XV.

Moeder en zoon.

"Kind, kind, wat doe je jou vader en mij een verdriet aan, door zóó

maar weg te loopen!" zei moeder De Laat den volgenden avond diep

treurig tot haar zoon, die stil voor haar bed zat en niet zonder

aandoening het bleek en vermagerd gelaat der goede vrouw beschouwde.

"Maar vader en moeder doen _mij_ nog een grooter verdriet aan,"

sprak hij met zacht verwijt, "door me te noodzaken om weer thuis te

komen, juist als ik goed op weg ben om het tot iets meer dan een

leeglooper te brengen. Wat toch moet ik in huis uitvoeren? Er is

hier volstrekt niets voor me te doen, dan mij zelf en anderen in den

weg zijn."

"Och, och! dat ik nog moest beleven dat het zoover kwam!" zuchtte de

goede vrouw. "Arme, arme jongen! In gedachten zie 'k je later, als

je vader en ik reeds gestorven zijn, bij duisteren avond nog eens

terugkomen en om 't oude huis zwerven en aan ons en aan den goeden

ouden tijd terug denken, toen we hier samen nog zoo blij en gelukkig

bij elkander waren. Vreemde menschen zul je dan op onze oude

plaatsen zien zitten en voor jou, mijn kind, zullen ze dan geen

enkel plaatsje hebben open gelaten.

Je zult in je ouderlijk huis niet meer thuis zijn en misschien

daarin zelfs niet meer geduld worden.

Van nacht, in den droom, zag ik je hier om 't huis rondzwerven,

koud, doodmoe en hongerig, met gescheurde kleeren en doorgesleten

schoenen, terwijl 't binnen zoo warm, zoo licht en gezellig was en

de bewoners om de welvoorziene tafel zaten. 't Was avond en door de

reten van de vensterluiken gluurde je naar binnen. Je steunde 't

vermoeide hoofd tegen 't vensterkozijn; ik hoorde je zacht schreien

en 't ging me door de ziel. Een kleine hond daar binnen merkte je

op; hij begon te keffen en toen maakte jij je snel uit de voeten. En

toen de deur openging en 't licht zoo recht vriendelijk naar buiten

straalde, was je al achter 't kreupelhout op den dijk verdwenen.

Ik wilde je troosten, maar ik greep in de ijle lucht. Toen werd ik

wakker en riep je luid bij je, naam en Tonia van den nachtwacht kwam

uit het bed hiernaast stappen, zette zich neêr waar jij nu op 't

oogenblik zit en toen ik haar vroeg: "Waar is Steven? en waar is

mijn man? Zijn die nog al niet thuis gekomen?" zag ze mij

medelijdend aan. "Stel je gerust en beproef wat te slapen,

buurvrouw!" zei ze. "Morgen zullen ze wel al terug zijn." De goede

ziel schudde 't bed wat op en legde de kussens terecht en toen ik me

verder stil hield, ging ook zij weer slapen.

En nu ben je terug gekomen," zeide ze zacht en teeder. "En alles is

vergeven en vergeten. Ik ben blij, dat ik je dit nog zelf zeggen

kan. Want ik heb er een voorgevoel van, dat ik niet lang meer bij u

en uw vader zal kunnen blijven. Je moeder zegent je, mijn arme goede

jongen en ze is verzekerd, dat alles zich nog eens ten beste zal

schikken."

Ze strekte de vermagerde hand naar hem uit.

Hij vatte die, zichtbaar bewogen en hield ze in de zijne gesloten.

Er welden tranen in zijn oogen.

Die magere hand en arm; dat smal, vermagerd gelaat; die diepliggende

oogen, welke hem, ondanks al wat er gebeurd was, nog vol liefde

tegenschitterden zooals andere oogen, ook de vriendelijkste, dit

nooit deden, -- ze zeiden hem duidelijker dan woorden dit kunnen

doen, dat weldra die hand en die arm, door doodskou verstijfd, die

oogen al ras voor immer zouden gesloten zijn; dat de tijd aanstaande

was, waarin haar vriendelijke stem hem nooit meer zou kunnen

spreken van vergeven en vergeten en haar ooren niet meer zouden

kunnen vernemen zijn verzekering van diep berouw en zijn bede om

vergeving.

Hij boog zich snikkend over de goede vrouw heen en omarmde en kuste

haar, als in vroeger, gelukkiger tijden.

Op dit oogenblik kwam er een groote, ruige hond op de bedsponde

springen, zoodat de zieke er van ontstelde.

Het beest lekte de handen en 't gezicht van den zoon en trachtte hem

blijkbaar op die wijze te troosten en op te beuren.

"Hoe komt die hond zoo op eens hier?" vroeg de moeder verwonderd.

Steven klopte 't vriendelijk dier goedkeurend op zijn ruigen kop en

streelde hem met de vlakke hand over nek en rug.

"Een veertien dagen geleden wilden de jongens het arme beest

verdrinken, moeder!" zei hij. "Ze hadden een touw met een zwaren

steen er onderaan om den hals gestrikt. Maar 't verschrikte beest

huiverde en jankte en zag me zóó smeekend aan, dat ik medelijden met

hem kreeg en zei: "Geef mij dien hond maar!"

Sinds is hij altijd bij me gebleven.

En, o! je moest eens gezien hebben, moeder! welke sterke toeren hij

deed, toen we in die stadsherberg, waar vader me vond, onze

voorstellingen gaven. De zaal daverde van de toejuichingen!"

"Goed, goed mijn jongen!" zei de moeder met een afwerend handgebaar,

"zwijgen we verder daarover! Je vader zou 't erg verdrietig vinden,

als hij je daarvan hoorde vertellen, bedenk dit wel! En laat

voortaan ook voor hem alles vergeven en vergeten zijn! Hij is een

goed man en wel waard om liefde te ontvangen van wie hem 't liefst

zijn op de wereld."

De stem der moeder stierf weg in een zacht gefluister.

Zij sloot de vermoeide oogen.

Een diepe stilte heerschte nu in 't vertrek. Slechts het getik der

oude huisklok werd gehoord.

Steven voelde een huivering door de leden gaan; 't was hem, of hij

zoo plotseling uit het volle, rijke leven in een zonderlinge

droomwereld was verplaatst.

De zoo bekende ruimte, waarin hij nu leefde en ademde, door zooveel

zelfopofferende liefde van zijn goede ouders gewijd, had iets heel

vreemds en geheimzinnigs voor hem. Hij voelde de vervlogen tijden

met hun herinneringen als geesten hem omzweven. En zijn arme, goede

moeder, die daar nu zoo mat en bleek lag te sluimeren, scheen ook

reeds uit het leven te zijn gescheiden en tot het stille geestenrijk

te behooren.

De stralen der avondzon, die juist van achter een donkere wolk heen

naar binnen vielen, verleenden 't gelaat der zieke een hooge

bekoorlijkheid, als wilden ze de scheidende Moeder, die ondanks haar

gebreken toch groot was in liefde, tooien met de kroon der

onsterfelijkheid.

Het was de laatste maal, dat moeder en zoon zoo rustig, zoo

vertrouwelijk samen waren.

Eenige weken later was de bleeke, lijdende vrouw reeds voor goed te

rusten gelegd op de algemeene begraafplaats in den hoek onder den

treurbeuk en op 't paaltje aan 't hoofdeinde van haar graf waren de

voorletters van haar naam geschilderd.

Ze hadden haar in stillen ernst begraven. Op den wagen van boer

Reinders was de zwarte kist weggereden. Een viertal vrouwen uit de

familie zaten in rouwkleeren en met zwarte doeken om 't hoofd voor

en achter de kist op den geïmproviseerden lijkwagen en de mannen

liepen met zwarte kleeren en hooge hoeden op, er tegen en er achter.

En 't dichtst achter den wagen schreden stil De Laat en Steven

voort; de vader als één die de hoop en den steun van zijn leven

verloren heeft en nu geduldig wacht op den tijd, dat alle zorg en

kommer, alle droefheid en rouw zullen verdwenen zijn; de zoon,

aangedaan, snikkend van hartstochtelijke droefheid.

De torenklok werd geluid en heur sombere galmen klonken wijd heen

over de streek.

De begraafplaats was in weinig minuten bereikt. Er werden bij 't

graf eenige hartelijke woorden gesproken van de Liefde, die eeuwig

is en hoe wie haar bezitten de onsterfelijkheid deelachtig zijn. En

toen werd de kist in de groeve neergelaten en met aarde bedekt; de

klok hield op te luiden; de menschen keerden terug en de

plechtigheid was afgeloopen.

Daar ze een stille, huiselijke vrouw was geweest, werd er slechts

kort over haar gesproken.

Maar in huis meende men ze nog altijd te vernemen. Al was ook haar

stoel bij de tafel ledig, ze zou spoedig terugkomen. Als De Laat 's

avonds in de schemering in 't woonvertrek rondzag, meende hij haar

in 't naaste vertrek te hooren. Hij meende zelfs te hooren hoe zij

ademde en kuchte en eerst langzamerhand scheen 't hem recht

duidelijk te worden, dat ze werkelijk uit het huis verdwenen was en

daarin nooit meer zou terugkeeren. De herfstwind blies en de dorre

bladers stoven.

Ook de treurbeuk liet zijn loover vallen, bruin en geel en overdekte

haar graf, zoo eenzaam en stil, met een warme, kleurige sprei.

Later kwam de sneeuw het heele landschap in een lijkwade hullen. De

wind joeg ze als golvende lakens voor zich heen en wischte de sporen

uit van den eenzamen man, die telkens een bezoek kwam brengen aan 't

graf onder den treurbeuk.

En de sneeuw bleef aldoor neerdwarrelen uit een donkere lucht. De

boomtakken kraakten en bezweken onder dien schitterenden last, die

in sierlijke golvingen, als verbazend groote donzen kussens van den

donkeren mantel der dennenbosschen naar omlaag hing.

Maar de wolken dreven weg. De lucht was helder blauw. De zon scheen

op de sneeuw en herschiep het landschap als in een schitterende

tooverwereld.

Overal heerschte een diepe rust, een door niets gestoorde stilte.

Nu was 't eerst in waarheid Zondag.

Langs Slingerpaden · 第 25 / 30 题