Moeder en zoon.
"Kind, kind, wat doe je jou vader en mij een verdriet aan, door zóó
maar weg te loopen!" zei moeder De Laat den volgenden avond diep
treurig tot haar zoon, die stil voor haar bed zat en niet zonder
aandoening het bleek en vermagerd gelaat der goede vrouw beschouwde.
"Maar vader en moeder doen _mij_ nog een grooter verdriet aan,"
sprak hij met zacht verwijt, "door me te noodzaken om weer thuis te
komen, juist als ik goed op weg ben om het tot iets meer dan een
leeglooper te brengen. Wat toch moet ik in huis uitvoeren? Er is
hier volstrekt niets voor me te doen, dan mij zelf en anderen in den
weg zijn."
"Och, och! dat ik nog moest beleven dat het zoover kwam!" zuchtte de
goede vrouw. "Arme, arme jongen! In gedachten zie 'k je later, als
je vader en ik reeds gestorven zijn, bij duisteren avond nog eens
terugkomen en om 't oude huis zwerven en aan ons en aan den goeden
ouden tijd terug denken, toen we hier samen nog zoo blij en gelukkig
bij elkander waren. Vreemde menschen zul je dan op onze oude
plaatsen zien zitten en voor jou, mijn kind, zullen ze dan geen
enkel plaatsje hebben open gelaten.
Je zult in je ouderlijk huis niet meer thuis zijn en misschien
daarin zelfs niet meer geduld worden.
Van nacht, in den droom, zag ik je hier om 't huis rondzwerven,
koud, doodmoe en hongerig, met gescheurde kleeren en doorgesleten
schoenen, terwijl 't binnen zoo warm, zoo licht en gezellig was en
de bewoners om de welvoorziene tafel zaten. 't Was avond en door de
reten van de vensterluiken gluurde je naar binnen. Je steunde 't
vermoeide hoofd tegen 't vensterkozijn; ik hoorde je zacht schreien
en 't ging me door de ziel. Een kleine hond daar binnen merkte je
op; hij begon te keffen en toen maakte jij je snel uit de voeten. En
toen de deur openging en 't licht zoo recht vriendelijk naar buiten
straalde, was je al achter 't kreupelhout op den dijk verdwenen.
Ik wilde je troosten, maar ik greep in de ijle lucht. Toen werd ik
wakker en riep je luid bij je, naam en Tonia van den nachtwacht kwam
uit het bed hiernaast stappen, zette zich neêr waar jij nu op 't
oogenblik zit en toen ik haar vroeg: "Waar is Steven? en waar is
mijn man? Zijn die nog al niet thuis gekomen?" zag ze mij
medelijdend aan. "Stel je gerust en beproef wat te slapen,
buurvrouw!" zei ze. "Morgen zullen ze wel al terug zijn." De goede
ziel schudde 't bed wat op en legde de kussens terecht en toen ik me
verder stil hield, ging ook zij weer slapen.
En nu ben je terug gekomen," zeide ze zacht en teeder. "En alles is
vergeven en vergeten. Ik ben blij, dat ik je dit nog zelf zeggen
kan. Want ik heb er een voorgevoel van, dat ik niet lang meer bij u
en uw vader zal kunnen blijven. Je moeder zegent je, mijn arme goede
jongen en ze is verzekerd, dat alles zich nog eens ten beste zal
schikken."
Ze strekte de vermagerde hand naar hem uit.
Hij vatte die, zichtbaar bewogen en hield ze in de zijne gesloten.
Er welden tranen in zijn oogen.
Die magere hand en arm; dat smal, vermagerd gelaat; die diepliggende
oogen, welke hem, ondanks al wat er gebeurd was, nog vol liefde
tegenschitterden zooals andere oogen, ook de vriendelijkste, dit
nooit deden, -- ze zeiden hem duidelijker dan woorden dit kunnen
doen, dat weldra die hand en die arm, door doodskou verstijfd, die
oogen al ras voor immer zouden gesloten zijn; dat de tijd aanstaande
was, waarin haar vriendelijke stem hem nooit meer zou kunnen
spreken van vergeven en vergeten en haar ooren niet meer zouden
kunnen vernemen zijn verzekering van diep berouw en zijn bede om
vergeving.
Hij boog zich snikkend over de goede vrouw heen en omarmde en kuste
haar, als in vroeger, gelukkiger tijden.
Op dit oogenblik kwam er een groote, ruige hond op de bedsponde
springen, zoodat de zieke er van ontstelde.
Het beest lekte de handen en 't gezicht van den zoon en trachtte hem
blijkbaar op die wijze te troosten en op te beuren.
"Hoe komt die hond zoo op eens hier?" vroeg de moeder verwonderd.
Steven klopte 't vriendelijk dier goedkeurend op zijn ruigen kop en
streelde hem met de vlakke hand over nek en rug.
"Een veertien dagen geleden wilden de jongens het arme beest
verdrinken, moeder!" zei hij. "Ze hadden een touw met een zwaren
steen er onderaan om den hals gestrikt. Maar 't verschrikte beest
huiverde en jankte en zag me zóó smeekend aan, dat ik medelijden met
hem kreeg en zei: "Geef mij dien hond maar!"
Sinds is hij altijd bij me gebleven.
En, o! je moest eens gezien hebben, moeder! welke sterke toeren hij
deed, toen we in die stadsherberg, waar vader me vond, onze
voorstellingen gaven. De zaal daverde van de toejuichingen!"
"Goed, goed mijn jongen!" zei de moeder met een afwerend handgebaar,
"zwijgen we verder daarover! Je vader zou 't erg verdrietig vinden,
als hij je daarvan hoorde vertellen, bedenk dit wel! En laat
voortaan ook voor hem alles vergeven en vergeten zijn! Hij is een
goed man en wel waard om liefde te ontvangen van wie hem 't liefst
zijn op de wereld."
De stem der moeder stierf weg in een zacht gefluister.
Zij sloot de vermoeide oogen.
Een diepe stilte heerschte nu in 't vertrek. Slechts het getik der
oude huisklok werd gehoord.
Steven voelde een huivering door de leden gaan; 't was hem, of hij
zoo plotseling uit het volle, rijke leven in een zonderlinge
droomwereld was verplaatst.
De zoo bekende ruimte, waarin hij nu leefde en ademde, door zooveel
zelfopofferende liefde van zijn goede ouders gewijd, had iets heel
vreemds en geheimzinnigs voor hem. Hij voelde de vervlogen tijden
met hun herinneringen als geesten hem omzweven. En zijn arme, goede
moeder, die daar nu zoo mat en bleek lag te sluimeren, scheen ook
reeds uit het leven te zijn gescheiden en tot het stille geestenrijk
te behooren.
De stralen der avondzon, die juist van achter een donkere wolk heen
naar binnen vielen, verleenden 't gelaat der zieke een hooge
bekoorlijkheid, als wilden ze de scheidende Moeder, die ondanks haar
gebreken toch groot was in liefde, tooien met de kroon der
onsterfelijkheid.
Het was de laatste maal, dat moeder en zoon zoo rustig, zoo
vertrouwelijk samen waren.
Eenige weken later was de bleeke, lijdende vrouw reeds voor goed te
rusten gelegd op de algemeene begraafplaats in den hoek onder den
treurbeuk en op 't paaltje aan 't hoofdeinde van haar graf waren de
voorletters van haar naam geschilderd.
Ze hadden haar in stillen ernst begraven. Op den wagen van boer
Reinders was de zwarte kist weggereden. Een viertal vrouwen uit de
familie zaten in rouwkleeren en met zwarte doeken om 't hoofd voor
en achter de kist op den geïmproviseerden lijkwagen en de mannen
liepen met zwarte kleeren en hooge hoeden op, er tegen en er achter.
En 't dichtst achter den wagen schreden stil De Laat en Steven
voort; de vader als één die de hoop en den steun van zijn leven
verloren heeft en nu geduldig wacht op den tijd, dat alle zorg en
kommer, alle droefheid en rouw zullen verdwenen zijn; de zoon,
aangedaan, snikkend van hartstochtelijke droefheid.
De torenklok werd geluid en heur sombere galmen klonken wijd heen
over de streek.
De begraafplaats was in weinig minuten bereikt. Er werden bij 't
graf eenige hartelijke woorden gesproken van de Liefde, die eeuwig
is en hoe wie haar bezitten de onsterfelijkheid deelachtig zijn. En
toen werd de kist in de groeve neergelaten en met aarde bedekt; de
klok hield op te luiden; de menschen keerden terug en de
plechtigheid was afgeloopen.
Daar ze een stille, huiselijke vrouw was geweest, werd er slechts
kort over haar gesproken.
Maar in huis meende men ze nog altijd te vernemen. Al was ook haar
stoel bij de tafel ledig, ze zou spoedig terugkomen. Als De Laat 's
avonds in de schemering in 't woonvertrek rondzag, meende hij haar
in 't naaste vertrek te hooren. Hij meende zelfs te hooren hoe zij
ademde en kuchte en eerst langzamerhand scheen 't hem recht
duidelijk te worden, dat ze werkelijk uit het huis verdwenen was en
daarin nooit meer zou terugkeeren. De herfstwind blies en de dorre
bladers stoven.
Ook de treurbeuk liet zijn loover vallen, bruin en geel en overdekte
haar graf, zoo eenzaam en stil, met een warme, kleurige sprei.
Later kwam de sneeuw het heele landschap in een lijkwade hullen. De
wind joeg ze als golvende lakens voor zich heen en wischte de sporen
uit van den eenzamen man, die telkens een bezoek kwam brengen aan 't
graf onder den treurbeuk.
En de sneeuw bleef aldoor neerdwarrelen uit een donkere lucht. De
boomtakken kraakten en bezweken onder dien schitterenden last, die
in sierlijke golvingen, als verbazend groote donzen kussens van den
donkeren mantel der dennenbosschen naar omlaag hing.
Maar de wolken dreven weg. De lucht was helder blauw. De zon scheen
op de sneeuw en herschiep het landschap als in een schitterende
tooverwereld.
Overal heerschte een diepe rust, een door niets gestoorde stilte.
Nu was 't eerst in waarheid Zondag.