Die turksche bazar of Carsija bestaat uit een netwerk van met dikke

steenen geplaveide straatjes, waaraan kleine houten winkeltjes liggen

met lage daken. De houten vloeren ervan, die meteen als toonbanken

dienen, zijn een paar duimen boven den grond. In het midden hurken de

turksche eigenaars, met gekruiste beenen werkend aan hun verschillende

bedrijven, hamerend, schavend, zagend of op hun gemak leunend met de

tsjiboek, de lange turksche pijp tusschen de tanden, of de eeuwige

sigaret en een kop zwarte koffie naast zich. Hun waren zijn rondom

hen opgestapeld op de vloeren en de planken, die aan drie zijden om

den winkel loopen. Deze is van voren open. Als de eigenaars weggaan

naar hun woonhuizen voor den nacht, zetten ze ruwe luiken, met een balk

gesloten, voor den buitenkant; een primitieve methode, maar schijnbaar

al wat noodig is. Het is er altijd druk, niet door het lawaai, dat

bepaalde personen maken, maar door een combinatie van geluiden. Een

Turk verheft wel nooit zijn stem, om te roepen of te schreeuwen,

maar door de vereeniging van zooveel gaande en komende en pratende

menschen en het rumoer van de bedrijven ontstaat een luid rumoer.

Als men in een winkel komt, is zeer vaak de winkelier afwezig,

maar als men haast heeft, kan men zich een voorwerp uitkiezen en den

man, die naast aan woont betalen. Als hij uw geld heeft aangenomen,

zult ge zijn hoofd zien verschijnen om den hoek van de afscheiding

tusschen de beide winkels en het geld werpen in een bakje op een in

het oog vallende plaats, waar de rechtmatige eigenaar het kan vinden;

ten minste die ervaring deden wij op bij meer dan één gelegenheid. Met

zulke eerlijke buren zijn de mohammedaansche winkeliers er maar goed

aan toe; wat een wereld van angst en wantrouwen wordt hun bespaard!

Er is een open plek in het midden van den bazar, met een eigenaardige

oude fontein met trapjes, waar een aanhoudende stroom van menschen komt

drinken of hun vaatwerk vullen. Hier zijn de turksche broodverkoopers

vereenigd, met groote, ronde, platte brooden op lange tinnen bladen,

die ze op hun knieën laten rusten of over den eenen schouder laten

balanceeren. Hier zijn ook de fruitverkoopers te vinden, en de mannen,

die limonade en zoetigheid te koop aanbieden. De limonadeverkoopers

zien er net zoo uit als hun collega's van hetzelfde gilde in

Konstantinopel, met vaten van glimmend koper op hun ruggen en een

kleine rij glazen om hun middel gebonden.

De winkels van dezelfde soort zijn alle bijeen, en men vindt er

dus gemakkelijk zijn weg. Zoo is er een lange straat, waar men niet

anders verkoopt dan de bekende opanka's, de bosnische schoenen, die

niet precies schoenen en ook geen sandalen zijn, maar iets van beide,

met opgewipte teenen, geen hielen en mooi gekleurd bovenleer.

Maar de aantrekkelijkheid der Carsija is voornamelijk in de menschen,

die er komen, gelegen. Er mogen geen wagens rijden door de nauwe

straatjes, ofschoon rijen pony's, met de koppen aan de staarten van

de voorgangers gebonden, soms de passage belemmeren. Spaansche joden

en jodinnen, klein van postuur en met kraaloogen; kalme, waardige

Turken, die rondstappen met de gemakkelijke houding, die hun ras

kenmerkt, boeren uit het gebergte, die op niets zooveel gelijken

als op straatroovers, ernstige hodja's in wijde gewaden en bosnische

boerinnen in haar wijde broeken. Hamals of turksche sjouwers luieren in

afwachting van een karweitje. Kleine turksche meisjes met marktmanden,

die bijna even groot zijn als zijzelven, gaan voorbij met de kleine

bloote voetjes in houten klompjes, die onder het loopen op de steenen

tikken. Turksche vrouwen loopen moeilijk in haar wijde omhullingen, en

een toevallige Montenegrijn of Albaniër in witte, zelfgeweven, wollen

kleeding, met zwart afgezet, brengen nog meer verscheidenheid aan. En

een tegenstelling met al die personen vormen de Christenen, die er

doodgewoon en schamel uitzien in de ontsierende dracht der beschaving.

Het moderne gedeelte van Serajewo sluit aan bij den bazar. De

Frans-Jozefstraat is de hoofdader van het verkeer, waar de europeesche

winkels zijn. Dichtbij elkander zijn er het Gouvernementsmuseum,

de nieuwe servische kathedraal, die op een open plein verrijst, en

de beide voornaamste hotels, het hotel Europa en het Centraal hotel,

ook wel Pratchka genoemd. Bij beide behooren restaurants.

De beau monde van Serajewo vertoont zich elken avond na zonsondergang

op het Corso, een gewoonte, die men schijnt te hebben overgenomen van

de steden aan de Adriatische Zee. In de stad zijn er twee deftige

societeiten, een burgerlijke en een militaire, de laatste met een

tuin er bij, waar dikwijls muziek is; de eerste wordt ongeveer

geleid als een engelsche club. Beide hebben restauraties, en in de

laatste is het den vreemdeling toegestaan, des zomers in de open

lucht te dineeren. Serajewo heeft ook een lawn-tennisclub met vier

speelterreinen; de club is zeer populair en wordt druk bezocht.

De konak of het paleis van den gouverneur, vroeger de zetel van den

turkschen wali der provincie, ligt aan den overkant der rivier. In

de uitgestrekte bijgebouwen woonden vroeger de dames van den harem.

Een interessant verschijnsel van Serajewo als van alle steden in Bosnië

en Herzegowina, waar Turken wonen, zijn de turksche koffiehuizen. De

vreemdeling wordt er altijd geboeid. De stad heeft er vele en op

de bergen liggen nog meer. Ze zijn schilderachtig op zichzelf en

hebben ook vaak een mooie ligging. Er is iets aantrekkelijks aan,

iets van de japansche theehuizen. Ze zijn zoo rustig, zoo ver van

alle rumoer en twist en lawaai. Koffietuinen zou een betere naam zijn

dan koffiehuizen. De tafeltjes staan onder boomen en sommige staan

binnen kleine zomerhuisjes, die aan alle vier zijden open zijn. Men

wordt op die plaatsen in het geheel niet herinnerd aan iets, dat op

zaken doen gelijkt. Het eenige, dat er mogelijk aan doet denken, is

als er vroeger of later een Turk verschijnt en stil naast u staat, om

uw bevelen af te wachten. Die bevelen kunnen niet ingewikkeld wezen;

ge moet kiezen tusschen zwarte koffie of een strooperig drinken van

vruchtensap en sodawater.

De zwarte koffie wordt u gebracht in een kleinen koffiepot van

wonderlijken vorm met een langen platten steel. Het is tot boven aan

toe vol en kokend. Die wordt neergezet op een blaadje met een heel

klein kopje en een klein suikerpotje. Het kleine kopje kan drie- of

viermaal worden gevuld, eer de koffiepot leeg is. De kosten, die ge

kunt voldoen, als ge er lust in hebt, bedragen een stuiver. Niemand

wenscht, dat ge gaat opstaan, niemand valt u lastig, ge kunt blijven

zitten zoolang het u behaagt; en mogelijk zal er voor uw genoegen

ook nog muziek wezen, een oostersche muziek, nog al melancholiek,

met halve tonen en niet altijd in de maat, ook niet al te klankrijk,

maar kalmeerend, rustig stemmend.

De mooiste turksche koffiehuizen in Serajewo zijn aan de Miljacka

aan den ingang van de stad, onder het kasteel en de forten. Dit

gedeelte wordt de Bend-basi genoemd, en de beide koffiehuizen heeten

ook zoo. Het eerste heeft de mooiste tuinen, het tweede ziet er het

aardigst uit, gebouwd als het is van hout op hooge palen aan den oever

bij een bocht, waar de rivier door een nauwe kloof stroomt. Groote

klippen rijzen er achter op aan den eenen oever, en aan den anderen

dringt een klein voorgebergte in de bocht en is overdekt met kleine

turksche huisjes. De schoonheid van dit plekje is opmerkelijk; wij

gingen er nooit voorbij, of ze trof ons opnieuw, en in de eerste

dagen, als er iemand van het gezelschap zoek was, konden ze altijd

worden teruggevonden bij Bend-basi of in den bazar.

In de straten is geen eentonigheid; al mogen de enkele figuren wel

eens belachelijk wezen, de familiegroepen zijn altijd aardig en

origineel. Ze wandelen afzonderlijk, soms de kinderen vooruit, een

anderen keer de moeder. Kleine turksche meisjes zijn in tegenstelling

met de mama's vaak kleurig gekleed. Iets mooiers dan een klein turksch

meisje van drie of vier zomers, met haar wijd opgeblazen broekje,

klein, plat, rond mutsje scheef op haar hoofdje, van voren versierd

met een paar munten, een gazig doekje half over het hoofd getrokken

en los wapperend op het windje, kan men zich moeilijk voorstellen.

Hoe ouder een turksch meisje wordt, des te nauwer moet ze het

beschermende hoofddoekje om haar gezicht halen, tot ze vijftien

of zestien is, als wanneer enkel een driehoekje over is, waar de

neus en de oogen door zichtbaar zijn. Daarna verdwijnt ze geheel tot

haar huwelijk, als wanneer ze weer opdaagt in den gemetamorfoseerden

toestand, die reeds is beschreven, en ze dus, den natuurlijken gang

van zaken omkeerend, van een schitterenden vlinder verandert in een

donker gekleurde pop.

Turksche jongens zijn tot drie of vier jaar evenzoo gekleed als hun

zusjes, behalve dat hun broek wat nauwer is om de enkels, meer bepaald

een broek, en dat ze geen hoofddoek dragen. Turksche babies zijn heel

gekke dingetjes, stijf opgerold in een stijve deken van brocaat en met

ronde mutsjes op het hoofd, die stijf staan van het goud en met bont

omzoomd zijn. De moeder draagt het kindje alleen in die gevallen,

als ze geen dochter heeft om het voor haar te doen. Op reizen met

den spoortrein schijnt de vader ook wel te worden ingespannen. Het is

verwonderlijk, tusschen twee haakjes, maar een turksche baby schijnt

nooit te schreien.

Op mooie namiddagen ontmoet men een aantal stille, zwijgende

familietochten, altijd alleen vrouwen en kinderen, die op weg zijn

om elkaar visites te maken. Ze praten zelden op straat, zelfs onder

elkaar, en de meesten schuiven langs de vreemdelingen, terwijl de

bijzonder braven zoo ver gaan, stil te staan en den rug te laten zien,

tot de vreemdeling voorbij is. Maar als de vreemdelinge dan plotseling

zich omkeert, kijkt de heele processie naar haar!

De rijkere klasse houdt veel van uit rijden gaan, en het is niet

ongewoon, een victoria te zien met den kap omhoog, volgepakt met

omhulde figuren en veel vroolijk kleurige, helderoogige kinderen. Op

een anderen tijd is het een mandenwagentje of een wagen zonder veêren

uit het platteland, die voorbijhotst met een menigte van die domino's

en turksche meisjes, die op den grond in den wagen op het hooi zitten.

Deze "Turken", zooals ze zichzelven noemen en ook genoemd worden

door de Oostenrijkers, vertoonen een anomalie, die niet de minste is

onder de belangwekkende verschijnselen van dit zeer belangwekkende

land, want ze zijn geen echte Turken, geen Osmanli van geboorte,

ofschoon ze het wel zijn van geloof en in kleeding, gewoonten en

zeden. Naar het ras zijn het Slaven, eigen broeders van de Serviërs,

de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de Croaten, allen Slaven. En ze

spreken juist dezelfde taal als de drie eerstgenoemde, en practisch

dezelfde als de laatsten, namelijk het Slavisch of Servisch.

Maar in alle andere opzichten verschillen ze wezenlijk, niet

alleen van dezen, maar van hun eigen landslieden en broeders, de

christelijke Bosniërs. Deze "Turken" van Bosnië zijn inderdaad in

sommige opzichten, als bij voorbeeld in hun stiptheid in het in acht

nemen van de kleedingvoorschriften voor buiten huis voor de vrouwen,

meer volstrekte orthodoxe Mohammedanen dan de Osmanli-Turken zelf. De

"Turken" van Bosnië, afstammelingen van slavische voorouders, zijn een

nieuw bewijs voor den regel, dat menschen, die bekeerd zijn tot een

ander geloof, meer dweepziek zijn in de betrachting der voorschriften

dan diegenen, die hen hebben bekeerd.

Op een dag gingen we uit, om de wekelijksche veemarkt te zien, wat een

vroolijk gezicht opleverde en heel wat amusement gaf. Er waren rijen

schapen en geiten en groote kraals met vee. Boeren en stedelingen,

Spaansche joden en Turken, en zelfs soldaten in helder blauw stonden

rondom de dieren en keken toe. Het geluid van menschelijke stemmen

werd afgewisseld door het geblaat van schapen en geiten, het loeien

van koeien en nu en dan het geschreeuw van een varken.

Wij stieten op een paar bosnische boeren, die naar nationalen trant

een koop beslisten. Verkooper en kooper slaan elkaar in de handen en

sluiten die dan ineen, om ze snel naar beneden te bewegen, waarbij

de verkooper den prijs noemt, dien hij verlangt en de kooper dien,

welken hij wil geven. Dit duurt voort, terwijl de beide prijzen elkaar

steeds meer naderen, tot het den een of ander gelukt, zijn hand los te

maken, waarna de laatstgenoemde prijs den koop afsluit. In den regel

staan er vrienden in het rond, om toe te zien of het eerlijk toegaat.

Uit de menigte bij de schapen en geiten zagen we af en toe een

gelukkigen kooper zich loswerken. De bosnische boer trekt een

onwillige geit aan de haren van den kop vooruit. De Turk draagt zijn

schaap mee op zijn schouders en slaat het als een halsdoek om den

nek. Tegenwoordig, nu het karakteristieke in kleeding en gewoonten

langzamerhand wegsterft, is het een tractatie voor den reiziger een

volk te treffen als deze boeren uit Herzegowina en Bosnië, die niet

alleen het oude costuum dragen voor iederen dag, maar zich ook nog

op feestdagen in de rijkste en fraaiste galakleeding steken, zooals

men zelden meer in Europa ziet. Inderdaad zijn de originaliteit, de

schoonheid en de verscheidenheid van de verschillende galacostumes,

die men in Bosnië en Herzegowina te zien krijgt, treffend en haast

ongeloofelijk. Iets van het prachtlievende Oosten blijkt uit de

kleuren, de stoffen en de versieringen.

Op marktdagen is de bosnische al zeer mooi aangekleed, maar op

een feestdag, als er hoogmis wordt gehouden in een der kerken,

komen boeren en boerinnen van nabij en ver per trein en te voet,

op pakpony's of per rijtuig aan, om den dienst bij te wonen en op

andere wijze zich te amuseeren.

Wij hadden het geluk zulk een plechtigheid bij te wonen. Het was de

verjaardag van de opening van de groote Roomsch-katholieke kerk in

Serajewo in de tweede week van Juni. Al de vorige dagen waren boeren in

de stad gestroomd, stoffig en verreisd, ieder met den grooten reiszak

van bonte stof omgeslagen om den rug. Als een vreemdeling zoo'n zak

wenscht te koopen zal een joodsche handelaar hem er dertig shillings

voor vragen.

Het regende een weinig, maar de vloed van menschen, die binnenstroomde

van het station, ging onophoudelijk voort. Dien nacht kampeerden

diegenen, die geen onderkomen konden vinden, in het open veld tegenover

de kathedraal en op alle andere open pleinen in de stad.

Den volgenden dag kreeg het tooneel al op een vroeg uur kleur en

leven. De stoffige kleeren van den vorigen dag waren verdwenen,

en in hun plaats waren zijde en fluweel verschenen, borduursels en

het witste linnen. Gouden munten glinsterden op hoofdtooisels en

bengelden aan kettingen om den hals. Zware zilveren gespen aan de

gordels en dito zilveren ringen aan de vingers, zilveren armbanden en

oorringen trokken de aandacht, en wat het beste was, de zoo versierden

lieten zich photografeeren! De laatste figuur, die we namen, was een

bijzonder knappe vrouw, groot en met een flinke houding. Ze had een

huid als een rijpe perzik en de lijnen van neus, mond en kin zouden

hebben kunnen dienen voor een model van een grieksch beeld. Ze was in

het bezit van mooi geteekende wenkbrauwen, gitzwart haar en groote,

lachende, bruine oogen. Haar kleeding zou hebben gepast voor een

prinses of een bruid en deed haar zoowel op de een als op de ander

gelijken, met haar diadeem van gouden munten, waarboven een krans van

bloemen stond, en een langen sneeuwwitten sluier, die van achteren

laag neerhing bijna tot haar voeten.

Bij een uitstapje naar het dorp Vares, waar ijzerfabrieken te zien

waren, troffen we een zeer oud klooster van Franciskanen, en iets

verder aan denzelfden weg een oude christenkapel, misschien de

oudste in Bosnië. Het was een lang, laag gebouw, een goed voorbeeld

van de kleine afmetingen, waartoe de machtige Turk de bedehuizen van

ongeloovigen veroordeelde. Zelfs moesten, als ook hier het geval was,

zulke huizen zich achter heggen verbergen, zoodat het oog van den

belijder van den Islam er niet door werd gehinderd.

Toen wij bij ons bezoek aan Bosnië uit Hongarije kwamen, bracht ons

de spoorweg eerst naar Kostajnica, een tweelingstad aan de beide

oevers van het riviertje de Una, waar aan de eene zijde Kroaten

wonen, die katholiek zijn, en aan de andere Bosniërs met een voor

de helft mohammedaansche bevolking, beide echter dezelfde taal

sprekend. Tusschen die twee plaatsen en de inwoners, ofschoon ze

maar door een smal riviertje gescheiden zijn, bestaat er behalve ten

opzichte van de taal een grooter verschil dan tusschen de steden en

inwoners van Dover en Calais. Uiterlijk is het bosnische Kostajnica

met de kleine turksche huizen schilderachtiger dan de katholieke

naamgenoote.

Even verder volgt Doberlin. In 1860 legden de Turken in een aanval van

energie den spoorweg aan van hier tot Banjaluka. De toen regeerende

sultan van Turkije kreeg het plan in het hoofd van een lijn, die gelegd

zou worden door Bosnië en West-Turkije naar Saloniki in de Levant. De

lijn werd aan twee kanten begonnen. Van dat grootsche spoorwegplan

kwam slechts een klein eindje aan beide zijden gereed, namelijk de

sectie tusschen Doberlin en Banjaluka en de afstand tusschen Saloniki

en Metrovic. De Oostenrijkers hebben nu de leemte voor een groot

deel aangevuld door hun spoorweg van Jajce naar Serajewo, naast de

evenwijdige lijn via Brod. In den laatsten tijd hebben ze het werk

voortgezet door een lijn te bouwen van Serajewo over de turksche

grens naar Plevlje in Novibazar.

Naar Doberlin komt veel hout, dat de Una en de Sana af wordt gevoerd

uit de wouden van Bosnië, en er in zaagmolens wordt verwerkt. Wij

kwamen aan de Sana bij haar vereeniging met de Una; toen volgde

Blagaj, een schilderachtig plaatsje met de ruïnen van een kasteel, waar

vroeger de koningen van Bosnië verblijf hielden. Het volgend belangrijk

station is Prjedor, een nogal groote stad voor Bosnië. Het plaatselijk

bestuur richtte er een modelhoenderpark op, van waar de boeren eieren

en jonge hoenders konden krijgen. Er worden paardententoonstellingen

gehouden te Prjedor en ook wedrennen, waarbij de regeering prijzen

uitlooft ter aanmoediging van het fokken door de boeren. Te Ivanjska

is een Franciskanerklooster en men treft er ook het vervallen kasteel

Ivangrad aan. De geheele lijn van Doberlin naar Banjaluka gaat door

een bekoorlijk en typisch bosnisch landschap.

Te Dragocaj kregen we voor het eerst de Vrbas te zien, die vreedzaam

stroomt door groene weiden, omzoomd door wilgen, getrouw aan zijn naam,

die wilgenstroom beduidt. Hier begint de vlakte van Banjaluka, en we

kregen nu en dan een kijkje op het Trappistenklooster "Maria Stern",

dat aan den tegenoverliggenden oever van de rivier is gelegen, en op

het klooster "Nazareth", rechts van de lijn, terwijl verderop nog het

Franciskanerklooster Petricevac volgt, eer we Banjaluka om elf uur

's morgens bereikten.

Banjaluka is een mooi en eenvoudig stadje, zeer lief aangelegd,

waar men ten minste wel een mijl ver in de schaduw kan wandelen op

den heetsten dag. Dit gedeelte van Banjaluka is gevoegd bij de oude

mohammedaansche stad, die ook maar zeer klein is. Waar de eerste

eindigt, begint de laatste, gaande over den bazar en de markt langs

de zeer fraaie Ferhadija-moskee naar de oude mohammedaansche wijk,

die met haar verlenging, de voorstad Gornji Seher, zich uitstrekt

langs beide oevers van de Vrbas, waar die door een soort van pas

vloeit. De schilderachtige plek, zoo bijzonder mooi, kregen we eerst

bij ons vertrek bij toeval te zien, want hôteliers, gidsen en zelfs

reizigers waren het allen eens, dat er niets te zien was in Banjaluka.

De stad is ruim gelegen midden in een vlakte. Wij vonden de lucht

er betrekkelijk koel en frisch op een tijd, dat in andere, in dalen

gelegen bosnische steden de atmosfeer heet en verstikkend is. Het

plaatsje lijkt wel wat op een klein indisch station in het binnenland,

met de verspreid staande huizen met grond eromheen en de winkeltjes,

door inlanders gehouden. Maar hier en daar ziet men een winkel,

dien men in Indië een europeeschen winkel zou noemen, en evenals

in Indië kan men er slechts de allereenvoudigste dingen krijgen,

zooals we tot ons nadeel merkten. Daar we enkele benoodigdheden voor

het photografeeren te kort kwamen, zochten we van het eene eind van

Banjaluka naar het andere om een winkel van photografische artikelen

te vinden, maar te vergeefs.

Er zijn twee hôtels, het hôtel Bosnië en het hôtel Oostenrijk. Van

die twee is het eerste het grootste; maar het was vol, en zoo gingen

we in "Oostenrijk", dat zeer zindelijk en geriefelijk was, met niet te

hooge prijzen. De heer des huizes was een beleefd en hulpvaardig man,

bereid, ons alle mogelijke inlichtingen te geven en hulp te bieden;

maar ofschoon Banjaluka zijn geboortestad was, en zeker wat beters

van hem had verdiend, voegde hij zich bij het algemeene koor en

verzekerde, dat er niets te zien was. Dat was een nieuwe ervaring

voor ons, een waard aan te treffen, die tegen zijn eigen belang de

aantrekkelijkheden van zijn eigen stad verkleinde; Diogenes zou zijn

lantaarn in Banjaluka niet hebben noodig gehad.

Nochtans gingen wij trots de uitspraak van den hôtelier uit, om te

zien, wat we konden ontdekken, en richtten onze schreden eerst naar

het Trappistenklooster van Maria Stern. De gewone prentbriefkaart, die

de plaats voorstelde, was niet aanmoedigend, maar wij hielden vol. Na

de schaduwrijke boulevards van de stad achter ons te hebben gelaten,

kwamen we buiten, waar geen boomen waren, en vonden den weg lang en de

zon zeer warm; ook werden we wanhopig dorstig. Juist op tijd vonden we

een kleine herberg, waar we bediend werden met de eenige verkwikking,

die werd aangeboden, het ijskoude Trappistenbier, dat in het klooster

wordt bereid. Wij kregen het klooster in het gezicht bij de volgende

bocht van den weg, een zeer lang, wit gebouw met een klein torentje

in het midden. Hier was de prentbriefkaart genomen, en eerst toen

we naderbij gekomen waren, zagen wij, hoe liefelijk en bekoorlijk

het tooneel was. De bekoring lag niet in het klooster, maar in de

omgeving. We hadden dat ook wel kunnen begrijpen, want onze ervaring

had ons geleerd, dat monniken stellig en zeker uitnemende plekjes

kiezen voor hun kloosters, waar het natuurschoon op zijn mooist is.

Aan den anderen oever der rivier lag het huis met zware bosschen

aan den rechterkant en groene heuvels erachter en ervoor de klare

wateren van de Vrbas, met een molentje naast het klooster en recht

over den stroom een groote dam, waar het water in schuim overheen

vloog. Dichtbij ons daalde de oever steil naar de Vrbas af, en

treurwilgen lieten hun takken in het water hangen. In de schaduw dier

boomen waren enkele hengelaars bezig met hun kalm werkje, dat precies

bij de plek scheen te passen.

Het middel, om tot het klooster te naderen was niet terstond

herkenbaar, maar lager aan de rivier links kwamen we aan een veer

met een touw, een ingewikkelde geschiedenis, waarlangs wagens konden

worden getransporteerd en paarden, zonder dat ze behoefden te worden

uitgespannen en zonder oponthoud.

Toen wij werden overgezet, zagen we de broeders thuiskomen van een

wandeling. Ze trokken langs ons heen in een langen optocht, zwijgend

voortloopend met gebogen hoofden en verdwenen binnen de muren. Het

was een heiligendag en een vacantiedag, en dan wordt het klooster aan

niemand vertoond. Op werkdagen mogen mannelijke bezoekers binnenkomen

en de broeders aan hun verschillende werkzaamheden zien, maar nooit

is er toegang voor de schoone sekse.

Er zijn twee-honderd-vijftig broeders in dit rustoord, dat aan de orde

der Trappisten behoort, de strengste der bestaande orden, waarin de

gelofte van stilzwijgen wordt afgelegd, en waarbij het spreken alleen

wordt toegestaan in volstrekt noodzakelijke omstandigheden. Buitendien

kastijden ze het vleesch strenger dan eenige andere broederschap,

werken hard den geheelen dag, leven bij een matig, vegetarisch diëet en

slapen op den kalen grond zonder in den nacht hun kleeren af te leggen.

Ieder, die katholiek is, kan Trappist worden, maar hij moet kunnen

bewijzen, dat er niemand is, die van hem afhankelijk is. De nieuweling

maakt een proeftijd door, maar daarna kan hij niet meer van besluit

veranderen.

Deze stille broeders zijn harde werkers en doen veel goed. Ze

onderhouden een groot aantal weeskinderen, doen weefwerk en zagen hout

in de molens, brouwen een uitstekend bier en maken een soort van kaas,

die beroemd is in geheel Oostenrijk.

We hadden in het hôtel Oostenrijk het lunch gebruikt en gingen

nu eten in "Bosnia". Er was niet veel verschil tusschen de twee;

bij beide werden we buiten bediend en op nog al primitieve manier;

het eten was goed, maar de wijn niet te best. Toen we naar het hotel

Oostenrijk terugkeerden, speelde er een muziekcorps, en we zaten er

buiten naar te luisteren onder het genot van een kopje zwarte koffie.

Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 4 / 8 段