korten door den schurk nog eenige vragen te stellen.
—Hij heeft je natuurlijk geantwoord.
—Zonder een oogenblik te aarzelen.
—En ben je nog iets bijzonders te weten gekomen?
—Ik weet het wachtwoord voor de inbraak bij Maxwell, en ik weet, dat er
pogingen in het werk zullen worden gesteld door vrienden van Fox om
Beaupré de la Sardogne eenvoudig uit den weg te ruimen, zoodat hij het
den meester nooit meer kan lastig maken.
—Zoo iets had ik wel verwacht! hernam Raffles, en wanneer denken de
bandieten dat plan ten uitvoer te brengen?
—Dat wist Big Billy niet nauwkeurig te zeggen, maar liever vandaag dan
morgen.
Raffles had met gefronste wenkbrauwen toegeluisterd. Dan verkeert die
man in levensgevaar; de ellendelingen zouden zich niet ontzien, zelfs
een zwaargewonde te vermoorden. Wij moeten een oog in het zeil houden,
Charly. Zeker, Beaupré is geen vriend van mij, en wie weet hoe wij
later tegenover elkander zullen komen te staan. Maar ik geef de hoop
niet op, dat hij nog eens een bondgenoot in den strijd tegen Fox wordt,
en bovendien heb ik zijn minnares mijn woord gegeven, dat ik hem zou
beschermen.
—Dat is alles heel mooi, Edward, zeide Charly zachtjes, maar je vergeet
een ding, veronderstel dat je met de hulp van Beaupré Dr. Fox kunt
verslaan, dan zal deze eenvoudig plaats moeten maken voor den Franschen
markies, en wat hebt je dan gewonnen? Dat is immers lood om oud ijzer.
—Toch niet geheel en al, mijn jongen, kwam Raffles glimlachend. Ik houd
dien Beaupré voor een misdadiger, maar niet voor een moordenaar. Fox
daarentegen is een ondier, een bloeddorstige schurk, die voor niets
terugdeinst, en ten slotte zou niets mij kunnen weerhouden om Beaupré
te bestrijden, zooals ik het Dr. Fox heb gedaan, zoo lang totdat er een
einde is gemaakt aan het bestaan van dit afschuwelijke, bloedige
genootschap.
Er heerschte eenige oogenblikken stilzwijgen in het vertrek, en daarop
hernam Raffles:
—En laten wij nu eens met onze onwelkome bezoekers vertrekken.
—Waar ga je dan heen? vroeg Charly verbaasd.
—Naar het Restaurant van Temple Bar.
—Om wat te doen in ’s hemelsnaam? riep Charly verschrikt uit.
—Te drommel, om er te gaan dineeren; mijn maag begint te jeuken,
antwoordde Raffles.
—Met deze twee heeren?
—Welzeker! antwoordde Raffles glimlachend.
—Maar je wilde hen hoe eerder hoe liever kwijt zijn.
—Dat ben ik ook van plan, maar eerst zullen wij wat eten. Want ik reken
er natuurlijk op, dat je mij vergezelt.
—Dat wil ik graag. Als je mij maar zegt, wat ik te doen heb.
—O, het is heel gemakkelijk. Wij zullen daar dineeren en de politie
wordt gewaarschuwd, dat zij, laat ons zeggen, precies om half negen
verschijnt. Jij wijst haar de twee schelmen aan en de rest kun je wel
aan mij over laten.
—Als de politie dan maar niet denkt, dat jij bij hen behoort.
—Dat zal zij niet, want ik zelf zal de man zijn, die hen heeft
aangegeven. Ik ben een eenvoudig provinciaal, die in handen van
kwartjesvinders is gevallen en zet nu je hoed op. Wij zullen hier nog
wel een paar hoofddeksels en een behoorlijke das en boord voor die
schooiers hebben.
Deze kleedingstukken waren spoedig gehaald en de beide bandieten kregen
bevel, ze aan te trekken.
Eindelijk was men gereed, en Henderson kwam met de auto aanrijden om
het gezelschap naar het restaurant van Temple Bar te brengen.
Daar gekomen namen Raffles en Charly ieder een van de schelmen voor hun
rekening en bevalen hen op zachten toon, hen te volgen.
En het was wel een zonderlinge optocht, die daar door de dichtbezette
restauratiezaal schreed, op zoek naar een onbezet tafeltje.
Voorop de beide zoogenaamde provincialen in hun slechtzittenden rok en
met een onnoozel verschrikt gezicht de weelde om hen heen in
oogenschouw nemend en daarachter de twee mannen in hun eenvoudige
zwarte jas, die zich als automaten voortbewogen, met de oogen
onbewegelijk op den rug van hun metgezellen gericht.
Een kellner, die nauwelijks een glimlach kon weerhouden, geleidde het
viertal naar een zoo juist verlaten tafeltje schuin tegenover den
ingang.
Telkens fluisterden Raffles en Charly den twee bandieten hunne bevelen
in:
—Zet uw hoed af ... doe uw jas uit ... ga zitten......
Het viertal had vrij wat bekijks, maar daar stoorden de zoogenaamde
provincialen zich niet aan en de twee bandieten eerst recht niet! Die
schenen in het geheel niets te zien en aten alsof zij speelgoedpoppen
waren, waarvan het mechaniek zooeven was opgewonden.
Raffles liet zich het eten voortreffelijk smaken, maar Charly was
tamelijk zenuwachtig.
Voor hem stond het nog niet vast, dat alles zóó zou gaan, als zijn
vriend het zich had voorgesteld.
Raffles wierp van tijd tot tijd een blik op zijn horloge, en om eenige
minuten voor negenen gaf hij Charly een wenk, die zich verwijderde en
bij de deur postvatte.
Zoodra hij daar stond, haalde Raffles een klein étui uit zijn zak,
opende het, en nam er een zeer klein injectie-spuitje uit, dat reeds
met een heldergroene vloeistof gevuld was.
Onder tafel nam hij beurtelings de slap neerhangende linkerhanden van
de beide bandieten, en prikte hen vluchtig met het spuitje in den pols.
Hij bergde het kleine voorwerp weder op en riep den kellner, dien hij
betaalde.
Daarop voegde hij zich, zonder zich te overhaasten, bij Charly, die
reeds met hoeden en jassen gereed stond, brandend van verlangen om uit
deze gevaarlijke omgeving weg te komen.
Juist ging de deur open en drie agenten traden de zaal binnen.
—Blij dat jullie er zijt, mannen! kwam Raffles, terwijl de gasten niet
weinig verwonderd toekeken. Zien jullie daarginds die twee kerels aan
dat tafeltje—een weinig meer links—ja daar! Heb jullie wel eens gehoord
van „Big Billy” en „Bittere Pil”? Vergis ik mij, of worden die twee
schurken door de Londensche politie gezocht?
De drie agenten keken strak naar de aangewezen mannen en knikten toen
verbaasd.
—Zij zijn het zeker, mijnheer! antwoordde een hunner. Maar ik kan mij
niet begrijpen, hoe zij hier komen, en in uw gezelschap zijn geraakt!
Maar wat drommel—dat zijn dezelfde schurken, die in het ziekenhuis in
Sloane Street zijn binnengedrongen!
—Wat je daar zegt, is Latijn voor mij, mijn goede man! kwam Raffles met
voorgewende verbazing. Maar wel weet ik, dat die lui ons zooeven onze
zakken wilden ledigen, daar zij meenden, dat wij dronken waren!
—Maar wist u dan, wie zij waren? vroeg de agent, en Raffles zag
duidelijk wantrouwen op zijn gelaat afgespiegeld.
—Ik ben van de politie! antwoordde hij snel, daar dit de eenige uitweg
was.
—Maar—zij zitten daar als steenen beelden! riep nu een andere agent
uit. Wat moet dat beduiden?
De man had de vraag nog niet behoorlijk gesteld, of bijna
tegelijkertijd maakten de twee bandieten een schokkende beweging, alsof
zij met naalden werden gestoken.
En een seconde later rekten zij de armen uit, sperden de oogen wijd
open, en staarden verwezen om zich heen.
Zij wreven zich de oogen uit, keken nog eens—en schenen toen pas tot
het besef te komen, dat zij tot de levenden behoorden, en van de
plaats, waar zij zich bevonden.
Zij wisselden snel een paar woorden met elkander en wilden blijkbaar
vlug opstaan en de zaal verlaten.
Blijkbaar begrepen zij, dat er iets met hen gebeurd was, iets, waarvan
een vijand de bewerker moest zijn—en een vijand die met groote middelen
werkte!
Maar nu lieten de agenten geen tijd meer verloren gaan.
Zij bekommerden zich niet meer om de twee personen aan de deur, maar
snelden naar het tafeltje, waar de bandieten gezeten waren.
Een ondeelbaar oogenblik later was de geheele zaal in opschudding!
„Big Billy” en „Bittere Pil” hadden de agenten zien aankomen en
begrepen instinctmatig dat het om hen te doen was, al wisten zij zich
volstrekt niets te herinneren van hetgeen er met hen was voorgevallen
sedert zij in de auto hadden plaats genomen met de zoogenaamde
detectives die hen in het ziekenhuis hadden gearresteerd.
Zij sprongen op en tastten naar hun zakken.
Maar Raffles had de voorzorg genomen, die zakken geheel te ledigen, en
zij vonden er mes noch revolver in.
Toen grepen zij brullend, met het schuim op de lippen, alles wat hen
voor de hand kwam—zware wijnkaraffen, stoelen, fruitmessen, en
trachtten zich daarmede te verdedigen.
Spiegels vlogen aan scherven, de pooten braken van de stoelen en er
ontstond een verwoed handgemeen, want de agenten durfden in de volte
hunne revolvers niet gebruiken, en moesten het met hun gummistok
afdoen.
Maar er kwamen eenige pootige gasten ter hulp, en eindelijk kon de
woedende tegenstand van de beide bandieten worden overwonnen.
Zij werden, uit verscheidene wonden bloedend, geboeid en weggeleid.
Nu pas dachten de agenten weder aan de twee heeren, die hen bij den
ingang van de zaal hadden ingelicht, en zij wilden hen verzoeken, hen
naar het bureau van politie te vergezellen, ten einde daar te getuigen.
Maar de twee zoogenaamde provincialen waren in geen velden of wegen
meer te bespeuren.
Inderdaad, Raffles en Charly hadden van de algemeene verwarring gebruik
gemaakt, en hadden zich verwijderd, het aan de agenten overlatend, de
zaak tot een goed einde te brengen.
Een auto bracht hen snel naar het hotel, waar Marthe Debussy geduldig
hun komst afwachtte, en even later waren zij alle drie onderweg naar
het huis in het noorden der wereldstad.
—Hier zijt gij weder veilig, zeide Raffles tot de jonge vrouw, die er
vermoeid en lijdend uitzag door al de emoties van de laatste dagen. Men
is, althans voorloopig, uw spoor bijster, en al was men dat niet—ik
verzeker u, dat men zich wel tweemaal zal bedenken, alvorens het te
wagen u hier te komen lastig vallen! Helaas durf ik niet hetzelfde
getuigen van uwen vriend—van Markies de Beaupré.
—Wat is er dan? vroeg Marthe angstig, terwijl haar gelaat nog bleeker
werd.
—Zijn leven verkeert in gevaar! antwoordde Raffles op zachten toon. Men
beraamt een aanslag, en de vrienden van Fox hebben het voornemen, hem
vandaag of morgen te vermoorden!
Marthe liet een zacht gekreun hooren en haar zwarte oogen sloten zich.
Zij wrong de handen en steunde:
—Dan zijn wij ditmaal machteloos! Gij kent hun middelen niet! Wat zij
zich voornemen, vooral als het een wraakneming betreft—dat volbrengen
zij ook! Raoul is verloren!
—Niet, als wij er iets aan doen kunnen, madame! antwoordde Raffles met
vaste stem. En wij kunnen het, dat zweer ik u!
Een snik ontwrong zich aan de keel van de ongelukkige vrouw.
Zij opende haar oogen weder die vol tranen stonden, en stak Raffles een
bevende hand toe.
—Gij wilt hem dus bijstaan? vroeg zij bijna toonloos.
—Dat heb ik u beloofd—en mijn woord schond ik nooit! zeide Raffles.
Zoolang uw vriend nog hulpeloos is—zoolang kunt gij van mijn bijstand
verzekerd zijn. Later zullen wij verder zien!
—Dat zal ik nimmer vergeten! riep de vrouw op hartstochtelijken toon.
Wat er ook moge gebeuren—ik zal steeds aan uw zijde staan! Gij zult
zien, dat gij niet met een ondankbare te doen hebt!
Raffles maakte zachtjes zijn hand los, en hernam ernstig:
—Men mag niet op de gebeurtenissen vooruit loopen—wie weet, wat de
toekomst ons brengt! Tusschen uw vriend en mij gaapt een afgrond, vrees
ik! Zoolang hij deel uitmaakt van een genootschap als dat van den
Gouden Sleutel—zoolang is hij mijn natuurlijke vijand! Thans echter zie
ik in hem slechts een slachtoffer van dien ellendeling, die aan het
hoofd van het Genootschap staat—en als zoodanig heeft hij recht op mijn
hulp!
Marthe had zwijgend geluisterd, en hernam, nu zacht:
—Hoe weet gij, dat men het op zijn leven voorzien heeft?
—Daarover kan ik mij niet uitlaten, madame! Laat het u voldoende zijn
dat men Beaupré nog in het ziekenhuis wil vermoorden—wellicht nog dezen
nacht!
—Maar wat zullen wij dan doen? riep Marthe wanhopig uit.
—Ik zal mij daarheen begeven en er wel weten binnen te komen, onder een
of ander voorwendsel! antwoordde Raffles. Laat mij slechts den tijd een
plan te bedenken!
Geruimen tijd bleef het stil in het vertrek.
Toen wendde Raffles zich tot Charly, die zwijgend ter zijde was blijven
staan en wisselde eenige woorden met den jongen man, die de kamer
verliet.
Er verliep een half uur.
Toen ging de deur weder open en er trad een jonge vrouw binnen, in de
kleeding van verpleegster.
Het was Charly Brand!
En zoo voortreffelijk was zijn vermomming, zoo volkomen leek hij op
eene vrouw dat het eenigen tijd duurde, voor Marthe Debussy kon
gelooven, dat zij werkelijk met denzelfden man te doen had, die zich
zoo even in gezelschap van den Grooten Onbekende had bevonden!
Raffles keek haar glimlachend aan en vroeg eindelijk:
—Bevalt dit verpleegstertje u nog al?
—Men zou zweren met een vrouw te doen te hebben! stamelde Marthe, die
haar oogen nog altijd niet kon gelooven!
—Zooveel te beter! hernam Raffles. Ja, mijn vriend is een specialiteit
in vrouwenrollen! Hij vervult ze wel niet graag—maar daarmede kunnen
wij ons niet steeds ophouden!
Hij wendde zich nu tot Charly en zeide:
—De taak die ik je opdraag is moeilijk, mijn jongen! Je zult op de een
of andere wijze toegang moeten zien te krijgen tot ’t ziekenhuis in de
Sloane Street. Het is een gelukkige omstandigheid dat daar een zeer
groot personeel is, ik meen zoo iets van honderdvijftig verpleegsters
en daardoor zal het je wel mogelijk vallen, binnen te komen! Ik laat
het voorwendsel aan je eigen vindingrijkheid over. De hoofdzaak is, dat
je je in geen geval mag laten wegsturen en op de mannenzaal komt!
—Ik ken eenige der verpleegsters bij name! zeide Charly. Wellicht kan
ik de plaats van een hunner innemen, of zeggen dat ik een boodschap
voor haar heb of iets dergelijks! Reken er op dat ik wel iets zal weten
te vinden!
—Dat doe ik ook! hernam Raffles kalm. Je zult je oogen dan goed den
kost geven en zoo wantrouwend zijn als een eekhoorntje! Treed dadelijk
handelend op als je iets verdachts merkt. Je bent toch gewapend!
Inplaats van te antwoorden liet Charly de kleine revolver zien welke
hij uit de zak van zijn rok haalde.
—Dat zal wel voldoende zijn, hernam Raffles. Althans wanneer je je er
op het gunstige oogenblik van weet te bedienen! En ga nu maar spoedig,
laat Henderson je met de auto wegbrengen en geef hem de noodige
instructies. Tegen het krieken van den dag kun je wel weder
terugkeeren, want dan zullen de schurken wel niets meer durven te
ondernemen.
Charly drukte Raffles de hand, knikte Marthe Debussy bemoedigend toe,
en had het volgende oogenblik het vertrek verlaten.
HOOFDSTUK VI.
DE DOOD ACHTER HET GORDIJN.
De jonge man begaf zich aanstonds naar de kleine autogarage die bij het
huis behoorde en waarschuwde Henderson.
Deze bracht zijn wagen dadelijk naar buiten en in snelle vaart ging het
naar het groote Ziekenhuis, waar Beaupré terneder lag op zijn ziekbed,
onkundig van het gevaar dat hem bedreigde.
Gedurende den rit had Charly zijn plannen uitgewerkt en toen de auto
eindelijk op een vijftigtal meter van het Ziekenhuis stil stond, wist
Charly hoe hij zou handelen.
Hij had onderweg overdacht dat het wellicht het eenvoudigste zou zijn,
om den directeur van het Ziekenhuis op de hoogte te brengen van de
moordplannen welke tegen den zwaar gewonden patiënt op de algemeene
mannenzaal beraamd waren, maar bij nader inziens kwam hij tot de
overtuiging, dat hij daardoor niet alleen Beaupré zelf maar ook Raffles
in groote moeilijkheden zou brengen, daar men natuurlijk aanstonds zou
vragen waarom men den zoogenaamden Dubois wilde dooden en hoe hij,
Charly, van dat plan op de hoogte was.
Het was het beste zoolang mogelijk den directeur er buiten te houden,
dat wil zeggen, tot werkelijk bleek, dat men Beaupré had willen dooden.
Want dan ging zijn persoonlijke veiligheid boven alles, en zou men hem
naar een kamer moeten overbrengen, waar hij volkomen beschermd was
tegen iederen aanslag.
Hij liep snel naar het gebouw toe, na Henderson last te hebben gegeven,
de auto in een naburige garage te stallen en daar op hem te wachten, en
belde aan, na het oprijpad te hebben gevolgd.
De nachtportier—het was intusschen half een geworden—deed open, en
vroeg verbaasd wat zij wenschte.
—Ik ben gezonden door de dame, de vrouw van mijnheer Dubois! antwoordde
Charly met een hooge stem, die van het stemgeluid eener jonge vrouw
niet te onderscheiden was.
—Zoudt u mij even bij de hoofdverpleegster willen aandienen?
De portier scheen even te aarzelen en verzocht toen de gewaande
verpleegster binnen te treden en even te wachten.
De man trad zijn loge binnen, nam de telefoon ter hand en sprak eenige
oogenblikken in het toestel.
Toen keerde hij weder naar de verpleegster terug en zeide:
—De hoofdverpleegster verzoekt u even bij haar op de algemeene
mannenzaal te komen! Weet gij den weg in dit gebouw?
Charly kende den weg evengoed als het huis in de Regentstreet, want hij
was er pas den vorigen dag geweest en daarom antwoordde hij
vriendelijk:
—Ik zal den weg wel vinden! Ik ben hier meermalen geweest!
En Charly ging de trap op met een zekerheid, alsof hij hier jarenlang
zieken had verpleegd.
Hij stond spoedig voor de hooge deur van de gemeenschappelijke
mannenzaal en trad binnen, niet zonder hartklopping, want als het
bedrog ontdekt werd zouden de gevolgen niet te overzien zijn.
De hoofdverpleegster zat aan haar tafeltje in den middenloop, die de
twee rijen bedden van elkander scheidde, en was bezig aan een
haakwerkje.
Het was doodstil in de zaal en alle zieken schenen te slapen.
Men hoorde niets anders dan het getik van de groote klok.
De bejaarde dame, die daar zoo rustig zat onder het schijnsel van een
electrische lamp van geringe lichtkracht, die alleen haar eigen
tafeltje in een lichtgloed zette, hief het hoofd op, toen zij de deur
hoorde opengaan en keek de verpleegster die op de teenen loopend
naderde nieuwsgierig aan.
Charly bleef voor het tafeltje staan en zeide:
—Ik vraag u verschooning als ik u stoor, maar de vrouw van mijnheer
Dubois is vreeselijk ongerust; ik verpleeg haar tehuis en ik vrees
zeer, dat de angst voor het welzijn van haar man haar ernstig zal
benadeelen! Zij stelt groot vertrouwen in mij en zij smeekte mij,
hierheen te gaan en mijnheer Dubois persoonlijk op te passen al was het
slechts voor dezen nacht en natuurlijk als u er geen bezwaar tegen
hebt.
De hoofdverpleegster liet het haakwerkje op haar schoot rusten en trok
een bedenkelijk gezicht.
Toen zeide zij zacht, om de slapenden niet te wekken:
—Ik wil u wel zeggen, zuster, dat dit hier volstrekt geen gebruik is,
maar ik geloof evenmin dat het verboden is. En in gevallen als deze zou
men in ieder geval wel een uitzondering willen maken.
—Daarvoor zou ik u zeer dankbaar zijn, Miss! Ik zou zoo gaarne een
gunstig bericht aan Madame Dubois brengen!
—Maar zijt gij dit werk wel gewend? vroeg de hoofdverpleegster, terwijl
zij de sierlijke gestalte van de gewaande ziekenzuster opnam.
—Daaromtrent kunt gij gerust zijn, Miss! hernam Charly glimlachend.
—Nu, dan geloof ik wel, dat ik op eigen gezag u toestemming kan geven,
om hier den nacht te waken! Om u de waarheid te zeggen, vreesde ik
hedenmiddag voor het leven van mijnheer Dubois, hij was erg zenuwachtig
en had die dame laten roepen—zijn vrouw, zooals gij zegt. Gelukkig is
zijn toestand sedert zij vertrok weder veel verbeterd en hij heeft den
geheelen avond rustig geslapen.
—Wilt gij mij zijn bed even wijzen, Miss? vroeg Charly, ofschoon hij
het zeer nauwkeurig had kunnen aanwijzen.
—Tot uw dienst!
De hoofdverpleegster stond op en geleidde Charly tot voor het bed, waar
Raoul de Beaupré rustig lag te sluimeren.
Zijn regelmatige ademhaling bewees dat zijn toestand inderdaad was
vooruitgegaan en dat hij op dit oogenblik geheel koortsvrij was.
Charly deed of hij bij ongeluk de kleine tasch liet vallen welke hij in
de hand gehad had en bukte zich.
Hij wierp snel een blik onder het bed en onder de naburige onbezette
bedden, er was niets te zien.
—Onze patiënt moet over een kwartier innemen, fluisterde de
hoofdverpleegster. Het drankje staat op het nachtkastje. U moet dan
tevens de temperatuur opnemen, hetgeen anders door een surveillante
gedaan wordt. Er zijn er vannacht twee, die beiden om één uur
verschijnen. Tot dien tijd ben ik hier steeds aanwezig, tenminste
wanneer ik avonddienst heb, zooals thans het geval is! En nu zal ik u
moeten verlaten, want ik moet nog even mijn temperatuurlijst afmaken!
Als gij soms, wat niet te verwachten is, iets onrustbarends mocht zien
aan den patiënt, dan komt ge mij wel even waarschuwen als ik hier nog
ben en anders een der beide surveillanten.
De hoofdverpleegster knikte Charly toe, en nam weder aan haar tafeltje
plaats, om zich in haar temperatuurlijsten te verdiepen.
Charly had zich ontdaan van den mantel dien hij over zijn
verpleegsterscostuum droeg en een borduurwerkje uit de tasch te
voorschijn gehaald. Want Charly deed de zaken niet ten halve—hij moest
nu eenmaal dikwijls een vrouwenrol spelen, en het was dus noodzakelijk
dat hij ook de bijzonderheden aannam welke door het vrouwelijk geslacht
gedaan worden: breien, haken, borduren en andere zaken, waarop hij
anders met de minachting van ieder recht geaard man neerkeek.
En zoo zat hij daar naast het bed van den zwaar gewonde en borduurde er
op los alsof hij jarenlang onderwijs hierin had genomen—en met een
overtuiging, welke Raffles waarschijnlijk groot genoegen zou hebben
gebaard.
Hij raadpleegde van tijd tot tijd zijn gouden polshorloge, en juist op
tijd stond de gewaande verpleegster op, wekte den sluimerende, zeide
hem vriendelijk dat het tijd was om in te nemen, en diende hem den
drank op onverbeterlijk handige wijze toe, zooals geen
beroepsverpleegster het hem zou hebben verbeterd en nadat hij hem den
koortsthermometer onder den oksel had gelegd.
Beaupré nam den drank geduldig in, half in den doezel en zonder zelfs
de verpleegster aan te zien, die zich over hem heen boog, en hij sliep
al weder toen Charly den thermometer weder te voorschijn haalde en de
temperatuur noteerde op de lijst die boven het bed hing, iets meer dan
acht en dertig graden, hetwelk in de gegeven omstandigheden zeer weinig
mocht heeten.
Precies om een uur gingen de deuren open en traden de twee
surveillanten binnen, ieder met een kleine kaarslantaarn in de hand.
Zij traden op de hoofdverpleegster toe, die fluisterend eenige woorden
met hen wisselde, en daarbij herhaaldelijk in de richting van de
gewaande verpleegster keek, waaruit hij terecht kon afleiden, dat het
drietal het over hem had.
Daarop stond de hoofdverpleegster op, nam haar papieren bijeen en
draaide het licht boven haar tafel uit zoodat de zaal in het duister
gehuld was, met uitzondering van de rosse lichtplekken daar, waar de
surveillanten met hun lantaarns stonden.
Een hunner geleidde de hoofdverpleegster met haar lantaarn naar de
deur, terwijl de andere zich op haar plaats zette met de lantaarn voor
zich op tafel, om bij dit weifelend licht een avondblad te gaan lezen.
De andere surveillante richtte zich juist op dezelfde wijze in aan een
klein tafeltje vlak naast de deur, zoodra deze achter de
hoofdverpleegster gesloten was.
De taak van deze beide vrouwen bestond slechts hierin dat zij acht
moesten geven dat geen zieke de zaal zou verlaten en om in dringende
gevallen bij een plotselinge verergering den dienstdoenden geneesheer
te waarschuwen.
En voor de rest behoefden zij slechts aan patiënten, die dit noodig
hadden, op gezette tijden geneesmiddelen ingeven.
Zij zouden om zeven uur in den morgen worden afgelost.
De groote zaal werd nu dus slechts verlicht door het flakkerend
schijnsel der beide kaarslantaarns en zij maakten een troosteloozen,
bijna somberen indruk op den man naast het bed van Beaupré, met al die
bedden, met hun vage witte omtrekken, en hier en daar een donkere plek
van een hoofd op een kussen.
Charly dacht nu niet meer aan borduren!
Integendeel—al zijn zenuwen waren gespannen en hij voelde nog eens of
zijn revolver nog wel op haar plaats zat.
Het onrustig schijnsel van de kaarsen in de lantaarns tooverde grillige
schaduwen op de gordijnen van de tien hooge ramen, die zich allen aan
één zijde bevonden,—dezelfde zijde waar het bed van Beaupré geplaatst
was.
Traag kropen de kwartieren, de halve uren—de uren voorbij!