Mevrouw John Dashwood nam thans hare plaats in als vrouw des huizes
te Norland, en haar schoonmoeder en zusters werden tot de positie
van gasten teruggebracht. Als zoodanig echter behandelde zij hen kalm
beleefd, en haar man bewees hun zooveel vriendelijkheid, als hij kon
gevoelen voor iemand, behalve zichzelf, zijn vrouw en hun kind. Hij
wilde hen, werkelijk met eenigen aandrang, overhalen om Norland als
hun tehuis te beschouwen, en daar geen ander plan Mevrouw Dashwood
zoo verkieselijk scheen, als daar te blijven tot zij een huis in de
buurt had kunnen vinden, werd zijn uitnoodiging aangenomen.
Te blijven op een plek, waar alles haar aan vroegere vreugde
herinnerde, was juist wat strookte met haar aard. In tijden van
blijdschap kon geen geaardheid opgewekter zijn dan de hare, of in
grootere mate die optimistische verwachting van geluk koesteren,
die het geluk zelf is. Doch in hare smart liet zij zich eveneens
door haar verbeelding medevoeren, even ver van alle vertroosting,
als in haar vreugde van storende pijn.
Mevrouw John Dashwood keurde volstrekt niet goed, wat haar man
voornemens was te doen ten behoeve van zijne zusters. Drieduizend pond
af te nemen van het fortuin van hun kleinen jongen zou gelijk staan
met hem tot de verschrikkelijkste armoede te doen vervallen. Zij
raadde hem aan, nog eens na te denken over de zaak. Hoe kon hij 't
voor zichzelf verantwoorden, zijn kind, zijn eenig kind nog wel,
van zulk een groote som te berooven? En met welk recht konden de
dames Dashwood, die slechts bloedverwanten waren van ééne zijde,
't geen zij als in 't geheel geen verwantschap beschouwde, aanspraak
maken op zulk een groote som als bewijs van zijn edelmoedigheid? Dat
wist toch iedereen, hoe niemand ooit genegenheid verwachtte tusschen
kinderen van eenig man, uit verschillende huwelijken, en waarom zou
hij zichzelf, en hun armen kleinen Harry, ruïneeren, door al zijn
geld weg te geven aan zijn half zusters?
"'t Was vader's laatste verzoek aan mij," antwoordde haar man "dat
ik zijn weduwe en dochters zou bijstaan."
"Hij zal wel niet hebben geweten wat hij zei, denk ik; tien tegen
een dat hij in de war was op dat oogenblik. Als hij bij zijn verstand
geweest was, zou hij er niet aan hebben gedacht zoo iets vreemds te
doen, je te vragen je halve fortuin weg te geven ten nadeele van je
eigen kind."
"Hij eischte immers ook geen bepaalde som, beste Fanny, hij verzocht
mij alleen, in algemeene termen, om hen bij te staan en hunne
omstandigheden gemakkelijker te maken, dan in zijn vermogen was, te
doen. 't Was misschien beter geweest, als hij 't maar geheel aan mij
had overgelaten. Hij kon moeilijk veronderstellen, dat ik mij niet
om hen zou bekommeren. Maar daar hij die belofte van mij vergde,
kon ik al niet anders dan haar afleggen; ten minste, toen dacht ik
er zoo over. De belofte werd dus gegeven en moet worden vervuld. Iets
moet er voor hen worden gedaan, wanneer ze van Norland vertrekken en
gaan wonen in hun nieuw tehuis".
"Nu ja, goed; _laat_ er iets voor hen gedaan worden; maar dan behoeft
dat _iets_ niet juist drieduizend pond te zijn. Je moet niet vergeten,"
voegde zij erbij, "dat je het geld niet kunt terugkrijgen, wanneer
je 't eens hebt afgestaan. Je zusters zullen trouwen, en dan is het
voor goed weg. Als het nu nog ooit aan onzen armen kleinen jongen
kon worden teruggegeven..."
"O, zeker," zei haar man heel ernstig, "dat zou een groot verschil
maken. Er kan een tijd komen, waarin Harry er spijt van heeft, dat
zulk een groote som werd weggeschonken. Als hij bijvoorbeeld een
groot gezin had, dan zou het een welkome vermeerdering zijn."
"Natuurlijk, dat spreekt vanzelf."
"Misschien was het dan voor alle betrokken partijen beter als we de
som tot op de helft verminderden. Vijfhonderd pond zou een ontzaglijke
vermeerdering van hun fortuin beteekenen."
"O, maar meer dan ze in de verste verte konden verwachten! Welke broer
ter wereld zou ook maar half zooveel doen voor zijn zusters, zelfs
als ze _werkelijk_ zijn zusters waren! Maar zooals hier--halfzusters
maar!--Je bent nu eenmaal zoo edelmoedig van aard!"
"Ik zou niet graag schriel willen zijn," was zijn antwoord. "Men doet
bij zulke gelegenheden liever te veel dan te weinig. Niemand kan ten
minste denken, dat ik niet genoeg voor hen heb gedaan; zelve zouden
ze moeilijk meer kunnen verwachten."
"Ja, wat _zij_ verwachten, wie zal dàt zeggen," vond mevrouw;
"maar hun verwachtingen gaan ons niet aan; de vraag is, wat jij je
veroorloven kunt te doen."
"Precies, en mij dunkt, dat ik mij kan veroorloven hun elk vijfhonderd
pond te geven. Zooals 't nu staat, zonder eenige toevoeging van mij,
zullen zij bij hun moeder's dood ieder meer dan drieduizend pond
bezitten, een zeer voldoende som voor een jonge vrouw."
"Dat is het _zeker_; en wèl beschouwd, dunkt mij, dat ze in 't
geheel geen toevoeging noodig hebben. Tienduizend pond zullen onder
hen verdeeld worden. Als ze trouwen, dan doen ze stellig een goede
partij, en trouwen ze niet, dan kunnen ze met elkaar ruim leven van
de rente van tienduizend pond."
"Dat is zéér waar; en daarom weet ik niet, of het over 't geheel niet
raadzamer zou zijn, iets te doen voor hun moeder, gedurende haar leven,
dan voor hen; zooiets als een jaargeld, bedoel ik. Mijn zusters zouden
daarvan evengoed voordeel trekken als zij zelve. Met honderd pond in
't jaar zouden ze 't samen heel goed kunnen hebben."
Zijn vrouw aarzelde echter een weinig, tot dit plan haar toestemming
te verleenen.
"Natuurlijk," zei ze, "dat is wel beter, dan afstand te doen van
vijftienhonderd pond ineens. Máár--als Mevrouw Dashwood nog vijftien
jaar blijft leven, dan zijn wij 't kind van de rekening."
"Vijftien jaar! maar Fanny, zóó oud wordt ze niet half."
"Dat denk ik ook niet; maar let eens op, als menschen een jaargeld
krijgen, dan leven ze maar altijd door; en zij is zoo dik en gezond,
en nog maar even in de veertig. Een jaargeld is werkelijk geen gekheid,
't komt geregeld ieder jaar weer terug, en men kan er niet afkomen. Je
weet niet wat je begint. Ik heb heel wat ondervinding van dien last
met jaargelden; want mijn moeder had, als een blok aan haar been,
volgens vader's testament, er drie uit te betalen aan oude, afgedankte
dienstboden, en je kunt je niet voorstellen hoe onaangenaam ze dat
vond. Tweemaal in 't jaar moest dat geld worden uitbetaald, en dan
hadt je nog den last om 't hun te doen toekomen; en toen 't heette,
dat een van hen was gestorven, bleek het later, dat daar niets van
aan was. Mijn moeder kreeg er zoo recht genoeg van. 't Was of haar
inkomen haar niet behoorde, zei ze, met die voortdurende eischen,
die aan haar werden gesteld; en 't was des te onaardiger van vader,
omdat overigens het geld geheel en al moeder's eigendom was, zonder
eenige voorwaarde. Dat heeft me zoo'n afkeer gegeven van jaargelden,
dat ik in geen geval mij zelf zou willen dwingen tot de verplichting
er ooit een uit te betalen, voor geen geld van de wereld."
"Het _is_ ook bijzonder onaangenaam," antwoordde de Heer Dashwood,
"die soort van jaarlijksche inkomstenvermindering te moeten
ondergaan. Zooals je moeder terecht zegt, op die manier is iemands
fortuin zijn eigendom niet. Verplicht te zijn tot geregelde betaling
van zoo'n som op elken betaaldag, is alles behalve prettig; 't beneemt
iemand zijn gevoel van onafhankelijkheid."
"Zeer zeker; en per slot krijgt men er geen dank voor. Zij denken
dat ze zeker zijn van hun geld; je doet niet meer dan ze verwachten,
en dankbaar zijn ze in 't minst niet. Als ik in je plaats was, dan zou
ik, wàt ik ook deed, geheel uit eigen vrijen wil doen; ik zou mij niet
willen binden, door een jaarlijksche toelage. Er kunnen jaren komen,
waarin 't ons heel slecht past om honderd, of zelfs vijftig pond te
missen van wat we noodig hebben voor eigen uitgaven."
"Mij dunkt, dat je gelijk hebt, beste; 't zal beter zijn, als er
geen sprake is van een jaargeld in dit geval; wàt ik hun dan ook
bij gelegenheid eens zal geven, zal hen veel meer helpen dan een
jaarlijksche toelage; want ze zouden alleen maar op veel grooter voet
gaan leven, als ze zeker waren van een grooter inkomen, en zoodoende
zouden ze aan 't eind van 't jaar geen cent rijker zijn erdoor. Dat
zal stellig de beste manier zijn. Met een cadeautje van vijftig pond
zoo af en toe zullen ze nooit om geld verlegen zijn, en ik geloof
dat ik op die wijze ten volle de belofte aan mijn vader nakom."
"Ja, zeker doe je dat. Eigenlijk, om je de waarheid te zeggen, ben
ik inwendig overtuigd, dat je vader in 't geheel niet bedoeld heeft,
dat je hun geld zoudt geven. Ik geloof stellig, die hulp, die hij op
het oog had, was niet anders, dan wat men natuurlijk van je zou mogen
verwachten; zooals bijvoorbeeld naar een geschikt huisje voor hen
uit te zien, hen te helpen bij 't verhuizen, en hun nu en dan eens
wat visch of wild te zenden, al naar 't seizoen. Ik durf wel wedden
dat hij niets meer dan dat bedoelde; en 't zou dan toch ook al héél
vreemd en onredelijk zijn geweest als dat wèl zoo was. Want bedenk
toch eens, man, hoe ruim en royaal je stiefmoeder en haar dochters
kunnen leven van de rente van zevenduizend pond, behalve die duizend
pond, die de meisjes ieder bezitten, en die hun elk vijftig pond in
't jaar opbrengen, waarvan ze natuurlijk hun moeder voor kost en
inwoning zullen betalen. Alles met elkaar gerekend zullen ze samen
vijfhonderd pond hebben in 't jaar, en wat ter wereld kunnen vier
vrouwen meer begeeren? Ze zullen zoo goedkoop leven! Hun huishouden zal
letterlijk niets kosten. Ze zullen geen rijtuig houden, geen paarden,
en bijna geen dienstboden; ze zullen geen menschen zien, en dus in
't geheel geen onkosten hebben! Denk eens, hoe ruim ze zich zullen
kunnen bewegen! Vijfhonderd pond in 't jaar! Bepaald, ik kan mij niet
voorstellen hoe ze ook maar de helft ervan zullen uitgeven, en dat
ze van jou nog meer zouden krijgen, is te gek om aan te denken. Ze
zullen vrij wat eerder in staat zijn om iets te geven aan _jou_."
"Ja, 't is waar," zei de Heer Dashwood; "je hebt groot gelijk. Vader
kan niets meer hebben bedoeld met zijn verzoek aan mij, dan wat je
zegt. Ik begrijp dat nu volkomen, en ik zal mijn belofte getrouw
vervullen door bewijzen van vriendelijkheid en hulp in den geest
zooals jij dat aangaf. Als moeder een ander huis gaat betrekken,
dan zal ik met genoegen mijn diensten aanbieden, om haar te helpen
zooveel in mijn vermogen is. Een of andere kleine attentie, een nieuw
meubelstuk of zoo, zal dan ook wel te pas komen."
"O jawel," zei Mevrouw John Dashwood. "Mààr, één ding mag je daarbij
wèl in aanmerking nemen. Toen je vader en moeder naar Norland
verhuisden, werden wel de meubels van Stanhill verkocht; maar al het
porselein, zilver en linnen werden meegenomen, en zijn nu nagelaten
aan je moeder. Daardoor zal haar huis bijna geheel en al ingericht
zijn, zoodra ze 't gaat bewonen."
"Dat legt gewicht in de schaal, zeer zeker. Een waardevol bezit!--Een
gedeelte van dat zilver zou buitengewoon goed te pas zijn gekomen
ter aanvulling van onzen eigen voorraad."
"Ja, en 't ontbijtservies is oneindig mooier dan 't geen hier in huis
behoort. Veel te mooi, naar _mijn_ idee, voor welk huis ook, waarin
_zij_ ooit kunnen wonen. Maar dat is nu eenmaal niet anders. Je vader
dacht alleen aan _hen_. En dàt moet ik zeggen: je behoeft hem niet zoo
bijzonder dankbaar te zijn, of zijn wenschen zoo stipt na te komen;
want we weten best, dat hij, als hij maar kòn, bijna alles aan _hen_
zou hebben nagelaten."
Dàt argument was onweerlegbaar. Het verleende zijn plannen de
vastheid, die er te voren aan ontbrak, en ten slotte besloot hij,
dat het volkomen onnoodig, zoo niet bepaald ongepast zou zijn, meer
te doen voor de weduwe en kinderen van zijn vader, dan hun als goeden
buren de soort van attenties te bewijzen, waarop zijn eigen vrouw
hem gewezen had.