Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
OP HET BALKAN-SCHIEREILAND.
Naar het Engelsch van Majoor Percy E. Henderson.
In dezen tijd van reizen, nu de menschen er licht over denken, om
eens een week of veertien dagen van huis te gaan, om nieuwe natuur te
zien, of eenige sport te beoefenen of een beter klimaat op te zoeken,
blijft het vreemd, dat zoo'n liefelijk en belangwekkend land als het
westelijk deel van het Balkan-schiereiland nog zoo weinig bezocht
wordt en bij zoovelen onbekend is.
Voor diegenen, die wel eens een nieuw veld wenschen voor hun
uitspanning in den vacantietijd, hebben Bosnië, Herzegowina, Dalmatië
en Montenegro veel te bieden. Ze bezitten de aantrekkelijkheid en
den glans van het Oosten, de schitterende kleurenpracht van daar,
de schoone kleederdrachten en ook het waas van geheimzinnigheid,
en zijn toch van uit Londen gemakkelijk te bereiken, terwijl men er
aan verkeersmiddelen en geriefelijkheden niet al te veel ontbeert.
Elk dezer landen heeft zijn eigen, niet te omschrijven bekoring en
elk heeft eigenaardigheden, die het van de andere onderscheiden.
Van de vier is Bosnië zeker het schoonst. Het kan inderdaad
best een vergelijking doorstaan met het mooie Kaschmir en heeft
allerprachtigste wouden. Het is een romantisch land vol zonderlinge
bouwwerken en kasteelen, die tot ruïnen zijn geworden op schijnbaar
ontoegankelijke rotsen.
Verder heeft het reizen in het binnenland van Bosnië en Herzegowina
al het boeiende en weinig van het ongeriefelijke, dat een tocht door
Beneden Turkije kenmerkt.
Dalmatië is een zoo schilderachtig land, dat alle kunstenaars ervan
moeten houden. En toch stellen veel menschen evenals wij, eer we
er een bezoek brachten, zich de streek alleen voor als een land van
wijn en honden! Ten minste de wijn moet goed bekend wezen bij allen,
die in Oostenrijk zijn geweest of die gereisd hebben met een boot
van de Oostenrijksche Lloyd. Wat de honden betreft, werden niet de
gespikkelde honden, die zoo graag achter rijtuigen aan draafden,
Dalmatiërs genoemd?
Bij een bezoek aan Fiume hoorden wij voor het eerst iets over Dalmatië,
het echte, en van de honderd-en-één eilanden, die erbij behooren,
de mooie fjorden en kanalen en de vele aantrekkelijkheden van het
aardige binnenland, Bosnië en Herzegowina; alsook van de vreemde
kleederdrachten en gebruiken van de bewoners dier landen. Er werd
zoozeer op onze verbeeldingskracht gewerkt, dat we een plannetje
maakten, en voor wie dat ook wil doen, is er werkelijk geen beter
uitgangspunt dan Fiume.
Die stad is op zichzelf niet onbelangrijk voor een bezoek van een
paar dagen. Er is een opleidingsschool voor kadetten bij de marine;
dan een vrij goed bewaard gebleven middeleeuwsch kasteel, Tersato,
dat de zetel is van een tak der edele iersche familie Nugent, waarvan
vele leden zich hoogelijk onderscheidden in den oostenrijkschen
krijgdienst in het laatste gedeelte van de achttiende eeuw en het
begin van de negentiende.
De deftige badplaats Abbazia is dichtbij; veertig minuten per stoomboot
en zeven mijlen gaans brengen u er. Aan dien weg ligt Whitehead's
wereldberoemde torpedofabriek.
De geschiedenis van die fabriek klinkt als een sprookje. De heer
Whitehead was een engelsch ingenieur, die in dienst was van een firma
in Triëst. Een oostenrijksch ingenieur vroeg hem, een denkbeeld van
hem practisch uit te voeren, dat een soort van torpedo betrof. De heer
Whitehead vond het idee van den Oostenrijker onuitvoerbaar, maar een
heel ander denkbeeld kwam bij hemzelven op. Daaraan bleef hij werken
en nam er patent op. Toen begon hij de tegenwoordige fabriek te Fiume,
waar hij een groot fortuin vergaarde en een dochter uithuwelijkte aan
prins Herbert Bismarck, een andere aan een oostenrijkschen graaf,
terwijl hijzelf een landgoed kocht in Engeland en het bestuur der
onderneming aan zijn zoon overliet. De fabriek is wel een bezoek
waard. Abbazia is een plaats van hotels en pensions, een oostenrijksch
Cannes, maar verschrikkelijk vervelend. Zijn voornaamste verdienste is
gelegen in het gelijkmatige klimaat, gevolg van de beschutte ligging,
die maakt dat er zoowel des zomers als des winters gasten zijn.
Eén of twee eilanden van den Archipel van Dalmatië liggen dicht
genoeg bij, om van uit Fiume te worden bezocht en zijn interessant
om hun oude gebouwen en kerken, die uit den tijd der venetiaansche
overheersching afkomstig zijn. Een der belangwekkendste van die
eilanden is Arbe. De ingang in de haven voorbij het klooster en
een ouden klokketoren, die tot de mooiste van Dalmatië behoort, is
uiterst schilderachtig. In de kathedraal zijn eenige gebeeldhouwde
koorbanken, die in hun soort weergaloos schoon zijn. Een der kerken
bezit een altaarstuk van Titiaan, en overal in de nauwe straten treft
men deuren en poorten van venetiaanschen oorsprong.
Arbe heeft een bijzondere soort van visschersbooten, zoppolo genoemd,
groote platboomde vaartuigen, voorzien van groote uitslagbladen. Die
booten worden geroeid door een man, die staande met de lange riemen
werkt, maar op een manier, die juist tegenovergesteld is aan de gewone
wijze van roeien, namelijk van het midden van de boot uit.
De voornaamste te bezichtigen plaatsen van Dalmatië zijn Zara,
Spalato, Ragusa en Cattaro met de Bocche. Maar het heele Dalmatië is
een zuidelijk Noorwegen, vol kreken, fjorden, baaien en kanalen. Aan
de oevers vindt men steden, waar de bewoners op hun hooge rotsen
een nog primitief bestaan leiden. Vóór de kust liggen talrijke
eilanden, een vijftigtal groote en eenige honderden kleine. Enkele
zijn niets dan kale rotsen, maar al de grootere eilanden zijn bebouwd
en bewoond. Eenige, als Lissa, waren eens volkomen kaal, maar zijn
bewoonbaar gemaakt door er grond van elders heen te brengen. Braza,
een der grootste eilanden, brengt wijn voort, die een uitstekenden
naam heeft, en een paar hebben een aangenaam klimaat.
Zara bezochten wij niet, maar het moet een goed voorbeeld zijn van
een dalmatisch-venetiaansche stad met een uitmuntend hotel. Het is
het vaderland van de heerlijke maraskijn, en die likeur is er voor
een paar stuivers de flesch te krijgen.
Uit die steden en eilanden recruteerde Venetië de kloeke Dalmatiërs,
die de bemanning vormden van de vloot, welke de turksche versloeg in
het gevecht van Lepanto en die Venetië den eerenaam bezorgde van de
Koningin der Adriatische Zee.
Wij verlieten Fiume in den morgen met een der snelle Austro-Kroatische
booten, die viermaal 's weeks tusschen Fiume en Cattaro varen en bij
de voornaamste plaatsen aan de kust stoppen. Toen we vertrokken woei er
een hevige bora. De bora, waarvan de naam is afgeleid van het grieksche
boreas, is een der onaangenaamste winden, die de Adriatische Zee in den
winter en het voorjaar kwellen. Een zeeman van de Cunardlijn vertelde
ons, dat op al zijn reizen naar Noord-Amerika hij nooit een storm had
gehad van zulke snelheid of van zulk een lage temperatuur als de bora,
waarmee hij kort geleden te Triëst had kennis gemaakt. Triëst heeft
vooral veel van zijn woede te lijden. Als de bora blaast, worden er
touwen gespannen langs alle kaden, om te beletten, dat de menschen
in de havens waaien. Een andere wind, die bijna even onaangenaam is,
is de sirocco. Daar hij van een hooger temperatuur is, gaat hij meest
aan den regen vooraf; hij is neerdrukkend en ongezond en gaat somtijds
vergezeld van een hooge zee.
Bij het maal midden op den dag aan boord van de stoomboot hoorden we
veel geklaag van een dalmatisch ingenieur over de verwaarloozing van
Dalmatië door Oostenrijk. Wij hoorden veel van het gesprek en kwamen
tot het besluit, dat het meer zou baten, als de Dalmatiërs iets deden,
om zichzelven te helpen dan enkel te klagen. Wij bereikten Spalato
omstreeks middernacht en moesten onze kar met bagage naar het hotel
volgen aan het andere einde der stad. Gelukkig hadden wij om een kamer
getelegrafeerd en konden dus de laatst beschikbare verkrijgen in het
eenige fatsoenlijke hotel der plaats. Onze vooruitziendheid gaf een
stoot aan de berekeningen van een cholerischen, ouden, oostenrijkschen
kolonel, dien wij vloekend en op den grond stampend aan zijn lot
overlieten. En wat was het een kamer! De beste uit het heele hotel,
vol meubels en vergulde versiersels. Wij werden erdoor aan de waarheid
herinnerd, dat alles geen goud is, wat er blinkt en ontdekten in den
morgen, dat er wel wat meer zeep en wat minder goud had mogen zijn,
als het voor ons geriefelijk zou wezen.
Spalato is uit geschiedkundig oogpunt merkwaardig door het feit, dat
Diocletianus er een paleis bouwde omstreeks het jaar 300. Tegenwoordig
is het paleis van Diocletianus Spalato, want driehonderd jaren,
nadat het gebouwd werd, vond de bevolking van Salona, die voor
de Hunnen vluchtte, daar een schuilplaats en bouwde zich een stad
binnen de muren. Daaruit mag worden afgeleid, dat het paleis een
groote oppervlakte besloeg. In de geschiedenis van Spalato, die
veel verscheidenheid biedt evenals die van de andere kuststeden,
vallen sommige namen telkens weer in het oog en staan vermeld in
steenen monumenten.
De eerste is die van Diocletianus, den romeinschen keizer, die in
het jaar 305 van het purper afstand deed en zich naar Salona terug
trok, om er kool te planten, maar die een goed gebruik van zijn tijd
maakte blijkens de massa geld, die hij verzamelde en later voor zijn
groote bouwplannen besteedde. Hij was het, die de muren van vijftig
tot zeventig voet hoog bouwde, welke nog bestaan.
De tegenwoordige klokkentoren boven den prachtigen ingang van het
keizerlijk mausoleum werd er in christelijke tijden aan toegevoegd,
en men was bijna drie eeuwen, van de veertiende tot de zeventiende,
bezig met de voltooiing. Hij werd gerestaureerd ten tijde van
ons bezoek. Bij het prachtige mausoleum zal die toren, als hij
gerestaureerd is, een der architectonische wonderen der wereld wezen.
Omstreeks het jaar 700 werd het mausoleum veranderd in een christelijke
kathedraal, een daad, die den heidenschen Diocletianus, den vervolger
der Christenen, zich in zijn graf moet hebben doen omdraaien. De kerk
is cirkelvormig met een koepeldak en is, naar men zegt, het eenige
groote antieke romeinsche gebouw met deze soort van dak, behalve het
Pantheon te Rome. Er loopt een achthoekige zuilenrij omheen, en boven
de kapiteelen van die pilaren, beneden den rand van het koepeldak,
loopt een breede band van friezen, die prachtig zijn uitgevoerd en
jachttooneelen voorstellen.
Zoo grootsch en rijk zijn de afmetingen en versieringen van dit
mausoleum, dat men het lang heeft gehouden voor den tempel van Jupiter,
en het kleinere gebouw, dat baptisterium heette en ook voor den doop
werd gebruikt, werd beschouwd als het graf van Diocletianus. Door een
vele eeuwen later ingesteld onderzoek werd ontdekt, dat Diocletianus
het grootere gebouw aan zichzelven had gewijd en het kleinere aan
den god Aesculapius.
Dat deze gebouwen van zestienhonderd jaren geleden voor ons bewaard
zijn gebleven in hun tegenwoordigen goeden staat, bewijst hoe stevig
en knap de oude bouwmeesters hun werk in elkander zetten. De andere
bouwwerken van Diocletianus zouden alle tot op den huidigen dag in
wezen zijn gebleven, gevuld met de schatten van beeldhouwwerk, als
niet de lieden van Spalato er aan plundering hadden gedaan en hun
eigen huizen met de kunstwerken hadden versierd.
Het baptisterium is gelegen aan den zuidkant van het plein, dat vóór
den ingang van het mausoleum ligt. Het was een zeer symmetrisch,
klein gebouw en werd als een architectonisch juweel beschouwd. De
deuren van de kathedraal, die thans naar binnen zijn gebracht voor
de veiligheid, zijn zeer kostbare voorbeelden van eigenaardig, oud
snijwerk. Een der deuren stelt tooneelen voor uit het leven van Jezus;
de andere voorvallen uit dat van Adam en Eva.
Omtrent de wederwaardigheden, die het paleis en de kunstschatten,
die het bevatte, hebben getroffen in de eeuwen volgend op den dood
van Diocletianus, schijnt niets bekend te zijn; maar dat het volk
er brutaal mee te werk ging, is wel duidelijk. Aan den muur van een
eenvoudig huis in Spalato kan men tot op heden het hoofd van een
sphinx zien, gehouwen in gepolijsten, zwarten steen, die op marmer
gelijkt. Dat is de vermeesterde kop van een sphinx, wiens tegenbeeld
te vinden is in de groote hal, die nu de benedenverdieping vormt,
waar de klokkentoren zich boven verheft. Het hoofd is geroofd door een
voorvader van den tegenwoordigen eigenaar van het huis waar het aan
is bevestigd, die ondanks bedreigingen en verzoeken weigert, het af
te staan aan hen die het werk der restauratie op zich hebben genomen,
als niet een zeer groote som in ruil wordt betaald. Het lichaam van
den onthoofden sphinx blijft intusschen in het museum wachten op den
terugkeer van zijn hoofd.
De zonderlinge oude, nauwe straatjes van Spalato binnen de ommuring
zijn bezienswaardig op zichzelf. Ze werden blijkbaar aangelegd,
om ruimte te winnen en zijn waarschijnlijk nauwer dan die in
eenige europeesche stad. De beide poorten in den buitenmuur zijn
de Porta Argente en de Porta Aurea. De laatste, een prachtig, sterk
bouwwerk, was de echte paleispoort, door Diocletianus ontworpen. Een
andere poort, de Porta Ferrea, leidt naar de piazza van de moderne
stad. Daar dichtbij is een vreemd marktpleintje aan den voet van een
middeleeuwschen toren.
Het museum behoort tot de bezienswaardigheden van Spalato. Het is
vol overblijfselen uit romeinsche en vroeg-christelijke tijden,
in hoofdzaak verkregen uit het aangrenzende Salona, en het bevat
een afschrift van Robert Adams standaardwerk over de oudheden uit
het paleis van Diocletianus. Adam, in gezelschap van een vriend en
twee teekenaars, bezocht de puinhoopen in 1756, en de vrucht van zijn
onderzoekingen werd uitgegeven in 1763.
Wij bleven niet lang in het museum, want wij wenschten Dalmatiërs
te leeren kennen, zooals ze nu zijn, liever dan zooals ze vroeger
waren. Dit was onze eerste kennismaking met een stad van Dalmatië,
en voor ons als voor de meeste bezoekers was het volk uit de steden,
zoowel als van het platteland, gekleed in een dracht, die aan een
gemaskerd bal deed denken, een der voornaamste aantrekkelijkheden van
de plaats. Het gelukte ons, een der draagsters te snappen, maar dat
ging niet zonder moeite, want de camera is hier nog niet gewoon, en
de vreesaanjagende toebereidselen van openen en gelijkstellen wekten
wantrouwen in de gemoederen der lieden van Spalato!
De vrouw was een getrouwde vrouw, wat te zien was aan den hoogen,
witten kap met punt. De ongetrouwde meisjes dragen haar hoofdbedekking
plat op het hoofd. De meerderheid der mannen dragen donkere broeken van
tehuis geweven stoffen, die nauw om het been sluiten, maar overigens
druk versierd zijn en met rood afgezet; buizen van dezelfde stof,
ook geborduurd, die maar tot het middel reiken en kleine, platte,
roode mutsjes, met zwart afgezet. Ruwe, thuis gemaakte sokken en een
soort van sandalen voltooien het costuum.
De heer, dien wij fotografeerden, was een boer uit de provincie, van
het binnenland dus, welke bewoners veel verschillen van de gemengde,
veritaliaanschte bevolking der kuststeden. De naam Morlak is aan de
eerste gegeven, en men zegt, dat ze afstammen van de bewoners van
Wallachije in den tijd der turksche overheersching, die westwaarts
zijn uitgeweken.
Salona, dat gemakkelijk van Spalato uit te bereiken is, was eenmaal
een bloeiende stad en wordt nog al bezocht om de oude christelijke
begraafplaats. De rit van Spalato is zeer bekoorlijk en leidt langs
goed besproeide weiden door een dal, overspannen door een waterleiding,
die in den tijd van Diocletianus werd gebouwd.
Links heeft men een mooien fjord, die eenmaal de haven vormde van
de stad Salona. Daarin ligt een klein eiland, door een steenen weg
verbonden met het vasteland, en op dat eiland kan men een zeer oud dorp
bezoeken, dat er moet hebben gelegen eer Spalato werd gesticht. Dat
eilandje met de schitterende woningen is als een schilderij, en
om de ligging en omgeving heeft men er den naam van klein Venetië,
Piccola Venezia, aan gegeven.
Een der belangwekkendste monumenten van Salona is de ruïne van een
oude kathedraal, welker dak eens werd ondersteund door een colonnade
van slanke zuilen, nu nog slechts in fragmenten te herkennen. De
mozaïekvloer van deze kathedraal is nog bewaard onder een bedekking
van zand en wordt aan belangstellenden vertoond. Aan den kant van
den heuvel is een zeer groot christelijk kerkhof binnen vervallen
muren. Hier veronderstelt men ook een basiliek, waar nog een paar
pilaren van over zijn. Overal ziet men resten van steenen sarcophagen,
die open gebroken zijn, met uitzondering van twee, die de beenderen
van kinderen bevatten en waar juweelen in werden gevonden.
Dit vernielingswerk werd volbracht door de Avaren, die in de zevende
eeuw Salona plunderden en verwoestten. Zij vormden de eerste golf van
de invallende Slaven, waar later het land door bevolkt zou worden. Er
zijn ook catacomben, waarin de sarcophagen werden geplaatst in een
enkele rij langs den bodem van een diepe geul. Hier waren de vernielers
stelselmatig te werk gegaan, en er was geen enkel graf ontsnapt. Op
een der steenen grafkisten was het testament gegrift van een romeinsch
ambtenaar, die kort aangeeft, dat hij al zijn bezittingen aan zijn
vrouw nalaat.
Het opgravingswerk is nog slechts ondernomen in een paar hoeken van het
terrein, dat door de stad werd ingenomen. Op één plaats is een steenen
poort opgegraven, die van de stad naar de haven leidde. Op den weg
zijn de sporen van de wielen der wagens even duidelijk te herkennen,
als ze het moeten geweest zijn, toen ze vijftien- of zestienhonderd
jaar geleden ontstonden. In een anderen hoek zijn de overblijfselen
van Salona's schouwburg aan het licht gebracht. De cellen voor de wilde
beesten en de inrichting voor de gladiatoren zijn nog in goeden staat.
Dit amphitheater lag dichtbij de oevers van den fjord, zonder twijfel
met het doel, om wilde dieren te kunnen ontschepen, die uit Afrika
en Azië kwamen. De fjord moet een prachtige natuurlijke haven zijn
geweest voor de koopvaardijschepen en de romeinsche galeien, en
Salona was zonder twijfel een aanzienlijke handelsstad in den tijd
van Diocletianus.
Onder de bergen achter Salona ziet men een kegelvormige rots, waar
de huizen van Clisthra op liggen, een romantisch dorpje. Door de
opening in het bergland moeten de Avaren neergedaald zijn naar de
ongelukkige stad in het jaar 639 van onze jaartelling. Toen verlieten
de overgebleven bewoners de stad en vluchtten binnen de hooge muren
van het paleis van Diocletianus.
Op den dag nadat we Salona hadden gezien, reden we naar de
middeleeuwsche stad Trau, die, bijna vier uren van Spalato verwijderd,
aan de monding ligt van den fjord, waar de laatste stad aan is
gelegen. De rit van Spalato naar Trau is een der schilderachtigste,
die men in Dalmatië kan maken. De weg gaat langs het strand en langs
heuvels aan de rechterzijde, terwijl het land tusschen de heuvels en
de zee rijk is aan wijngaarden en olijvenboschjes. Het landschap doet
aan de fransche Riviera denken, maar is vruchtbaarder, daar men er de
oude kasteelen van de venetiaansche edelen vindt, door hun nakomelingen
in zomerverblijven herschapen.
Trau was al een stad in de vroege Middeleeuwen en was de zetel van
een bisschop. De plaats heeft veel oude huizen, loggia's en nauwe
straten. In de kerk, die uit de twaalfde eeuw dateert, is een kapel
gewijd aan een der Orsini's, eenmaal bisschop van Trau. Maar voor ons
was het spoedig tijd om naar Gravosa te vertrekken, waarheen een der
Hongaarsch-Croatische stoombooten ons overbracht.
De haven van Gravosa wordt aan de eene zijde begrensd door de
landtong van Lapad en aan den anderen kant door het heuvelachtige
strand van Dalmatië. De stad heeft één straat, die langs de zee loopt
en die tevens de kade en de hoofdverkeersweg is. Vroeger enkel een
visschersdorp, ontwikkelt Gravosa zich tot een stad van beteekenis
en is niet alleen de opvolgster van Ragusa als haven van dit deel
van Dalmatië, doch wordt tevens de uitvoerhaven van de producten van
Bosnië. Een dezer producten is hout, waarvan er hoopen op de werven
lagen, wachtend op de schepen, die het naar alle werelddeelen zullen
uitvoeren. De haven van Ragusa is te klein voor moderne schepen,
terwijl die van Gravosa, die slechts twee mijlen verder ligt, schepen
van veel meer tonneninhoud kan bergen.
In Gravosa heeft men een vrij goed hotel, het hotel Petka, dat in den
laatsten tijd zeer is verbeterd, ofschoon het nog in geenen deele
kan worden vergeleken bij het werkelijk eersteklashotel te Ragusa,
het Imperial, dat alle mogelijke comfort aanbiedt en een uitstekende
keuken heeft. De weg tusschen Gravosa en Ragusa loopt langs den voet
van den berg, den Petka, en is mooi en schaduwrijk. Als men Ragusa
nadert, ziet men aan den eenen kant de glanzende zee, omzoomd door
de grillige rotspartijen, en aan de andere zijde villa's met tuinen
in italiaanschen stijl, waar halftropische bloemen en planten te
vinden zijn. Van een hoogte heeft men een prachtig gezicht op de
kleurige baai van Gravosa, met de beboschte bergen van Lapad en
Petka. De weg daalt dan naar Ragusa langs een reeks huizen, die
tot de moderne stad behooren, maar interessanter is het oude Ragusa
met de verwonderlijke torens en vestingwerken, zoo stevig en sterk,
als waren ze gisteren gebouwd. De monumenten uit Ragusa's verleden
komen u tegen bij iedere schrede. Daar is de Onofrio-fontein,
de bron voor de oude watervoorziening der stad; dan de flauw
verlichte kerk der Franciskaners, die iemand in de Middeleeuwen
verplaatst; het Dominikaner klooster en de smalle, steile straatjes,
een opeenvolging van traptreden. Langs het Corso liggen reeksen van
oostersch eruit ziende winkels, waar met de hand vervaardigde stoffen
en kleedingstukken uit Dalmatië, Bosnië, Montenegro, Albanië, Smyrna
en Konstantinopel verkocht worden door individuen, die volkomen
oosterlingen gelijken in gelaat, kleeding en manieren en die met
gekruiste beenen tusschen hun waren zitten als echte Oosterlingen.
Deze winkels en hun omgeving schenken den reiziger den eersten
onmiskenbaren indruk van de nabijheid van het Oosten. Men vraagt
zich verwonderd af, of dit nu de winkels zijn, die al eeuwen geleden
afgezonderd werden als de mohammedaansche wijk, waar de Muzelmannen van
het oude Ragusa hun goederen mochten te koop aanbieden, toen de stad
als belangrijke handelshaven met de Levant in betrekking stond. Het
aantal inwoners moet toen veertig duizend hebben bedragen en er is
bijna geen ander voorbeeld van een zoo betrekkelijk kleine stad, die
zooveel invloed had in de Middeleeuwen. Eeuwen lang schijnt de kleine
republiek voorspoedig te zijn geweest; ze werd nooit onderworpen en was
vaak een schuilplaats voor politieke vluchtelingen. Geen corruptie of
verkeerde staatkunde bracht haar achteruitgang teweeg, maar alleen de
ongunst der omstandigheden. Er is niet veel van de vroegere grootheid
overgebleven, en in de haven, waar driehonderd handelsschepen voor
anker hebben gelegen, vindt men nu een half dozijn visschersbooten. Het
gebouw van den Senaat en de Munt zijn bijna de eenige oude gebouwen,
die den schok overleefden, waar Ragusa onder leed, toen in 1667 een
geweldige aardbeving de stad teisterde.
Het inwendige van het Senaatsgebouw werd juist veranderd en vernieuwd
toen wij er waren, maar op de binnenplaats konden we een gedenkteeken
bewonderen van een der handelsvorsten van de stad, Michael Prazzato,
die een verbazend groote gift in geld aan zijn geboortestad schonk. Ook
de kathedraal, die op enkele dagen der week te bezien is, bood
veel merkwaardigs aan, o.a. kunstwerken van oude meesters, die ons
toeschenen op één lijn te kunnen worden gesteld met de schatten van
de galerijen van München, Dresden en Parijs.
De weg van Gravosa langs den mooien Omblafjord gaat langs enkele
villa's, tuinen en particuliere kapellen van den ouden adel van Ragusa,
alle meestal in droevigen staat van verval. Men gaat hier ook door
een klein visschersdorpje, waar wij de vrouwen aan haar deuren aan
het spinnewiel troffen.
Canossa is een plaatsje, dat altijd door de toeristen bezocht wordt,
aan de kust gelegen ongeveer negen of tien mijlen van de monding van
den Omblafjord. Wij moesten gebruik maken van het gewone vervoermiddel
voor de reizigers, de stoombarkas, die tweemaal in de week van Gravosa
vertrekt, als de kapitein een voldoend aantal passagiers is machtig
geworden. Dientengevolge vonden wij de geriefelijkheid aan boord door
te velen in beslag genomen, maar gelukkig duurde de reis niet langer
dan anderhalf uur. Er is een kleine landingsplaats te Canossa, van
waar een pad in zigzaglijn den steilen kant van den heuvel oploopt
naar den ingang van de tuinen. Die behooren aan de familie Gozze,
een der oude patricische families van Ragusa, die ze in stand houden
en aan bezoekers toestaan, ze tegen een kleine som te komen bekijken.
Onder de beide groote platanen waren stalletjes met ververschingen
neergezet. Die boomen zijn waarschijnlijk de prachtigste exemplaren
in hun soort in geheel Europa; een honderd menschen zouden onder
hun gebladerte kunnen schuilen. Maar in Kaschmir hadden wij zooveel
platanen gezien, die even mooi of mooier waren dan deze boomen, dat we
een beetje geblaseerd waren op dit punt. Na een vruchtelooze poging,
om een der boomen te photografeeren, gingen wij verder wandelen,
om de waarlijk mooie tuinen te bezichtigen.
Wij hadden een prachtig uitzicht van het hoogste deel der tuinen. De
zee, glad als een spiegel, zag er gepolijst uit als een kostbare
steen. Aan den horizon konden wij twee eilandjes onderscheiden,
nauwelijks zichtbaar door den lichten nevel, die ze verborg. Op een
hoogte naar links stond het kerkje van Canossa. Beneden ons helden de
sierlijk aangelegde gronden naar den zoom van donkergroene cypressen
aan het strand, die den indruk van het afwisselende landschap niet
weinig versterkten. De tuinen bevatten een zoo groote hoeveelheid
zeldzame planten, waaronder bloeiende palmen, dat we hier in
werkelijkheid een heerlijken botanischen tuin hadden.
De zon ging onder toen we weer in de baai van Gravosa terug waren. De
uitwerking van het licht op de oppervlakte van de baai is wonderschoon,
vooral tegen zonsondergang.
Wij gingen op een dag naar het Brenodal, met den trein van Gravosa
naar Brgat, van waar we langs de heuvelhelling een paar honderd
meter naar beneden daalden, tot we op den grooten weg naar Oostenrijk
uitkwamen. We hielden dien zoowat een mijl ver, gaande in de richting
van Ragusa, en trokken toen verder den heuvel af, die hier zeer
steenachtig en steil is, en volgden een geitepad naar het vruchtbare
dal omstreeks duizend voet lager.
Het was vroeger blijkbaar een veelgebruikt en goed onderhouden wegje,
maar het zag er nu verlaten en verwaarloosd uit. Veel bewoners van
de streek waren als landverhuizers naar Amerika gegaan, en naar wat
we zagen en hoorden, schijnt een groot deel van Dalmatië's bevolking
zijn geluk in de Nieuwe Wereld te beproeven. De weinigen, die een
spaarpotje maken en terugkomen, om zich voor goed in hun vaderland
te vestigen, worden dan in het vervolg "Americanski" genoemd.
Het Brenodal, dat niet bijzonder belangrijk is uit het oogpunt van
natuurschoon, heeft een paar mooie uitzichten, waaronder het gezicht
zeewaarts, met het oude Ragusa in de verte, vooral uitmunt. Ook
verdienen genoemd de welbekende watermolens van Breno met hun
schilderachtigen waterval. Een treffende bijzonderheid van dit dal
was de boerenkleeding, die zeer eigenaardig en kleurrijk is. We
wisten niet, dat de typische kleederdracht alleen gedragen werd op
zon- en feestdagen, en ongelukkig viel de dag van ons bezoek niet op
zulk een dag. Wij hoorden echter, dat de oude costumes langzamerhand
verdwijnen, want de kleeding der mannen is heel omslachtig en nogal
duur met de massa goudborduursel en zilveren knoopen.
We keerden langs de kust terug. Drie mijlen aan deze zijde van Ragusa
staat het nu verlaten klooster San Giacomo, een zonderling oud gebouw,
nog in goeden staat, mooi gelegen aan de zee. Verder aan de kust kan
men hier een prachtigen indruk krijgen van Ragusa zelf.
Een aan te raden uitstapje, om te doen als men te Ragusa is, vormt
de toer over de wallen der stad. Men krijgt dan niet alleen een
juist inzicht in de uitgestrektheid en in hun sterkte en wondervolle
symmetrie, maar van hun hooge hoogten kan men ook een goed overzicht
krijgen van de omringende forten aan de haven en de stad in haar
geheel.
De officiëele bepalingen zeggen, dat men, om ze te mogen bezoeken,
zich op het Platz Commando moet aanmelden om negen uur 's morgens,
en wel precies op Dinsdagen en Zaterdagen, de eenige dagen, waarop dit
voorrecht aan het publiek wordt gegund. Dan moet men er plaatskaarten
nemen en wordt door een officier rondgeleid, die moet toezien,
dat ge geen stuk van de wallen in den zak steekt of eenig boos plan
uitvoert. Maar ge moet u aanmelden om kaarten om negen uur precies;
twee of drie minuten later, dan is het mis. Het gebeurde, dat bij onze
eerste poging we vijf of zes minuten te laat waren, daar we eenigen
tijd naar het Platz Commando hadden gezocht. Ten behoeve van latere
bezoekers zij hier gezegd, dat het juist binnen de Porta Pille is
gelegen, en dat een kleine deur in de versterkingen aan den rechter
kant er toegang toe geeft.
Het uitstapje naar Cattaro en de Bocche wordt gewoonlijk gemaakt met
een der stoombooten van de Hongaarsch-Croatische lijn of die van de
Oostenrijksche Lloyd, die, de eerste viermaal en de laatste eens per
week, varen en om negen uur 's morgens van Gravosa vertrekken.
Die leggen den weg af in ongeveer vier uren en geven aan de passagiers
anderhalf uur tijd in Cattaro, eer ze weer vertrekken. De groote
meerderheid der passagiers gaan enkel om de Bocche te zien en keeren
met dezelfde boot terug. Zij, die voornemens zijn verder door te gaan
naar Montenegro, maken meestal vooruit schikkingen, dat een rijtuig
hen in Cattaro wacht, waarmee ze terstond op reis gaan, zoodat ze
den rit van zes of zeven uur afleggen kunnen en tijdig genoeg voor
het middagmaal in Cettinje kunnen aankomen.
Onze tocht naar Cattaro en de Bocche deden we in een pleizierboot, die
varen zou als er zich zestig passagiers voor aanmeldden. Gedeeltelijk
uit nieuwsgierigheid, hoe men met die dingen in deze streek handelde
en gedeeltelijk omdat we dachten, dat de stoomboot langzamer zou gaan
en ons dus een betere gelegenheid zou aanbieden om de dingen te zien,
besloten wij ons aan te sluiten bij de stoutmoedige zestig.
We hadden ons niet vergist, toen we vermoedden, dat er wel wat extra
genoegen op zou overschieten, als we afweken van de gewone manier van
reizen. Er was aangekondigd, dat de boot om acht uur zou varen, maar
de menschen, die zich voor het uitstapje hadden opgegeven, schenen
te meenen, dat elke andere tijd ook goed was en kwamen bij tweeën
en drieën aanwandelen, tot wel veertig minuten na den vastgestelden
tijd. Onze kapitein had dat, naar het schijnt, wel verwacht, want
hij verscheen niet voor half negen en had toen nog geen haast. In den
tusschentijd scheen heel Ragusa op de kade zich te hebben verzameld,
om afscheid te nemen van vrienden en bekenden, die zich waagden aan
zoo'n ongewone en waaghalzige onderneming. Driemaal ging de brug omhoog
en weer omlaag, en ten laatste was zelfs de servische kapitein zijn
geduld kwijt; de fluit van de boot liet zich lang en luid hooren. Het
signaal voor het ophalen van de brug werd voor de vierde maal gegeven,
maar juist op dat oogenblik liep het schoothondje van een dame van de
stoomboot af op de kade, en haar zoontje volgde, om den hond weer te
halen. Weer vijf minuten oponthoud, en tot onze verbazing geen protest,
noch bij de moeder noch bij den kapitein.
Ten laatste voeren we weg te midden van een betoon van groote
geestdrift, terwijl het muziekcorps aan boord een vroolijk deuntje
speelde, en de menigte aan den wal met hoeden en zakdoeken zwaaide. Het
leek wel wat op het vertrek van een aantal schoolkinderen op een
feestdag.
Spoedig nadat we waren vertrokken, kwam de kapitein met een lang
gezicht op ons toe om te zeggen, dat hij er niet in geslaagd was, zijn
aantal van zestig passagiers volledig te krijgen, maar dat hij toch
maar was gegaan, om diegenen, die kaartjes hadden genomen, niet teleur
te stellen. Als een arm man kon hij echter daarbij geen verliezer
wezen en daarom moest hij een bijslag op den prijs van twintig percent
vragen, zoodat het passagegeld het deficit zou aanvullen. Die vraag
viel ons wel wat koud op het lijf, daar we reeds den retourprijs
betaalden voor enkele reis; maar daar het bedrag niet hoog was,
betaalden we. Het was duidelijk intusschen, dat de boot net zoo vol
was, als ze maar met mogelijkheid kon zijn, en we trokken uit een en
ander het gevolg, dat de Dalmatiërs niet voor niets Amerika bezoeken!
Het was mooi weêr, maar er ging toch zooveel zee, dat het den
photograaf hinderlijk was. De beroemde Bocche is een wijde golf
of fjord, die wel zestien mijlen landwaarts in dringt. Zij heeft
drie zijtakken, ieder weer voorzien van kleinere inhammen; een
verzameling prachtige natuurlijke havens. Een heerlijk panorama lag
vóór ons. Het eerst trekt de aandacht de bergreeks, die als een muur
achter Castelnuovo verrijst en doorloopt tot Risano, om dan rondom den
fjord recht door naar Cattaro te gaan. Achter die grimmige afsluiting
van bergen ligt het bergachtig district Krivosje, een Tirol in het
klein en in het wilde, dat tot hier toe nog maar weinig bezocht is
geworden, zelfs nog niet gevonden is door de reizigers, die graag
nieuwe bergtoppen bestijgen. Hier en daar was er aan den horizon een
sneeuwtop te zien. Aan den tegenoverliggenden oever in de richting
van de Teodobasi werd de horizon afgesloten door de rotsachtige bergen
van Montenegro.
Bij Castelnuovo begint de Riviera van de Bocche. Castelnuovo zelf
is wel het schilderachtigste van alle stadjes, die aan de oevers van
de Bocche liggen, en het heeft stellig de mooiste omstreken. In dit
beschutte hoekje is het klimaat zacht en gelijkmatig en het resultaat
is een prachtige subtropische plantengroei. De stad met haar oud
fort en de wallen ziet er als een schilderijtje uit. Het heeft een
rol gespeeld in de geschiedenis en is nu nog het uitgangspunt naar
Herzegowina.
Een zekere Stephan, een machtig edelman, die een groot deel van
het omringende land in eigendom bezat, maakte Castelnuovo, dat toen
Ercegnovi heette, tot zijn hoofdkwartier in de eerste helft van de
vijftiende eeuw. De naam Herzegowina moet afkomstig wezen van die
hoofdresidentie en later zijn toegepast op het heele land, dat voor
hem bukte.
Castelnuovo was de naam, later aan de plaats gegeven door de
Venetianen, in wier bezit het kwam in de zestiende en ook in de
zeventiende eeuw. Het doorleefde troebele tijden bij den strijd
tusschen de Turken en Venetië. Het werd ingenomen door de Turken
en weer ontzet door een spaansche vloot, terwijl de Spanjaarden ten
slotte het fort Spagnuolo bouwden. Hernomen door de Turken, kwam het
niet weer onder venetiaansch gezag vóór 1687.
Castelnuovo is per spoor met Gravosa verbonden. De afstand is zeer
kort in vogelvlucht, maar door den aard van het land moet de trein
een kronkelenden weg beschrijven, eer hij aan de kust aanlandt
bij Castelnuovo. Bovendien stopt hij bij elk stationnetje, zoodat
de reis acht of negen uren duurt. Door gebruik te maken van dien
weg langs de Baai en den volgenden dag per boot verder te gaan,
wordt het eenige gedeelte van het vaarwater, dat kans op slechte
onstuimige vaart biedt, vermeden, en er wordt niets bij verloren,
daar dat eind van de kust heel onbelangrijk is. Een ander voordeel
is, dat men door de Canalesi-streek komt, waar de boeren een zeer
schilderachtige dracht hebben. Wij zouden dien weg hebben verkozen,
als men ons niet ten onrechte had gezegd, dat er geen goed logies in
Castelnuovo te krijgen was.
Dichtbij Castelnuovo is het badplaatsje Zelenika, waar in de buurt
het oude klooster Savina is, zomerverblijf van den bisschop van
Cattaro. Van daar moet men zes uur sporen om Trebinje, de tweede
stad van Herzegowina te bereiken. In de nabijheid van die plaats is
het belangwekkende Lasvadistrict, waar de beste wijn van Herzegowina
gekweekt wordt. Maar wij voeren verder langs Cattene en Risano en
Perasto, sommige liefelijk in het groen gelegen, en kwamen daarna,
waar de baai zich vernauwde, bij Cattaro, een allersomberst lijkende
stad. Er tegenover verrijzen de steile hoogten van de bergen van
Montenegro, waar men heel in de hoogte de witte zigzaglijn kan
onderscheiden van den weg naar Cettinje. Op een smal richeltje van
de klippen heeft zich Cattaro, als het ware, neergedoken.
Een meer gevangenisachtig verblijf dan Cattaro, zooals het daar
onder de dreigende rotsen gedoken ligt, kan men zich bijna niet
voorstellen. Ook kan men haast niet begrijpen, hoe eenig menschelijk
wezen, behalve dan onze voorhistorische holbewonende voorouders,
eraan kon denken, zoo'n akelige plek te kiezen voor het bouwen van een
stad. In den winter moet het een bijzonder trieste plaats wezen, daar
men er enkel vier of vijf uur per dag zonlicht heeft. Weinig andere
menschen dan juist de Dalmatiërs zouden in deze dagen van beschaving
en vooruitgang er vrede mee hebben, te wonen in de duistere, smalle,
kwalijkriekende straten van dit primitieve, stumperige stadje.
Maar bij Cattaro werkt die geest, die het zoo achterlijk maakt,
juist mee, om de plaats te maken tot iets interessants, een hoekje,
zooals men weinig meer in Europa vindt, behalve dan misschien in
Spanje. Het is een middeleeuwsche stad gebleven. Men heeft er zelfs
geen behoorlijk hotel. Er is niets moderns behalve de kade. Het staat
er nog als drie- of vierhonderd jaar geleden, toen het schatplichtig
was aan de republiek Venetië. Binnen den gordel der vervallen muren
treft men twee poorten aan bij de stilstaande plassen aan weerszijden
van de stad. Hier zijn een paar ophaalbruggen, die elken morgen
worden neergelaten en iederen avond opgehaald, en tegen de rotsen,
die onmiddellijk achter de stad oprijzen, heeft men zigzaglijnen
van versterkingen aangelegd, bekroond met een vesting op den top
van een rots. Die oude wallen en muren en het fort verhoogen de
schilderachtigheid. Er is een marktplaats buiten de stad, waar veel
Montenegrijnen komen, een mooi hoekje, overschaduwd door vervallen
muren. Wij letten op de kleederdracht der Montenegrijnen en zagen met
verbazing, dat ze in hun gordels geen pistolen droegen. We hoorden dan
ook, dat geen Montenegrijn zich gewapend op oostenrijksch grondgebied
mag vertoonen. Aan die wet wordt streng de hand gehouden, sedert een
vorst in Montenegro nu vijf-en-veertig jaren geleden vermoord werd
in Cattaro door een landsman van hem, een betreurenswaardig voorval,
dat de Montenegrijnen aan oostenrijksche intriges weten.
De kathedraal van Cattaro, een eenvoudig gebouw, heeft de verdienste
van zeer oud te zijn, daar ze uit de twaalfde eeuw afkomstig is. Ook
heeft die kerk de bijzonderheid, dat ze met haar rug tegen de barre
rots is aangebouwd, die vijftienhonderd voet hoog is. Als hij tusschen
de twee torens van de oude kathedraal door kijkt, kan de reiziger
een kapelletje ontdekken halfweg de rots.
Midden in de stad is nog een kerk, een zonderling gebouw, dat zelfs
ouder moet wezen dan de kathedraal. We konden niets meer vinden in
Cattaro, dat bezienswaardig was, en het viel moeilijk te begrijpen,
dat dit de voornaamste stad aan de Bocche of Baai was, om welker
bezit Slaven en Hongaren, Turken en Venetianen, en zelfs in het
begin der negentiende eeuw Franschen en Russen vochten en in den dood
gingen. Evenals Ragusa was het eenmaal een vrije republiek en dreef
een bloeienden handel met Venetië. Misschien is het niet algemeen
bekend, dat Cattaro eenmaal werd ingenomen door de Engelschen,
toen de fransche legermacht, die er in 1813 heer en meester was,
capituleerde met onzen commodore Hoste, nadat de laatste de fransche
vloot had verslagen bij het eiland Lissa.
De herbergen of hotels van Cattaro zijn zeer onvoldoende, noch
geriefelijk, noch zindelijk, noch bijzonder goedkoop. Voor de
gezondheid wordt al heel weinig gedaan. Men moet op deze dingen
voorbereid zijn in de kleinere steden van Dalmatië, maar nu komt er
in Cattaro nog bij, dat de plaats zoo weinig rustig is. In den nacht
houdt het lawaai nooit op door het geklos van zwaar beslagen schoenen
over de slecht geplaveide straten en door de vreemde gewoonte van de
bewoners, om op het spookuur altijd op straat te willen zijn en dan
te praten, zoo luid ze kunnen! De menschen schijnen er met de katten
te willen wedijveren, wie den nacht het meest ongenietbaar zal maken.
Er zijn drie manieren, om de reis naar Cettinje te maken. Een
ondernemend reiziger zou den afstand wandelend kunnen afleggen langs
het ruiterpad, dat de "Montenegrijnsche ladder" wordt genoemd, een
steilen en moeilijken weg, die tot 1881 de eenige route naar Montenegro
was. Er is halfweg te Njegus een huis, waar de voetganger den nacht,
als hij dat wenschte, zou kunnen doorbrengen. Die manier zouden wij
zelven het liefst hebben gekozen, als we van dat huis halfweg hadden
geweten. Of de reiziger kan omhoog rijden, als hij er op voorbereid
is zijn energie te besteden aan het verkrijgen van een pony. Maar het
rijden langs het ruiterpad is ongemakkelijk, want het gaat zoo steil,
als maar mogelijk is. Ten slotte kan men per rijtuig over den nieuwen
rijweg gaan. Dit kan per diligence gebeuren of, als wij deden, per
gehuurd rijtuig, dat in de stad te krijgen is. Iets meer dan dertig
shillings is de gewone prijs voor het laatste heen en terug, geen
hooge prijs voor een rit van twee dagen en ter lengte van zestig
mijlen, waarvan de helft de langst aanhoudende stijging voor de
paarden beteekent, in Europa ergens te vinden.
Daar men de nachten met meer comfort kan doorbrengen in Cettinje dan
in Cattaro, moet de reiziger de dagen in het hoofd hebben, waarop de
mailboot van Cattaro vertrekt op de terugreis naar Gravosa. Hij kan
dan een wagen huren voor een enkelen dag naar boven en een anderen
voor de reis naar beneden en dus in Cattaro komen op den voor de
boot geschikten tijd. Diegenen echter, die genoegen nemen met de
onaangenaamheden van een nacht te Cattaro, kunnen de heele reis omhoog
bij daglicht doen.
Het mooiste gezicht op de stad Cattaro en op den laatsten arm van de
Bocche krijgt men een kwartier na het vertrek, want de weg stijgt zoo
snel, dat men haast een aanblik als in vogelvlucht krijgt. De eerst
ingeslagen richting is een oostelijke, naar een "nek", zooals de Boeren
zouden zeggen, van waar de hellingen dalen, aan den eenen kant naar de
Teodobaai en aan den anderen naar de golf van Cattaro. Die pashoogte
bereikt men onmiddellijk voorbij het oostenrijksche Drieëenheidsfort;
en van dat punt heeft men een mooi uitzicht over de Teodobaai en
haar beide kleine eilandjes, waarvan het grootste vol huizen staat,
terwijl op het andere een paar kloosters verrijzen.
Daarna loopt de weg een eind terug en dan begint het ernstige werk
van het bestijgen der oogenschijnlijk ontoegankelijke hoogten aan
de spits van de golf van Cattaro. Heen en weer gaat de weg, nu eens
een groote bocht makend, dan weer een kleinere, zoowat op de manier
waarop een spin haar web weeft, zigzaglijnen trekkend over de bijna
loodrechte klip. De ingenieursarbeid aan dit mooie staaltje van een
oostenrijkschen bergweg besteed, die steil is zonder al te steil te
zijn, en die in zichzelven terugkeert in scherpe bochten, zonder dat
ze te scherp zijn, is werkelijk wonderbaarlijk. Er is een enkel punt,
waar op den terugweg ge naar beneden kunt zien en waar ge van het
begin tot het eind vijftien bochten kunt tellen van een wit weglint,
dat langs den afgrond onder u loopt. De laagste bocht is zoo ver weg,
dat men duizelig wordt, als men er naar ziet.
De rit kan niet worden aanbevolen aan zeer zenuwachtige personen,
zoowel om de steilte van de bergen als omdat de koetsiers een
bijzondere manier hebben, om van den bok te vliegen, de teugels op
de ruggen der paarden te gooien en aan den binnenkant van het smalle
pad te loopen, spelend het dier met de zweep tikkend en hen er zoo
toe brengend, den buitenkant van het pad precies te volgen! Die
handeling is eerst wat verontrustend, maar de dieren schijnen eraan
gewend te zijn.
Ongeveer een uur na ons vertrek uit Cattaro hadden we reeds een zeer
aanzienlijke hoogte boven den fjord bereikt. Wij bekeken het panorama,
dat de beide golven van Cattaro en Teodo aanboden, waarbij zich,
naarmate we hooger stegen, een derde voegde, de Bai di Traste. De
golf van Cattaro leek eenvoudig op een blauw strookje tusschen
den begroeiden berg Vrmac in het Westen en steile, kale rotsen in
het Oosten. Verderop glinsterde het water van de Bocche in de zon,
omsloten door de donkere bergen er omheen, waarvan de omtrekken in
de verte helder afstaken tegen de lucht, en door de sneeuwtoppen van
enkele der hoogere bergen in het binnenland van Krivosje.
Nadat we weer een oostenrijksch fort, Gorazda, voorbij waren, werden
de zigzags korter, de bochten scherper, en de stijging vlugger, toch
bleven de paarden bijna geregeld in draf, soms dien afwisselend met
een flinken stap, en wij merkten met verbazing op, dat ofschoon we
zoo snel stegen, de toenemende ijlheid der lucht geen invloed scheen
te hebben op hun ademhaling. Wijzelf begonnen intusschen wel een
verandering te bespeuren, een opwekkende lichtheid en zuiverheid
der lucht, een opmerkelijk verschil met de nog al zware lucht
beneden. Die eigenaardigheid der atmosfeer is een der bekoorlijkheden
van Montenegro.
Na wat dwalend gezigzag ging de weg recht en bijna juist oostwaarts
naar den Lovcen, den rotsachtigen berg die zich aan dezen kant boven
Montenegro verheft. Spoedig verdwenen nu de reeds gewoon geworden
zwart en gele palen, om plaats te maken voor een paal, die met een
romeinsche I was geteekend. Even verder kwamen we aan het eerste
montenegrijnsche huisje, dat wel wat op een iersche boerenwoning geleek
en een type mocht heeten van de woning van de boeren uit het land,
die al heel weinig aan comfort schijnen te hechten of te arm zijn,
om beter woningen te bouwen.
Daarna maakt de weg een lus om een diep ravijn, langs welks steile
hellingen men het ruiterpad van Cattaro kan zien slingeren als
de kronkelingen van een kurketrekker, waarna het eenige honderden
meters verder zich bij den rijweg aansluit. Een troep Montenegrijnen
zwoegde juist omhoog; het leek eerst in de verte of er een groote rups
kroop. Toen wij dichterbij kwamen, zagen we, dat de cavalcade bestond
uit een paar Montenegrijnen, die beladen paardjes en ezels dreven,
en dat er ook verscheiden vrouwen bij waren, die bijna even zwaar
beladen waren als de lastdieren; want de montenegrijnsche vrouwen
deelen de eer met pony's en ezels, dat ze als lastdieren haar land
mogen dienen. De man wandelt vrij en onbelast ernaast. Die aanblik
herinnerde er ons duidelijk aan, dat we nu in een land waren, waar
nog gewoonten in zwang zijn, behoorend bij dien primitieven tijd,
toen de man de jager en krijger was en dus altijd vrij moest zijn,
om van zijn wapens gebruik te maken. In de verdeeling der plichten
viel de plicht van dragen dus natuurlijk op de vrouwen.