HOOFDSTUK II

Mevrouw John Dashwood nam thans hare plaats in als vrouw des huizes

te Norland, en haar schoonmoeder en zusters werden tot de positie

van gasten teruggebracht. Als zoodanig echter behandelde zij hen kalm

beleefd, en haar man bewees hun zooveel vriendelijkheid, als hij kon

gevoelen voor iemand, behalve zichzelf, zijn vrouw en hun kind. Hij

wilde hen, werkelijk met eenigen aandrang, overhalen om Norland als

hun tehuis te beschouwen, en daar geen ander plan Mevrouw Dashwood

zoo verkieselijk scheen, als daar te blijven tot zij een huis in de

buurt had kunnen vinden, werd zijn uitnoodiging aangenomen.

Te blijven op een plek, waar alles haar aan vroegere vreugde

herinnerde, was juist wat strookte met haar aard. In tijden van

blijdschap kon geen geaardheid opgewekter zijn dan de hare, of in

grootere mate die optimistische verwachting van geluk koesteren,

die het geluk zelf is. Doch in hare smart liet zij zich eveneens

door haar verbeelding medevoeren, even ver van alle vertroosting,

als in haar vreugde van storende pijn.

Mevrouw John Dashwood keurde volstrekt niet goed, wat haar man

voornemens was te doen ten behoeve van zijne zusters. Drieduizend pond

af te nemen van het fortuin van hun kleinen jongen zou gelijk staan

met hem tot de verschrikkelijkste armoede te doen vervallen. Zij

raadde hem aan, nog eens na te denken over de zaak. Hoe kon hij 't

voor zichzelf verantwoorden, zijn kind, zijn eenig kind nog wel,

van zulk een groote som te berooven? En met welk recht konden de

dames Dashwood, die slechts bloedverwanten waren van ééne zijde,

't geen zij als in 't geheel geen verwantschap beschouwde, aanspraak

maken op zulk een groote som als bewijs van zijn edelmoedigheid? Dat

wist toch iedereen, hoe niemand ooit genegenheid verwachtte tusschen

kinderen van eenig man, uit verschillende huwelijken, en waarom zou

hij zichzelf, en hun armen kleinen Harry, ruïneeren, door al zijn

geld weg te geven aan zijn half zusters?

"'t Was vader's laatste verzoek aan mij," antwoordde haar man "dat

ik zijn weduwe en dochters zou bijstaan."

"Hij zal wel niet hebben geweten wat hij zei, denk ik; tien tegen

een dat hij in de war was op dat oogenblik. Als hij bij zijn verstand

geweest was, zou hij er niet aan hebben gedacht zoo iets vreemds te

doen, je te vragen je halve fortuin weg te geven ten nadeele van je

eigen kind."

"Hij eischte immers ook geen bepaalde som, beste Fanny, hij verzocht

mij alleen, in algemeene termen, om hen bij te staan en hunne

omstandigheden gemakkelijker te maken, dan in zijn vermogen was, te

doen. 't Was misschien beter geweest, als hij 't maar geheel aan mij

had overgelaten. Hij kon moeilijk veronderstellen, dat ik mij niet

om hen zou bekommeren. Maar daar hij die belofte van mij vergde,

kon ik al niet anders dan haar afleggen; ten minste, toen dacht ik

er zoo over. De belofte werd dus gegeven en moet worden vervuld. Iets

moet er voor hen worden gedaan, wanneer ze van Norland vertrekken en

gaan wonen in hun nieuw tehuis".

"Nu ja, goed; _laat_ er iets voor hen gedaan worden; maar dan behoeft

dat _iets_ niet juist drieduizend pond te zijn. Je moet niet vergeten,"

voegde zij erbij, "dat je het geld niet kunt terugkrijgen, wanneer

je 't eens hebt afgestaan. Je zusters zullen trouwen, en dan is het

voor goed weg. Als het nu nog ooit aan onzen armen kleinen jongen

kon worden teruggegeven..."

"O, zeker," zei haar man heel ernstig, "dat zou een groot verschil

maken. Er kan een tijd komen, waarin Harry er spijt van heeft, dat

zulk een groote som werd weggeschonken. Als hij bijvoorbeeld een

groot gezin had, dan zou het een welkome vermeerdering zijn."

"Natuurlijk, dat spreekt vanzelf."

"Misschien was het dan voor alle betrokken partijen beter als we de

som tot op de helft verminderden. Vijfhonderd pond zou een ontzaglijke

vermeerdering van hun fortuin beteekenen."

"O, maar meer dan ze in de verste verte konden verwachten! Welke broer

ter wereld zou ook maar half zooveel doen voor zijn zusters, zelfs

als ze _werkelijk_ zijn zusters waren! Maar zooals hier--halfzusters

maar!--Je bent nu eenmaal zoo edelmoedig van aard!"

"Ik zou niet graag schriel willen zijn," was zijn antwoord. "Men doet

bij zulke gelegenheden liever te veel dan te weinig. Niemand kan ten

minste denken, dat ik niet genoeg voor hen heb gedaan; zelve zouden

ze moeilijk meer kunnen verwachten."

"Ja, wat _zij_ verwachten, wie zal dàt zeggen," vond mevrouw;

"maar hun verwachtingen gaan ons niet aan; de vraag is, wat jij je

veroorloven kunt te doen."

"Precies, en mij dunkt, dat ik mij kan veroorloven hun elk vijfhonderd

pond te geven. Zooals 't nu staat, zonder eenige toevoeging van mij,

zullen zij bij hun moeder's dood ieder meer dan drieduizend pond

bezitten, een zeer voldoende som voor een jonge vrouw."

"Dat is het _zeker_; en wèl beschouwd, dunkt mij, dat ze in 't

geheel geen toevoeging noodig hebben. Tienduizend pond zullen onder

hen verdeeld worden. Als ze trouwen, dan doen ze stellig een goede

partij, en trouwen ze niet, dan kunnen ze met elkaar ruim leven van

de rente van tienduizend pond."

"Dat is zéér waar; en daarom weet ik niet, of het over 't geheel niet

raadzamer zou zijn, iets te doen voor hun moeder, gedurende haar leven,

dan voor hen; zooiets als een jaargeld, bedoel ik. Mijn zusters zouden

daarvan evengoed voordeel trekken als zij zelve. Met honderd pond in

't jaar zouden ze 't samen heel goed kunnen hebben."

Zijn vrouw aarzelde echter een weinig, tot dit plan haar toestemming

te verleenen.

"Natuurlijk," zei ze, "dat is wel beter, dan afstand te doen van

vijftienhonderd pond ineens. Máár--als Mevrouw Dashwood nog vijftien

jaar blijft leven, dan zijn wij 't kind van de rekening."

"Vijftien jaar! maar Fanny, zóó oud wordt ze niet half."

"Dat denk ik ook niet; maar let eens op, als menschen een jaargeld

krijgen, dan leven ze maar altijd door; en zij is zoo dik en gezond,

en nog maar even in de veertig. Een jaargeld is werkelijk geen gekheid,

't komt geregeld ieder jaar weer terug, en men kan er niet afkomen. Je

weet niet wat je begint. Ik heb heel wat ondervinding van dien last

met jaargelden; want mijn moeder had, als een blok aan haar been,

volgens vader's testament, er drie uit te betalen aan oude, afgedankte

dienstboden, en je kunt je niet voorstellen hoe onaangenaam ze dat

vond. Tweemaal in 't jaar moest dat geld worden uitbetaald, en dan

hadt je nog den last om 't hun te doen toekomen; en toen 't heette,

dat een van hen was gestorven, bleek het later, dat daar niets van

aan was. Mijn moeder kreeg er zoo recht genoeg van. 't Was of haar

inkomen haar niet behoorde, zei ze, met die voortdurende eischen,

die aan haar werden gesteld; en 't was des te onaardiger van vader,

omdat overigens het geld geheel en al moeder's eigendom was, zonder

eenige voorwaarde. Dat heeft me zoo'n afkeer gegeven van jaargelden,

dat ik in geen geval mij zelf zou willen dwingen tot de verplichting

er ooit een uit te betalen, voor geen geld van de wereld."

"Het _is_ ook bijzonder onaangenaam," antwoordde de Heer Dashwood,

"die soort van jaarlijksche inkomstenvermindering te moeten

ondergaan. Zooals je moeder terecht zegt, op die manier is iemands

fortuin zijn eigendom niet. Verplicht te zijn tot geregelde betaling

van zoo'n som op elken betaaldag, is alles behalve prettig; 't beneemt

iemand zijn gevoel van onafhankelijkheid."

"Zeer zeker; en per slot krijgt men er geen dank voor. Zij denken

dat ze zeker zijn van hun geld; je doet niet meer dan ze verwachten,

en dankbaar zijn ze in 't minst niet. Als ik in je plaats was, dan zou

ik, wàt ik ook deed, geheel uit eigen vrijen wil doen; ik zou mij niet

willen binden, door een jaarlijksche toelage. Er kunnen jaren komen,

waarin 't ons heel slecht past om honderd, of zelfs vijftig pond te

missen van wat we noodig hebben voor eigen uitgaven."

"Mij dunkt, dat je gelijk hebt, beste; 't zal beter zijn, als er

geen sprake is van een jaargeld in dit geval; wàt ik hun dan ook

bij gelegenheid eens zal geven, zal hen veel meer helpen dan een

jaarlijksche toelage; want ze zouden alleen maar op veel grooter voet

gaan leven, als ze zeker waren van een grooter inkomen, en zoodoende

zouden ze aan 't eind van 't jaar geen cent rijker zijn erdoor. Dat

zal stellig de beste manier zijn. Met een cadeautje van vijftig pond

zoo af en toe zullen ze nooit om geld verlegen zijn, en ik geloof

dat ik op die wijze ten volle de belofte aan mijn vader nakom."

"Ja, zeker doe je dat. Eigenlijk, om je de waarheid te zeggen, ben

ik inwendig overtuigd, dat je vader in 't geheel niet bedoeld heeft,

dat je hun geld zoudt geven. Ik geloof stellig, die hulp, die hij op

het oog had, was niet anders, dan wat men natuurlijk van je zou mogen

verwachten; zooals bijvoorbeeld naar een geschikt huisje voor hen

uit te zien, hen te helpen bij 't verhuizen, en hun nu en dan eens

wat visch of wild te zenden, al naar 't seizoen. Ik durf wel wedden

dat hij niets meer dan dat bedoelde; en 't zou dan toch ook al héél

vreemd en onredelijk zijn geweest als dat wèl zoo was. Want bedenk

toch eens, man, hoe ruim en royaal je stiefmoeder en haar dochters

kunnen leven van de rente van zevenduizend pond, behalve die duizend

pond, die de meisjes ieder bezitten, en die hun elk vijftig pond in

't jaar opbrengen, waarvan ze natuurlijk hun moeder voor kost en

inwoning zullen betalen. Alles met elkaar gerekend zullen ze samen

vijfhonderd pond hebben in 't jaar, en wat ter wereld kunnen vier

vrouwen meer begeeren? Ze zullen zoo goedkoop leven! Hun huishouden zal

letterlijk niets kosten. Ze zullen geen rijtuig houden, geen paarden,

en bijna geen dienstboden; ze zullen geen menschen zien, en dus in

't geheel geen onkosten hebben! Denk eens, hoe ruim ze zich zullen

kunnen bewegen! Vijfhonderd pond in 't jaar! Bepaald, ik kan mij niet

voorstellen hoe ze ook maar de helft ervan zullen uitgeven, en dat

ze van jou nog meer zouden krijgen, is te gek om aan te denken. Ze

zullen vrij wat eerder in staat zijn om iets te geven aan _jou_."

"Ja, 't is waar," zei de Heer Dashwood; "je hebt groot gelijk. Vader

kan niets meer hebben bedoeld met zijn verzoek aan mij, dan wat je

zegt. Ik begrijp dat nu volkomen, en ik zal mijn belofte getrouw

vervullen door bewijzen van vriendelijkheid en hulp in den geest

zooals jij dat aangaf. Als moeder een ander huis gaat betrekken,

dan zal ik met genoegen mijn diensten aanbieden, om haar te helpen

zooveel in mijn vermogen is. Een of andere kleine attentie, een nieuw

meubelstuk of zoo, zal dan ook wel te pas komen."

"O jawel," zei Mevrouw John Dashwood. "Mààr, één ding mag je daarbij

wèl in aanmerking nemen. Toen je vader en moeder naar Norland

verhuisden, werden wel de meubels van Stanhill verkocht; maar al het

porselein, zilver en linnen werden meegenomen, en zijn nu nagelaten

aan je moeder. Daardoor zal haar huis bijna geheel en al ingericht

zijn, zoodra ze 't gaat bewonen."

"Dat legt gewicht in de schaal, zeer zeker. Een waardevol bezit!--Een

gedeelte van dat zilver zou buitengewoon goed te pas zijn gekomen

ter aanvulling van onzen eigen voorraad."

"Ja, en 't ontbijtservies is oneindig mooier dan 't geen hier in huis

behoort. Veel te mooi, naar _mijn_ idee, voor welk huis ook, waarin

_zij_ ooit kunnen wonen. Maar dat is nu eenmaal niet anders. Je vader

dacht alleen aan _hen_. En dàt moet ik zeggen: je behoeft hem niet zoo

bijzonder dankbaar te zijn, of zijn wenschen zoo stipt na te komen;

want we weten best, dat hij, als hij maar kòn, bijna alles aan _hen_

zou hebben nagelaten."

Dàt argument was onweerlegbaar. Het verleende zijn plannen de

vastheid, die er te voren aan ontbrak, en ten slotte besloot hij,

dat het volkomen onnoodig, zoo niet bepaald ongepast zou zijn, meer

te doen voor de weduwe en kinderen van zijn vader, dan hun als goeden

buren de soort van attenties te bewijzen, waarop zijn eigen vrouw

hem gewezen had.

Gevoel en verstand · 第 10 / 61 题