Marianne's levensredder, zooals Margaret, meer sierlijk dan juist,
zich uitdrukkend, den Heer Willoughby betitelde, kwam reeds vroeg
den volgenden morgen zich persoonlijk van den goeden afloop van
het ongeval overtuigen. Mevrouw Dashwood ontving hem met nog iets
meer dan beleefdheid, met een vriendelijkheid, waartoe Sir John's
mededeelingen en haar eigen dankbaarheid haar aandreven; en al wat
voorviel gedurende zijn bezoek werkte mede om hem een hoogen dunk te
doen opvatten van de verstandelijke ontwikkeling, de fijne beschaving,
de wederkeerige genegenheid en het huiselijk behagen van het gezin,
dat hij door een toeval had keren kennen. Omtrent de uiterlijke
bekoorlijkheden der jonge dames behoefde geen tweede ontmoeting hem
vollediger zekerheid te verschaffen.
Elinor zag er wat teer uit; maar had geregelde trekken, en een
bijzonder lief figuurtje. Marianne was mooier. Misschien iets minder
welgebouwd dan haar zuster, viel zij door haar lengte meer op dan
deze, en haar gezichtje was zóó bekoorlijk, dat men, door haar met de
gewone overdrijving van banale loftuigingen "een schoonheid" te noemen,
der waarheid minder te kort deed, dan gewoonlijk geschiedt. Haar tint
was zeer donker, maar het doorschijnend zuivere van haar fijne huid
deed haar schitterenden blos des te meer uitkomen, hare trekken waren
welbesneden, haar glimlach was bekoorlijk en innemend, en haar oogen,
die zeer donker waren, tintelden van een leven, een geest, een vuur,
die men niet kon aanschouwen zonder in verrukking te geraken. Hun
uitdrukking bleef aanvankelijk tegenover Willoughby eenigszins
ingehouden, tengevolge van de verlegenheid, door de herinnering aan
zijn hulp opnieuw gewekt. Doch toen dat voorbijging, toen zij haar
rustige zelfbezinning herkreeg,--toen zij zag, dat hun bezoeker aan
zijn volmaakte wellevendheid zoowel openhartigheid als levendige
vroolijkheid paarde, en vooral toen zij hem hoorde verklaren, dat
hij een hartstochtelijk liefhebber was van dansen en muziek, gaf
haar blik een onmiskenbaar welgevallen te kennen, dat haar voor den
verderen duur van het bezoek zijn onverdeelde aandacht verzekerde.
Het was voldoende, een harer geliefkoosde uitspanningen aan te roeren,
om haar aan het praten te brengen. Zij kòn niet zwijgen, wanneer
die onderwerpen ter sprake kwamen, en verlegenheid of terughouding
bestonden daarbij voor haar niet. Zij ontdekten al spoedig, dat
de liefhebberij voor dansen en muziek door beiden werd gedeeld, en
voortsproot uit een algeheele overstemming van hun oordeel omtrent
al wat met die genoegens in verband stond. Hierdoor aangemoedigd
tot een nader onderzoek naar zijne opvattingen, begon zij hem te
ondervragen op het punt van literatuur; haar geliefkoosde schrijvers
werden opgenoemd en besproken met een zoo geestdriftige verrukking,
dat een jong mensch van vijf en twintig jaar wel uiterst ongevoelig
moest zijn geweest, zoo hij niet onmiddellijk overtuigd ware geworden
van de voortreffelijkheid hunner werken, al had hij ze van te voren
nooit ingezien. Hun smaken kwamen merkwaardig overeen. Dezelfde
boeken, dezelfde bladzijden erin werden door hen om het vurigst
bewonderd,--en zoo er al eenig verschil van meening bestond, eenige
tegenwerping werd geopperd, dan duurde dit toch slechts zóólang tot
de welsprekendheid harer argumenten en de schittering in haar oogen
het pleit hadden beslecht. Hij was het eens met al haar beslissende
uitspraken, stemde in met al haar verrukte ontboezemingen, en lang
vóór zijn bezoek was geëindigd, waren zij reeds zoo vertrouwelijk in
gesprek alsof zij elkander jaren hadden gekend.
"Nu Marianne," zei Elinor, zoodra hij was heengegaan; "mij dunkt dat
je dezen éénen morgen goed gebruikt hebt. Op bijna elk belangrijk
punt heb je Mijnheer Willoughby's meening weten in te winnen. Je hebt
gehoord, hoe hij denkt over Cowper en Scott; je bent zeker, dat hij hun
schoonheden naar behooren weet te waardeeren, en je hebt de stellige
overtuiging verkregen, dat hij voor Pope niet méér gevoelt, dan hij
met fatsoen niet laten kan. Maar hoe zal die omgang lang kunnen duren,
als ieder onderwerp van gesprek met zoo verbijsterende vlugheid wordt
afgehandeld? Je zult over al je stokpaardjes gauw zijn uitgepraat. Bij
een volgend bezoek zal hij voldoende gelegenheid krijgen om zijn
gevoelens te uiten over schilderachtig natuurschoon en tweede
huwelijken, en dan blijft er niets meer voor je te vragen over..."
"Elinor," riep Marianne; "is dàt nu eerlijk; is dat nu waar? Heb ik
zóó weinig oorspronkelijke denkbeelden?--Maar ik weet wel, wat je
bedoelt. Ik was te veel op mijn gemak, te vroolijk, te openhartig. Ik
heb gezondigd tegen alle banale welvoegelijkheids-begrippen. Ik was
oprecht en open, waar ik terughoudend, saai, vervelend en huichelachtig
had moeten zijn. Wanneer ik alleen maar over 't weer en de wegen had
gesproken, wanneer ik eens in de tien minuten mijn mond had opengedaan,
dan zou dit verwijt mij zijn bespaard gebleven.
"Lieve kind," zei haar moeder; "je moet het Elinor niet kwalijk
nemen;--ze zei het maar voor de grap. Ik zou zelf boos op haar worden,
als ze 't over zich kon verkrijgen, je het genoegen te bederven van
je gesprekken met onzen nieuwen vriend."--Marianne's ergernis was in
een oogwenk geweken.
Willoughby van zijn kant bewees, door zijn blijkbaar verlangen om den
pas begonnen omgang geregeld voort te zetten, ten duidelijkste hoeveel
behagen hij erin schiep. Hij kwam thans iederen dag. In het begin
kon de vraag hoe het Marianne ging, als voorwendsel dienen; doch de
met den dag toenemende vriendelijkheid, waarmede hij werd ontvangen
maakte zulk een voorwendsel overbodig, reeds eer het onmogelijk had
kunnen dienst doen, door Marianne's volkomen herstel. Zij moest een
paar dagen thuisblijven; doch nooit was eenig huisarrest haar minder
onaangenaam geweest. Willoughby was een jonge man met een helder hoofd,
een levendige verbeelding, een opgewekte natuur en iets openhartigs
en vriendelijks in zijn optreden. Hij was als voorbestemd om juist
Marianne's hart te winnen; want aan al die gaven paarde hij niet
slechts een innemend uiterlijk, doch tevens een natuurlijke vurigheid
van geest, die thans door háár voorbeeld werd gewekt en aangespoord, en
die hem meer dan eenige andere eigenschap haar genegenheid deed winnen.
Met hem samen te zijn werd van lieverlede haar allergrootst
genoegen. Zij lazen, zij praatten, zij zongen met elkaar: hij was zeer
muzikaal, en hij las voor met al het gevoel en het vuur, waaraan het
Edward helaas had ontbroken.
In Mevrouw Dashwood's oogen was hij even volmaakt als in die van
Marianne; en Elinor vond niets op hem aan te merken, behalve een
neiging, waarin hij sterk op haar zuster geleek en die deze dan ook
bijzonder behaagde, van bij alle voorkomende gelegenheden veel te
ronduit zijn meening te zeggen, zonder daarbij rekening te houden met
personen en omstandigheden. Door dat overijld oordeelen en zijn oordeel
uitspreken over anderen, door de wellevendheid in een grooteren kring
te laten achterstaan bij het genoegen van zich onverdeeld te wijden aan
de uitverkorene zijns harten, en door een zeker luchtig verwaarloozen
van maatschappelijke omgangsvormen, gaf hij blijk van een gebrek
aan voorzichtigheid, dat Elinor niet kon goedkeuren, ondanks al wat
Marianne en hij hadden aan te voeren ten gunste van hunne opvatting.
Marianne begon nu te bespeuren dat de vrees om nooit een man te zullen
ontmoeten, die haar ideaal van volmaaktheid nabij kwam, een vrees,
die haar zoo wanhopig had gemaakt, toen zij nog maar pas zestien
jaar was, voorbarig en ongerechtvaardigd was geweest. Willoughby was
al wat haar verbeelding haar in die droeve ure had voorgespiegeld,
en thans, in zooveel blijdere dagen, even bereid en gereed om haar
hart te winnen; zijn gedrag toch bewees, dat zijn verlangens in dat
opzicht even ernstig gemeend waren, als zijn vermogen om liefde in
te boezemen krachtig was.
Ook haar moeder, in wier geest het vooruitzicht van zijn toekomstigen
rijkdom geen enkele berekenende gedachte aan een huwelijk had gewekt,
begon, eer een week was voorbijgegaan, daarop te hopen en het te
verwachten; in stilte wenschte zij zichzelve dan ook reeds geluk met
twee zulke schoonzoons als Edward en Willoughby.
Kolonel Brandon's belangstelling in Marianne, die zijn vrienden
reeds zoo spoedig hadden opgemerkt, werd thans eerst duidelijk
voor Elinor; nu de anderen er niet meer op letten. Hun aandacht en
hun geestigheden kozen zich thans zijn gelukkigen mededinger tot
doelwit, en de plagerijen, waaraan de Kolonel had blootgestaan, eer
hij eenige voorkeur had doen blijken, hielden op, toen zijn gevoelens
met meer recht de spotternij hadden kunnen uitlokken, die gevoeligheid
maar al te dikwijls pleegt te treffen. Elinor moest, haars ondanks,
wel gelooven, dat de gevoelens, welke Mevrouw Jennings hem te haren
opzichte had toegeschreven, hem thans werkelijk werden ingeboezemd
door hare zuster, en dat, al mocht een algemeene overeenstemming
tusschen beider karaktertrekken de neiging van Willoughby in de
hand werken, een even opvallende tegenstelling in aard en aanleg
geen beletsel was voor Kolonel Brandon's genegenheid. Zij zag het
met leedwezen; want wat kon een stille man van vijf en dertig hopen,
naast en tegenover een vijf en twintigjarige, die een en al vuur en
leven was? En daar zij zelfs niet kon wenschen, dat zijn verlangen
vervuld zou worden, hoopte zij van harte, dat hij onverschillig
mocht zijn. Zij hield van hem;--ondanks zijn ernst en terughouding
wekte hij hare belangstelling. Ofschoon zoo ernstig, was hij zacht
en vriendelijk in den omgang, en zijn teruggetrokken houding scheen
veeleer het gevolg van gedruktheid, dan van een zwaarmoedigen en
somberen aard. Sir John had zich wel eens iets laten ontvallen over
door hem ondervonden grieven en teleurstellingen, welke haar vermoeden
dat hij ongelukkig was, bevestigden, en zij beschouwde hem met
eerbied en medelijden. Misschien beklaagde en waardeerde zij hem des
te meer omdat hij weinig in tel was bij Willoughby en Marianne, die,
bevooroordeeld tegenover iemand, noch jong, noch opgewekt van aard,
zich schenen te hebben voorgenomen, zijn verdienste te onderschatten.
"Brandon is nu zoo iemand," zei Willoughby eens, toen zij samen over
hem spraken, "die door ieder wordt geprezen, en om wien niemand geeft;
die steeds met blijdschap wordt begroet; maar wien iedereen vergeet
aan te spreken."
"Dat is nu juist de indruk, dien hij ook maakt op mij," riep Marianne.
"Daar behoef je je niet op te verheffen," zei Elinor; "want het is van
jullie allebei onrechtvaardig. Hij wordt ten zeerste gewaardeerd door
de familie op Barton Park, en ik zelf zie hem nooit, zonder bepaald
moeite te doen met hem een gesprek te voeren."
"Dat u hem de hand boven 't hoofd houdt," antwoordde Willoughby,
"spreekt te zijnen gunste; maar die waardeering van de anderen is op
zichzelf al een blaam. Wie zou de schande willen verdragen van zich
geprezen te zien door dames als Lady Middleton en Mevrouw Jennings,
die door ieder ander met de meest volkomen onverschilligheid worden
beschouwd?"
"Maar misschien weegt de afkeuring van menschen als u en Marianne wel
op tegen de waardeering van Lady Middleton en haar moeder. Als haar
lof blaam is, dan kan jelui blaam wel als lof worden aangemerkt;
want hun gemis van doorzicht is volstrekt niet grooter dan jelui
vooroordeel en onbillijkheid."
"Waar het geldt uw beschermeling te verdedigen, wordt u zelfs scherp."
"Mijn beschermeling, zooals u hem noemt, is een verstandig man, en
tot verstand voel ik mij altijd aangetrokken. Ja Marianne, zelfs in
een man tusschen de dertig en veertig. Hij heeft veel van de wereld
gezien; lang in het buitenland vertoefd; hij houdt van lezen en is
gewend, na te denken. Ik heb ondervonden, dat hij in staat was, mij
omtrent allerlei onderwerpen voor te lichten, en hij heeft altoos
mijn vragen beantwoord met de bereidwilligheid van een beschaafd en
goedhartig man."
"Nu ja," riep Marianne op minachtenden toon, "hij heeft je verteld
dat in Oost-Indië het klimaat erg warm is, en dat de muskieten er
lastig zijn."
"Dat _zou_ hij mij allicht verteld hebben, als ik hem ernaar had
gevraagd; maar toevallig waren dat punten, waaromtrent ik reeds eerder
zekerheid had verkregen."
"Misschien," zei Willoughby, "strekten zijn waarnemingen zich wel
uit tot nabobs, rijk versierde mooren, en palankijnen."
"Ik durf wel zeggen, dat _zijn_ waarnemingen verder reikten dan uw
doorzicht. Maar wat hebt u eigenlijk op hem tegen?"
"Ik hèb niets op hem tegen. Integendeel, ik beschouw hem als een zeer
achtenswaardig man, die door ieder geroemd wordt, en van wien niemand
notitie neemt; iemand die meer geld heeft, dan hij kan uitgeven; meer
tijd, dan hij behoorlijk weet te gebruiken, en twee nieuwe pakken in
het jaar."
"En voeg er dan nog bij," riep Marianne, "dat hij noch geniaal, noch
artistiek, noch geestig is. Dat het zijn geest ontbreekt aan leven,
zijn gevoel aan vuur, en zijn stem aan uitdrukking."
"Je beslissend oordeel over zijn onvolmaaktheden is zoo veelomvattend,"
antwoordde Elinor, "en zoo zeer gekleurd door je eigen verbeelding,
dat de lof, dien ik hem vermag te schenken, daarbij vergeleken
koel en onbeteekenend schijnt. Ik kan alleen verklaren, dat hij een
verstandig man is, beschaafd, ontwikkeld, vriendelijk in den omgang,
en naar het mij voorkomt, iemand met een goed hart."
"Juffrouw Dashwood," riep Willoughby; "u behandelt mij heel onaardig. U
tracht mij door redeneering te ontwapenen, en mij te overtuigen, tegen
mijn zin. Maar het helpt u niets. U zult mij even koppig vinden als
u listig bent. Voor mijn ongunstige meening omtrent Kolonel Brandon
bestaan drie afdoende redenen: hij heeft voorspeld, dat het zou gaan
regenen, terwijl ik op mooi weer hoopte; hij heeft aanmerkingen gemaakt
op den bouw van mijn rijtuig, en ik kan hem niet overhalen mijn bruine
merrie te koopen. Als het u echter eenige voldoening kan schenken,
te vernemen, dat ik zijn karakter in elk ander opzicht onberispelijk
vind, dan ben ik bereid, dat te erkennen. En als belooning voor die
erkentenis, die niet anders dan een weinig pijnlijk voor mij kan zijn,
moogt u mij het voorrecht niet ontzeggen, hem nog evenmin te kunnen
uitstaan als voorheen."