XVI.

Het einde van een verwoest leven.

't Is midden-October en omstreeks vier uur in den morgen, of,

juister gezegd, in den nacht.

Overal is 't nog duister, kil en stil.

Alle voorwerpen op eenigen afstand zijn gehuld in een grijzen nevel.

De dorpsklok steekt zoo donker af tegen de lucht en de omtrekken van

dit reuzengevaarte zijn voor 't oog zóó onbestemd, dat een vluchtige

beschouwing ons doet huiveren. Wie nu hier omdwaalt tusschen die

lage huizen, waarvan sommige er zoo grauw en verweerd uitzien, alsof

ze steeds dieper in den modder en 't slijk van den bodem wegzonken,

voelt zich vrij zeker in een onbehagelijke stemming. Die in nevel

gehulde, verstrooid liggende huizen schijnen grafheuvels of

zonderlinge monumenten uit vervlogen tijden.

Het leven, 't Iicht, de warmte en de bezieling van den dag ontbreken

nu.

Zoo we 't niet uit ervaring wisten, zou niemand zich kunnen

voorstellen hoe hier den dag en avond te voren alles nog vol leven

en beweging was; hoe er door iedere ruit vroolijke of wel door

droefheid benevelde oogen naar buiten staarden; hoe op iederen haard

het vuur helder en vroolijk opvlamde en uit iederen schoorsteen de

rook vriendelijk naar boven steeg; hoe over de dorpsstraat wagens en

karren aldoor voortratelden; hoe er paarden brieschten, koeien

bulkten, hoenders kakelden en groote en kleine menschen rusteloos

bezig waren.

Nog tot laat in den avond loeide de blaasbalg van den smid zoo

luidruchtig mogelijk in den vuurgloed. De jongen, die hem trok,

floot een lustig deuntje en de smid en zijn knecht hamerden op een

bonk gloeiend ijzer, dat de vonken om hen rond spatten en voor

ieder, die hier den gloed als een paaschvuur zag gloren, de kilheid

van den avondnevel als wegtooverde. En uit iedere woning zag men

door reten en spleten 't licht vriendelijk naar buiten stralen.

De kuiper Verhagen en zijn zoon Frederik, van denzelfden leeftijd

als Steven De Laat, -- die twee dan klopten en hamerden op de vaten,

dat het een heel eind buiten 't dorp te hooren was. 't Scheen als

waren ze overtuigd dat het hun laatste werkdag was en ze zich om die

reden zooveel mogelijk moesten reppen, om eerst nog alle inwoners

voor een langen tijd van net en stevig vaatwerk te voorzien. Ze

werden bij hun werk voorgelicht door een groote tuitlamp, die een

vlam gaf zóó groot en zóó rood als ware ze een flambouw en een

vurigen weerschijn over de straat wierp.

Hoe schaafden en hamerden die timmerman Joosten, zijn knecht en zijn

zoon in hun werkplaats, waaruit al mede 't licht vriendelijk naar

buiten straalde!

Arend, de linnenwever, daar schuin tegenover, deed nog tot laat in

den avond het weefgetouw kletteren dat het een aard had.

Niet minder lustig hamerde de schoenmaker Pothof op de zool van den

schoen, waaraan hij juist de laatste hand legde. En ondertusschen

zong zijn jonge vrouw met een zachte, welluidende stem een

wiegedeuntje. Ze deed heel zacht, zonder schokken, de wieg

schommelen, om zoo haar tweede kind, een allerliefst meisje, te doen

inslapen.

In den vooravond speelden de dorpskinderen tusschen de huizen en in

de donkere hoeken van 't kerkgebouw verstoppertje en telkens weer

gierden ze 't uit van pret.

Welk een verschil tusschen dat druk, licht en levendig dorp,

-- verscholen tusschen 't kleurig najaarsloover, -- van den vorigen

dag en avond en datzelfde dorp nu, in den nanacht, terwijl

"alles zwijgt en sluimert en rust,

Alles, behalve de menschen,

Droef wakende onder den prikkel des noods,

Der smart of der ijdele wenschen."

Wat ligt het huis van De Laat daar nu akelig somber en stil in den

mist. Alles daarbuiten, voor zoover 't bij het nachtelijk duister is

waar te nemen, verkeert in een treurigen staat van verval. Blijkbaar

ontbreekt hier een zorgende, wakende hand. Gras groeit er op

verschillende plaatsen tusschen de steenen van 't straatje, dat naar

de voordeur leidt en veel meer nog op de tuinpaden. Die tuin zelf,

vroeger zoo keurig in orde, verkeert nu in een treurigen toestand.

De vruchtboomen zijn er ongesnoeid; de perken onbezoomd en 't

onkruid verdringt er steeds meer de bloemen. De wingerd langs den

muur ten Zuiden is op verschillende plaatsen naar beneden gestort.

Alles heeft er een haveloos en vervallen aanzien, niet het minst

geldt dit van de woning.

Achter het huis om verschijnt plotseling een persoon, die sluipend

voortgaat, alsof hij iets kwaads in den zin heeft. Het is Steven,

die heimelijk door de achterdeur de woning verlaten heeft en zoo

vlug mogelijk voortspoedt. Maar een dief, die op 't punt staat om

ergens inbraak te plegen, kan niet vaker 't hoofd naar links en naar

rechts wenden en over de schouders heen met spiedende oogen naar

alle zijden uitzien. Ook zijn gang is zoo zacht en sluipend als een

volleerde dief maar zou kunnen wenschen. Zijn kleeding is vrij

slordig en haveloos. Bij de kerk sluipt hij langs den ouden muur,

doch staat plotseling verrast stil. Hoort hij daar in den toren niet

een zwaar, bonzend geluid? Zonder twijfel.

Angstig vraagt hij zich af, wat dit zijn kan?

Och ja! hoe kan hij ook zoo dwaas wezen om daarvoor te schrikken? 't

Is immers de torenklok, wier slinger bonzend heen en weer gaat.

Vooruit dus weer!

Opnieuw rept hij zich voort.

Doch plotseling houdt hij weer stil en luistert opnieuw. Begint die

klok daar boven in den toren alarm te luiden? Welneen: ze slaat vier

uur.

De vierde slag galmt lang na en dan wordt het weer stil.

"Ik dacht dat er brand was en dat de klok geluid werd om de

spuitgasten te wekken," mompelde hij.

"Waarom is er ook nooit brand bij nacht? 't Zou nog eens wat

afwisseling geven en bovendien aan belanghebbenden een mooie kans

bieden om een goeden slag te slaan. Maar wat drommel is dat daar nu

weer?"

Aan de andere zijde der kerk en alzoo vlak bij geeft de nachtwacht

vier stooten op zijn horen en roept dan zóó luid, dat de echo 't hem

nabauwt: "Vier uren heeft de klok! De klok heeft vier!"

Steven sluipt angstig weg achter een hoek van 't groote holle gebouw

en dringt zich zoo dicht mogelijk tegen den muur aan, om niet te

worden opgemerkt. De nachtwacht komt met onregelmatige passen nader,

want door den langen dienst heeft hij een stijf been gekregen. Daar

hij zoo pas eerst zijn verlicht woonvertrek heeft verlaten, moet hij

nu wegens de duisternis op den tast voortgaan en merkt Steven

volstrekt niet. Deze vervolgt daarop al spoedig zijn nachtelijken

tocht. Een zucht van verlichting ontsnapt hem, omdat hij onopgemerkt

is gebleven.

"Zoo'n nachtwacht heeft toch voor de veiligheid der ingezetenen

weinig te beteekenen," mompelt hij onder 't voortgaan, terwijl een

glimlach zijn strakke trekken even ontspant. "Teunissen moest een

hond hebben, zooals Fannie er een is. Die zou me hier stellig

ontdekt hebben en niet alleen mij, maar ieder ander. Doch de man

wordt veel te karig bezoldigd. 't Is bij hem 't heele jaar door

armoe troef. Er nog bovendien een hond op na te houden, gaat dus

niet. En zoo is 't derhalve ook hier weer de zuinigheid, die de

wijsheid bedriegt.

Eigenlijk had ik Fannie moeten meenemen. 'k Zou dan veiliger geweest

zijn. Hoe jammer, dat vader me verleden jaar naar huis haalde! Met

hem zou ik geld verdiend hebben van belang. 't Lijdt geen twijfel,

of ik zou heel beroemd zijn geworden. Hier is volstrekt niets te

beginnen. 't Is er de dood in den pot!"

Dus denkende ging hij zacht, doch zoo snel mogelijk voort.

Maar 't nachtelijk donker heeft iets geheimzinnigs; iets dat

huiveren doet. Het oog wordt dan niet afgeleid door kleuren; het oor

niet door tonen. Men voelt zich zoo alleen in dien zwijgenden nacht,

welke ons als in een reusachtig graf besloten houdt. Doch in dat

graf zuchten of loeien de winden; het nachtelijk roofgedierte loert

en snuffelt er om ons heen en onze ontstelde verbeelding omringt ons

overal met vreeswekkende schimmen.

Vooral een nacht in 't midden van October bij mistig weder, gelijk

nu, als er nog geen strenge nachtvorsten geweest zijn en de boomen

derhalve nog grootendeels hun bladertooi behouden hebben, -- zulk

een nacht kan erg donker wezen. En nu was het buitengewoon donker.

Eerst had Steven nog aan weerszijden de bouwlanden van den

zoogenaamden Esch, die, van hun oogst ontbloot, een uitgestrekte

vlakte vormden.

Doch welhaast naderde hij het bosch, dat zich als een zwarte,

ontzaglijk hooge massa steil uit de vlakte verhief. De ingang leek

een hooge, donkere poort, die scheen te voeren naar een zwarten,

ijzingwekkenden afgrond.

Daar gekomen vervolgde hij op den tast huiverend zijn weg, terwijl

hij den knuppel, dien hij in de rechtervuist geklemd hield,

bestendig voor zich uit zwaaide, om te vermijden dat hij met iemand

of iets in botsing kwam.

Na op die wijze een kwartier gaans te hebben afgelegd, bereikte hij

een breeden landweg, met aan weerszijden een dennenbosch.

Weinig minuten later hield aan de rechterzijde 't bosch op en maakte

plaats voor een weide, die hier en daar bezet was met boschjes van

berkenhakhout. Hier baande hij zich voorzichtig een weg door de

droge sloot.

In den hoek der weide, half achter de kreupelbosschen verscholen,

stond een lang, laag gebouwtje. 't Was het hok, waarin de eigenaar

van de weide zijn kippen hield. Steven bleef nu een oogenblik pal

staan en bootste 't gekraai van een haan zeer natuurlijk na.

Terstond daarop vernam hij een zacht geritsel in de struiken. Een

donkere gedaante kwam sluipend nader. Een schorre stem voegde hem

knorrig toe:

"Zóó! Ben je daar dan toch eindelijk! Nog een paar uur en 't zal

weer volle dag zijn. 'k Heb hier al langer dan een uur op je

gewacht!"

Het was zijn oude reismakker Dronken Hannes, die aldus sprak.

"'k Heb me verslapen!" antwoordde Steven met gedempte stem.

"Verslapen!" 't Is wat moois!" bromde de ander met een vloek. "Als

er wat te verdienen valt, blijf je in bed liggen! Je hebt toch een

klok in huis!"

"Mijn oude heeft vergeten, die op te winden en zoo is ze blijven

staan. Je kunt je niet voorstellen, hoe vergeetachtig en suf hij na

den dood van moeder geworden is."

"Hij vergeet ten minste om op te stappen!" bromde Hannes weer en

zijn met bloed beloopen oogen keken kwaadaardig in den mist, alsof

hij daar een vijand zag naderen. "Als hij dood was, zou je jou eigen

meester wezen en we zouden weer de wijde wereld kunnen ingaan en

samen ons geluk beproeven. We waren toen al zoo goed op dreef."

"Hij wordt erg oud en suf," mompelde Steven. "'t Wordt in huis hoe

langer hoe onpleizieriger. Tonia brengt ons nu al sinds eenigen tijd

's middags een maal warm eten; voor 't overige moeten we ons met wat

melk en brood behelpen. 't Is een nare boel. Tonia ruimt ook eenmaal

per dag het huis wat op, terwijl mijn oude zwijgend in den hoek zit

toe te zien. Zoolang zij bij ons thuis is, schijnt hij weer

heelemaal op te leven. Onder 't werken vertelt ze hem van allerlei

zaken, om hem zoo wat afleiding te bezorgen en moed in te spreken.

Wil je wel gelooven, dat ik zelf haar bij 't beredderen van de

huishouding behulpzaam ben en dat ik, als ze altijd bij ons in huis

was, alle kans had om een werkzaam mensch te worden."

"Als ik in jou plaats was, gaf ik er den brui van om me zóó te

behelpen," bromde de ander gemelijk. "Waarom ga je niet naar de

herberg en laat er je voor rekening van jouw vader het noodige

opdisschen?"

"Zonder geld gaat dat niet," zuchtte Steven.

"Misschien houdt hij zich maar arm, om je op die wijze met niemendal

te kunnen afschepen. Maar we hebben later wel tijd om daarover te

praten: nu moeten we hoe eer hoe beter aan 't werk."

Hij had zijn gezegden met eenige verwenschingen en vloeken kracht

pogen bij te zetten en vervolgde nu, ook fluisterend:

"Ga jij eens zien, of er aan _dien_ kant ook wild in de strikken

zit, dan zal ik _dezen_ kant voor mijn rekening nemen. Ziehier al

twee hazen. 't Zijn een paar bovenstebeste: ze wegen ieder wel acht

pond!"

"Te drommel, ja!" zei Steven aangenaam verrast. "Die twee maken ons

den morgen al goed."

"Het blijft met dat al een onaangenaam en gevaarlijk werk!" bromde

zijn kameraad, die er nu bijzonder zenuwachtig en gejaagd uitzag,

terwijl hij schuw om zich heen keek. "Ze loeren al lang op ons. Maar

wie me te dicht nadert, schiet ik neer en zeg dan met Van Speyk:

"Berg je jongen!"

"Je zult toch om zoo'n kleinigheid als een veertien dagen "brommen"

geen moord willen doen?" vroeg Steven verschrikt.

"Veertien dagen!" fluisterde Hannes. "Dat kun je begrijpen! Neen,

als ze mij eenmaal te pakken krijgen, zullen ze me, vrees ik, heel

wat langer opbergen. Die heeren van 't gerecht zijn haatdragende lui

en aldoor geneigd om oude koeien uit de sloot te halen. -- Maar mijn

hemel, wie is dat daar?" viel hij zich zelf halfluid en angstig in

de rede.

"Ik zie niets! Jij wel?" zei Steven, blijkbaar ook alles behalve op

zijn gemak.

"Daar tusschen die twee eiken!" antwoordde Hannes. Zijn wijd

geopende oogen staarden angstig voor zich uit. Hij deinsde een paar

passen terug. Zijn spraak was onduidelijk, als die van een dronken

persoon.

"'t Is jou moeder, die daar aankomt," dus ging hij verschrikt voort,

als in zich zelf sprekend. "Een wit kleed reikt haar van 't hoofd

tot de voeten. Ze komt naar ons toe, zie maar! En ze doet 't zoo

stil, alsof haar voeten volstrekt niet aan den grond raakten, maar

of ze op den mist kwam aandrijven. Wat staan haar oogen wijd open en

wat kijkt ze mij al door strak aan! Precies zóó staarde ze mij

vroeger ook aan, als ik bij jelui thuis kwam. Wat zou ze willen?"

Hij stond als aan de plaats geboeid en beefde zóó, dat hem de tanden

op elkander klapperden.

"Je bent krankzinnig of stomdronken!" zei Steven met een schorre

stem, terwijl hij zich met afschuw eenige passen van hem

verwijderde. "Je weet even goed als ik, dat moeder al een vol jaar

dood en begraven is. Waarom wacht je niet met drinken, tot het werk

gedaan is?"

"Ik zweer je, dat ik van morgen nog geen druppel geproefd heb!"

verzekerde de vagebond met een vloek.

"Wat jij daar ginds ziet, zie ik ook wel," hervatte Steven. "'t Is

de nevel, die overal de open plekken vult."

Met de vuile mouw van zijn ruigen pijekker veegde de ander zich nu

over voorhoofd en oogen, staarde weer voor zich uit en zei toen

huiverend: "Ja ik geloof dat je gelijk hebt. 't Zal verbeelding van

me geweest zijn! Kom, we zullen samen de strikken gaan nazien!"

"Om alle twee tegelijk gesnapt te worden!" sprak hierop Steven, die

zich in gezelschap van zulk een gevaarlijken kameraad en op zulk een

eenzame plaats alles behalve op zijn gemak voelde.

"Stel je gerust!" antwoordde Hannes. "Ik zal 't werk wel doen. Wie

de strikken niet aanraakt, is ook niet strafbaar."

Stil verdwenen ze nu alle twee in 't hooge kreupelhout.

Een geruimen tijd later kwamen ze op de plek, vanwaar zij uitgegaan

waren, terug.

Ofschoon het nu al vrij licht werd, was de mist nog niet geheel

opgetrokken.

Ze hadden nog één haas, twee konijnen en één fazant buitgemaakt, die

zich hadden vastgewerkt in de strikken.

"Nu Is 't ook mooi genoeg voor één dag!" zei Steven fluisterend. "En

jij hebt rust noodig: je ziet er vreeselijk naar uit en beeft alsof

je de koorts hadt."

"We zijn nu toch hier en 't zou erg dom zijn, zoo we niet nog even

dit boschje gingen afjagen!" was het antwoord, op schorren toon

gegeven. "Zou Fannie in 't vervolg het wild niet voor ons kunnen

opjagen? 't Is zoo'n schrander beest!"

"'t Is te beproeven," mompelde Steven en hij verwonderde zich, dat

hem dit niet reeds vroeger in de gedachte gekomen was. Met Fannie

bij zich had hij ook van zijn kameraad, die er hoe langer hoe

gevaarlijker begon uit te zien, niets te duchten. Hij keek den

vagebond aan met oogen, waarin vrees en afschuw te lezen stonden en

zorgde er voor, onder 't bereik van zijn ruwe, morsige handen

vandaan te blijven.

Wat hing hem de ruige, rossige haarbos slordig om voorhoofd en

wangen! Wat stonden zijn met bloed beloopen oogen strak en akelig en

hoe angstig staarden ze in de richting van de twee eiken, waar de

mist nog als een blauwachtig-wit gordijn was blijven hangen! Zelfs

toen hij zich bukte om onder 't kreupelhout heen het oude geweer,

dat hij daar den vorigen avond had verborgen en waarvan 't slot met

een ijzerdraad was vastgemaakt, bij den loop te voorschijn te halen,

bleef hij toch onafgewend op die plek staren, als vreesde hij,

vandaar uit onverhoeds overvallen te worden.

"Als 't geweer geladen is, zou ik er een beetje voorzichtiger mee

omgaan!" waarschuwde Steven.

Maar pas had hij dit gezegd, toen hij uit den mond van 't geweer een

rookwolkje zag stijgen, terwijl hij onmiddellijk daarop den knal van

't schot hoorde.

In 't volgend oogenblik zag hij zijn kameraad met de armen een zwaai

in de lucht maken en hem toen met een zwaren plof achterover vallen.

Roerloos bleef hij liggen.

't Volle schot was hem in de borst gedrongen en had hem

oogenblikkelijk gedood.

Steven bleef een wijle, door schrik als verlamd, staan staren op het

lijk van zijn makker, die nu zijn makker niet meer was en 't ook

nooit meer wezen zou.

Hij zag die door ontzetting ijselijk gewrongen trekken; die wijd

geopende, angstige oogen, zoo akelig strak naar boven gericht; hij

zag den eveneens als tot een noodkreet opengesperden mond en waande

te droomen.

Geen antwoord! Geen enkel teeken van leven!

Hij riep hem dringend bij zijn naam.

De door den storm gevelde dennenboom daar aan den rand der sloot,

die hen zoo vaak voor zitbank gediend had, kon nu evenveel hulp en

vriendschap verleenen als Dronken Hannes. Radeloos keek Steven rond

door de stille ruimte. De morgenwind vaagde juist, als met een

onzichtbare hand, tusschen de twee eeuwenoude boomen den laatsten

sluier van nevelen weg.

De lucht was nu geheel opgeklaard.

De groene, gele en roode bladeren van eiken, accasia's en beuken

glansden in 't licht van de rijzende zon.

De gansche streek baadde in een vriendelijk licht.

Miljoenen dauwdroppels schitterden op het gras, het heidekruid, het

kreupelhout en 't met fijne webben overspannen dennenbosch.

Het stille, plechtige landschap straalde en schitterde in

onbeschrijfelijke pracht. In grootschen eenvoud welfde zich

daarboven het diep-blauwe uitspansel.

En te midden van al dat schoon lag daar die doode, met akelig

verwrongen trekken, de starende oogen met een afdrukking van

ontzetting strak omhoog gericht.

"Ze zullen denken dat ik hem heb doodgeschoten!" mompelde Steven.

Een killen schrik beving hem.

Zonder recht te weten, wat hem onder deze bedenkelijke

omstandigheden te doen stond, ja zelfs zonder te weten wat hij deed

sloeg hij op de vlucht.

{Illustratie: Steven bleef een wijle ... staan staren op het lijk

van zijn makker ... (Pag. 141).}

Hij vlood, over slooten springend en door hagen dringend, als een

bloode haas of een gejaagde ree.

Zoo bereikte hij al hollend den ingang van 't dorp, waar een groep

spelende kinderen verschrikt door zijn akelig uitzicht, voor hem uit

den weg stoven.

Langs Slingerpaden · 第 26 / 30 题