Het einde van een verwoest leven.
't Is midden-October en omstreeks vier uur in den morgen, of,
juister gezegd, in den nacht.
Overal is 't nog duister, kil en stil.
Alle voorwerpen op eenigen afstand zijn gehuld in een grijzen nevel.
De dorpsklok steekt zoo donker af tegen de lucht en de omtrekken van
dit reuzengevaarte zijn voor 't oog zóó onbestemd, dat een vluchtige
beschouwing ons doet huiveren. Wie nu hier omdwaalt tusschen die
lage huizen, waarvan sommige er zoo grauw en verweerd uitzien, alsof
ze steeds dieper in den modder en 't slijk van den bodem wegzonken,
voelt zich vrij zeker in een onbehagelijke stemming. Die in nevel
gehulde, verstrooid liggende huizen schijnen grafheuvels of
zonderlinge monumenten uit vervlogen tijden.
Het leven, 't Iicht, de warmte en de bezieling van den dag ontbreken
nu.
Zoo we 't niet uit ervaring wisten, zou niemand zich kunnen
voorstellen hoe hier den dag en avond te voren alles nog vol leven
en beweging was; hoe er door iedere ruit vroolijke of wel door
droefheid benevelde oogen naar buiten staarden; hoe op iederen haard
het vuur helder en vroolijk opvlamde en uit iederen schoorsteen de
rook vriendelijk naar boven steeg; hoe over de dorpsstraat wagens en
karren aldoor voortratelden; hoe er paarden brieschten, koeien
bulkten, hoenders kakelden en groote en kleine menschen rusteloos
bezig waren.
Nog tot laat in den avond loeide de blaasbalg van den smid zoo
luidruchtig mogelijk in den vuurgloed. De jongen, die hem trok,
floot een lustig deuntje en de smid en zijn knecht hamerden op een
bonk gloeiend ijzer, dat de vonken om hen rond spatten en voor
ieder, die hier den gloed als een paaschvuur zag gloren, de kilheid
van den avondnevel als wegtooverde. En uit iedere woning zag men
door reten en spleten 't licht vriendelijk naar buiten stralen.
De kuiper Verhagen en zijn zoon Frederik, van denzelfden leeftijd
als Steven De Laat, -- die twee dan klopten en hamerden op de vaten,
dat het een heel eind buiten 't dorp te hooren was. 't Scheen als
waren ze overtuigd dat het hun laatste werkdag was en ze zich om die
reden zooveel mogelijk moesten reppen, om eerst nog alle inwoners
voor een langen tijd van net en stevig vaatwerk te voorzien. Ze
werden bij hun werk voorgelicht door een groote tuitlamp, die een
vlam gaf zóó groot en zóó rood als ware ze een flambouw en een
vurigen weerschijn over de straat wierp.
Hoe schaafden en hamerden die timmerman Joosten, zijn knecht en zijn
zoon in hun werkplaats, waaruit al mede 't licht vriendelijk naar
buiten straalde!
Arend, de linnenwever, daar schuin tegenover, deed nog tot laat in
den avond het weefgetouw kletteren dat het een aard had.
Niet minder lustig hamerde de schoenmaker Pothof op de zool van den
schoen, waaraan hij juist de laatste hand legde. En ondertusschen
zong zijn jonge vrouw met een zachte, welluidende stem een
wiegedeuntje. Ze deed heel zacht, zonder schokken, de wieg
schommelen, om zoo haar tweede kind, een allerliefst meisje, te doen
inslapen.
In den vooravond speelden de dorpskinderen tusschen de huizen en in
de donkere hoeken van 't kerkgebouw verstoppertje en telkens weer
gierden ze 't uit van pret.
Welk een verschil tusschen dat druk, licht en levendig dorp,
-- verscholen tusschen 't kleurig najaarsloover, -- van den vorigen
dag en avond en datzelfde dorp nu, in den nanacht, terwijl
"alles zwijgt en sluimert en rust,
Alles, behalve de menschen,
Droef wakende onder den prikkel des noods,
Der smart of der ijdele wenschen."
Wat ligt het huis van De Laat daar nu akelig somber en stil in den
mist. Alles daarbuiten, voor zoover 't bij het nachtelijk duister is
waar te nemen, verkeert in een treurigen staat van verval. Blijkbaar
ontbreekt hier een zorgende, wakende hand. Gras groeit er op
verschillende plaatsen tusschen de steenen van 't straatje, dat naar
de voordeur leidt en veel meer nog op de tuinpaden. Die tuin zelf,
vroeger zoo keurig in orde, verkeert nu in een treurigen toestand.
De vruchtboomen zijn er ongesnoeid; de perken onbezoomd en 't
onkruid verdringt er steeds meer de bloemen. De wingerd langs den
muur ten Zuiden is op verschillende plaatsen naar beneden gestort.
Alles heeft er een haveloos en vervallen aanzien, niet het minst
geldt dit van de woning.
Achter het huis om verschijnt plotseling een persoon, die sluipend
voortgaat, alsof hij iets kwaads in den zin heeft. Het is Steven,
die heimelijk door de achterdeur de woning verlaten heeft en zoo
vlug mogelijk voortspoedt. Maar een dief, die op 't punt staat om
ergens inbraak te plegen, kan niet vaker 't hoofd naar links en naar
rechts wenden en over de schouders heen met spiedende oogen naar
alle zijden uitzien. Ook zijn gang is zoo zacht en sluipend als een
volleerde dief maar zou kunnen wenschen. Zijn kleeding is vrij
slordig en haveloos. Bij de kerk sluipt hij langs den ouden muur,
doch staat plotseling verrast stil. Hoort hij daar in den toren niet
een zwaar, bonzend geluid? Zonder twijfel.
Angstig vraagt hij zich af, wat dit zijn kan?
Och ja! hoe kan hij ook zoo dwaas wezen om daarvoor te schrikken? 't
Is immers de torenklok, wier slinger bonzend heen en weer gaat.
Vooruit dus weer!
Opnieuw rept hij zich voort.
Doch plotseling houdt hij weer stil en luistert opnieuw. Begint die
klok daar boven in den toren alarm te luiden? Welneen: ze slaat vier
uur.
De vierde slag galmt lang na en dan wordt het weer stil.
"Ik dacht dat er brand was en dat de klok geluid werd om de
spuitgasten te wekken," mompelde hij.
"Waarom is er ook nooit brand bij nacht? 't Zou nog eens wat
afwisseling geven en bovendien aan belanghebbenden een mooie kans
bieden om een goeden slag te slaan. Maar wat drommel is dat daar nu
weer?"
Aan de andere zijde der kerk en alzoo vlak bij geeft de nachtwacht
vier stooten op zijn horen en roept dan zóó luid, dat de echo 't hem
nabauwt: "Vier uren heeft de klok! De klok heeft vier!"
Steven sluipt angstig weg achter een hoek van 't groote holle gebouw
en dringt zich zoo dicht mogelijk tegen den muur aan, om niet te
worden opgemerkt. De nachtwacht komt met onregelmatige passen nader,
want door den langen dienst heeft hij een stijf been gekregen. Daar
hij zoo pas eerst zijn verlicht woonvertrek heeft verlaten, moet hij
nu wegens de duisternis op den tast voortgaan en merkt Steven
volstrekt niet. Deze vervolgt daarop al spoedig zijn nachtelijken
tocht. Een zucht van verlichting ontsnapt hem, omdat hij onopgemerkt
is gebleven.
"Zoo'n nachtwacht heeft toch voor de veiligheid der ingezetenen
weinig te beteekenen," mompelt hij onder 't voortgaan, terwijl een
glimlach zijn strakke trekken even ontspant. "Teunissen moest een
hond hebben, zooals Fannie er een is. Die zou me hier stellig
ontdekt hebben en niet alleen mij, maar ieder ander. Doch de man
wordt veel te karig bezoldigd. 't Is bij hem 't heele jaar door
armoe troef. Er nog bovendien een hond op na te houden, gaat dus
niet. En zoo is 't derhalve ook hier weer de zuinigheid, die de
wijsheid bedriegt.
Eigenlijk had ik Fannie moeten meenemen. 'k Zou dan veiliger geweest
zijn. Hoe jammer, dat vader me verleden jaar naar huis haalde! Met
hem zou ik geld verdiend hebben van belang. 't Lijdt geen twijfel,
of ik zou heel beroemd zijn geworden. Hier is volstrekt niets te
beginnen. 't Is er de dood in den pot!"
Dus denkende ging hij zacht, doch zoo snel mogelijk voort.
Maar 't nachtelijk donker heeft iets geheimzinnigs; iets dat
huiveren doet. Het oog wordt dan niet afgeleid door kleuren; het oor
niet door tonen. Men voelt zich zoo alleen in dien zwijgenden nacht,
welke ons als in een reusachtig graf besloten houdt. Doch in dat
graf zuchten of loeien de winden; het nachtelijk roofgedierte loert
en snuffelt er om ons heen en onze ontstelde verbeelding omringt ons
overal met vreeswekkende schimmen.
Vooral een nacht in 't midden van October bij mistig weder, gelijk
nu, als er nog geen strenge nachtvorsten geweest zijn en de boomen
derhalve nog grootendeels hun bladertooi behouden hebben, -- zulk
een nacht kan erg donker wezen. En nu was het buitengewoon donker.
Eerst had Steven nog aan weerszijden de bouwlanden van den
zoogenaamden Esch, die, van hun oogst ontbloot, een uitgestrekte
vlakte vormden.
Doch welhaast naderde hij het bosch, dat zich als een zwarte,
ontzaglijk hooge massa steil uit de vlakte verhief. De ingang leek
een hooge, donkere poort, die scheen te voeren naar een zwarten,
ijzingwekkenden afgrond.
Daar gekomen vervolgde hij op den tast huiverend zijn weg, terwijl
hij den knuppel, dien hij in de rechtervuist geklemd hield,
bestendig voor zich uit zwaaide, om te vermijden dat hij met iemand
of iets in botsing kwam.
Na op die wijze een kwartier gaans te hebben afgelegd, bereikte hij
een breeden landweg, met aan weerszijden een dennenbosch.
Weinig minuten later hield aan de rechterzijde 't bosch op en maakte
plaats voor een weide, die hier en daar bezet was met boschjes van
berkenhakhout. Hier baande hij zich voorzichtig een weg door de
droge sloot.
In den hoek der weide, half achter de kreupelbosschen verscholen,
stond een lang, laag gebouwtje. 't Was het hok, waarin de eigenaar
van de weide zijn kippen hield. Steven bleef nu een oogenblik pal
staan en bootste 't gekraai van een haan zeer natuurlijk na.
Terstond daarop vernam hij een zacht geritsel in de struiken. Een
donkere gedaante kwam sluipend nader. Een schorre stem voegde hem
knorrig toe:
"Zóó! Ben je daar dan toch eindelijk! Nog een paar uur en 't zal
weer volle dag zijn. 'k Heb hier al langer dan een uur op je
gewacht!"
Het was zijn oude reismakker Dronken Hannes, die aldus sprak.
"'k Heb me verslapen!" antwoordde Steven met gedempte stem.
"Verslapen!" 't Is wat moois!" bromde de ander met een vloek. "Als
er wat te verdienen valt, blijf je in bed liggen! Je hebt toch een
klok in huis!"
"Mijn oude heeft vergeten, die op te winden en zoo is ze blijven
staan. Je kunt je niet voorstellen, hoe vergeetachtig en suf hij na
den dood van moeder geworden is."
"Hij vergeet ten minste om op te stappen!" bromde Hannes weer en
zijn met bloed beloopen oogen keken kwaadaardig in den mist, alsof
hij daar een vijand zag naderen. "Als hij dood was, zou je jou eigen
meester wezen en we zouden weer de wijde wereld kunnen ingaan en
samen ons geluk beproeven. We waren toen al zoo goed op dreef."
"Hij wordt erg oud en suf," mompelde Steven. "'t Wordt in huis hoe
langer hoe onpleizieriger. Tonia brengt ons nu al sinds eenigen tijd
's middags een maal warm eten; voor 't overige moeten we ons met wat
melk en brood behelpen. 't Is een nare boel. Tonia ruimt ook eenmaal
per dag het huis wat op, terwijl mijn oude zwijgend in den hoek zit
toe te zien. Zoolang zij bij ons thuis is, schijnt hij weer
heelemaal op te leven. Onder 't werken vertelt ze hem van allerlei
zaken, om hem zoo wat afleiding te bezorgen en moed in te spreken.
Wil je wel gelooven, dat ik zelf haar bij 't beredderen van de
huishouding behulpzaam ben en dat ik, als ze altijd bij ons in huis
was, alle kans had om een werkzaam mensch te worden."
"Als ik in jou plaats was, gaf ik er den brui van om me zóó te
behelpen," bromde de ander gemelijk. "Waarom ga je niet naar de
herberg en laat er je voor rekening van jouw vader het noodige
opdisschen?"
"Zonder geld gaat dat niet," zuchtte Steven.
"Misschien houdt hij zich maar arm, om je op die wijze met niemendal
te kunnen afschepen. Maar we hebben later wel tijd om daarover te
praten: nu moeten we hoe eer hoe beter aan 't werk."
Hij had zijn gezegden met eenige verwenschingen en vloeken kracht
pogen bij te zetten en vervolgde nu, ook fluisterend:
"Ga jij eens zien, of er aan _dien_ kant ook wild in de strikken
zit, dan zal ik _dezen_ kant voor mijn rekening nemen. Ziehier al
twee hazen. 't Zijn een paar bovenstebeste: ze wegen ieder wel acht
pond!"
"Te drommel, ja!" zei Steven aangenaam verrast. "Die twee maken ons
den morgen al goed."
"Het blijft met dat al een onaangenaam en gevaarlijk werk!" bromde
zijn kameraad, die er nu bijzonder zenuwachtig en gejaagd uitzag,
terwijl hij schuw om zich heen keek. "Ze loeren al lang op ons. Maar
wie me te dicht nadert, schiet ik neer en zeg dan met Van Speyk:
"Berg je jongen!"
"Je zult toch om zoo'n kleinigheid als een veertien dagen "brommen"
geen moord willen doen?" vroeg Steven verschrikt.
"Veertien dagen!" fluisterde Hannes. "Dat kun je begrijpen! Neen,
als ze mij eenmaal te pakken krijgen, zullen ze me, vrees ik, heel
wat langer opbergen. Die heeren van 't gerecht zijn haatdragende lui
en aldoor geneigd om oude koeien uit de sloot te halen. -- Maar mijn
hemel, wie is dat daar?" viel hij zich zelf halfluid en angstig in
de rede.
"Ik zie niets! Jij wel?" zei Steven, blijkbaar ook alles behalve op
zijn gemak.
"Daar tusschen die twee eiken!" antwoordde Hannes. Zijn wijd
geopende oogen staarden angstig voor zich uit. Hij deinsde een paar
passen terug. Zijn spraak was onduidelijk, als die van een dronken
persoon.
"'t Is jou moeder, die daar aankomt," dus ging hij verschrikt voort,
als in zich zelf sprekend. "Een wit kleed reikt haar van 't hoofd
tot de voeten. Ze komt naar ons toe, zie maar! En ze doet 't zoo
stil, alsof haar voeten volstrekt niet aan den grond raakten, maar
of ze op den mist kwam aandrijven. Wat staan haar oogen wijd open en
wat kijkt ze mij al door strak aan! Precies zóó staarde ze mij
vroeger ook aan, als ik bij jelui thuis kwam. Wat zou ze willen?"
Hij stond als aan de plaats geboeid en beefde zóó, dat hem de tanden
op elkander klapperden.
"Je bent krankzinnig of stomdronken!" zei Steven met een schorre
stem, terwijl hij zich met afschuw eenige passen van hem
verwijderde. "Je weet even goed als ik, dat moeder al een vol jaar
dood en begraven is. Waarom wacht je niet met drinken, tot het werk
gedaan is?"
"Ik zweer je, dat ik van morgen nog geen druppel geproefd heb!"
verzekerde de vagebond met een vloek.
"Wat jij daar ginds ziet, zie ik ook wel," hervatte Steven. "'t Is
de nevel, die overal de open plekken vult."
Met de vuile mouw van zijn ruigen pijekker veegde de ander zich nu
over voorhoofd en oogen, staarde weer voor zich uit en zei toen
huiverend: "Ja ik geloof dat je gelijk hebt. 't Zal verbeelding van
me geweest zijn! Kom, we zullen samen de strikken gaan nazien!"
"Om alle twee tegelijk gesnapt te worden!" sprak hierop Steven, die
zich in gezelschap van zulk een gevaarlijken kameraad en op zulk een
eenzame plaats alles behalve op zijn gemak voelde.
"Stel je gerust!" antwoordde Hannes. "Ik zal 't werk wel doen. Wie
de strikken niet aanraakt, is ook niet strafbaar."
Stil verdwenen ze nu alle twee in 't hooge kreupelhout.
Een geruimen tijd later kwamen ze op de plek, vanwaar zij uitgegaan
waren, terug.
Ofschoon het nu al vrij licht werd, was de mist nog niet geheel
opgetrokken.
Ze hadden nog één haas, twee konijnen en één fazant buitgemaakt, die
zich hadden vastgewerkt in de strikken.
"Nu Is 't ook mooi genoeg voor één dag!" zei Steven fluisterend. "En
jij hebt rust noodig: je ziet er vreeselijk naar uit en beeft alsof
je de koorts hadt."
"We zijn nu toch hier en 't zou erg dom zijn, zoo we niet nog even
dit boschje gingen afjagen!" was het antwoord, op schorren toon
gegeven. "Zou Fannie in 't vervolg het wild niet voor ons kunnen
opjagen? 't Is zoo'n schrander beest!"
"'t Is te beproeven," mompelde Steven en hij verwonderde zich, dat
hem dit niet reeds vroeger in de gedachte gekomen was. Met Fannie
bij zich had hij ook van zijn kameraad, die er hoe langer hoe
gevaarlijker begon uit te zien, niets te duchten. Hij keek den
vagebond aan met oogen, waarin vrees en afschuw te lezen stonden en
zorgde er voor, onder 't bereik van zijn ruwe, morsige handen
vandaan te blijven.
Wat hing hem de ruige, rossige haarbos slordig om voorhoofd en
wangen! Wat stonden zijn met bloed beloopen oogen strak en akelig en
hoe angstig staarden ze in de richting van de twee eiken, waar de
mist nog als een blauwachtig-wit gordijn was blijven hangen! Zelfs
toen hij zich bukte om onder 't kreupelhout heen het oude geweer,
dat hij daar den vorigen avond had verborgen en waarvan 't slot met
een ijzerdraad was vastgemaakt, bij den loop te voorschijn te halen,
bleef hij toch onafgewend op die plek staren, als vreesde hij,
vandaar uit onverhoeds overvallen te worden.
"Als 't geweer geladen is, zou ik er een beetje voorzichtiger mee
omgaan!" waarschuwde Steven.
Maar pas had hij dit gezegd, toen hij uit den mond van 't geweer een
rookwolkje zag stijgen, terwijl hij onmiddellijk daarop den knal van
't schot hoorde.
In 't volgend oogenblik zag hij zijn kameraad met de armen een zwaai
in de lucht maken en hem toen met een zwaren plof achterover vallen.
Roerloos bleef hij liggen.
't Volle schot was hem in de borst gedrongen en had hem
oogenblikkelijk gedood.
Steven bleef een wijle, door schrik als verlamd, staan staren op het
lijk van zijn makker, die nu zijn makker niet meer was en 't ook
nooit meer wezen zou.
Hij zag die door ontzetting ijselijk gewrongen trekken; die wijd
geopende, angstige oogen, zoo akelig strak naar boven gericht; hij
zag den eveneens als tot een noodkreet opengesperden mond en waande
te droomen.
Geen antwoord! Geen enkel teeken van leven!
Hij riep hem dringend bij zijn naam.
De door den storm gevelde dennenboom daar aan den rand der sloot,
die hen zoo vaak voor zitbank gediend had, kon nu evenveel hulp en
vriendschap verleenen als Dronken Hannes. Radeloos keek Steven rond
door de stille ruimte. De morgenwind vaagde juist, als met een
onzichtbare hand, tusschen de twee eeuwenoude boomen den laatsten
sluier van nevelen weg.
De lucht was nu geheel opgeklaard.
De groene, gele en roode bladeren van eiken, accasia's en beuken
glansden in 't licht van de rijzende zon.
De gansche streek baadde in een vriendelijk licht.
Miljoenen dauwdroppels schitterden op het gras, het heidekruid, het
kreupelhout en 't met fijne webben overspannen dennenbosch.
Het stille, plechtige landschap straalde en schitterde in
onbeschrijfelijke pracht. In grootschen eenvoud welfde zich
daarboven het diep-blauwe uitspansel.
En te midden van al dat schoon lag daar die doode, met akelig
verwrongen trekken, de starende oogen met een afdrukking van
ontzetting strak omhoog gericht.
"Ze zullen denken dat ik hem heb doodgeschoten!" mompelde Steven.
Een killen schrik beving hem.
Zonder recht te weten, wat hem onder deze bedenkelijke
omstandigheden te doen stond, ja zelfs zonder te weten wat hij deed
sloeg hij op de vlucht.
{Illustratie: Steven bleef een wijle ... staan staren op het lijk
van zijn makker ... (Pag. 141).}
Hij vlood, over slooten springend en door hagen dringend, als een
bloode haas of een gejaagde ree.
Zoo bereikte hij al hollend den ingang van 't dorp, waar een groep
spelende kinderen verschrikt door zijn akelig uitzicht, voor hem uit
den weg stoven.