Zoodra haar antwoord was verzonden, gunde Mevrouw Dashwood zich het
genoegen, haar stiefzoon en zijn vrouw mee te deelen, dat zij een huis
had gevonden, en hen niet langer zou lastig vallen dan noodig was,
totdat alles in gereedheid was gebracht om het te betrekken. Zij
vernamen het bericht niet zonder verrassing. Mevrouw John Dashwood
zei niets; doch haar echtgenoot gaf beleefd zijn hoop te kennen,
dat zij niet ver van Norland wonen zou.
Het was haar een groote voldoening te kunnen antwoorden, dat zij naar
Devonshire ging. Toen Edward dit hoorde, keerde hij zich haastig
naar haar om, en herhaalde, op een toon van verwondering en spijt,
die voor haar geen verklaring behoefde: "Naar Devonshire! Gaat u
werkelijk dáárheen? Zoo ver van hier? En naar welk gedeelte dan?"
Zij beschreef de ligging van het nieuwe huis. Het was een kleine vier
mijlen ten Noorden van Exeter.
"Het is maar een landhuisje," ging zij voort; "maar ik hoop er velen
van mijn vrienden te zullen ontvangen. Er kunnen gemakkelijk een
paar kamers worden aangebouwd; en als mijn kennissen er geen bezwaar
in zien, zoo ver te reizen om mij op te zoeken, dan zal ik dat zeer
zeker evenmin hebben om hen te herbergen."
Zij besloot met een zeer vriendelijke uitnoodiging aan den Heer en
Mevrouw Dashwood om haar te Barton te bezoeken, en tot Edward richtte
zij die met nog meer hartelijkheid. Hoewel het onlangs met haar
schoondochter gevoerde gesprek haar had doen besluiten niet langer te
Norland te blijven dan onvermijdelijk was, het had niet den minsten
indruk op haar gemaakt in dàt opzicht, waarom het voornamelijk was
begonnen. Het was thans zoomin als vroeger haar bedoeling, Edward en
Elinor van elkaar te scheiden; en zij wenschte Mevrouw John Dashwood,
door deze opzettelijk tot haar broeder gerichte uitnoodiging, duidelijk
te toonen, hoe zij zich in 't minst niet bekommerde om het afkeurend
oordeel der laatste over deze verbintenis.
De Heer John Dashwood verzekerde zijne moeder herhaalde malen,
hoe bijzonder het hem speet, dat zij een huis had gekozen, zóó ver
van Norland, dat hij haar met het vervoer van haar meubels niet van
dienst kon zijn. Hij voelde bij deze gelegenheid werkelijk eenige
gewetensknaging; want het eenig hulpbetoon, waartoe hij de vervulling
van de belofte aan zijn vader had beperkt, werd door deze schikking
feitelijk onuitvoerbaar. De verhuisboedel werd met de boot verzonden,
en bestond hoofdzakelijk uit huishoudlinnen, zilver, porselein en
boeken, benevens een mooie piano van Marianne. Mevrouw John Dashwood
zag de kisten met een zucht verdwijnen; zij kon niet nalaten het bitter
grievend te vinden, dat Mevrouw Dashwood, wier inkomen zoo gering was,
vergeleken bij het hare, toch nog enkele mooie meubels bezat.
Mevrouw Dashwood huurde het huis voor een jaar; het was geheel
gemeubileerd, en zij kon het dadelijk betrekken. Aan geen van
beide zijden deed zich eenig bezwaar op bij de overeenkomst, en
zij wachtte slechts tot haar goed te Norland was gepakt en zij
haar toekomstig huishouden eenigszins geregeld had, eer zij naar
het Westen vertrok. Daar zij bijzonder vlug was in 't uitvoeren van
alles wat haar ter harte ging, nam dit niet veel tijd. De paarden,
die haar man haar had nagelaten, waren kort na zijn dood verkocht,
en daar zich thans een gelegenheid aanbood, haar rijtuig van de hand
te doen, stemde zij, op het ernstig aandringen harer oudste dochter,
erin toe, dit ook te verkoopen. Voor het gemak van haar kinderen zou
zij het liever hebben gehouden, als zij met haar eigen wenschen te rade
ging; maar Elinor's voorzichtigheid behield de overhand. Hare wijsheid
was het ook, die het getal hunner dienstboden beperkte tot drie--twee
meisjes en een knecht, die zij gemakkelijk konden vinden onder degenen,
die vroeger tot hun dienstpersoneel te Norland hadden behoord.
De knecht en een van de dienstmeisjes werden dadelijk naar
Devonshire gezonden om het huis in orde te brengen tegen de komst
hunner meesteres; want daar Mevrouw Dashwood Lady Middleton in het
geheel niet kende, wilde zij liever aanstonds naar haar huisje gaan,
dan op Barton Park te logeeren, en zij vertrouwde zoo vast op Sir
John's omschrijving van het huis, dat zij niet eens nieuwsgierig
was, het zelf eens van nabij te zien, eer zij er haar intrek ging
nemen. Haar verlangen om Norland te verlaten werd voor vermindering
gevrijwaard door de blijkbare voldoening van hare schoondochter in
't vooruitzicht van haar vertrek; eene voldoening, die slechts flauw
te verbergen werd gepoogd, door een koeltjes gedaan voorstel om dat
vertrek nog een weinig uit te stellen. Thans was de tijd gekomen dat de
belofte van haar stiefzoon, aan zijn vader gedaan, op het meest gepaste
oogenblik had kunnen vervuld worden. Daar hij verzuimd had het te doen,
toen hij het goed in bezit nam, kon hun vertrek uit zijn huis als het
meest geschikte tijdstip voor die vervulling worden aangemerkt. Doch
Mevrouw Dashwood begon in den laatsten tijd alle verwachtingen van
dien aard te laten varen en de overtuiging te koesteren, die zij
afleidde uit zijn algemeene opmerkingen in het gesprek, dat zijn
hulp zich niet verder uitstrekte dan de zes maanden huisvesting,
die hij hun had verleend te Norland. Hij praatte zooveel over de
toenemende duurte van het huishouden, en de aanhoudende onvoorziene
eischen aan zijn beurs, waaraan iemand van eenig aanzien in de wereld
was blootgesteld, dat het haast scheen, alsof hij eerder zelf geld
noodig had, dan dat hij eenig plan koesterde om het weg te schenken.
Reeds een paar weken na den dag, waarop Sir John Middleton's eerste
brief te Norland werd ontvangen, was alles zoover gereed in hun
toekomstig verblijf, dat Mevrouw Dashwood en hare dochters de reis
erheen konden ondernemen.
Vele tranen werden door hen gestort bij hun laatst vaarwel aan de plek,
die zij zoozeer hadden liefgehad. "Lief, lief Norland!" zei Marianne,
toen zij alleen rondom het huis zwierf, den laatsten avond: "wanneer
zal ik ophouden u te betreuren!--Wanneer zal ik geleerd hebben, mij
ergens anders thuis te gevoelen? Ach, gelukkig huis! kondt ge maar
weten hoe ik lijd, terwijl ik u aanschouw van deze plek, vanwaar ik
u misschien nooit meer zien zal!--En gij, welbekende boomen!--maar
gij zult hetzelfde blijven.--Geen blad zal verwelken omdat wij zijn
heengegaan, geen twijgje zal ophouden zich te bewegen, ofschoon wij
het niet meer kunnen aanzien! Neen; gij blijft dezelfde; onbewust
van de blijdschap of de treurigheid die gij wekt, en ongevoelig voor
eenige verandering in degenen, die wandelen onder uw schaduwrijk
loover! Maar wie blijft hier over om van u te genieten?"--