De surveillanten waren blijkbaar ingedommeld boven hun kranten, hetgeen

menigmaal geschiedde als er geen ernstige gevallen waren.

En Charly zelf, hoezeer hij zich ook inspande, vocht slechts met moeite

tegen den slaap die hem dreigde te overmannen.

Ook den vorigen nacht had hij zeer weinig kunnen slapen—en hij

beschikte niet over de ijzeren wilskracht van een John Raffles, die

desnoods drie dagen en drie nachten zonder slaap kon blijven!

Maar eensklaps werd hij uit zijn halven dommel gewekt door een heel

licht geraas!

Hij hief het hoofd op—en eensklaps was hij klaar wakker, zoo wakker,

als hij zich in geen tijden gevoeld had, naar hij meende.

Hij luisterde met de grootste aandacht, maar het geluid herhaalde zich

niet.

Mogelijk had een van de surveillanten zijn lantaarn verschoven.

Maar toen onderging Charly een nieuwe, onverwachte gewaarwording—hij

gevoelde een kouden luchtstroom langs zijn voeten strijken....

Langzaam, zonder het minste gerucht, stond Charly op.

Hij nam een lantaarn met een zeer sterk licht tik zijn zak, en

bevestigde deze met een haak voor op de borst.

In een oogwenk was het door zijn hoofd gegaan, dat de koude

luchtstroom, welken hij zooeven gevoeld had, onmogelijk verwekt kon

zijn doordat de deur open ging—want dat had hij stellig moeten hooren,

en bovendien, de surveillant zat daar nog altijd even rustig als daar

straks, met gekruiste armen, en het hoofd op de borst gezonken.

Charly liet zijn blikken langs de lange, linnen overgordijnen voor de

ramen dwalen—en toen bleef zijn blik op een enkel punt gevestigd.

Hij kon zich niet vergissen—een van die gordijnen had heel licht

bewogen alsof er een tochtje langs streek—of alsof daarachter iemand

het met de hand aanraakte.....

Onhoorbaar voortsluipend, zonder het minste gerucht te maken op zijn

gummizolen, ging Charly om het voeteneinde van het bed heen, en trad op

het gordijn toe—zijn revolver in de rechterhand, een vinger van de

linkerhand op den drukknop van de lamp.

Hij stond nu slechts een paar decimeter van het gordijn af......

Toen drukte hij op den knop van zijn electrische zaklantaarn, en een

onderdeel van een seconde later rukte hij het gordijn terzijde, hief

zijn revolver op, en beval mat gedempte, maar dringende stem:

—Handen op!

Dit bevel was gericht tot een man, met een bleek vertrokken gelaat,

waarin twee boosaardige oogen fonkelden, en die blijkbaar eenige

minuten te voren door het raam was binnengeklommen. Een hoog, dubbel

raam, dat bij wijze van een deur open ging, en evenals andere ramen

uitkwam op een smal bordes.

De man achter het gordijn liet een sissenden klank hooren, maar zijn

handen gingen de hoogte in.

De surveillanten waren wakker geworden, door het onverwachte, sterke

lichtschijnsel, en door het terzijde rukken van het linnen gordijn en

snelden nu in de hoogste verbazing en schrik toe.

—Wat moet dat beteekenen, Miss? riep een hunner, schor van ontroering

uit.

—Dat zult gij aanstonds zien, zeide Charly kortaf. Onderzoek zijn

zakken, maar doe het voorzichtig! Ik zal hem intusschen in bedwang

houden en ik zweer u dat ik den kerel neerschiet als hij ook maar een

vinger durft verroeren. Hij had het gemunt op het leven van mijnheer

Dubois!

Terwijl Charly de revolver op het voorhoofd van den moordenaar gericht

hield, tastte een der surveillanten voorzichtig in zijn zakken, en

haalde daar een revolver, een vlijmscherpen dolk, en ten slotte een

klein houten étui uit, dat er uitzag als een dier kleine kokertjes,

waarin men wel dunne stiften voor vulpotlooden pleegt te verkoopen.

—Open het maar eens, gelastte Charly, zonder den schurk uit het oog te

verliezen, maar wees op uw hoede.

Het étui werd voorzichtig geopend, en bleek een vaccinatienaald te

bevatten, waarvan de punt met een weinig watten was omwikkeld.

—Houdt dat gevaarlijke ding maar hier en laat het onderzoeken! ging

Charly voort, ik ben er van overtuigd dat die naald gevuld is met een

snelwerkend vergif! Maar eerst zullen wij dezen ellendeling machteloos

maken! Snijd een stuk van het gordijnkoord af, en bind hem stevig de

polsen bijeen.

Het bevel werd opgevolgd en de surveillanten schenen hardhandig te werk

te gaan, want de schurk brulde van pijn en woede.

Charly snelde nu naar de telefoon en belde de politie op.

Daarop wendde hij zich weder tot de beide surveillanten en zeide

haastig:

—Gij zijt getuigen van dezen laaghartigen overval geweest en gij zult

er wel voor zorgen dat hij aan de politie wordt overgeleverd, welke ik

zooeven heb opgebeld, ik zelf ga aanstonds Madame Dubois op de hoogte

brengen en wat den patiënt betreft, als hij maar even vervoerd kan

worden, breng hem dan morgen onmiddellijk naar een vertrek, waar

dergelijke aanrandingen tot de onmogelijkheden behooren. Bewaak dien

kerel goed, want ik acht een sluipmoordenaar tot alles in staat! Ik

geloof dat ik zijn gezicht ken en de politie zal hem zeker ook wel

kennen!

Met deze woorden snelde Charly weg en hij had het gebouw reeds verlaten

toen de politie daar aankwam om den moordenaar in ontvangst te nemen.

Een uur later waren Raffles en Marthe Debussy—de ongelukkige vrouw had

onmogelijk kunnen slapen—van alles op de hoogte gebracht.

HOOFDSTUK VII.

DE INBRAAK.

Den volgenden dag, omstreeks vier uur in den middag, hield er een

huurauto stil voor een prachtig huis in de Drury Lane, het verblijf van

Sir Roger Maxwell.

Daaruit stapte een eenvoudig gekleed man van omstreeks vijf-en-veertig

jaar, met een ernstig, donker uiterlijk, vlugge bewegingen en die

blijkbaar gewend was om te bevelen.

Hij belde aan, nadat de chauffeur was weggereden, en verzocht den

bediende zijn kaartje aan Sir Maxwell te willen brengen en deze mede te

deelen dat hij hem over een zeer ernstige zaak moest spreken.

De bediende wierp een blik op het kaartje en las daarop: „Filip

Greenwood”, „Particulier Detective”.

Hij wierp den bezoeker een verbaasden blik toe, maar haastte zich met

het kaartje weg, na hem te hebben verzocht plaats te nemen in de

prachtige marmeren hall.

Na eenige minuten keerde hij terug en vroeg den detective hem te willen

volgen.

Een oogenblik later stond Greenwood tegenover een man van een jaar of

zestig met een geel gelaat, dikke lippen, paarse wallen onder de oogen

en zoo goed als geheel kaal.

Die man was Sir Roger Maxwell, zeer bekend in de uitgaande wereld en in

sportkringen.

Hij wendde zijn waterige blauwe oogen naar Greenwood terwijl hij het

kaartje tusschen zijn vingers heen en weer draaide en vroeg, terwijl

hij zijn woorden als met een scheermes afsneed:

—Greenwood? Nooit van gehoord. Ga zitten. Wat wenscht gij? Zaak van

belang? Nooit iets met politie uitstaande gehad! Port? Madera? Sigaren?

Greenwood was kalm gaan zitten en antwoordde, terwijl hij zijn heldere

grijze oogen op het schatrijke Hoogerhuislid vestigde:

—Ik zal geen misbruik maken van uw tijd, Sir! Sterken drank gebruik ik

niet, en ik rook ook nooit als er werk voor den boeg is. Ik zal zeer

kort zijn. Men komt hedennacht bij u inbreken!

De waterblauwe oogen knipperden eenige malen snel achtereen en toen

liet hun bezitter zich in een stoel vallen.

—Inbreken? Bij mij? Nog nooit voorgekomen! Hoogst merkwaardig! Zullen

van een koude kermis thuis komen! Tien man politie zeker wel voldoende?

—Ruimschoots, Sir, antwoordde Greenwood rustig.

—Nadere bijzonderheden, alstublieft? Hoeveel bandieten? Hoe laat?

—Zij komen waarschijnlijk met vier of vijf man, zij zijn gevaarlijk en

zij komen om half twee!

—Heel snugger! Heel snugger! Dan is hier alles naar bed. Vervloekte

schurken! Hoe weet gij dit alles?

—Pardon, Sir Maxwell, dat zijn beroepsgeheimen, antwoordde Greenwood.

—Ben niet nieuwsgierig! Hoofdzaak is dat schurken opgeknoopt worden!

Banditisme is sterk verspreid! Sterk verspreid, Sir! Sterk verspreid!

Zullen ons tot het uiterste verdedigen tegen rapaille! Maak u mijn

compliment! Zorgt gij voor alles?

—Ik zal zorgen, dat er hedennacht om twaalf uur tien man in de

vestibule verborgen zijn opgesteld, want de schurken denken binnen te

dringen door een der ramen die in de hall uitkomen, en die met een

ijzeren luik gesloten zijn. Ik vrees dat zij medeplichtigen binnenshuis

hebben, of anders moet er van te voren iets aan het luik geknoeid zijn!

De edele Lord stak den detective die hem aldus kwam waarschuwen, twee

vingers toe, welke deze echter niet scheen te zien.

Hij stond op, maakte een korte buiging voor het lid van het Hoogerhuis

en verliet het vertrek.

De huisknecht, door het bellen van zijn meester gewaarschuwd, geleidde

hem naar de deur en liet hem uit.

Op de stoep staande haalde Raffles—want hij was het—zijn horloge uit

zijn zak en mompelde, na het geraadpleegd te hebben:

—Ik ben precies zeven minuten binnen geweest. Nu, die Sir Maxwell mag

een leeghoofdige, schatrijke en oude doordraaier zijn, hij is tenminste

geen kletsmeier. En ik moet tot zijn eer opmerken dat hij de zaak

tamelijk flegmatiek behandeld heeft. Wij zullen eens zien hoe onze

vriend zich vannacht houdt!

Juist toen het middernacht sloeg ging een deur in den muur van den tuin

achter het groote huis van Sir Maxwell open, en verleende doorgang aan

een tiental agenten, onder aanvoering van een inspecteur.

Een oude bediende, trillend van zenuwen, verzocht hen met schorre stem

hem te volgen en bracht hen naar de vestibule, terwijl de inspecteur

zich naar het werkvertrek van Sir Maxwell begaf dat op de eerste

verdieping was gelegen.

Binnen een kwartier waren alle maatregelen genomen, en wie onkundig was

van het veldtochtplan, zou, indien hij de vestibule ware

binnengetreden, zeker niet vermoed hebben dat er achter alle deuren,

achter een gordijn, en achter een zware pilaar, agenten verborgen

stonden, gereed om toe te springen!

De tijd verstreek langzaam, terwijl Sir Maxwell dien verdreef met het

drinken van eenige glazen rooden wijn, en het rooken van eenige fijne

import-sigaren.

De inbrekers mochten komen, zij zouden het niet eens tot aan de trap

brengen.

Zoo werd het half twee—en toen had iemand met een scherp gehoor,

beneden in de groote hall een zacht geklikklak van metaal op metaal

kunnen hooren en kort daarop het langzaam opengaan van een zwaar

ijzeren luik.

Een flauw schijnsel drong nu de hall binnen, afkomstig van een

straatlantaarn, die schuin tegenover het groote huis geplaatst was.

Langzaam klauterden vijf mannen zeer voorzichtig en geluidloos naar

binnen, nadat er vlug en behendig een ruit was uitgesneden.

En nauwelijks hadden zij een tiental schreden afgelegd, of de hall

baadde in het electrische licht, hetwelk de inspecteur had opgedraaid

en bevelend klonk de kreet:

—Geef u over of wij schieten!

En uit alle hoeken en gaten kwamen thans de agenten aanstormen.

Maar de bandieten schenen zich niet zoo voetstoots te willen overgeven;

er kraakten schoten, een agent werd aan den arm gewond, en een der

bandieten kreeg een kogel door den schouder.

Dr. Fox, die de inbrekers had aangevoerd, lichtte zijn revolver op en

wilde vuren, maar een schot klonk, de bandiet slaakte een rauwen gil en

viel voorover op den marmeren vloer.

De bandieten waren nu spoedig overmeesterd en geboeid en werden

weggevoerd.

Men tilde Dr. Fox, die blijkbaar zwaar gewond was, en die door een

kogel in het voorhoofd getroffen was, behoedzaam op en droeg hem naar

buiten waar een groote politieauto, die inmiddels gewaarschuwd was,

kwam aanrijden.

Maar juist toen het portier geopend was, en men den zwaargewonde naar

binnen wilde dragen, richtte Fox zich eensklaps overeind, rukte zich

los, schoot een der agenten neder die het dichtst bij hem stond met een

kleine revolver, welke hij in zijn mouw verborgen had gehouden, en

snelde zoo vlug zijn beenen hem wilden dragen, in de duisternis weg.

Voor de agenten van hunne verbazing bekomen waren, was de bandiet reeds

uit het oog.

Klaarblijkelijk had hij zich slechts bewusteloos gehouden, en het

bloed, dat uit een onbeteekenende wonde vloeide, over zijn voorhoofd

gestreken, terwijl hij voorover op den vloer van de hall lag.

Aan een achtervolging behoefde men niet te denken, want heel in de

verte klonk het geluid van een wegrijdende auto, die blijkbaar op de

terugkomst der inbrekers had gewacht.

Het gevecht met de bandieten had ternauwernood een kwartier geduurd, en

nu was het weder rustig in het groote heerenhuis.

De agenten hadden zich met hun gevangenen verwijderd, onder aanvoering

van een brigadier, en de inspecteur begaf zich nu maar de werkkamer van

Sir Roger Maxwell, ten einde dezen rapport uit te brengen, en hem mede

te deelen, dat alles veilig was, en hij zich wel ter ruste kon begeven.

Het Hoogerhuis-lid ontving den politiebeambte met de grootste kalmte,

en naar het scheen zelfs niet al te nieuwsgierig naar den afloop van

het gevecht.

Zijne lordschap vond het blijkbaar niet meer dan natuurlijk, dat een

inbraak in zijn huis iets onmogelijks was, en van te voren tot

mislukking gedoemd.

Hij klopte den inspecteur vaderlijk op den schouder, presenteerde hem

een sigaar, en verwaardigde zich zelfs, hem persoonlijk bij het

afscheid nemen naar de kamerdeur te begeleiden!

Daar wachtte een bediende die dien inspecteur zou uitlaten.

Sir Roger Maxwell keerde weder in zijn werkkamer terug om nog enkele

papieren te ordenen, toen hij plotseling als aan den grond genageld

bleef staan.

Tegenover de plek, waar hij zooeven aan zijn schrijftafel gezeten had,

aan de andere zijde van dit meubel, zat een man in een gemakkelijken

leunstoel, die heel op zijn gemak een sigaret rookte, blijkbaar zooeven

uit een zilveren doos genomen, die midden op de tafel stond.

Sir Maxwell herkende hem dadelijk als de detective, die hem dienzelfden

dag op de hoogte was komen stellen van de plannen om in zijn woning in

te breken.

Hij kwam verbaasd eenige schreden naderbij en zeide:

—Lang hier? Heb u niet gezien! Hoe komt dat?

—Ik zat in die kast daar, Sir Maxwell, antwoordde Raffles kalm.

—Kast? herhaalde Zijne Lordschap toonloos. Rare plaats! Waarom?

—Omdat ik liever niet gezien wilde worden! kwam het antwoord, op

denzelfden rustigen toon gegeven.

—Niet gezien? Eigenaardig! Bang voor uw eigen collega’s? Vreemd. Hoogst

merkwaardig. En—wat is nu het doel van uw komst?

—Ik kwam mijn honorarium halen! antwoordde Raffles koelbloedig, en hij

blies een groote rookwolk uit.

—Uw honorarium! herhaalde Mylord, met stijgende verbazing, en ook een

weinig ongerustheid in zijn stem. En Scotland Yard? Die betaalt u toch

zeker?

—O, zoo weinig! zeide Raffles glimlachend. Men mag het werkelijk geen

naam geven! Neen, de hoofdsom denk ik van u te ontvangen!

—Maar—dit is werkelijk een curieuse handelwijze! riep Sir Maxwell uit,

die zijn geduld begon te verliezen. Gij hadt dan toch morgen bij mij

kunnen komen, dan zou ik u gaarne een paar pond als belooning voor uwen

ijver en moeite hebben geschonken!

—Zeer vriendelijk! hernam Raffles spottend. Maar ik vind het wel wat

weinig!

—Weinig! riep sir Maxwell nu toornig uit. Hoeveel dacht gij dan wel te

vragen?

—Tien duizend!

—Tien duizend pond sterling? kwam Mylord, en hij werd vuurrood. Zeg

eens, mijnheer—ik vind, dat uw grapjes wat ver gaan!

—Het is geen grapje, Sir Maxwell, maar bittere ernst! zeide Raffles,

terwijl hij opnieuw een dichte tabakswolk deed opstijgen.

—Dus—een poging tot bedreiging! riep Mylord op heeschen toon, en hij

deed een stap in de richting van de telefoon.

—Als gij het zoo noemen wilt...... zeide Raffles onverschillig.

Neen—ging hij haastig voort, blijf waar gij zijt! Ik maak geen gekheid!

En laat uw revolver ook maar met rust, want als gij haar zoudt nazien,

dan zoudt gij bemerken, dat de patronen er zijn uitgehaald. Dat heb ik

gedaan terwijl gij even de kamer verlaten hadt, en voor gij

terugkwaamt, om uw revolver uit de lade van uw schrijftafel te nemen!

Men kan nooit te voorzichtig zijn!

—Maar—wie zijt gij dan? riep Mylord, schor van drift nu, en een geheel

ander man, dan toen hij er zoo zeker van was, dat zijn bezit geen

gevaar liep.

—Mijn naam is John Raffles, Sir Maxwell! antwoordde de

gentleman-inbreker, en hij nam een versche sigaar uit de zilveren doos.

Het Hoogerhuis-lid verbleekte.

—Dus—bedrogen! stamelde hij. Ik moet zeggen—het is—het is bijna

geniaal!

Raffles maakte een lichte buiging met het hoofd en zeide:

—Dank u. Heel vriendelijk van u. En laat ons nu even de zaken regelen.

Goede rekeningen maken immers goede vrienden! Vlak naast u staat uw

brandkast, en de sleutels bevinden zich in gindsche lade, zooals ik

gezien heb. Open haar slechts met een oog op het slot, en het andere op

mijn revolver gericht, en betaal mij het bedrag hetwelk ik u zoo even

noemde. Hoe meer haast, hoe liever het mij zal zijn! Tegenstreven zou u

niets baten, en mij alleen noodeloos ophouden. Ik zou dan genoodzaakt

zijn, de kast zelf te openen. Gij zijt nu in mijn macht, bedenk dat! De

bedienden hebben zich allen te ruste begeven—in mijn zak zit de

geluidontvanger van de telefoon, en de draad van de schel is

doorgeknipt! Kom, kom—bedenk u niet te lang, of ik maak er twintig

duizend van! Gij zijt waarlijk niet bekocht, want de bandieten, voor

wie ik u gewaarschuwd heb, hadden stellig uw geheele kast ledig

gehaald!

Sir Maxwell scheen nog even te aarzelen!

Toen koos hij, zooals men dat noemt, eieren voor zijn geld, stapte op

de kast toe, na de sleutels te hebben genomen, opende de zware deur,

telde haastig een pak bankbiljetten af en stak het Raffles toe.

Deze ging vluchtig den inhoud van het kostbare pak na, stond op, en

wierp zijn sigaret in den aschbak.

—Mijn taak is gedaan, Sir Maxwell! zeide hij, op zijn gewone rustige

manier. Het spijt mij, dat ik u langer heb moeten ophouden, dan mijn

bedoeling was. En tot mijn leedwezen zal ik nu genoodzaakt zijn, u even

in uw eigen kamer op te sluiten—om begrijpelijke redenen! Gij zoudt het

mij nog al te warm kunnen maken! En wat het geld betreft, dat ik u

zooeven ontnomen heb—wees er zeker van, dat het een betere bestemming

zal krijgen, dan gij er met mogelijkheid aan zoudt hebben kunnen geven!

Nog een hoffelijke buiging—en Raffles had het vertrek verlaten, na den

sleutel uit het slot te hebben genomen.

Lord Lister No. 0305: De schijndooden · 第 4 / 4 段