hij stierf. Lady Middleton was alleen in zooverre
aangenamer gezelschap dan haar moeder dat zij beter zwijgen kon. Doch
Elinor had haar niet lang behoeven gade te slaan, om te bespeuren, dat
haar terughouding eenvoudig een zekere uiterlijke trage onbewogenheid
was, die met verstand niets had te maken. Tegenover haar man en haar
moeder was zij precies dezelfde als tegenover hen, en intimiteit kon
men dus van haar verwachten noch verlangen. Zij had nooit iets te
vertellen, dat zij niet den vorigen dag ook reeds had gezegd. Haar
onbeduidendheid bleef zich altijd gelijk; want zelfs haar stemming
was onveranderlijk dezelfde; en hoewel zij er niets tegen had,
dat haar man buitenpartijen gaf, zoolang alles in de puntjes was,
en haar beide oudste kinderen haar mochten gezelschap houden, zij
scheen er nooit meer pleizier in te hebben, dan zij thuis evengoed
zou hebben gevonden;--en zoo weinig droeg hare tegenwoordigheid bij
tot het genoegen der anderen, door eenige deelname in hun gesprek,
dat zij somtijds alleen herinnerd werden aan hare tegenwoordigheid
door haar bezorgdheid over haar lastige jongens.
Onder al haar nieuwe kennissen vond Elinor slechts in Kolonel Brandon
iemand, die ook maar eenigszins kon aanspraak maken op eerbied
voor zijn gaven en op vriendschappelijke belangstelling, of wiens
gezelschap haar aangenaam was. Willoughby kwam niet in aanmerking. Zij
bewonderde hem en was hem welgezind, ja zusterlijk genegen; maar hij
was verliefd; hij wijdde zich uitsluitend aan Marianne, en een veel
minder aantrekkelijke persoonlijkheid zou aangenamer in den omgang
hebben kunnen zijn. Kolonel Brandon had, jammer genoeg voor hem, geen
dergelijke aanmoediging ontvangen om aan Marianne al zijn gedachten
te wijden, en in zijn gesprekken met Elinor vond hij den grootsten
troost over de volkomen onverschilligheid van haar zuster.
Elinor's medelijden met hem groeide nog aan, toen zij reden kreeg te
vermoeden, dat hij de smart van teleurgestelde liefde reeds eerder
had leeren kennen. Dit vermoeden werd gewekt door enkele woorden,
die hij zich liet ontvallen op een avond te Barton Park, toen zij
met beider goedvinden waren gaan zitten, terwijl de anderen aan het
dansen waren. Zijn blik bleef een poos gevestigd op Marianne, en na
eenigen tijd te hebben gezwegen, zeide hij met een flauwen glimlach:
"Ik meen te hebben begrepen, dat uw zuster aan een genegenheid,
die niet de eerste is, hare goedkeuring niet kan schenken."
"Neen," antwoordde Elinor; "zij heeft merkwaardig romantische
denkbeelden."
"Of liever gezegd, zij beschouwt zulk een genegenheid als ondenkbaar,
geloof ik."
"Ik geloof ook, dat zij er zoo over denkt. Doch hoe ze dat kan doen,
zonder als 't ware een blaam te werpen op het karakter van haar vader,
die zelf twee vrouwen heeft gehad, dat begrijp ik niet. Maar over een
paar jaren zullen haar meeningen wel gevestigd zijn op den redelijken
grondslag van gezond verstand en onbevooroordeelde waarneming; en
dan zullen zij gemakkelijker zijn te bepalen en te rechtvaardigen,
dan het thans iemand, behalve haarzelve, mogelijk is te doen."
"Zoo zal het waarschijnlijk wel gaan," was zijn antwoord; "en toch is
er iets zoo beminnelijks in de vooroordeelen van een jeugdigen geest,
dat het ons leed doet, ze te zien vervangen door ruimere opvattingen."
"Dàt ben ik niet met u eens," zeide Elinor. "Aan zulke gevoelens
als die van Marianne zijn nadeelen verbonden, die al de bekoring
van geestdrift en gemis van wereldwijsheid niet kan vergoeden. Haar
opvattingen leiden alle in de noodlottige richting, die geen rekening
verkiest te houden met maatschappelijk fatsoen; en in een vermeerdering
van haar wereld- en menschenkennis zie ik voor haar het grootste heil."
Na een korte stilte hervatte hij het gesprek, door te vragen: "Maakt uw
zuster in het geheel geen onderscheid in haar bezwaren tegen een tweede
liefde, of is dat vergrijp in ieder even misdadig te achten? Moeten
zij, die in hun eerste keuze zijn teleurgesteld, 't zij door de ontrouw
van het voorwerp ervan, 't zij door den ongelukkigen samenloop der
omstandigheden, nu ook verder hun leven lang onverschillig blijven?"
"Zóó precies ben ik werkelijk niet op de hoogte van haar beginselen op
dit punt. Ik weet alleen, dat ik haar nog nimmer heb hooren toegeven,
dat eenige tweede genegenheid vergefelijk zou kunnen zijn."
"Dàt kan," zei hij, "niet altijd zoo blijven; doch een omkeer,
een algeheele verandering van inzicht... neen, neen, die is niet
wenschelijk,--want wanneer de romantische kiesche denkbeelden van
een jeugdigen geest door de werkelijkheid worden teruggedrongen,
hoe dikwijls maken zij dan plaats voor opvattingen, die maar al te
gangbaar zijn, en maar al te gevaarlijk. Ik spreek uit ervaring. Ik
heb eens een dame gekend die wat aard en aanleg betrof, zeer
veel op uwe zuster geleek, die dacht en oordeelde als zij, doch
die door een gedwongen verandering... door een opeenvolging van
noodlottige omstandigheden..." Hier zweeg hij plotseling; scheen
te denken dat hij te veel had gezegd, en wekte door de uitdrukking
van zijn gelaat in Elinor vermoedens, die zij anders allicht niet
zou hebben gekoesterd. De dame van wie hij sprak zou waarschijnlijk
haar achterdocht niet hebben gaande gemaakt, zoo hij Elinor niet
had overtuigd, dat haar aangelegenheden niet over zijne lippen
behoorden te komen. Thans echter was er geen sterke inspanning der
verbeeldingskracht noodig om zijn aandoening in verband te brengen
met de teedere herinnering aan een vroegere genegenheid. Elinor
raadde niet méér. Doch Marianne, in hare plaats, zou zich daarmede
niet vergenoegd hebben. De geheele geschiedenis zou weldra door haar
levendige verbeelding in elkaar zijn gezet, en uitgewerkt tot een
allerdroevigst verhaal van jammerlijk ongelukkige liefde.