XVII.

Op stroopen uit.

't Is in 't begin van Februari en in den na-nacht.

In gedachten bevinden we ons in de buurt van den huize Heiterloo en

wel op den landweg, vóór den donkeren ingang van 't bosch, dat het

kasteel aan drie zijden over een groote uitgestrektheid omgeeft.

Voor ons uit zien we iets wemelen en nu we naderbij komen, blijkt

het de gedaante te zijn van een man. Ook hooren we, gedempt, zijn

voetstappen in 't dorre loof.

Wat zou die persoon hier zoo vroeg al willen uitvoeren?

Haast schijnt hij volstrekt niet te hebben, want hij nadert slechts

langzaam.

Een dikken stok heeft hij onder den arm.

Op 't oogenblik, dat hij den donkeren ingang van 't bosch wil

binnentreden, slaat juist de klok in den toren van 't kasteel drie

uur.

Hoe lang, hoe vreemd, -- we zouden haast zeggen hoe spookachtig

galmt de laatste slag na in den zwijgenden nacht!

Een uil is er blijkbaar door wakker geschrikt: hij laat een paar

maal zijn droefgeestig geroep hooren. Dan wordt het weer overal

stil.

Zelfs de stappen van den nachtwandelaar zijn slechts even te hooren.

Zóó voorzichtig sluipt hij verder, dat enkel een zacht ritselen van

't dorre loof nu en dan zijn tegenwoordigheid verraadt.

't Is overal zoo stil, dat we onze ademhaling kunnen hooren. En

toch: als we goed luisteren, hooren we bovendien nu hier, dan daar

een geritsel, alsof we door levende wezens omringd zijn, die kringen

om ons heen te beschrijven, zooals eertijds de tooverpoeder die

beschreef om den bekenden dokter Faust. Hier, in 't hooge mastbosch,

is 't nog stiller en donkerder dan ergens elders.

We volgen in gedachten dien eenzamen man op zijn schreden. Maar 't

is een onaangename wandeling voor ons, die nog zoo pas door 't

vriendelijkst licht en de gezellige drukte van ons bekende menschen

omringd waren. 't Is of plotseling alles, wat ons lief was en

vreugde gaf, voor immer verdwenen is en we in 't vervolg door een

altijd durenden nacht zullen omringd zijn. En telkens hooren we nu

hier en dan weder daar dat suizen, zoo vreemd, in de donkere dennen

hoog boven ons, als 't gezucht van sombere reuzen; dat geritsel in

't dorre loof om ons heen, als van een sluipend en gluipend ondier,

dat ons naar 't leven staat. We hebben juist een gevoel of de nacht

leeft; of we van alle zijden door glinsterende oogen aangestaard

worden; of we als omspannen zijn door een onzichtbaar weefsel.

Een huivering gaat ons door de leden.

Een soortgelijk angstig gevoel moet in den morgen der geschiedenis

den eersten, half wilden Germaan beheerscht hebben, die hier in de

onmetelijke wouden en wildernissen verdoold geraakt, den eersten

nacht sleet in de forsche kroon van een eeuwenoude eik en in zijn

ontstelde verbeelding overal uit die woeste, wilde wereld dood en

verderf meende te zien en te hooren naderen.

Gelukkig voor den eenzamen nachtwandelaar, die nu als een

spookgedaante in de duisternis voor ons uit treedt, zijn hier in den

loop der eeuwen de beren, wolven, wilde zwijnen, ja zelfs op weinig

uitzondering na de sluipende, giftige adders verdwenen, welke dien

eersten mensch overal dreigend omringden.

Een luid, snorrend gerucht doet op eens den eenzamen man verrast

stilstaan.

Daar komt eenige oogenblikken later een ruigharig schepsel uit het

hout op den weg springen, loopt op den man, die blijkbaar zijn

meester is, toe, blijft kwispelstaartend voor hem staan en laat een

zacht, schor gebrom hooren.

"Koest, Fannie!" luidt het fluisterend bevel. En Steven De Laat,

-- want deze is 't, -- volgt nu sluipend den trouwen hond, die zoo

pas een troep fazanten opjoeg.

Twee dezer dieren hebben zich, misschien door voor den hond te

vluchten, vastgewerkt in de strikken, die zijn meester daar

geplaatst heeft en worden nu door dezen voor goeden prijs verklaard.

In plaats van, -- evenals andere menschen, -- door ijverig werken in

zijn onderhoud te voorzien, beproeft hij weer, evenals toen Dronken

Hannes nog leefde, met wild stroopen wat te verdienen. Want het moet

gezegd worden: er zit "durf" in dit jonge mensch. Bovendien is hij

vlug en schrander en Fannie, hoe oud ook, is dit eveneens.

Geen nacht gaat er in den laatsten tijd voorbij, waarop niet eenige

boschwachters of jachtopzieners op hem loeren. Maar Fannie komt deze

lieden door zijn reuk telkens op 't spoor. En zoodra merkt hij niet,

dat er iemand in de buurt waar zijn meesters strikken staan, op den

loer ligt, of hij waarschuwt dezen oogenblikkelijk. Steven Iaat dan

daar ter plaatse 't wild in de strikken onaangeroerd en 't wild, dat

hij reeds buit maakte, verbergt hij snel op een plaats, waar hij 't

gemakkelijk kan terugvinden.

Het geld, dat hij voor 't gestroopte wild krijgt, moet hem tot

zakgeld dienen. Hij verteert het gewoonlijk in één der talrijke

gelegenheden, welke daarvoor in de naburige grootere plaatsen worden

aangetroffen. Want een afstand van eenige uren gaans telt hij niet.

Het bosch van den huize Heiterloo biedt een uitmuntende gelegenheid

aan voor wildstroopers. In de omgeving van 't kasteel doorkruisen 't

breede wandelpaden, terwijl verderop landwegen en paden voor

voetgangers naar 't dorp of de naburige landerijen en weiden voeren.

Deze laatste vindt men niet alleen in de naaste omgeving van 't

bosch, maar op sommige plaatsen voeren ze er midden door.

Nu stond het graan te groenen op de akkers. 't Had nog niets van de

nachtvorsten te lijden gehad, want het was een zachte winter geweest

met veel sneeuw. Het wild uit heel de streek ging er aan te gast. De

hazen namen hun weg over zeer goed zichtbare paadjes, die in verloop

van tijd door hun stappen waren ontstaan.

Op die paden nu had Steven zijn strikken geplaatst. Als heer Lepel

zich dan terdege repte om den akker te bereiken, raakte hij in zoo'n

strik bekneld en iedere poging om zich los te rukken was oorzaak dat

die vaster om zijn keel sloot, zoodat hij door verstikking den dood

vond.

Steven was gewoon om den hond tegen den wind in te doen loopen,

opdat deze de jachtopzieners, die op hem loerden, vroeg genoeg onder

den reuk zou krijgen om hem nog tijdig te kunnen waarschuwen.

Doch in een bosch als dit, waarin paden en paadjes op de meest

grillige wijze in alle richtingen doorheen slingerden, ging daar

niettemin een zware wijs op.

Onze strooper was slechts weinige oogenblikken op 't voetspoor van

den hond in het duister van 't hout verdwenen, of hij kwam weer op

't pad terug met de twee fazanten onder zijn jas verborgen.

Vervolgens sloop hij weer een geruimen tijd voort over een publiek

pad, uitsluitend voor voetgangers bestemd en kerkpad geheeten.

Dergelijke paden loopen meestal zoo recht mogelijk uit ver

schillende richtingen op één plaats aan. In vroeger tijd dienden ze,

-- en ze doen dit nog, -- om langs den kortsten weg de kerk te

bereiken; vandaar de naam: _kerkpaden_. Ze doorsnijden heidevelden,

weiden en bouwlanden, loopen over de boerenerven soms tusschen 't

huis en de schuur door en storen zich aan geen gemaakte

begrenzingen. De boer ploegt ieder jaar gemakshalve die paden om,

welke vaak zijn akker diagonaalswijze in tweeën splitsen en hij

zaait er zijn koren op uit. Maar reeds den volgenden dag hebben de

schoolgaande kinderen of lieden, die de naburige plaats willen

bezoeken, waaronder vooral kerkgangers, de aarde weer plat getrapt

en 't pad opnieuw gebaand.

Slechts weinig wegen en paden herinneren zóó sterk aan 't grijs

verleden, toen er kapellen en kerken werden gebouwd en bij die

kerken scholen.

Daar vonden groot en klein een vereenigingspunt en ze rustten er uit

van de moeiten en zorgen des levens en er omheen, onder de groene

zoden, sliepen de betreurde vrienden en verwanten hun laatsten

slaap. Vijanden verbroederden zich met elkander binnen deze stille

muren, waar eeuw aan eeuw geleerd werd dat de Liefde de meester is.

Het streven naar orde, reinheid en een betere toekomst; de drang des

harten om lief te hebben en goed te doen, werd zoo gemeenschappelijk

goed.

Menigeen is in den loop der eeuwen over zoo'n kerkpad voortgegaan

met vluggen, vroolijken tred, in zijn beste pak, met een bloem of

veer op den hoed, als ging hij ten feest; menig ander schreed er

over voort in rouwkleederen, langzaam, zielsbedroefd of ongeneeslijk

ziek.

Als ze hun geschiedenissen konden vertellen, die eeuwenoude paden en

gebouwen, zou het overwaard zijn er naar te luisteren.

Maar die zijn weggewaaid met den wind. Slechts de zon, de maan en de

sterren kunnen ze weten, want die hebben alle geslachten voorgelicht

op de levensreis, zoo te nacht als bij dag. Doch keeren we terug tot

de geschiedenis van Steven de Laat.

Steven ging nog een geruimen tijd op zijn sluipende manier voort.

Het was duidelijk, dat hij zich hier op deze eenzame plek alles

behalve veilig achtte. Hij begreep dat een enkel schot voldoende was

om zijn hond te dooden en dan zou hij niet alleen hier, doch op al

zijn verdere tochten alleen staan. En de jachtopziener van Heiterloo

was in de heele streek bekend als een ruw persoon, die voor geen

klein gerucht vervaard was. Vroeger was hij een gevreesd

wildstrooper geweest en dus met de kunstgrepen van dit vak

uitstekend op de hoogte. Juist om die reden had men hem voor deze

betrekking gekozen.

Terwijl Steven over een en ander liep te peinzen, schrikte hij

eensklaps op. Fannie toch kwam plotseling uit het hout loopen en

sprong tegen hem op, terwijl hij een kwaadaardig gebrom liet hooren.

De strooper wierp nu snel de twee gevangen fazanten onder de dichte

takken van een paar dwergdennen en vervolgde toen schijnbaar bedaard

zijn wandeling, terwijl hij zacht zeide: "Hier blijven, Fannie!"

De hond bleef nu vlak achter hem loopen.

Dicht bij werden nu plotseling de takken als door een sterken

rukwind bewogen. Een stoere kerel sprong onverhoeds uit het donker

bosch te voorschijn. "Ha!" riep hij, "snap ik jou daar dan toch

eindelijk!" En hij vatte Steven vrij onzacht bij den schouder.

Maar op 't zelfde oogenblik vloog Fannie hem als een wolf naar de

keel.

"Help! help! ik word vermoord!" kermde de jachtopziener, -- want

deze was het.

"Fannie, hier!" gebood Steven.

Het trouwe dier gehoorzaamde terstond. Het ging voor zijn meester

staan en bleef den aanrander nijdig grommend met een kwaadaardig

geknipoog aanzien.

"Blijf daar staan, als je leven je lief is en houd vooral jouw

handen thuis," vermaande Steven. "En," -- dus ging hij voort,

"vertel mij eens, waarom je mij hier op dit publiek pad, waar

iedereen op elk uur van den dag of in den nacht vrij mag loopen, zoo

hardhandig hebt bij den schouder gepakt?"

"Heb je nu je hond vast?" vroeg de jachtopziener bevend.

"Welneen, maar dat is ook niet noodig."

"Ben je daar wel zoo heel zeker van?"

"Ja."

"Maar hij bromt toch zoo nijdig."

"Ja, hij houdt jou in de gaten! Maar zeg: waarom heb je mij zoo

brutaal aangerand?"

"Dat is mijn plicht. Je weet drommels goed, dat je hier geen

strikken mag zetten!"

"Doe ik dat dan?"

"Je weet zelf wel, dat je dat doet en 't ook al lang gedaan hebt.

Geef af het wild, dat je vannacht weer gevangen hebt!"

"Houd je bedaard!" zei Steven weer. "En zorg er voor, dat je geen

hand naar mij uitsteekt!"

De jachtopziener zag angstig naar 't ruige beest. Het lette scherp

op al zijn bewegingen en stond blijkbaar gereed om zich bij de

minste aanleiding weer op hem te werpen. 't Scheen hem in de

donkerheid veel grooter en gevaarlijker dan 't in werkelijkheid was.

Hoe gaarne hij ook door overmacht of dreigementen Steven tot een

bekentenis zou hebben gedwongen, iets wat hem bij andere

wildstroopers meer dan eens gelukt was, hij begreep nu maar al te

goed dat dit jonge mensch door middel van zijn hond hem volkomen in

de macht had.

"We zullen voor deze keer de zaak "blauw-blauw" laten, maar neem jou

in 't vervolg in acht!" zei hij schor, wendde zich om en haastte

zich weg.

Ook Steven vervolgde nu zijn tocht, maar stuurde oogenblikkelijk den

hond weer 't hout in.

Hij keek nog eens achter zich om en zag nu, dat de ander 't zelfde

deed en zijn geweer tot schieten gereed hield.

"Ha zoo! wou je den hond doodschieten?" mompelde Steven. "Dat zal je

dezen keer eens niet lukken: in 't hout kun je hem niet onder schot

krijgen!"

Schijnbaar was hij heel kalm. Maar in werkelijkheid had het

voorgevallene hem geducht doen ontstellen.

Toen dan ook de jachtopziener voor goed uit het gezicht was, riep

hij Fannie weer tot zich en liet hem verder weer achter zich aan

loopen.

Langs Slingerpaden · 第 27 / 30 题