HOOFDSTUK IV

Wat is het toch jammer, Elinor," zei Marianne, "dat Edward geen

plezier in teekenen heeft."

"Geen pleizier in teekenen?" antwoordde Elinor; "waarom dacht je

dat? Hij teekent zelf niet; dat is waar; maar hij ziet heel graag,

dat anderen ermee bezig zijn, en ik verzeker je, dat het hem volstrekt

niet ontbreekt aan aangeboren smaak, hoewel hij geen gelegenheid heeft

gehad om dien te ontwikkelen. Als hij ooit was begonnen het te leeren,

dan geloof ik, dat hij heel goed zou hebben geteekend. Hij wantrouwt

zóózeer zijn eigen oordeel in zulke dingen; dat hij nooit graag zijn

meening uitspreekt over een schilderij of teekening; maar hij heeft

dien natuurlijken eenvoud en zuiverheid van smaak, die hem in den

regel juist den rechten weg wijzen."

Marianne was bang haar te kwetsen en zweeg verder over dit onderwerp;

maar de soort van waardeering, die Elinor in hem beweerde te

bespeuren bij 't zien van teekeningen, door anderen vervaardigd,

geleek alles behalve op die opgewonden verrukking, die, in háár oogen,

alleen waard was, smaak genoemd te worden. Toch, al glimlachte zij

inwendig over dat wanbegrip, zij had eerbied voor haar zuster om de

blinde partijdigheid voor Edward, waaruit het voortsproot. "Ik hoop,

Marianne," ging Elinor voort, "dat je hem niet beschouwt als iemand,

die in 't algemeen weinig smaak heeft. Ik ben ook haast wel zeker,

dat dit niet het geval is, want je houding tegenover hem is hartelijk

en vertrouwelijk, en als je er zóó over dacht, dan weet ik wel,

dat je hem niet eens beleefd zoudt behandelen."

Marianne wist niet recht wat ze zou zeggen. Zij wilde in geen geval

haar zuster grieven, en toch was het onmogelijk, te zeggen wat ze

niet meende. Op 't laatst antwoordde ze:

"Je moet het me niet kwalijk nemen, Elinor, als mijn lof van hem niet

in elk opzicht overeenstemt met de overtuiging, die jij koestert

omtrent zijn verdiensten. Ik heb niet zooveel gelegenheid gehad om

van zijn meer intieme geestesrichting, zijn neigingen en zijn smaak

op de hoogte te komen als jij; maar ik ben één en al bewondering voor

zijn goedheid en zijn verstand. Hij is in mijn oogen zoo degelijk èn

beminnelijk als iemand maar zijn kan."

"Nu," zei Elinor glimlachend, "zijn beste vrienden zouden niet

onvoldaan kunnen zijn met zulk een loftuiting. Mij dunkt, met méér

warmte hadt je je moeilijk kunnen uitdrukken."

Marianne was blij, dat haar zuster zoo gemakkelijk bleek te voldoen.

"Zijn verstand en zijn goedheid," ging Elinor voort, "kan dunkt mij,

niemand in twijfel trekken, die hem dikwijls genoeg heeft ontmoet

om een ongedwongen gesprek met hem te kunnen voeren. De helderheid

van zijn begrip en de uitnemendheid zijner beginselen blijven alleen

maar verborgen door die verlegenheid die hem zoo dikwijls tot zwijgen

noopt. Je weet genoeg van hem om zijn degelijken eigenschappen recht

te doen weervaren. Maar omtrent zijn meer intieme geestesrichting,

zooals je dat noemt, heb jij door toevallige omstandigheden minder

ervaren dan ik zelve. Hij en ik waren meermalen haast uitsluitend op

elkaar aangewezen, terwijl jij in beslag genomen werdt door moeder,

aan wie je al je liefdevolle aandacht wijdde. Ik was veel met hem

samen, ik verdiepte mij in zijn gevoelens, en vernam zijn meening

over onderwerpen van letterkunde en smaak; en over 't geheel

durf ik stellig te beweren, dat zijn geest zeer ontwikkeld is;

zijn vermogen om literatuur te genieten buitengewoon groot, zijn

verbeelding levendig, zijn opmerkingsgave juist en scherp, en zijn

smaak verfijnd en zuiver. Zijn begaafdheden in ieder opzicht vallen bij

nadere kennismaking evenzeer mee als zijn wijze van optreden en zijn

persoon. Op het eerste gezicht heeft hij waarlijk niets opvallends,

en uiterlijk kan men hem moeilijk een knap man noemen, eer men heeft

gelet op de uitdrukking van zijn oogen, die bijzonder aantrekkelijk

zijn, en iets liefs en goeds in zijn gezicht. Nu ken ik hem zóó goed,

dat ik hem werkelijk mooi vind, of ten minste bijna. Hoe denkt jij

erover, Marianne?"

"Ik zal hem ook wel gauw mooi vinden, Elinor, al doe ik dat nu nog

niet. Als je mij zegt, dat ik van hem mag houden als een broer,

dan zal ik evenmin iets onvolmaakts zien in zijn gezicht, als nu

in zijn hart." Elinor schrikte bij die woorden, en 't speet haar,

dat ze zich onwillekeurig had laten verleiden, met zooveel warmte

van hem te spreken. Zij gevoelde wel, dat ze Edward bijzonder hoog

schatte. Ze geloofde dat die waardeering wederkeerig was; maar zij

had méér zekerheid noodig, indien Marianne's overtuiging omtrent

hun wederzijdsche genegenheid haar aangenaam zou zijn. Ze wist, als

Marianne en haar moeder één oogenblik iets gisten, dan waren ze in

't volgende er zeker van;--dat bij haar beide wenschen hopen was,

en hoop gelijk stond met verwachting. Zij poogde haar zuster den

werkelijken stand van zaken te verklaren.

"Ik wil niet ontkennen," zei ze; "dat ik hem bijzonder hoog stel,--dat

ik hem de grootste achting toedraag, en hem graag mag lijden."

Marianne barstte verontwaardigd uit:

"Achting toedragen! Mogen lijden! O Elinor, wat ben je koel! Erger

dan koel! Je schaamt je om anders te schijnen. Als je die woorden

nog weer durft noemen, dan ga ik zóó de kamer uit."

Elinor kon niet nalaten te lachen. "Wees niet boos," zei ze, "en wees

maar zeker, dat ik je niet wilde grieven, door zoo kalm over mijn eigen

gevoelens te spreken. Geloof dan, dat ze sterker zijn dan ik beweerde;

geloof dat ze zóó zijn, als zijn verdiensten en het vermoeden van--de

hoop op zijn genegenheid voor mij, mij toestaan ze te koesteren,

zonder onvoorzichtigheid of dwaze inbeelding. Maar meer dan dat mag

je _niet_ gelooven. Ik ben volstrekt niet zeker van zijn gevoelens

jegens mij. Er zijn oogenblikken, waarop hun diepte twijfelachtig

schijnt, en eer zijn gemoedsgesteldheid mij volkomen is geopenbaard,

kan het je niet verwonderen als ik alles wensch te vermijden wat mijn

eigen voorkeur kan aanwakkeren, door die gewichtiger te achten of te

doen voorkomen dan zij is. In mijn hart gevoel ik weinig,--ik mag wel

zeggen bijna géén twijfel aan zijn genegenheid. Maar er zijn andere

dingen, behalve zijn neiging, die in aanmerking komen. Hij is volstrekt

niet onafhankelijk. Hoe zijn moeder werkelijk is, dat kunnen wij niet

weten; maar te oordeelen naar Fanny's uitlatingen nu en dan over haar

gedrag en haar meeningen, hebben wij ons nooit voorgesteld dat zij

heel beminnelijk zou zijn; en ik zou mij al zeer moeten vergissen,

als Edward zelf niet heel goed wist, dat hem veel moeilijkheden in

den weg zouden staan, als hij wenschte, een vrouw te trouwen, die

niet òf een groot fortuin bezat, of van zeer voorname afkomst was."

Marianne was verbaasd, toen ze bemerkte, hoezeer haar moeder en

zijzelf in hun verbeelding de werkelijkheid hadden voorbij gestreefd.

"Dus ben je wezenlijk niet met hem geëngageerd", zei ze. "Maar 't zal

toch stellig gauw gebeuren. Dat uitstel bezorgt ons in elk geval twee

voordeelen. Ik zal je zoo gauw niet verliezen, en Edward zal des te

beter gelegenheid hebben, om dien aangeboren smaak voor je geliefkoosde

bezigheid verder aan te kweeken, die toch zoo onontbeerlijk is voor

je toekomstig geluk. O! als je groote begaafdheid hem nog eens zóó

kon prikkelen en aanmoedigen, dat hij zelf nog teekenen leerde;

wat zou dàt heerlijk zijn!"

Elinor had aan haar zuster gezegd, wat zij werkelijk meende. Zij kon

haar neiging tot Edward niet in zulk een gunstig licht beschouwen als

Marianne had gedaan. Er was af en toe een gebrek aan opgewektheid

in hem te bespeuren, dat, zoo het al geen onverschilligheid liet

doorschemeren, toch wees op iets, dat bijna even weinig goeds

beloofde. Twijfel aan haar genegenheid zou, bijaldien deze door hem

werd gekoesterd, niet meer dan onrust in hem behoeven te wekken. Het

was niet waarschijnlijk dat twijfel de oorzaak zou zijn van de

neerslachtigheid, die hem meermalen scheen te drukken. Een meer

gegronde reden ervoor zou kunnen bestaan in zijn afhankelijke positie

die hem belette aan zijne neiging toe te geven. Zij wist, dat zijne

moeder noch zorg droeg, hem voor het oogenblik een aangenaam tehuis

te verschaffen, noch hem de zekerheid wilde schenken, dat hij zelf

zich een gelukkig thuis zou mogen scheppen, zonder zich angstvallig

te schikken naar haar inzichten omtrent zijn maatschappelijken

vooruitgang. Daar zij dat alles wist, was het Elinor onmogelijk,

gerust te zijn op dit punt. Zij rekende er volstrekt niet op, dat zijn

genegenheid voor haar den doorslag zou geven; iets dat haar moeder en

zuster stellig verwachtten. Integendeel, hoe langer hun omgang duurde,

des te meer ging zij twijfelen aan den aard van zijn gevoel; en soms,

gedurende enkele minuten, die pijn deden, geloofde zij, dat het niet

meer dan vriendschap was.

Doch, wáár dan ook de grenzen mochten zijn van dat gevoel, het was

voldoende om zijn zuster, toen zij het bespeurde, ongerust te maken,

en meteen (zooals bij haar iets van zelf sprekends was) uiterst

onbeleefd. Zij greep de eerste de beste gelegenheid aan om haar

schoonmoeder over het geval te onderhouden, en vertelde haar met

zooveel nadruk van haar broeder's mooie vooruitzichten; van Mevrouw

Ferrars' vast besluit dat haar beide zoons een goede partij zouden

doen, en van het gevaar dat jonge dames liepen, die probeerden hem

_in te palmen_; dat Mevrouw Dashwood noch kon doen alsof zij haar

niet begreep, noch zich dwingen om kalm te blijven. Zij gaf haar

een antwoord, dat duidelijk haar minachting deed blijken, en verliet

dadelijk de kamer, vastbesloten dat, ondanks allen last en onkosten

die zulk een onverwacht vertrek insloot, haar lieve Elinor geen week

langer zou blootgesteld zijn aan zulke kwaadaardige toespelingen.

Terwijl zij in deze gemoedsgesteldheid verkeerde, werd haar over

de post een brief bezorgd, die een voorstel inhield, dat juist nu

bijzonder gelegen kwam. Het was een aanbieding, tegen een geringe

vergoeding, van een klein huis, dat toebehoorde aan een bloedverwant

van haar, een gezien grondbezitter in Devonshire. De brief was

van dezen heer zelf, en geschreven in een oprechten geest van

vriendschappelijke tegemoetkoming. Hij had gehoord, dat zij naar

een woning zocht, en hoewel het huis, dat hij haar thans aanbood,

slechts een eenvoudig landhuisje was, verzekerde hij haar, dat

alles eraan zou worden gedaan, wat noodig bleek, als de ligging en

omgeving haar aanstonden. Hij drong er ernstig op aan, na haar nadere

bijzonderheden omtrent huis en tuin te hebben medegedeeld, dat zij met

hare dochters naar Barton Park zou komen, zijn eigen woonverblijf,

van waaruit zij zich dan zelve kon vergewissen, of Barton Cottage,

want de huizen lagen in dezelfde gemeente, door eenige verandering

voor haar geschikt zou kunnen worden gemaakt. Hij scheen er werkelijk

op gesteld, hun een dienst te bewijzen, en de geheele toon van zijn

brief was zoo vriendelijk, dat zijne nicht zich niet anders dan

aangenaam erdoor getroffen kon gevoelen; te meer op dit oogenblik,

nu zij pijnlijk gegriefd was door het onhartelijk en ongevoelig

gedrag harer nadere familieleden. Tijd voor overleg of navraag had

zij niet noodig. Onder het lezen stond haar besluit reeds vast. De

ligging van Barton, in een graafschap, zoo ver verwijderd van Sussex

als Devonshire, die slechts een paar uur te voren een beletsel zou

zijn geweest, voldoende om op te wegen tegen elk denkbaar voordeel

dat de plaats aanbood, was thans haar voornaamste aanbeveling. Uit

de buurt te geraken van Norland was nu niet langer een ramp; het was

het doel van een vurig verlangen; het was een zegen, vergeleken bij de

ellende van nog langer de gast te zijn van haar schoondochter; en voor

altijd te vertrekken van die geliefde plek zou minder pijnlijk zijn

dan er te wonen, of er een bezoek te brengen, zoolang zulk eene vrouw

er meesteres was. Zij schreef onmiddellijk aan Sir John Middleton,

om haar dank te betuigen voor zijn vriendelijkheid, en hem mede te

deelen dat zij zijn voorstel aannam, en haastte zich daarna, beide

brieven aan hare dochters te laten zien, om zeker te zijn van hare

goedkeuring, eer haar antwoord werd verzonden.

Elinor had altijd gedacht, dat het verstandiger zou zijn, als zij

zich vestigden op eenigen afstand van Norland, dan vlak in de buurt

van hunne tegenwoordige kennissen. In _dat_ opzicht bestond dus

voor haar geen reden, zich te verzetten tegen haar moeder's plan

om te verhuizen naar Devonshire. Ook het huis, zooals Sir John

Middleton het had beschreven, was zoo bescheiden van afmetingen,

en de huurprijs zoo bijzonder laag, dat zij in beide opzichten geen

recht had tot het opperen van eenig bezwaar; en zoo kwam het, dat

zij, hoewel het plan voor haar verbeelding weinig bekoorlijks had,

en het haar verder van Norland verwijderde dan zij wel wenschte,

geen poging deed om haar moeder te ontraden, den brief te verzenden,

waarin zij hare toestemming gaf.

Gevoel en verstand · 第 12 / 61 题