Op stroopen uit.
't Is in 't begin van Februari en in den na-nacht.
In gedachten bevinden we ons in de buurt van den huize Heiterloo en
wel op den landweg, vóór den donkeren ingang van 't bosch, dat het
kasteel aan drie zijden over een groote uitgestrektheid omgeeft.
Voor ons uit zien we iets wemelen en nu we naderbij komen, blijkt
het de gedaante te zijn van een man. Ook hooren we, gedempt, zijn
voetstappen in 't dorre loof.
Wat zou die persoon hier zoo vroeg al willen uitvoeren?
Haast schijnt hij volstrekt niet te hebben, want hij nadert slechts
langzaam.
Een dikken stok heeft hij onder den arm.
Op 't oogenblik, dat hij den donkeren ingang van 't bosch wil
binnentreden, slaat juist de klok in den toren van 't kasteel drie
uur.
Hoe lang, hoe vreemd, -- we zouden haast zeggen hoe spookachtig
galmt de laatste slag na in den zwijgenden nacht!
Een uil is er blijkbaar door wakker geschrikt: hij laat een paar
maal zijn droefgeestig geroep hooren. Dan wordt het weer overal
stil.
Zelfs de stappen van den nachtwandelaar zijn slechts even te hooren.
Zóó voorzichtig sluipt hij verder, dat enkel een zacht ritselen van
't dorre loof nu en dan zijn tegenwoordigheid verraadt.
't Is overal zoo stil, dat we onze ademhaling kunnen hooren. En
toch: als we goed luisteren, hooren we bovendien nu hier, dan daar
een geritsel, alsof we door levende wezens omringd zijn, die kringen
om ons heen te beschrijven, zooals eertijds de tooverpoeder die
beschreef om den bekenden dokter Faust. Hier, in 't hooge mastbosch,
is 't nog stiller en donkerder dan ergens elders.
We volgen in gedachten dien eenzamen man op zijn schreden. Maar 't
is een onaangename wandeling voor ons, die nog zoo pas door 't
vriendelijkst licht en de gezellige drukte van ons bekende menschen
omringd waren. 't Is of plotseling alles, wat ons lief was en
vreugde gaf, voor immer verdwenen is en we in 't vervolg door een
altijd durenden nacht zullen omringd zijn. En telkens hooren we nu
hier en dan weder daar dat suizen, zoo vreemd, in de donkere dennen
hoog boven ons, als 't gezucht van sombere reuzen; dat geritsel in
't dorre loof om ons heen, als van een sluipend en gluipend ondier,
dat ons naar 't leven staat. We hebben juist een gevoel of de nacht
leeft; of we van alle zijden door glinsterende oogen aangestaard
worden; of we als omspannen zijn door een onzichtbaar weefsel.
Een huivering gaat ons door de leden.
Een soortgelijk angstig gevoel moet in den morgen der geschiedenis
den eersten, half wilden Germaan beheerscht hebben, die hier in de
onmetelijke wouden en wildernissen verdoold geraakt, den eersten
nacht sleet in de forsche kroon van een eeuwenoude eik en in zijn
ontstelde verbeelding overal uit die woeste, wilde wereld dood en
verderf meende te zien en te hooren naderen.
Gelukkig voor den eenzamen nachtwandelaar, die nu als een
spookgedaante in de duisternis voor ons uit treedt, zijn hier in den
loop der eeuwen de beren, wolven, wilde zwijnen, ja zelfs op weinig
uitzondering na de sluipende, giftige adders verdwenen, welke dien
eersten mensch overal dreigend omringden.
Een luid, snorrend gerucht doet op eens den eenzamen man verrast
stilstaan.
Daar komt eenige oogenblikken later een ruigharig schepsel uit het
hout op den weg springen, loopt op den man, die blijkbaar zijn
meester is, toe, blijft kwispelstaartend voor hem staan en laat een
zacht, schor gebrom hooren.
"Koest, Fannie!" luidt het fluisterend bevel. En Steven De Laat,
-- want deze is 't, -- volgt nu sluipend den trouwen hond, die zoo
pas een troep fazanten opjoeg.
Twee dezer dieren hebben zich, misschien door voor den hond te
vluchten, vastgewerkt in de strikken, die zijn meester daar
geplaatst heeft en worden nu door dezen voor goeden prijs verklaard.
In plaats van, -- evenals andere menschen, -- door ijverig werken in
zijn onderhoud te voorzien, beproeft hij weer, evenals toen Dronken
Hannes nog leefde, met wild stroopen wat te verdienen. Want het moet
gezegd worden: er zit "durf" in dit jonge mensch. Bovendien is hij
vlug en schrander en Fannie, hoe oud ook, is dit eveneens.
Geen nacht gaat er in den laatsten tijd voorbij, waarop niet eenige
boschwachters of jachtopzieners op hem loeren. Maar Fannie komt deze
lieden door zijn reuk telkens op 't spoor. En zoodra merkt hij niet,
dat er iemand in de buurt waar zijn meesters strikken staan, op den
loer ligt, of hij waarschuwt dezen oogenblikkelijk. Steven Iaat dan
daar ter plaatse 't wild in de strikken onaangeroerd en 't wild, dat
hij reeds buit maakte, verbergt hij snel op een plaats, waar hij 't
gemakkelijk kan terugvinden.
Het geld, dat hij voor 't gestroopte wild krijgt, moet hem tot
zakgeld dienen. Hij verteert het gewoonlijk in één der talrijke
gelegenheden, welke daarvoor in de naburige grootere plaatsen worden
aangetroffen. Want een afstand van eenige uren gaans telt hij niet.
Het bosch van den huize Heiterloo biedt een uitmuntende gelegenheid
aan voor wildstroopers. In de omgeving van 't kasteel doorkruisen 't
breede wandelpaden, terwijl verderop landwegen en paden voor
voetgangers naar 't dorp of de naburige landerijen en weiden voeren.
Deze laatste vindt men niet alleen in de naaste omgeving van 't
bosch, maar op sommige plaatsen voeren ze er midden door.
Nu stond het graan te groenen op de akkers. 't Had nog niets van de
nachtvorsten te lijden gehad, want het was een zachte winter geweest
met veel sneeuw. Het wild uit heel de streek ging er aan te gast. De
hazen namen hun weg over zeer goed zichtbare paadjes, die in verloop
van tijd door hun stappen waren ontstaan.
Op die paden nu had Steven zijn strikken geplaatst. Als heer Lepel
zich dan terdege repte om den akker te bereiken, raakte hij in zoo'n
strik bekneld en iedere poging om zich los te rukken was oorzaak dat
die vaster om zijn keel sloot, zoodat hij door verstikking den dood
vond.
Steven was gewoon om den hond tegen den wind in te doen loopen,
opdat deze de jachtopzieners, die op hem loerden, vroeg genoeg onder
den reuk zou krijgen om hem nog tijdig te kunnen waarschuwen.
Doch in een bosch als dit, waarin paden en paadjes op de meest
grillige wijze in alle richtingen doorheen slingerden, ging daar
niettemin een zware wijs op.
Onze strooper was slechts weinige oogenblikken op 't voetspoor van
den hond in het duister van 't hout verdwenen, of hij kwam weer op
't pad terug met de twee fazanten onder zijn jas verborgen.
Vervolgens sloop hij weer een geruimen tijd voort over een publiek
pad, uitsluitend voor voetgangers bestemd en kerkpad geheeten.
Dergelijke paden loopen meestal zoo recht mogelijk uit ver
schillende richtingen op één plaats aan. In vroeger tijd dienden ze,
-- en ze doen dit nog, -- om langs den kortsten weg de kerk te
bereiken; vandaar de naam: _kerkpaden_. Ze doorsnijden heidevelden,
weiden en bouwlanden, loopen over de boerenerven soms tusschen 't
huis en de schuur door en storen zich aan geen gemaakte
begrenzingen. De boer ploegt ieder jaar gemakshalve die paden om,
welke vaak zijn akker diagonaalswijze in tweeën splitsen en hij
zaait er zijn koren op uit. Maar reeds den volgenden dag hebben de
schoolgaande kinderen of lieden, die de naburige plaats willen
bezoeken, waaronder vooral kerkgangers, de aarde weer plat getrapt
en 't pad opnieuw gebaand.
Slechts weinig wegen en paden herinneren zóó sterk aan 't grijs
verleden, toen er kapellen en kerken werden gebouwd en bij die
kerken scholen.
Daar vonden groot en klein een vereenigingspunt en ze rustten er uit
van de moeiten en zorgen des levens en er omheen, onder de groene
zoden, sliepen de betreurde vrienden en verwanten hun laatsten
slaap. Vijanden verbroederden zich met elkander binnen deze stille
muren, waar eeuw aan eeuw geleerd werd dat de Liefde de meester is.
Het streven naar orde, reinheid en een betere toekomst; de drang des
harten om lief te hebben en goed te doen, werd zoo gemeenschappelijk
goed.
Menigeen is in den loop der eeuwen over zoo'n kerkpad voortgegaan
met vluggen, vroolijken tred, in zijn beste pak, met een bloem of
veer op den hoed, als ging hij ten feest; menig ander schreed er
over voort in rouwkleederen, langzaam, zielsbedroefd of ongeneeslijk
ziek.
Als ze hun geschiedenissen konden vertellen, die eeuwenoude paden en
gebouwen, zou het overwaard zijn er naar te luisteren.
Maar die zijn weggewaaid met den wind. Slechts de zon, de maan en de
sterren kunnen ze weten, want die hebben alle geslachten voorgelicht
op de levensreis, zoo te nacht als bij dag. Doch keeren we terug tot
de geschiedenis van Steven de Laat.
Steven ging nog een geruimen tijd op zijn sluipende manier voort.
Het was duidelijk, dat hij zich hier op deze eenzame plek alles
behalve veilig achtte. Hij begreep dat een enkel schot voldoende was
om zijn hond te dooden en dan zou hij niet alleen hier, doch op al
zijn verdere tochten alleen staan. En de jachtopziener van Heiterloo
was in de heele streek bekend als een ruw persoon, die voor geen
klein gerucht vervaard was. Vroeger was hij een gevreesd
wildstrooper geweest en dus met de kunstgrepen van dit vak
uitstekend op de hoogte. Juist om die reden had men hem voor deze
betrekking gekozen.
Terwijl Steven over een en ander liep te peinzen, schrikte hij
eensklaps op. Fannie toch kwam plotseling uit het hout loopen en
sprong tegen hem op, terwijl hij een kwaadaardig gebrom liet hooren.
De strooper wierp nu snel de twee gevangen fazanten onder de dichte
takken van een paar dwergdennen en vervolgde toen schijnbaar bedaard
zijn wandeling, terwijl hij zacht zeide: "Hier blijven, Fannie!"
De hond bleef nu vlak achter hem loopen.
Dicht bij werden nu plotseling de takken als door een sterken
rukwind bewogen. Een stoere kerel sprong onverhoeds uit het donker
bosch te voorschijn. "Ha!" riep hij, "snap ik jou daar dan toch
eindelijk!" En hij vatte Steven vrij onzacht bij den schouder.
Maar op 't zelfde oogenblik vloog Fannie hem als een wolf naar de
keel.
"Help! help! ik word vermoord!" kermde de jachtopziener, -- want
deze was het.
"Fannie, hier!" gebood Steven.
Het trouwe dier gehoorzaamde terstond. Het ging voor zijn meester
staan en bleef den aanrander nijdig grommend met een kwaadaardig
geknipoog aanzien.
"Blijf daar staan, als je leven je lief is en houd vooral jouw
handen thuis," vermaande Steven. "En," -- dus ging hij voort,
"vertel mij eens, waarom je mij hier op dit publiek pad, waar
iedereen op elk uur van den dag of in den nacht vrij mag loopen, zoo
hardhandig hebt bij den schouder gepakt?"
"Heb je nu je hond vast?" vroeg de jachtopziener bevend.
"Welneen, maar dat is ook niet noodig."
"Ben je daar wel zoo heel zeker van?"
"Ja."
"Maar hij bromt toch zoo nijdig."
"Ja, hij houdt jou in de gaten! Maar zeg: waarom heb je mij zoo
brutaal aangerand?"
"Dat is mijn plicht. Je weet drommels goed, dat je hier geen
strikken mag zetten!"
"Doe ik dat dan?"
"Je weet zelf wel, dat je dat doet en 't ook al lang gedaan hebt.
Geef af het wild, dat je vannacht weer gevangen hebt!"
"Houd je bedaard!" zei Steven weer. "En zorg er voor, dat je geen
hand naar mij uitsteekt!"
De jachtopziener zag angstig naar 't ruige beest. Het lette scherp
op al zijn bewegingen en stond blijkbaar gereed om zich bij de
minste aanleiding weer op hem te werpen. 't Scheen hem in de
donkerheid veel grooter en gevaarlijker dan 't in werkelijkheid was.
Hoe gaarne hij ook door overmacht of dreigementen Steven tot een
bekentenis zou hebben gedwongen, iets wat hem bij andere
wildstroopers meer dan eens gelukt was, hij begreep nu maar al te
goed dat dit jonge mensch door middel van zijn hond hem volkomen in
de macht had.
"We zullen voor deze keer de zaak "blauw-blauw" laten, maar neem jou
in 't vervolg in acht!" zei hij schor, wendde zich om en haastte
zich weg.
Ook Steven vervolgde nu zijn tocht, maar stuurde oogenblikkelijk den
hond weer 't hout in.
Hij keek nog eens achter zich om en zag nu, dat de ander 't zelfde
deed en zijn geweer tot schieten gereed hield.
"Ha zoo! wou je den hond doodschieten?" mompelde Steven. "Dat zal je
dezen keer eens niet lukken: in 't hout kun je hem niet onder schot
krijgen!"
Schijnbaar was hij heel kalm. Maar in werkelijkheid had het
voorgevallene hem geducht doen ontstellen.
Toen dan ook de jachtopziener voor goed uit het gezicht was, riep
hij Fannie weer tot zich en liet hem verder weer achter zich aan
loopen.