Mevrouw Dashwood bleef verscheiden maanden te Norland; niet omdat zij
ongeneigd was te vertrekken, nadat het gezicht van elke welbekende
plek niet langer de heftige gemoedsbeweging veroorzaakte, die het een
tijdlang had opgewekt; want toen haar veerkracht terugkeerde, en haar
geest weer in staat was tot eenige andere krachtinspanning dan die
van hare droefheid te verlevendigen door weemoedige herinneringen,
verlangde zij sterk naar het vertrek, en was onvermoeid in haar
pogingen een geschikte woning te vinden in de buurt van Norland;
want zich ver van die geliefde plek te verwijderen scheen haar
onmogelijk. Maar zij kon geen verblijfplaats ontdekken die voldeed
aan haar eischen op 't punt van behagen en gemak, en die tevens
de goedkeuring wegdroeg van haar voorzichtige oudste dochter, wier
gezonder oordeel verschillende huizen, waarmee haar moeder zeer was
ingenomen, als te groot voor hun inkomen, verwierp.
Mevrouw Dashwood had door haar man de plechtige belofte vernomen,
hem door zijn zoon te haren behoeve gedaan, en welke zijn laatsten
gedachten hier op aarde troost had geschonken. Zij twijfelde
evenmin aan de oprechtheid van die verzekering, als haar man zelf
had gedaan, en ter wille van hare dochters schonk de gedachte eraan
haar voldoening; hoewel zij, wat haarzelve betrof, overtuigd was, dat
een veel geringere som dan zevenduizend pond voldoende zou zijn om
haar een ruim bestaan te verschaffen. Ook terwille van hun broeder,
terwille van zijn eigen hart verheugde zij zich; en zij verweet
zichzelve, dat zij vroeger zijn verdienste geen recht had laten
weervaren, toen zij hem niet in staat achtte tot edelmoedigheid. Zijn
voorkomend gedrag jegens haar en zijne zusters overtuigde haar, dat
hun welzijn hem ter harte ging, en langen tijd vertrouwde zij vast
op zijn vrijgevige bedoelingen.
De minachting, die zij reeds aan 't begin hunner kennismaking gevoeld
had voor haar schoondochter, werd zeer versterkt door de diepere kennis
van haar karakter, die een verblijf van een half jaar in haar gezin
haar deed verwerven, en misschien zouden, ondanks alle bedenkingen,
ingegeven door beleefdheid en moederlijke genegenheid van de zijde der
oudere dame, die twee het onmogelijk hebben bevonden het zoolang met
elkander uit te houden, wanneer niet eene bijzondere omstandigheid
in de oogen van Mevrouw Dashwood, het steeds meer verkieselijk had
doen schijnen, dat haar dochter vooreerst te Norland zou blijven.
Die omstandigheid was een toenemende wederzijdsche genegenheid
tusschen haar oudste meisje en den broeder van Mevrouw John Dashwood,
een beschaafden en beminnelijken jongen man, dien zij hadden leeren
kennen kort na zijn zuster's komst te Norland, en die sedert dien
tijd veel bij hen aan huis kwam.
Sommige moeders zouden dien vertrouwelijken omgang hebben aangemoedigd
uit eigenbelang; want Edward Ferrars was de oudste zoon van een man,
die schatrijk was gestorven; en andere zouden dien hebben tegengegaan
uit voorzichtigheid; want op een geringe som na, hing zijn geheele
fortuin af van het testament zijner moeder. Doch Mevrouw Dashwood
liet zich door geen dier beide opvattingen beïnvloeden. Voor haar
was het genoeg, dat hij een aangenamen indruk maakte, dat hij hare
dochter liefhad, en dat Elinor die voorkeur beantwoordde. Het zou in
strijd zijn geweest met al haar beginselen, dat verschil in fortuin
eenig paar gescheiden zou kunnen houden, dat door gelijkgestemdheid
zich tot elkaar voelde aangetrokken; en dat Elinor's verdienste niet
zou worden gewaardeerd door ieder die haar kende, dat ging boven haar
begrip. Edward Ferrars bezat overigens, om zich hunne goede meening
te verwerven, geen bijzondere gaven, wat zijn persoon of optreden
betrof. Bijzonder knap van uiterlijk was hij niet, en zijn manieren
werden eerst aangenaam als hij zich op zijn gemak gevoelde. Hij
was te verlegen om goed tot zijn recht te komen; maar als hij zijn
aangeboren bedeesdheid had overwonnen, leverde zijn gedrag in elk
opzicht de bewijzen van een openhartige en warme natuur. Zijn verstand
was goed, en zijne opvoeding had het degelijk geoefend. Doch noch
door zijn aanleg, noch door zijne neigingen was hij geschikt, de
wenschen te vervullen van zijne moeder en zuster, die verlangden hem
te zien uitblinken--als--zij wisten zelven eigenlijk niet wat. Zij
wilden dat hij een goed figuur zou slaan in de wereld op de eene of
andere manier. Zijn moeder begeerde dat hij belang zou stellen in
politiek, dat hij lid van het parlement zou worden, of in aanraking
zou komen met sommigen der groote mannen van zijn tijd. Dat wenschte
Mevrouw John Dashwood eveneens; doch voorloopig, tot een van die
hoogere zegeningen hem zou kunnen ten deel vallen, zou háár eerzucht
tevreden gesteld zijn, als zij hem in een eigen barouchette had kunnen
zien rijden. Maar Edward's neigingen gingen niet uit naar groote
mannen of barouchettes. Al zijn wenschen hadden tot hun middenpunt
huiselijke gezelligheid en de rust van het gezinsleven. Gelukkig had
hij een jongeren broeder, van wien meer te verwachten viel. Edward was
reeds meerdere weken bij hen gelogeerd geweest, eer Mevrouw Dashwood
eigenlijk goed op hem lette; want zij was in die dagen zóó bedroefd,
dat zij voor hare omgeving in 't geheel geen oog had. Zij zag alleen,
dat hij rustig was en zich achteraf hield, en dat beviel haar in
hem. Hij verstoorde haar diepe verslagenheid van geest niet door te
onpas gesprekken te beginnen. Zij kreeg voor 't eerst aanleiding
om op hem te letten en nog gunstiger over hem te gaan denken door
eene opmerking, die Elinor op zekeren dag toevallig maakte over het
verschil tusschen hem en zijn zuster. Die tegenstelling was voor haar
moeder de allerwelsprekendste aanbeveling. "O, dat is genoeg," zei ze;
"wanneer je Zegt, dat hij niet op Fanny lijkt, dan is dat al genoeg
voor mij. Dat sluit alles in wat beminnelijk is. Nu houd ik al veel
van hem."
"Ik denk wel dat u hem graag zult mogen lijden," zei Elinor, "als u
hem beter leert kennen."
"Mogen lijden!" antwoordde haar moeder, met een glimlach. "Ik voor
mij kan geen gevoel van waardeering koesteren dat beneden warme
genegenheid blijft."
"U zoudt achting voor hem kunnen voelen."
"Ik heb nooit geweten wat het was, achting en liefde van elkander
te scheiden."
Mevrouw Dashwood gaf zich nu moeite, hem nader te leeren kennen. Zij
bezat innemende manieren, en zette hem spoedig op zijn gemak. Vlug
genoeg zag zij zijn verdiensten in; haar overtuiging dat hij Elinor
genegen was, verhoogde misschien haar doorzicht; maar zij was van zijn
innerlijke waarde ten stelligste overtuigd, en zelfs dat bedaarde in
zijn houding, dat indruischte tegen al haar overgeleverde begrippen
omtrent de wijze waarop een jonge man zich behoorde voor te doen,
bleef niet meer zoo oninteressant, nu zij wist dat hij een warm hart
had en een liefhebbenden aard.
Niet zoodra had zij de eerste aanduiding van verliefdheid bespeurd
in zijn houding jegens Elinor, of zij beschouwde hun ernstige
genegenheid als een uitgemaakte zaak, en zag hun huwelijk, als
binnenkort aanstaande, met blijdschap tegemoet.
"Over een paar maanden, Marianne," zei ze, "zal Elinor waarschijnlijk
al haar eigen thuis hebben gevonden. Wij zullen haar missen; maar
zij zal gelukkig zijn."
"O mama! hoe zullen we 't zonder haar stellen?"
"Lieve kind, men kan het haast geen scheiding noemen. We zullen
maar een paar mijlen van elkaar af wonen, en elkaar iederen dag
ontmoeten. Je krijgt nu een broer,--een echten, hartelijken broer. Van
Edward's goede hart heb ik de hoogste verwachtingen. Maar je kijkt
ernstig, Marianne; heb je iets aan te merken op je zuster's keuze?"
"Misschien," zei Marianne, "mag ik mij er wel een weinigje over
verwonderen. Edward is heel aardig, en ik houd ook veel van hem. Maar
toch, hij is niet de soort van jonge man... er ontbreekt hem iets,
zijn persoonlijkheid is niet opvallend--hij heeft niets van de bekoring
die ik dacht, dat moest uitgaan van een man, die mijn zuster's ernstige
genegenheid kon winnen. Er is in zijn oogen niets van dien geest, van
dat vuur, dat zoowel deugd als intellectueele begaafdheid verraadt. En
dan bovendien nog, mama, ik ben bang dat hij eigenlijk geen goeden
smaak heeft. Om muziek schijnt hij weinig te geven, en al bewondert
hij nog zoozeer Elinor's teekeningen, 't is niet de bewondering
van iemand, die hun waarde beoordeelen kan. Men kan duidelijk zien,
al neemt hij ook gedurig notitie van haar als ze aan het teekenen
is, dat hij er eigenlijk in 't geheel geen verstand van heeft. Hij
bewondert als minnaar, niet als een kenner. Om mij te voldoen, zouden
die beide eigenschappen vereenigd moeten zijn. Ik zou niet gelukkig
kunnen zijn met een man, wiens smaak niet in elk opzicht met den mijne
overeenkwam. Hij zou in al mijn gevoelens moeten kunnen komen, dezelfde
boeken, dezelfde muziek zouden ons beiden moeten bekoren. O mama, wat
was Edward's houding mat en flauw en lauw, toen hij ons gisterenavond
voorlas! Ik vond het verschrikkelijk voor Elinor. Maar zij verdroeg het
met de grootste kalmte; 't scheen wel of ze 't niet eens opmerkte. Ik
kon haast niet op mijn stoel blijven zitten. Die prachtige verzen, die
mij dikwijls zoo woest opgewonden hebben gemaakt, te hooren voordragen
met zoo'n onverzettelijke kalmte, zoo'n akelige onverschilligheid!"
"Als het eenvoudig en vloeiend proza was geweest, dat zou hij stellig
meer tot zijn recht hebben doen komen. Ik dacht het al; maar jij
_moest_ hem juist Cowper geven."
"Ja, ziet u, mama--als Cowper hem nog niet in vuur brengt!--maar we
moeten bedenken, dat smaken verschillen. Elinor's gevoelens zijn niet
de mijne; daarom kan zij zooiets over 't hoofd zien, en gelukkig
met hem worden. Maar 't zou _mijn_ hart hebben gebroken, als ik
van hem hield, om hem te hooren lezen met zóó weinig gevoel. Mama,
hoe meer ik de wereld leer kennen, des te vaster ben ik overtuigd,
dat ik nooit een man zal ontmoeten, dien ik werkelijk liefhebben
kan. Ik stel zulke hooge eischen! Hij moet al de deugden van Edward
bezitten, en zijn persoon en manieren moeten zijn goedheid alle
denkbare bekoring verleenen."
"Vergeet niet, kindje, dat je nog geen zeventien bent. 't Is nog te
vroeg om aan dat geluk te wanhopen. Waarom zou het je minder goed gaan
in dat opzicht dan je moeder? In één enkel opzicht alleen, Marianne,
hoop ik, dat je lot van het hare verschillen zal."