voor den Montenegrijn die verontschuldiging voor de ontheffing van alle
te dragen lasten, maar thans bestaat die niet meer. Maar de man is nog
gehecht aan de oude voorrechten, en hij zou het een vernedering achten,
er afstand van te doen. Er is nog een echte kaste in Montenegro, die
der krijgslieden, waartoe alle mannen behooren. Het zelfbehoud heeft
eeuwenlang geëischt, dat de heele volwassen mannelijke bevolking uit
krijgers zou bestaan. Het zal den Montenegrijn eenigen tijd kosten,
zijn tegenwoordige denkbeelden kwijt te raken. En intusschen beletten
armoede en de schraalheid van het land hun het vervangen van de
vrouwelijke hulp door het aanschaffen van dieren voor transport. Het
ruwe leven van de montenegrijnsche vrouwen maakt haar vroeg oud.
De weg, die tot hiertoe een richel was geweest op het aangezicht van
den berg met rotsen aan den eenen en een afgrond aan den anderen
kant, draaide nu bij de montenegrijnsche grenzen een smallen
pas binnen. Links en rechts waren bergen, die bij de Lovcengroep
behoorden en die den naam van het Rotsgebergte zeker beter verdienden
dan het gebergte van dien naam in Amerika, want het zijn eenvoudig
reuzenrotsen, zonder eenige aarde, behalve hier en daar in kloven,
waar struiken en stompen van boomen een kommervol bestaan leiden. De
pas leidde naar een steenachtig dal, waar kleine plekken, die men
van steenen had bevrijd, als bouwland werden gebruikt.
Een klein half uurtje rijden door den pas bracht ons naar een werkelijk
redelijk groot plekje vlak land in het dal, waar een dorp lag. Het
was Niegus, de zetel der familie van den regeerenden vorst Nicolaas,
de tegenwoordige heerscher van Montenegro, geboren in een gebouwtje
als een schuur, dat, naar ons werd verteld, hem thans nog dient als
jachthuisje. Het dorp gelijkt op de dorpen in de armste streken van
Ierland, en de hutten hebben juist zulke gaten voor vensters, maar
zien er netter uit, en de meeste hebben steenen of pannen daken. Vlak
boven het dorp rijst een piek van 6000 voet omhoog, met sneeuw bedekt
toen wij er waren.
Een aardige herberg is onlangs geopend te Niegus door een
Montenegrijn. Dat is het huis Halfweg, waar het gewoonte is,
een uur stil te houden in het heengaan of op den terugweg, om te
ontbijten en de paarden te voederen en te drenken. De eigenaar,
een knappe man in montenegrijnsche kleeding, kwam naar buiten,
om ons te verwelkomen. Iemand in Dalmatië had ons verteld, dat we
hier niets te eten konden krijgen, en dus hadden we den gegeven raad
gevolgd en hadden ons lunch meegenomen. De eigenaar scheen daar niet
op te letten; maar hij glimlachte toen wij hem de reden meedeelden,
verklarend dat hij altijd in staat was, voor kleine gezelschappen een
lunch aan te richten. Hij sprak uitstekend Fransch, dat hij, naar hij
zei, in Marseille had geleerd. Hij had veel gereisd, vertelde hij ons,
maar was nu naar Montenegro teruggekeerd, om er te blijven. Niegus leek
een sombere plaats om te wonen voor een bereisd man, en we waagden
hem te vragen, of hij er de voorkeur aan gaf boven elke andere plek,
die hij aanschouwd had. Hij glimlachte flauwtjes en antwoordde:
"Chacun préfère sa patrie."
Tegenover ons waren, terwijl we in de veranda zaten, twee zeer
kleine ossen aan het ploegen van een veldje. De ploeger, een statige
Montenegrijn, zag er vreemd uit bij zijn miniem spannetje. We hadden
een kodak steeds bij de hand en wilden wel graag iets montenegrijnsch
snappen, en zie, plotseling verschenen er vijf vuile jongens, die op
een rij gingen staan, stijf van aandacht, in afwachting van te worden
gekiekt. Om hen niet teleur te stellen, namen wij de groep en hadden er
pret in, want ze schenen de zaak heel gewoon te vinden! Voor hoeveel
reizigers moeten ze al niet hebben geposeerd, dat ze zoo vertrouwd
zijn geworden met het gephotografeerd worden.
De paarden hadden nu te eten en te drinken gehad, en die wonderlijke
dieren waren al weer klaar na den langen trek van vijftien mijlen
omhoog, om een nieuwe vijftien mijlen af te leggen, bergop en
bergaf. Onder het verder rijden zagen we bouwland aan alle kanten,
maar in stukjes en brokjes, overal waar maar wat losse aarde was te
vinden. Hier schuilt er geen overdrijving in, als men zegt, dat ieder
duimbreed gronds bebouwd is en dat elk centimetertje van moeder Aarde
met zorg gekoesterd en op prijs gesteld wordt.
Wij stegen nog, en de lucht werd reeds koeler. Toen we boven waren,
hield het rijtuig stil bij een montenegrijnsche hut, waar een vrouw
ons turksche koffie schonk tegen een stuiver per hoofd. We hadden
den top van den pas bereikt.
Den hoek omslaand bij het dalen, kregen we den aanblik van een
typisch montenegrijnsch landschap van de meest woeste soort. Wij
zagen neer op een wijde zee van rotsen, waar de eene golf na de
andere zich voor ons ontrolde, eindeloos ver tot aan den horizon,
een labyrinth van rotsen, grijs en strak, met niets levends in
zicht en geen geluid om de eeuwige stilte te breken. Het tooneel
was afgrijselijk van troosteloosheid. Vreemd genoeg, gevoelden wij,
toen de eerste verrassing voorbij was, iets als opgewektheid in
plaats van neerslachtigheid, want de lucht was als champagne. Een
half uur van snel dalen langs den weg bracht ons in het gezicht van
het dal, aan welks uiteinde Cettinje ligt. Het dal is lang en breed
en vlak, en de breede witte weg komt er binnen aan het verste einde,
er recht door gaande met één scherpe bocht. Er is hier overvloed van
bebouwd land, en de velden zijn goed van grootte. Als ooit Cettinje
uitbreidingsplannen mocht krijgen, zal er plaats in overvloed wezen.
Wij stapten af aan het Grand Hotel, zes-en-een half uur na Cattaro
te hebben verlaten. De hoofdstraat, die ongeveer 150 ellen lang is,
omvat zoowat twee derden van de stad. Het is een zonderlinge straat,
zoo breed, dat het mogelijk zou zijn er drie of vier rijtuigen naast
elkaar door te laten rijden. Er staan alleen huisjes van één of twee
verdiepingen, alle ongelijk geschilderd, nu een grijs, dan een blauw
of groen, nooit twee naast elkaar van dezelfde tint. Een paar korte
straten slaan rechthoekig af, en daar vindt men alles, wat niet te
vinden is in de hoofdstraat. Het Grand Hotel staat aan het einde,
en doet de kleine plaats alle eer aan; er is een keuken, waar een
fransche chef den schepter zwaait.
Als men de stad binnengaat, treft men links een mooie villa op haar
eigen terrein; dat is de Oostenrijksche ambassade; aan den rand der
stad aan den anderen kant zijn de nog grootere en mooiere gebouwen van
het russische gezantschap. Die ambassades van de beide Grootmachten
staan daar als twee wachthonden, elk met één oog op den ander gevestigd
en het been tusschen zich in.
Met het oog op dat kleine hoofdstadje en den barren, woestijnachtigen
grond, die een groot deel van het land beslaat, is de waarde van
het been, waar de strijd om gaat, niet dadelijk duidelijk, maar een
wandeling door Cettinje brengt die spoedig aan den dag. Ieder man
is een geboren soldaat. Men kan het in zijn oogen lezen, in zijn
onafhankelijke houding en in de gewoonte van de wapens te dragen,
want bijna ieder volwassene heeft een pistool in den gordel, enkelen
zelfs een heel arsenaal van wapens. Dit is een prachtig contingent
in oorlogstijd, waarvan Rusland de waarde al eens heeft beproefd,
welke waarde opnieuw zal blijken in dien niet zoo ver verwijderden
tijd, als de lang verschoven quaestie van het dichtbijzijnde Oosten
beslist moet worden.
Er is voor den gewonen toerist niet veel in Cettinje te zien. De vorst
bewoont een bescheiden, chocoladekleurig gebouw, met wit afgezet, waar
niet veel open grond bij behoort. Er is een oud klooster in de buurt,
waarvan de fondamenten gelegd zijn omstreeks den tijd van Willem den
Veroveraar. Ofschoon het tweemaal verwoest werd door de invallen van
de Mohammedanen, heeft het tegenwoordig gebouw den respectabelen
ouderdom bereikt van zoowat zeshonderd jaren. De belangrijkheid
ligt meer in de historische betrekkingen dan in de architectonische
verdiensten. De graftomben en de graven van de koninklijke familie
zijn er in de nabijheid.
Tegenover het klooster ligt het Biljardpaleis, een laag, wit, steenen
gebouw, dat haast niet den naam van paleis verdient. Toch was het
vroeger het paleis van den vorst, maar is nu dat van den Bisschop
en dankt zijn naam aan het feit, dat de voornaamste kamer, die het
bevat en waar de regeerende vorst zijn recepties hield, indertijd
een biljard bezat.
Een steenworp verder is het arsenaal, dat enkele curiositeiten
en herinneringen heeft van de oorlogen der Montenegrijnen tegen
de Turken. Dan volgt de gevangenis, merkwaardig omdat ze bestuurd
wordt naar een stelsel, dat zoo geheel verschilt van het gewone. De
gevangenen dragen geen gevangenkleeding en worden behandeld als
een troep ongevaarlijke krankzinnigen, wien men eenigen dwang
moet opleggen, om overlast van het publiek te voorkomen. De eenige
aanwijzing van het feit, dat het gevangenen zijn, is dat ze ketenen
aan de beenen hebben. Ze mogen nu en dan wat wandelen buiten de muren
der gevangenis onder de hoede van een enkelen bewaker, bij welke
gelegenheid een menigte van vrienden en verwanten vrij met hen mogen
praten. Inderdaad is het dan moeilijk, de gevangenen van hun vrienden
te onderscheiden. Op het eerste gezicht schijnt het verrassend, dat
er niet meer ontvluchtingen plaats hebben in die omstandigheden. Maar
de gevangenisautoriteiten weten wel, wat ze doen, want waar zou een
ontvluchte montenegrijnsche misdadiger zich verbergen? Hij moet wel
ontdekt worden in zijn eigen land, en elders zou zijn nationaliteit,
zoo niet zijn eigenaardige kleederdracht hem tot een aangewezen persoon
maken. De misdaden of liever de redenen tot opsluiting stonden bijna
zonder onderscheid in verband met vechten en met de gevolgen van
wraaknemingen.
De schouwburg, een gebouw, dat ter herinnering aan den overleden Vorst
is gebouwd en het marktplein zijn de verdere merkwaardigheden. Voor
den gewonen kijkenden toerist mag dat weinig lijken, maar voor den
reiziger, die weet te waardeeren, is een bezoek aan Montenegro zeer
belangwekkend, want hier bloeien nog alle primitieve deugden en een
arcadische eenvoud, die elders in het beschaafde Europa niet meer zijn
te vinden, zeker in het geheel niet in een europeesche hoofdstad. De
groote aantrekkelijkheid van Montenegro vormt het volk, een prachtig
ras, goed gebouwd, knap, openhartig, beleefd, zonder kruipend te zijn
en nog hechtend aan de gevoelens van eer uit den ouden tijd. Het land
is nu nog niet bedorven door de beschaving; het heeft geen sociale
quaestie en heeft geen dieven noch geldleeners; ook wordt het nog
niet verduisterd door de schaduw van het geldbejag.
Maar de Montenegrijn mist de schaduwzijden van zijn deugden niet. Of
het is toe te schrijven aan zijn omgeving of zijn opleiding of een
andere oorzaak, hij houdt niet van werken. Hij voert niets uit, maar
hij is lui met gratie. Het is onmogelijk te gelooven, als men het
niet heeft gezien, met wat een statigen, deftigen gang de mannen uit
Cettinje om vijf uur in den namiddag hun hoofdstraat afwandelen,
langzaam stappend vol majesteit en pratend, niet opgewonden,
zooals de mannen doen van alle omringende landen, maar ernstig,
kalm, van ganscher harte, als een volk, dat een groot werk zich
ziet toevertrouwd.
Zonder twijfel dragen die schitterende kleederdrachten, die ze hebben,
er veel toe bij, hen aantrekkelijk te maken. Het land is echter ook
niet zonder bekoring. Het is niet enkel een land van rotsen, maar
in het Zuiden is het vruchtbaar, goed bebouwd en groen, ook al niet
minder aantrekkelijk dan deelen van Zuid-Frankrijk en Italië. Een
wandeling van omstreeks veertig minuten van Cettinje naar een plek,
die Bella Vista heet, op den weg naar Rjeka en Skutari stelt den
reiziger spoedig daarvan op de hoogte. Van dat punt is het uitzicht
prachtig en breidt zich uit over een hoek van Zuid-Montenegro naar
het meer van Skutari, dat glinstert in het zonlicht en verder naar
de met sneeuw bedekte bergen van Albanië, half verborgen in den nevel.
Ongelukkig was onze tijd te kort in Montenegro, al haastten we ons
niet zooveel als de meeste bezoekers. Maar het gemakkelijke uitstapje
naar het meer van Skutari, waarbij we onderweg veel van het zuiden
van Macedonië zagen, was de moeite waard, zoodat we blij waren, het
te hebben gedaan. Van Cettinje naar Rjeka is een rit van vijf uren;
daar komt een stoombootje tweemaal in de week en brengt de passagiers
naar den mond der rivier van Rjeka en dan naar Skutari, de hoofdstad
van Turksch Albanië, dat in één dag te bereiken is. Van Skutari kan
men in de terugreis afwisseling brengen door naar Antivari te stoomen,
een der onlangs door Montenegro verkregen havens, van waar men met
de stoombooten der Oostenrijksche Lloyd naar elk willekeurig punt
van de Adriatische Zee of van de Middellandsche Zee kan gaan, als
men niet wenscht door Montenegro terug te keeren. Dit Rjekadal wordt
door de geologen geacht in vroeger tijden een haven als een fjord te
zijn geweest, en het meer van Skutari moet in dien tijd een baai van
de Adriatische Zee zijn geweest.
Een ander gemakkelijk ritje van Cettinje uit is naar Niksic, belangrijk
door het feit, dat het de eenige stad in Montenegro is, die iets aan
nijverheid doet. De tegenwoordige vorst bouwt er zich een paleis,
en men zegt, dat hij er zijn hoofdstad heen verplaatsen wil.
Te Niksic brouwen ze een wezenlijk uitmuntend bier, dat onder onze
aandacht werd gebracht door den majoor van de vorstelijke lijfwacht,
een Montenegrijn, die in Italië zijn opvoeding had genoten, zooals met
zooveel Montenegrijnen in dezen tijd het geval is. Deze officier kon
wel Italiaansch spreken, maar geen Duitsch. Inderdaad doen weinig
Montenegrijnen aan de studie van het Duitsch. Ze houden niet van
Oostenrijk, en er is zeer weinig verkeer tusschen Montenegro en
de aangrenzende oostenrijksche landen. Nu en dan zijn er ernstige
grensquaesties en twisten tusschen weerspannige Montenegrijnen en
oostenrijksche ambtenaren. Toch mag Montenegro Oostenrijk wel op
prijs stellen, want het groote land schenkt aan den vorst jaarlijks
een ruime subsidie als erkenning van de uitstekende diensten, welke
hij aan de zaak des vredes en der beschaving heeft bewezen door het
in toom houden van zijn woelige onderdanen.
Veertig of vijftig jaar geleden schenen de Montenegrijnen de
eigenschappen te vertoonen van de schotsche Hooglanders, toen ze
een eeuw geleden haast allen struikroovers waren. De toen verkregen
reputatie is hun bijgebleven, en zelfs thans is nog niet algemeen
erkend in Europa, dat Montenegro een veilig land is, even veilig voor
den reiziger als welk europeesch land ook.
Montenegro en de inwoners van het land zijn aan hun heerschers
veel verplicht voor hun welvaart. De tegenwoordige vorst is een
waardige opvolger van de regeerders, die hem zijn voorgegaan. In
de vijf-en-veertig jaren van zijn regeering heeft hij met de hulp
van Rusland en in dank voor militaire hulp en tevens door de goede
diensten van Gladstone veel grondgebied verworven, o. a. de havens
Dulcigno en Antivari. Vorst Nicolaas heeft Montenegro tot een
staat van beteekenis verheven ten gevolge van de huwelijken zijner
dochters, de eene de tegenwoordige koningin van Italië, en de andere
de vrouw van een russischen groothertog. De Montenegrijnen, met wie
wij een onderhoud hadden, waren allen zeer terneergeslagen bij het
hooren van de japansche overwinningen. Maar ze zeiden: "Wacht maar,
tot er gevechten te land worden gevoerd, en Japan zal wat anders
zien gebeuren." Naar aanleiding hiervan werd ons een geschiedenis
verteld. De vorst ontving een telegram, dat de eerste japansche
overwinning te land berichtte, juist vóór een maaltijd, waar de
britsche en russische gezanten beiden zijn gasten waren. Na het te
hebben ingezien, gaf hij het telegram rond. Toen het den russischen
gezant bereikte, zag die maar even de woorden in. "O, een telegram
van Reuter," merkte hij op. "In St. Petersburg hebben we een anderen
naam voor nieuws uit die bron."
Daar Reuter een engelsch telegraafagentschap is, was die opmerking niet
bepaald beleefd tegenover onzen vertegenwoordiger. Het was daarom een
groote voldoening, toen later op dienzelfden avond de vorst een tweede
depêche ontving, die afkomstig was uit een bron, die de Russen niet
konden laken, welk telegram de eerste tijding niet enkel bevestigde,
maar toonde, dat de uitslag van het gevecht nog noodlottiger voor de
Russen was geweest, dan Reuter het had voorgesteld.
De bevolking van Montenegro is 240,000 zielen groot, en het leger
bedraagt een zesde van het geheel, zoodat alle volwassen mannen er
ongeveer toe moeten behooren.
De sympathieën van de Montenegrijnen zijn altijd geweest bij hun
landgenooten en geloofsgenooten in de landen er omheen. Bij den
opstand van Herzegowina van 1875 hielpen ze de opstandelingen tegen de
Turken. Later, toen de Oostenrijkers Bosnië en Herzegowina bezetten
en moeite hadden met gewapende benden, die rondtrokken, gingen de
gevoelens van de Montenegrijnen uit naar die heidukken, zooals ze
werden genoemd. Een bende van dien aard bestond in de wildernissen
van Herzegowina tot slechts weinige jaren geleden. Aanhoudende
achtervolging door de oostenrijksche politie had ze sterk verminderd;
een der laatste aanvoerders werd ten laatste doodgeschoten en een ander
zocht een schuilplaats op montenegrijnsch grondgebied. Hier werd hij
ziek en werd naar een montenegrijnsch hospitaal gebracht. Er werd
een prijs op zijn hoofd gesteld door de oostenrijksche regeering,
waardoor een ondernemende Herzegowinees, vroeger benadeeld door den
heiduk, in verzoeking werd gebracht. Hij ging naar Montenegro en,
ziekte voorwendend, werd hij naar hetzelfde hospitaal vervoerd. Hij
raakte op vertrouwelijken voet met den heiduk en wist dien op die
manier naar een stil plekje te lokken en hem daar te dooden. Zijn
slachtoffer het hoofd afslaand, trok hij daarmee naar de oostenrijksche
grens, maar ongelukkig voor hem, werd het lijk ontdekt, en de schuldige
werd ingehaald en gedood door Montenegrijnen; het hoofd van den heiduk
werd nooit aan de oostenrijksche autoriteiten uitgeleverd.
Gaarne zouden wij langer hebben vertoefd in dit bergachtige Arcadië,
en met spijt maakten we onze toebereidselen voor den terugkeer naar het
land der Philistijnen. Op den terugrit waren wij in de gelegenheid,
de woeste natuur van de Lovcenbergketen te bewonderen, daar we een
prachtigen dag hadden.
Terwijl we de menschen en de paarden te Niegus zich lieten verkwikken,
luisterden wij naar de muziek van een montenegrijnschen doedelzak,
een zeer klein instrument, vergeleken bij dat van de schotsche
Hooglanders. We zagen jong Montenegro uit de dorpsschool komen met
heldere, knappe gezichtjes. Er waren geen kleine meisjes. Onze oude
kennis, de waard, vertelde ons echter, dat er een meisjesschool was te
Cettinje, gesticht door een russische aartshertogin. De vreemde taal,
die in die school werd onderwezen, was, naar hij vertelde, het Fransch.
Maar al te spoedig verwisselden wij de champagnelucht van de hoogten
voor het flauwer artikel van dien aard uit de vlakte beneden. Die
heerlijke lucht zal nog eenmaal Montenegro's fortuin maken. Er is
geen twijfel aan, of deze hooglanden met hun gezonde lucht en hun
opwekkende atmosfeer in de rustige omgeving, zouden zeer heilzaam
werken op personen, die aan nervositeit lijden of overspanning,
en ze zullen zeker geëxploiteerd worden voor een sanatorium.
Daar onze stoomboot van de Oostenrijksche Lloyd niet dan op den
middag Cattaro zou verlaten, trachtten we een klein bootje te vinden,
waarin we naar Castelnuovo zouden kunnen varen, om daar de stoomboot
te vinden. Maar er was geen bootje te krijgen, en we verspeelden onzen
morgen in het tuincafé op de pier, klagend, dat zulk een mooi water,
geschikt voor bootje varen, visschen, zeilen, baden en dergelijke
vermaken, weggeworpen zou wezen voor menschen die het niet op prijs
weten te stellen. Een handjevol gemiddeld welvarende Engelschen,
wonend te Castelnuovo, zou dit alles veranderen en het zou de bevolking
inwijden in het gebruik maken van de natuurlijke voordeelen van hun
woonplaats. Castelnuovo is een uitmuntend uitgangspunt voor uitstapjes
per stoomboot naar de havens van Zuid-Montenegro en Albanië, naar
Korfoe en Bari in Italië, zoowel als naar de beter bekende plaatsen
aan Adriatische en Middellandsche Zee.
De straten van Ragusa en de kade te Gravosa zijn geschikt om studies
over de kleederdracht te maken. Daar trekken vooral de aandacht de
vrouwen uit Canalesi, een streek, waar ze nog een schilderachtig
sneeuwwit hoofddeksel dragen, wijd uitstaande en zeer flatteerend. De
kleeding van de vrouwen uit Zuid-Herzegowina, die men hier vaak
ontmoet, is ook aantrekkelijk en sprekend van kleur, merkwaardig om
de dikke, thuis geweven, gekleurde boezelaars, terwijl de draagsters
er meestal bijzonder goed uitzien.
Gedurende ons verblijf in Dalmatië was het nu gaandeweg half Mei
geworden, en daar Ragusa met de haven Gravosa zoetjesaan te warm
werd, vonden wij dat het tijd werd, ons naar hooger gelegen plaatsen
te begeven. Wij besloten met Mostar te beginnen en daar met den
middagtrein heen te gaan. Aangezien de staatsspoorweg niet heel ruim
in haar materiaal zit, volgden wij het voorbeeld van de inboorlingen
en waren aan het station een half uur vóór het vastgestelde uur van
vertrek, ten einde plaatsen aan een der ramen te krijgen en dus wat
van het landschap te kunnen zien.
Na Ombla te zijn voorbijgegaan, begon de stijging van den weg, die
langs Brgat en Uskoplje gaat en een echt Karstkarakter draagt. Het zijn
nauwe dalen, gescheiden door kale kalkbergen, die soms de grilligste
vormen vertoonen, een steenachtig, onvriendelijk land. Eerst na Popovo
Polje, waar belangwekkende oude monumenten moeten zijn en antieke
graven, begint het land van aanzien te veranderen. Een riviertje
stroomde langs den spoorweg en scheen met ons in snelheid te willen
wedijveren op zijn weg naar de Narenta door lachende velden met
haver en boomgaarden van kersenboomen, waar de boeren aan het werk
waren. Gabela, dat we omstreeks zes uur in den avond bereikten; het
kruispunt met de lijn naar Metkovic, zou hebben kunnen liggen in een
dal in Kaschmir, zoo bekoorlijk was er het landschap, dat vooral veel
van zijn bekoring ontleende aan de Narenta, die hier al een groote
rivier is.
De bedding vernauwt zich verderop en de Narenta begint dan onstuimig
te doen, vormt watervallen en wisselt die af met ondiepe plaatsen. De
oevers zijn met plantengroei bekleed en er staan ook mooie boomen. Buna
ligt te midden van vruchtbare, golvende landerijen, en zoo komen wij
in het vruchtbare dal, waar Mostar het middelpunt van vormt.
Het was een prettige aanblik, dat Mostar zich nog als een
karakteristiek oostersch stadje voordoet, nog niet bedorven door de
europeesche beschaving. Natuurlijk is Mostar een turksche stad, daar
Herzegowina een integreerend deel is van het gebied van den sultan
[1], maar wij hadden verwacht dat de servische bevolking, van het
turksche juk bevrijd, hun oostersche gewoonten en kleeding zouden
hebben afgelegd en Europeanen zouden zijn geworden. We vergaten
dat veranderingen langzaam gaan in het Oosten. De mohammedaansche
zeden zijn diep doorgedrongen en een groot deel der bevolking zal
waarschijnlijk er wel altijd trouw aan blijven.
De omgeving van Mostar herinnerde ons aan Pendsjab, en het stadje zelf
kon best een grensstadje in het Vijfstroomenland aan den bovenloop
van den Indus wezen. Steile klippen naderen tot dichtbij aan den
eenen kant, en aan den anderen wordt het vruchtbare dal ingesloten
door bergen. De Narenta, die van het hoogland komt en die in haar
rotsachtige en met steenen bezaaide bedding alle voor liefhebbers van
natuurschoon aantrekkelijke eigenschappen behoudt van haar afkomst,
verdeelt de stad in twee deelen. Het heldere water in de diepe,
steenachtige bedding wordt niet ontsierd door kaden of aanlegplaatsen
en over den stroom spant zich de glorie van Mostar, de oude brug, waar
de stad naar is genoemd, een sierlijk en schilderachtig bouwwerk,
het zij het turksch of romaansch is, wat een nog niet uitgemaakt
twistpunt is.
Mostar is een mooi stadje. Het gezicht van den linkeroever der rivier,
die hier gitzwart van kleur is, behalve waar ze, door steenen benauwd,
breekt en opspat in sneeuwwit schuim, de eerwaardige brug en de
wachttorens, de zonderlinge huizen van turksch model, de oude stad,
de minarets, de moskee, de muren van klippen op den achtergrond, dat
alles gezien in het stralende licht, vormen een weelde voor het oog.