de diligence wilden gaan naar Jajce of dat ze een particulier rijtuig
verlangden; er was juist een rijtuig gekomen uit laatstgenoemde plaats,
dat terug moest, en de koetsier had aangeboden, het gezelschap voor
zeven gulden over te brengen. Wij stemden dadelijk toe, de koetsier,
een mohammedaansche jongen, werd gehaald en onze waard verzocht
hem, een waarborgsom van vijf kronen aan ons ter hand te stellen,
om te bewijzen, dat de overeenkomst gesloten was. Dit is een echt
oostersche gewoonte, blijkbaar hier in de mode, want de koetsier
begreep het terstond; maar we hebben haar nergens teruggevonden.
Er gaat alle dagen een diligence van Banjaluka naar Jajce, die
eerstgenoemde plaats om twaalf uur verlaat, ook ten behoeve van de
spoorwegreizigers uit het Noorden, die graag dadelijk doorgaan. Het is
een reis van veertig mijlen en men heet die in zeven uren te kunnen
doen met ongeveer een uur rust onderweg. We waren vroeg opgestaan en
hadden Banjaluka voor de tweede maal doorgewandeld, waarbij we een
flinke massa kersen kochten als middel tegen dorst onderweg.
Nadat we de mohammedaansche wijk der stad achter ons hadden, kwamen
we aan de bekoorlijke voorstad Gornji-Seher, waarvan de schoonheid
ons verraste na al die verzekeringen, dat er in Banjaluka niets
bezienswaardigs was te vinden. Mooie turksche huisjes middenin tuinen
en veel hooge boomen liggen aan weerskanten van den smallen weg tot
aan de Vrbas, die veel bochten maakt. Als men afdaalt naar de rivier,
wordt de moeite wel beloond, want de natuur is er heerlijk en laat
alleen de hand van den mensch herkennen in de een of andere kleine
minaret of witte villa, half verborgen door het gebladerte.
Wij bereikten een breede ijzeren brug, die naar den rechter rivieroever
voerde en hielden stil, om de paarden te laten drinken. Hier hadden
de oude Romeinen al een badplaats ingericht, waarvan nog ruïnen over
zijn gebleven. Een kleine moderne badinrichting staat op dezelfde
plaats. De temperatuur is warm, niet heet zooals de bronnen van Ilidze
bij Serajewo. De Vrbas krijgt verderop een echt bergstroomkarakter
en bruist schuimend tusschen de rotsen door, terwijl de weg langs
den rotswand loopt ver boven de watervallen en stroomversnellingen
en soms onder zware boomen door. In zijn soort is deze weg een even
groot ingenieurskunstwerk als die naar Cettinje. Door verschillende
kloven rijdt men tusschen wanden, die van 600 tot 1000 voet hoog zijn
en nu en dan het licht haast buitensluiten.
En na die kloven volgde barre zonneschijn; onze jeugdige
mohammedaansche koetsier wierp de teugels over de paarden, draaide
zich om op den bok, liet zijn beenen buiten boord hangen, stak een
groote parasol op, rookte een sigaret en hief een liedje aan. De
weg was stil; we kwamen niemand tegen dan geiten en runderen, die
met hun herders hoog op de bergen leven. De paardjes deden hun best,
en terwijl ze 's morgens magere, stumperige beestjes hadden geleken,
bleken ze voor hun taak goed berekend; als ze eens even verslapten
in hun gang, tikte de koetsier, die er zijn andere amusementen voor
in den steek liet, ze met korte, scherpe slaagjes op den rug, tot
ze in een woedenden galop sloegen en ons om de bochten van den weg
sleurden met angstwekkende snelheid.
Drinkbakken waren er vele langs den weg, en het water werd door
uitgeholde en halfdoor gezaagde boomstammen geleid of kwam recht
van de hoogte. Voor den voorbijganger hing er altijd een houten
drinknapje. Voor de dieren werd het water door kanaaltjes naar steenen
troggen of houten bekkens gevoerd. Wij hielden overal stil, want de
paarden moesten altijd drinken of de koetsier was dorstig.
Bosnische dorpen kregen we haast niet te zien, gevolg van een
gewoonte uit oude tijden, toen verborgen te zijn voorwaarde was voor
iemands veiligheid. Halfweg gebruikten we op den middag een maal,
dat ons verbaasde door de uitmuntende qualiteiten. Het bestond uit
gebraden vogel, salade, zoete omelet, Emmenthaler kaas en zwarte
koffie. De witte wijn uit Herzegowina, die erbij kwam, was bepaald
uitstekend. Onze koetsier stond, nadat hij zijn eten op had en gras
en haver voor de paarden had neergelegd, al den verderen tijd met
een kennis te praten.
De tocht door de kloof duurde eindeloos lang, en aan het eind scheen
het, dat er geen doorkomen aan was. De rotswanden rezen steil aan
den uitgang omhoog, maar in deze dagen van natuurwetenschap mag de
natuur wikken, de denkende mensch beschikt. Drie tunnels, dicht na
elkaar, de laatste de langste en in het midden door een lantaarn
verlicht, leiden den weg door het hart van de rots. Zelfs toen waren
de ingenieursmoeilijkheden niet ten einde. De tunnel komt namelijk
onmiddellijk aan de rivier uit, en er moest een breede ijzeren brug
gebouwd van den tunneluitgang naar den anderen oever der Vrbas.
De kloven waren nu ten einde en de zonnige weg lag vóór ons, loopend
door wat om de tegenstelling wel een vlakte kan worden genoemd. Er
kwamen huizen in het zicht, het dorp Podmiljacka; boven den weg aan
onze linkerhand stond het kleine roomsche kerkje der Franciskanen,
St. Ivo, en onze koetsier begon de paardjes woedend te bewerken;
ze zwaaiden het rijtuig heen en weer in hun galoppade; maar aan zoo
iets waren we al gewend, want een stad met sensatie binnen te komen
is iets echt oostersch.
Jajce is wel de "parel van Bosnië" genoemd, en met de kleine turksche
huisjes, tegen de helling van den heuvel, met het kasteel in de hoogte
en de oude stadswallen aan de rivier, was het een kijkje waard. Wij
kwamen al gauw aan het begin, den bazar, het belangrijkste in al
die turksche stadjes, met houten winkeltjes, waar de eigenaars met
gekruiste beenen tusschen hun waren zitten. Vruchtenwinkels waren er in
overvloed, met vruchten en allerlei soorten van koren, alles in kleine
mandjes, waar de koopers zich maar tusschen door moesten dringen.
Een poort door en een binnenplein binnengereden, waren we, waar we
moesten zijn, in het Grand Hôtel van Jajce, een niet aanmatigend
steenen gebouw. Oorspronkelijk opgericht door de regeering, wordt
het nu particulier gedreven; het is een aardig hôtelletje met elf
slaapkamers, uit welker vensters men een prachtig uitzicht heeft over
de Vrbas, honderd voet in de diepte.
Gelukkig hadden wij getelegrafeerd, anders waren we slechtaf geweest,
want een rijtuig met drie personen kwam precies tegelijk met ons aan,
en het drietal moest zich met een enkele kleine kamer tevreden stellen.
We hadden veel gehoord over de "parel van Bosnië"; maar de plaats
overtrof nog in alle opzichten onze verwachting. De waterval was naar
onzen smaak mooier dan die van Schaffhausen. Zeer schilderachtig is de
omgeving en dan zijn er historische herinneringen aan verbonden. Hier
is de beroemde Sultans Vlakte of Carova Polje, waar de zegevierende
sultan Mohammed zijn kamp opsloeg in 1463, toen Jajce den Turken in
handen viel.
Van de stad uit kan men den waterval van de Pliva niet zien en ook niet
aan de oevers van het riviertje zelf. Boschjes verbergen als achter een
sluier de plek, waar de zachte en bekoorlijke Pliva zich plotseling
over de steile klip werpt. Men moet, om er een goed gezicht op te
krijgen, een eind den Vijenacweg opgaan naar de bedding der Vrbas. Als
men dan de Pliva over een brug is gepasseerd, ziet men de rivier in
een reeks kleine vallen, als het ware, kracht verzamelen en snelheid
voor den grooten sprong, dien ze een honderd ellen verder zal doen.
Op weg naar de bedding der Vrbas, kan men de ontknooping gadeslaan. De
rotsen verdeelen het groote volume water, dat hun in den weg komt,
in verschillende kanalen. In de drie grootste stort zich de dichte
massa schuimend water, dat door den tegenstand van de rotsblokken
tot een melkwit schuim is geslagen, met een donderend geweld in de
Vrbas, die met de Pliva hier een rechten hoek maakt. Een deel der
massa valt bij het neerstorten in de honderd voet lagere rivier op
een hoog rotsblok, en van dat blok en den kokenden ketel, gevormd
door het enorme water volume, dat aanhoudend neerdondert, stijgt een
groote witte wolk van schuim hoog in de lucht.
Des avonds bij maneschijn is de bekoring het grootst, en om de
romantische geschiedenis van Jajce deed het ons genoegen, daar
recht aan te hebben laten weervaren door een bezoek op den tijd,
dat de bekoring het sterkst werkt. Hertog Hrvoja, dezelfde, die den
toren van Spalato bouwde, was de eerste, die de aandacht op Jajce
vestigde, en die er zijn hoofdverblijf plaatste in het begin der
vijftiende eeuw. Hij heeft waarschijnlijk een groot deel van het
oude fort laten bouwen, of vergrootte de versterkingen, die hij er
vond, want Jajce moet al een der zetels geweest zijn van de bans van
Bosnië. Het district van Dolnji Kraj, waarin Jajce ligt, werd aan
Hrvoja geschonken door denzelfden keizer Sigismund van Hongarije,
die hem bevestigde in het hertogdom Spalato. Die beide bezittingen
maakten hem tot een zeer machtig edelman, even machtig misschien als
de koning van Bosnië zelf, met wien Hrvoja in vijandschap leefde.
De hertog Hrvoja moet hier vermeld worden niet alleen als patroon van
Jajce, maar omdat men zegt, dat hij het eerst de Turken in Bosnië heeft
gevoerd als bondgenooten, om hem te helpen, wraak te nemen op een ander
machtig edelman Sandalj, die op het sterke kasteel Kljuc woonde. Tegen
het midden van de 15de eeuw zag de laatste koning van Bosnië de waarde
in van Jajce en hij, Stephan Tomasevic, bouwde er zich een paleis. Dus
was Jajce voor korten tijd de zetel van een koning, tot die dwaze
koning, die vertrouwde op de goede trouw van Sultan Mohammed II, de
stad en zichzelven overgaf met verscheiden andere versterkte kasteelen.
Mattheus Corvinus, de beroemde koning van Hongarije, die de
strategische waarde van de vesting begreep als een dam tegen de
invallen doende Turken, belegerde Jajce en nam de stad weer in in
hetzelfde jaar. In den loop der volgende halve eeuw onderging de stad
verschillende belegeringen, werd nu eens door de Turken, dan door
de Hongaren ingenomen, tot in 1528 ze in handen kwam van de Turken,
die er heer en meester bleven, tot de Oostenrijkers de oproerige
Bosniërs eruit verdreven in 1878. Gedurende de 350 jaar van turksch
bewind namen de meeste bewoners den mohammedaanschen godsdienst
aan. Sporen van Jajce's oude geschiedenis vindt men overal. In de
Franciskanerkerk der stad ligt in een glazen kist het geraamte van den
laatsten koning van Bosnië. Het verbaasde ons te zien, dat het aan een
zeer klein man had behoord, terwijl de meeste Bosniërs groot zijn;
een bijzonderheid van het hoofd is de buitengewone puntigheid van
de kin. Het geraamte werd onlangs opgegraven op de plek, die door de
overlevering was aangewezen als de begraafplaats van den door sultan
Mohammed vermoorden laatsten koning van Bosnië.
Wij gingen naar die kerk op een feestdag. Een groot aantal boeren waren
er, alle op hun Zondagsch gekleed, vooral de kleeding der vrouwen was
schilderachtig, maar in de zeer volle kerk werd de lucht al spoedig
zoo slecht, dat we er niet binnen konden blijven. Het schijnt, dat
de christelijke boeren uit Bosnië nooit zindelijkheid hebben geleerd.
Toen de meeste geloovigen de kerk hadden verlaten, waagden we ons nog
eens naar binnen. Zelfs toen hing er nog een verstikkende lucht, maar
we bleven eenige minuten, om te zien, op welk een eigenaardige manier
de boeren knielen en de kale steenen met hun voorhoofd aanraken,
als ze bidden, een gewoonte, die ze zeker hebben overgenomen van
hun mohammedaansche broederen. Wij bemerkten ook, dat een paar van
hen op hun knieën de toer om het altaar maakten, denkelijk als een
boetedoening. Het waren allen stellig geloovige broeders.
Een wonder mag het heeten, dat er nog onder de boeren eenigen
Christenen bleven onder het eeuwenlange turksche bestuur in deze
streken. Ze konden er alles bij winnen, als ze afvallig werden;
toch bleven ze trouw aan hun geloof.
In den namiddag gingen we naar de Corsija of Bazar, om de boeren
te zien, en we hadden het geluk, een boerenvrouw te kieken in een
costuum, dat zelfs voor Bosnië merkwaardig was. Over haar jakje droeg
ze wat in den letterlijken zin mocht heeten, een borstplaat, gemaakt
van munten. Als hoofddeksel had ze een wijduitstaand stuk stijf
wit linnen, een soort van kap erover met in het midden een bundel
omvallende veêren, aan ieder waarvan een streng munten hing. Haar
ceintuur, driemaal de gewone breedte, scheen gemaakt van gevlochten
lederen reepen, met kralen opgewerkt. Over een witten rok droeg ze
een donkeren boezelaar met gekleurd borduurpatroon. Daarover weer een
smalle ceintuur. Twee afhangende linten, op de plaats gehouden door een
paar dikke zilveren platen, vormden een centrale versiering, en daaraan
hing een franje van leeren reepen, met zilveren munten eraan bengelend.
Enkele andere boerenvrouwen, die we zagen, waren precies gekleed als
tooneelprinsessen. Ronde, roode mutsjes met een feston van kleine,
gouden muntstukjes om den benedenrand en een rij groote gouden
munten een paar duim boven den rand, tooiden haar hoofden. Wijde,
zachte kanten sluiers waren om het hoofdtooisel geslagen en vielen
neer op haar schouders. Gekleurde en met tres afgezette zijden
bolero's met open front werden gedragen over witte lijfjes en om
het middel hadden ze ceintuurs met groote zilveren gespen. Witte
rokken van zelfvervaardigde wol en donkere wollen boezelaars en
opanka's voltooiden het costuum. Een groepje, dat we tegenkwamen
viel op door het bijzondere hoofddeksel, een tusschending tusschen
een bisschopsmijter en een omgekeerden bloempot.
De kerk van Sint Lucas heeft een bijzonder mooien klokkentoren en er
is een interessante ondergrondsche kapel, maar het aardigste zijn
toch de schilderachtige hoekjes in Jajce, bij voorbeeld de poort,
die naar de Pliva leidt, een juweeltje in zijn soort, en de kleine
turksche huizen, die als duiventillen op de massieve, grijze, oude
wallen staan. Kleine watermolens volgen den loop der Pliva vanaf
de houten brug, die erover leidt tot vlak bij den waterval. Wankele
voetbruggetjes voeren naar den val over de schuimende wateren.
Een week of meer kan men te Jajce genoegelijk doorbrengen; want
niet alleen is de stad zelf het waard, maar men kan ook verscheiden
uitstapjes maken te paard en per rijtuig. Midden in den zomer is een
langer verblijf niet aan te raden, want door de ingesloten ligging
wordt het er dan zeer warm en drukkend. Men kan uitstekend visschen
in Jajce en in den herfst en den winter kan er gejaagd worden. Voor
winterverblijf zou Jajce wel aanbeveling verdienen, want het hôtel
is werkelijk goed en is geheel modern ingericht, terwijl de hôtelier
een geschikt mensch is.
Een ritje naar het meerdorp Jezero moet de bezoeker van Jajce in geen
geval nalaten. Dit dorp is ongeveer zes mijlen verwijderd en ligt
aan de oevers van wat het Jezeromeer wordt genoemd, een watervlakte,
gevormd door de Pliva. Men kan altijd rijtuigen krijgen aan het
hôtel of men kan gaan in een omnibus, die tweemaal per week van het
station rijdt.
De weg volgt den loop der Pliva langs den linkeroever. Dit mooie
riviertje is eenig in zijn soort, want op zijn korten loop van
vijftien mijlen vertoont het alle transformaties, die een rivier kan
ondergaan, daar het afwisselend bestaat uit meren, stroomversnellingen,
ondiepten met struikgewas, dat in overvloed in de rivierbedding groeit,
en watervallen, eindigend met een der schoonste vallen, die men in
Europa ergens te zien kan krijgen. Het eerste en laagste meer ligt
in open en vruchtbaar land. Een landtong, die van den rechteroever
uitgaat, snijdt dit meer bijna af van het tweede, dat wat hooger
ligt, dicht boven het eerste. Een dicht struweel, dat in de ondiepte
groeit en op de landtong, verbergt het uitzicht op het bovenste meer,
maar een aantal valletjes, die tusschen de struiken door stroomen,
wijzen wel aan, van waar het tweede meer zijn water ontvangt.
Niet ver van die landtong tusschen de meren is een beslissend gevecht
geleverd van de oostenrijksche troepen en oproerige Bosniërs in 1878,
waarbij het den Oostenrijkers bijna gelukte, de Bosniërs in het water
te drijven, terwijl een aantal met moeite ontkwamen.
Jezero, dat wel een bosnisch Venetië is genoemd, is een bekoorlijk
dorpje in een boschje aan het bovenste en grootste meer. Juist voor we
dit meerdorp bereikten, dook het onvermijdelijke Toeristenhuis op, met
restaurant en tuin. De eigenaar was in plaats van een schilderachtige
inboorling van het plaatsje een roodneuzig individu, denkelijk een
Weener, dien we bij onze aankomst in slaap vonden onder een rozenstruik
in den tuin. De restaurant heeft een aardige veranda boven het meer,
en bezoekers kunnen er worden ontvangen en kunnen er zich verkwikken
met forellen, pas uit de rivier of het meer gevangen, en besproeid
met Weener bier.
Deze ververschingslokalen, opgericht op plaatsen, waar veel menschen
komen, maken zeer goede zaken, daar de meerderheid der toeristen in
deze streken een uitstapje voor niet veel anders houden dan voor een
pic-nic, en zelden verder komen dan het naastbijzijnde restaurant.
Nadat we een kop koffie hadden gebruikt, vertrokken we, om Jezero te
gaan zien, en toen we hoorden, dat er op tien minuten afstands een
Zigeunerkamp was, togen we daarheen. Natuurlijk was het een goed half
uur wandelens, en we zouden de plek niet hebben gevonden, als we geen
inboorling als gids hadden meegenomen.
Het verbaasde ons, dat deze Zigeunertroep niet in tenten of
tijdelijke hutten woonde, maar in soliede gebouwde huisjes hoog op
de heuvelhelling. Ze schijnen zich permanent in Jezero op te houden,
of mogelijk is het hun hoofdkwartier. Het waren blijkbaar echte
Zigeuners, met donkere huid en oostersche gelaatstrekken, in lompen
gehuld en vuil, en ze drongen rondom ons, om te bedelen. Het trof
misschien goed voor ons, dat we een gids hadden met een dikken stok,
om er de orde onder te houden.
Onderweg ging ons een boerenvrouw voorbij, die haar kind droeg op den
schouder in een houten trog, terwijl ze tegelijk het paard naar huis
dreef. Zulke soliede houten troggen, waar dieren hun voer in krijgen,
doen bij de bosnische boeren als wiegen dienst, en dit verband tusschen
een kindje en een trog bracht dadelijk de geschiedenis van Jezus'
geboorte in de herinnering. Het was interessant, hier onder de boeren
een gebruik waar te nemen, dat al negentienhonderd jaren geleden ook
in zwang was.
Bij onze terugkomst photografeerden we enkele inboorlingen van Jezero;
vooral trok daarbij de aandacht het schapevel, dat een paar mannen
droegen. Ze hebben het winter en zomer aan met het verschil, dat in
den zomer de wol buiten wordt gedragen en het leder binnen, zooals
de man op den voorgrond van onze afbeelding, terwijl in den winter de
wol binnen is, als bij den man op den achtergrond. Men vertelde ons,
dat het kleedingstuk heel koel is in den zomer en een beschutting
oplevert tegen de hitte, terwijl het natuurlijk heerlijk warm is
in den winter. Jammer, dat we zoo iets niet in Engeland hebben; een
artikel, dat we als bovenkleeding in alle seizoenen konden dragen,
zou een heele besparing geven in de kleermakersrekeningen!
Toen we terug kwamen in het restaurant, waren de toeristen er
nog. Een paar, dat met ons terugreed, een Hollander en zijn vrouw,
legden het eerste deel van het traject per boot af en vroegen, of wij
meegingen. We gingen de booten kijken. Het waren twee antidiluviaansche
punters, en daar het ons niet prettig leek in die oude schuiten te
worden rondgeroeid, terwijl we op tabouretjes zaten of op planken,
over de boot gelegd, bedankten we.
Er was ons gezegd, dat het bootjevaren en het roeien op het meer een
der voornaamste uitspanningen was te Jezero, en we waren dwaas genoeg,
ten minste één echte pleizierboot te verwachten en te denken, dat we
een poosje zouden kunnen roeien of rondzeilen. Natuurlijk was er niets
van dien aard. We hadden moeten weten door onze ervaring van Dalmatië,
dat de toerist van het continent zich nooit op die wijze vermaakt,
maar zich liever laat rondroeien dan zelf te roeien.
Wij pikten den Hollander en zijn vrouw op aan het eind van het meer. Ze
waren van Java gekomen met drie maanden verlof en maakten een omreisje
over Weenen, Berlijn, Parijs enz. beginnend aan de europeesche toer
met een tochtje naar Jajce!
We begonnen over Transvaal te praten, waar de Hollander veel belang
in stelde. Het interesseerde hem, dat wij er waren geweest. Daar hij
veel chineesche werkkrachten gebruikte, gaf hij als zijn meening
te kennen, dat de invoer van die werkkrachten in Zuid-Afrika geen
succes zou blijken, omdat enkel de slechtste klasse van Chineezen
hun vaderland zou verlaten, om elders te gaan werken.
Wij brachten een bezoek aan het vervallen kasteel Vjenac, het
familiegoed van Peter Keglevic, den stoutmoedigen verdediger van
Jajce. Het ligt in het dal der Vrbas, omstreeks zeven of acht mijlen
beneden Jajce op den top van een uit de vlakte oprijzenden berg,
waardoor het de geheele omgeving beheerscht.
Aan den voet van het slot is een dorp, dat nu door Mohammedanen wordt
bewoond, een weemoedig gezicht voor den geest van den ouden Keglevic,
als hij ooit in zijn vroegere woonplaats mocht komen spoken. Die Peter
Keglevic was een dapper soldaat. In 1520 werd het fort belegerd door
de Turken en werd zeer in het nauw gebracht. Het verhaal gaat, dat
Keglevic, die het bevel voerde, de Turken versloeg door middel van
een list, waardoor het beleg werd opgebroken. De Turken hadden zelf
ook list gebruikt en waren teruggetrokken, alsof ze wegtrokken. Maar
het kwam Keglevic ter oore, dat ze zich alleen in de wouden hadden
verborgen en dat ze touwladders vervaardigden voor de bestorming van
het fort.
De tijd, bepaald voor de turksche bestorming was de avond van een
feestdag. De slimme, oude Peter zond een troepenafdeeling naar een
plaats achter het woud met bevel, zich verborgen te houden tot een
teeken werd gegeven. In den vooravond beval hij de vrouwen en meisjes
te gaan naar de Sultan's Weide, de Carova Polje. Daar moesten ze
op haar mooist gekleed, in het maanlicht zich met zingen en dansen
vermaken, alsof alles in de beste orde was. Die verzoeking was te
groot voor de Turken, die hun ladders wegwierpen en naar de vrouwen
toe snelden. Een kanonschot gaf het teeken, en Peter Keglevic kwam
met het garnizoen uit de vesting, terwijl de afdeeling, die verdekt
was opgesteld, de achterhoede aanviel. Bijna geen enkele Turk bracht
er het leven af!
Het is de moeite waard, van Vjenac naar Jajce terug te wandelen langs
de oevers van de Vrbas, hier een lief riviertje, dat tusschen groene
velden stroomt en verder in het ravijn door afgeronde heuvels wordt
ingesloten.
Wij verlieten Jajce met den spoortrein, om naar Travnik te gaan en
bereikten in vijf kwartier Donji Vakuf, van waar een zijlijn naar
Bugojno gaat, die het mogelijk maakt, Jablanica per diligence te
bereiken en zoo weer op de lijn Serajewo-Mostar te komen. Onze weg
leidde ons echter over de Vrbas en over een heuvelrij naar het dal
der Lasva. We moesten een tunnel van wel een mijl lang door, om te
Goles te komen, een aardig plaatsje met uitzicht op verschillende
bergen op een afstand.
Het volgend station is Turbet, in de buurt waarvan de Romeinen met
succes een goudmijn ontgonnen. Het stadje bleek evenals Banjaluka een
verrassing; het was veel schilderachtiger dan we hadden gedacht, heeft
een goed hôtel met tuin en een groot garnizoen. Des avonds bezoeken
de deftige families van Travnik die tuinen, waar wij in de open lucht
konden dineeren onder de boomen in het licht van kleine lampjes,
terwijl een Zigeunerkapel zachte muziek ten beste gaf. Travnik was
een goede vijftig jaar geleden nog de turksche hoofdstad van Bosnië
en zetel van den regeerenden vizier, en nog is het een der meest
turksche steden van Bosnië. Het ligt op beide oevers van de Lasva.