XIV.

Een vader, op weg om zijn zoon te zoeken.

Eenige jaren zijn er weer verloopen.

't Is een sombere herfstavond.

In gedachten bevinden we ons in een nauwe, donkere straat van één

onzer kleine steden, waar aan weerszijden de hooge huizen zich

spookachtig afteekenen tegen de donkere lucht.

De straat is bevloerd met groote keien, waarover men slechts

moeilijk kan voortgaan, omdat ze bij iederen stap de voeten knellen

en pijnigen.

Slechts hier en daar flikkert een lantaarn, die de naaste omgeving

maar gebrekkig verlicht.

De bejaarde man, die daar gebogen en hijgend voor ons uit gaat,

stoot zich tengevolge van zijn sloffenden gang telkens weer aan de

ruwe steenen.

Hij leunt zwaar op zijn stok. Blijkbaar is hij zeer vermoeid. En dat

is ook waarlijk geen wonder. Hij heeft toch al een lange,

bezwaarlijke reis achter den rug.

't ls onze oude kennis, de zaadhandelaar De Laat.

Wat heeft hij, zoo laat, nog in deze nauwe, donkere straat te doen?

Schuw kijkt hij telkens om zich heen.

Spiedend neemt hij de huizenrijen aan weerskanten in oogenschouw en

blijft nu en dan staan luisteren naar 't gerucht, dat daar binnen

gehoord wordt.

Enkele huizen zien er vrij wat deftiger uit dan al de overige. Voor

de breede ramen hangen kleurige gordijnen en er binnen hoort men een

luidruchtige dansmuziek. Door de openstaande deuren werpt hij

spiedende blikken in de helder verlichte gang. Maar als de portier

hem beleefd doch dringend uitnoodigt om binnen te komen, verwijdert

hij zich snel en met teekenen van schrik en afschuw.

De arme man zoekt zijn zoon, zijn Steven, die vóór eenige dagen de

ouderlijke woning verliet en van wien men sedert niets meer vernam.

En tegelijk met hem is ook Dronken Hannes verdwenen.

In den laatsten tijd gebeurde 't, helaas! wel meer, dat hij een

heelen nacht buitenshuis doorbracht, maar zóó lang als nu is hij

toch nog nooit weggebleven.

Zijn moeder is al sinds weken ziek en tobt aldoor over 't lot van

haar éénigen zoon. Als hij niet thuis is, heeft ze rust noch duur.

Sinds den vroegen morgen is De Laat al op 't pad. Nu is hij koud en

doodmoe. Zijn schoenen zijn erg bemodderd. Geen zonnestraal heeft

zijn weg vervroolijkt. De lucht was donker bewolkt en dreigde met

regen. Er woei een koude, vochtige wind.

Het water in de slooten en beken stond buitengewoon hoog en was op

sommige plaatsen buiten de oevers gevloeid, het had de lage weiden en

heidevelden en hier en daar zelfs de wegen overstroomd.

Aldoor verder ging de reis.

Hij heeft den moed niet, om zonder zijn jongen in huis terug te

komen, overtuigd als hij is, dat zijn vrouw dan doodelijk ongerust

worden zou.

Maar hoe zou hij hem vinden?

Voor wie iets of iemand zoekt, is de wereld zoo verbazend groot en

zijn er zooveel wegen, waarvan telkens weer nieuwe wegen uitloopen.

Onder deze omstandigheden wordt het zoeken haast een hopeloos werk.

De Laat kende al de wegen uit den omtrek. In alle wind en weer was

hij er over voortgespoed. Plassen had hij doorwaad, koude en hitte

moedig doorstaan, want hem kwelden zorgen noch verdriet en hij had

hoop op vertrouwen in de toekomst.

Zijn handel ging zeer voordeelig en de som, die hij en zijn vrouw

konden besparen, werd met ieder jaar grooter.

Hoe schoon, hoe licht en blij had toen hem en zijn brave vrouw de

toekomst geschenen!

En nu was alles zoo geheel anders geworden.

De zoon, op wien hun hoop gebouwd was, had de ouderlijke woning

verlaten, om in gezelschap van een gewoon vagebond de wereld in te

gaan, misschien wel om met dezen in 't vervolg als een straatslijper

rond te zwerven. En dat, terwijl hij zijn hulp in de zaak telkens

meer behoefde, want met het klimmen zijner jaren viel 't reizen hem

steeds moeilijker. En in plaats dat de zoon nu voor de zaak, die ook

dezen in staat stelde om in betrekkelijke welvaart te leven, op reis

zal gaan, moet de vader zijn huis verlaten om hem te zoeken en zijn

zieke vrouw aan de zorg van Tonia toevertrouwen.

Nu, het bedaarde, schrandere, werkzame meisje is dat vertrouwen wel

waardig.

Als de arme moeder zich bezorgd toonde over de toekomst van haar

zoon, -- en dat was telkens weer 't geval, -- dan wist ze haar beter

dan iemand anders gerust te stellen en de goede verwachtingen weer

in haar te wekken, die ze vroeger van haar kind had gekoesterd.

Moeder De Laat werd steeds meer aan haar verstandig en vriendelijk

buurmeisje gehecht en ze verlangde iederen dag naar het uur, waarop

ze gewoonlijk kwam opdagen.

De weg naar hier was vader De Laat erg lang gevallen. Zoo vreemd,

zoo treurig eenzaam hadden hem de vroeger zoo vriendelijke wegen en

paden geschenen.

Wanneer hij op zijn handelsreizen daar voorbijkwam, groette hem

iedereen en wisselde hij met de meesten eenige vriendelijke woorden.

Nu poogde hij geheel alleen en onopgemerkt zijn reis te vervolgen.

Dat was niet gemakkelijk.

Op schier iederen akker waren nu de lieden met den aardappelenoogst

bezig.

Uit de huizen, waar hij voorbijging, kwamen bekende vrouwen naar

buiten; sommige om water te putten, andere om de wasch te verzorgen

of eenig ander werk te verrichten.

Als hij ze zag, die bekende gezichten, en bedacht hoe vriendelijk ze

hem altijd hadden welkom geheeten, schaamde hij zich diep, hen nu

zonder groeten voorbij te moeten gaan.

Want hij was overtuigd dat ze, zoodra ze hem zagen, hem zouden

uitnoodigen om binnen te komen, wat uit te rusten en, -- evenals

vroeger, -- een kop koffie met een boterham te nuttigen. En hij was

verzekerd, dat dan haar eerste vraag wezen zou: "Hoe komt u zoo

hier? -- We hebben u in zoo langen tijd niet in deze buurt gezien."

En verder zouden ze vragen naar den welstand van vrouw en zoon en

wat de laatste zou worden: of hij ook voor den zaadhandel, dan wel

voor een handwerk of eenig vak van studie werd opgeleid.

De zielsbedroefde vader poogde zich dan achter 't kreupelhout ter

zijde van den weg te verbergen en zoo dit niet mogelijk was, sloop

hij voorbij, de oogen ten gronde gericht en zonder te groeten, in de

hoop van niet opgemerkt, in ieder geval niet herkend te worden.

Sommige merkten hem niettemin op en wanneer er dan twee of meer bij

elkander waren, hoorde hij haar zacht tegen elkaar zeggen:

"Lieve deugd, wat is die hupsche, vroolijke man treurig veranderd!

Wat is hij erg geouderd! Men zou hem haast niet weerom kennen."

Op verschillende plaatsen passeerde hij jongens en meisjes, die hun

koe langs de wegen hoedden. Ze kenden echter niet den bejaarden,

vermoeiden man, die daar sloffend kwam voorbijgaan en die hen

geregeld vroeg:

"Is je hier vandaag of gisteren of eergisteren niet een jongmensch

gepasseerd in gezelschap van een bejaard persoon, die zoo'n ruigen

pijekker aan had?"

Op die wijze had hij eenige uren na den middag 't geluk, zijn jongen

op 't spoor te komen.

"Eergisterenmorgen zijn hier twee zulke lui voorbij gekomen,"

verzekerde hem een kleine koeherder. "Ze gingen gearmd en zwaaiden

van links naar rechts, precies of ze dronken waren."

"Dom toch, dat ik daaraan niet eer gedacht heb!" mompelde de vader

en haastte zich, den weg naar de stad in te slaan, die intusschen

nog uren ver verwijderd was.

En gelijk we bij 't begin van dit hoofdstuk reeds mededeelden, --

hij bereikte eerst vrij laat in den avond het doel van zijn

treurigen tocht, een tocht die hem zou blijven heugen, al werd hij

ook honderd jaar oud.

Zoo had vader de Laat dan nu de stad bereikt. Maar voor iemand, die

er een geliefd kind moest opsporen, is zelfs een kleine stad

verbazend groot.

Intusschen begreep hij dat zijn jongen, nu hij Dronken Hannes tot

kameraad had, in geen geval in een zoogenaamde fatsoenlijke buurt

moest gezocht worden.

Hij wendde zich derhalve terstond tot de achterbuurt, waar we hem

zooeven ontmoetten en waarin hij tot dusver nog nooit een voet gezet

had.

Eindelijk bleef hij poozen voor een herberg, die met de voorzijde

naar een grootere straat gekeerd stond.

Hij luisterde ademloos toe.

Daar binnen klonk een luidruchtig gepraat en gelach.

De stem van zijn zoon meende hij luid boven die der anderen uit te

hooren.

Terwijl hij nog in beraad stond, of hij hier al of niet zoo te

zeggen met de deur zou komen in huis vallen, trad er een eenvoudig,

doch zindelijk gekleede vrouw met een knap, vriendelijk gezicht naar

buiten.

Ze bleef op de stoep staan.

"Hè!" zei ze, zich tot De Laat wendend, "'t is daar binnen bij die

dranklucht en dien tabakswalm op den duur niet om uit te houden!"

De Laat begreep, dat het de waardin was. Hij zei derhalve met een

toonlooze stem:

"'t Schijnt er in uw herberg druk te wezen vanavond, juffrouw!"

En terwijl hij dit zeide, beefde hij alsof hij de koorts had. Geen

wonder.

Hij herkende nu heel duidelijk de stem van zijn zoon, die op een

kommandotoon iets scheen te gebieden.

Daarop volgde een dof gebrom als van een beer, toen een herhaald

gebons op de planken vloer en eindelijk een daverend gejuich en

handgeklap.

"O ja!" antwoordde de waardin, "'t gaat er nu een paar avonden al

zeer luidruchtig toe. Gisteravond kwam hier zoo'n ruwe kerel met een

harigen pijekker aan en een ruwe muts op, zijn intrek nemen en hij

had een jongmensch van een goede achttien jaar bij zich, die, naar

zijn kleeding en zijn voorkomen te oordeelen, in 't geheel niet bij

hem past. En die twee maken daar binnen nu de poppen aan 't dansen.

Kent u dat jonge mensch bijgeval?"

"Ja! Is u de waardin hier?"

"Precies geraden! Hoe vraagt u dat zoo?"

"Dan begrijp ik waarlijk niet, hoe u er toe komen kunt om zulke

brooddronken lieden in uw herberg te laten den baas spelen. Als ik

in uw plaats ware, liet ik dat soort lui zonder omwegen buiten de

deur zetten."

"Van den baas spelen is hier in 't minst geen spraak," antwoordde de

kasteleines fier. "Die oude, dien je daar zoo leelijk hoort brommen,

loopt nu op handen en voeten door de gelagkamer en speelt voor beer.

En dat doet hij zóó natuurlijk, dat men om zijn potsen lachen moet,

of men wil of niet. Het jonge mensch speelt voor berenleider. Hij

houdt zijn ruigen kameraad vast aan een dik touw en laat hem dansen.

Gisteravond ging de oude languit op den rug op den vloer liggen en

liet één der gasten op zijn buik staan. En toen 't hem begon te

vervelen, deed hij dezen door een gezwinde intrekking en uitzetting

der buikspieren een buiteling maken, zoodat hij onder de

biljarttafel terecht kwam en in den eersten opslag van toeten noch

blazen wist. "Die is van de plank gewiepst!" riep hij zegevierend.

Er kwam geen einde aan de toejuichingen der gasten, terwijl 't jonge

mensch, dat met moeite van onder 't biljart kwam te voorschijn

kruipen, door de anderen werd in 't ootje genomen.

Dit spelletje wordt nu ook weer vertoond en de gasten vermaken er

zich kostelijk mee. Als het is afgeloopen, heft de beer zich weder

log en plomp overeind en 't jonge mensch, dat hem gezelschap houdt,

roept:

"Het eerste bedrijf is af. De kunst moet beloond worden! Als ieder

een kleinigheid bijdraagt, zijn ze alle twee geholpen: de

berenleider en de beer!"

En de bezoekers tasten in hun beurzen en de rojaalsten onthalen de

beide potsenmakers nog bovendien op een borrel of een glas bier.

Dan begint het tweede bedrijf.

Het jonge mensch loopt op handen en voeten zoo verbazend vlug door

de gelagkamer heen en weer, dat het verwonderlijk is om te zien. Wie

gewoon op zijn voeten loopt, kan hem nog haast niet bijhouden. Dan

buitelt hij verscheidene malen achtereen over zijn hoofd. Vervolgens

gaat hij op 't hoofd staan, -- eerst op den vloer. En de hond dien

ze bij zich hebben, -- een oud, leelijk mormel, ze noemen hem

Fannie, -- nu, die hond dan wipt op kommando heel netjes tusschen de

in de lucht geheven beenen van 't jonge mensch door. 'k Geloof

haast, dat ze nu juist tot daar toe met hun voorstelling gevorderd

zijn. Hoor maar, hoe ze 't uitschateren! Hoor ze eens in de handen

klappen! Maar 't spel zal nog vrij wat komieker worden. 't Jonge

mensch klimt vervolgens op een tafel en gaat ook daarop op zijn

hoofd staan, zoodat zijn beenen hoog in de lucht staan. En ofschoon

dit zooveel moeilijker te doen is, toch springt ook nu de hond er op

kommando flink weg door heen. En als dit eenige malen geschied is,

roept de oude, die voor beer gespeeld heeft:

"Het tweede bedrijf is afgeloopen. Gedenk de arme kunstenaars! Ieder

moet wat verdienen: ook wij kunnen onmogelijk van den wind leven,

ofschoon we 't al vaak genoeg geprobeerd hebben. Wees daarom voor

dezen keer een beetje rojaal, mijn lieve menschen en bedenk wel, dat

het zaliger is te geven, dan te ontvangen!"

Op die manier pratende gaat hij met zijn ruige muts rond en ontvangt

centen, stuivertjes en zelfs enkele dubbeltjes.

Dan komt het derde bedrijf.

Het jonge mensch leent van een der gasten een fiets en maakt daarop

allerlei kunsten. Hij rijdt er op rondom de biljarttafel, om gewone

tafels en stoelen heen; om kort te gaan: ook in dit opzicht

volbrengt hij verbazende toeren. Hij is een echte waaghals en 't zou

me volstrekt niet verwonderen, zoo hij op die manier nog eens een

ongeluk kreeg."

Wie beschrijft de gewaarwordingen van den armen vader, die eens

zulke groote verwachtingen koesterde van zijn zoon en nog steeds was

blijven hopen, dat hij eens de steun van zijn ouderdom wezen zou, nu

hij van deze vrouw moest vernemen dat zijn Steven in gezelschap van

Dronken Hannes haast net als een gewone bedelaar giften inzamelde

bij 't meest alledaagsche herbergpubliek.

Sprakeloos van droefheid bleef hij daar als aan den grond geboeid

staan.

De spraakzame kasteleines verwonderde zich over den indruk, dien

haar verhaal op den vreemdeling gemaakt had. En daar deze bleef

zwijgen, vervolgde zij:

"U meent misschien, dat we een goed werk zouden doen, als we voor

dit soort menschen onze herberg gesloten hielden.

Toch is juist het tegendeel 't geval.

Zoolang de klanten enkel pleizier maken, is 't voor alle partijen

beter, dat we ze laten begaan.

Door zooveel mogelijk den teugel te vieren, voorkomt men opstootjes.

Het ongeluk van veel jongelieden, ja zelfs van bejaarde menschen is,

dat ze geen gezellig, ja soms in 't geheel geen thuis hebben. En zoo

we hen hier de deur wijzen, loopen ze gevaar van in gelegenheden te

belanden, waar ze nog vrij wat erger middelen van tijdpasseering en

verstrooiing zullen vinden en gevaar loopen om met hun beurs tevens

hun gezondheid kwijt te raken."

"Hebt u zelf ook kinderen?" vroeg hierop De Laat met een toonlooze

stem.

"Ja we hebben een jongen en een meisje!" antwoordde ze, terwijl een

glans van geluk haar gelaat verhelderde.

"Zijn die op 't oogenblik ook daar in de gelagkamer?"

"Welneen! Ze hebben een afkeer van zulke ruwe tooneelen. Onze zoon

is op een handelskantoor werkzaam. Hij past goed op, verdient al

negen gulden in de week en zijn chef heeft hem beloofd, binnen kort

zijn loon te zullen verhoogen. Ons meisje helpt mij in de

huishouding en ofschoon ze nog pas veertien jaar is, kan ze al zoo

handig met de naald omgaan als ik zelf het nooit geleerd heb."

"Hoe is 't mogelijk, dat uw kinderen onder zulke omstandigheden toch

zoo braaf en oppassend gebleven zijn?" vroeg De Laat met blijkbare

verbazing.

"Wel," antwoordde de vrouw, "mijn man en ik hebben ons uiterste best

gedaan, om hun een gezellig thuis te verzekeren en ze steeds nuttige

bezigheid te verschaffen, zoodat ze lust in 't werken kregen. Ook

zorgden we, dat ze niet meer dan 't hoog noodige zakgeld hadden en

dat hun kameraden eenvoudige, flinke, werkzame jongeluitjes waren.

Verder zorgden we zooveel mogelijk voor goed voedsel, een doelmatige

kleeding, goede boeken en tevens voor de noodige leermiddelen.

Daarbij gaven we er nauwlettend acht op, dat de taak die ze te doen

kregen, voor hun leeftijd en krachten was berekend en dat er op de

inspanning steeds de noodige uitspanning en rust volgde. Maar boven

alles zorgden wij er voor, dat er in ons gezin altijd een

vriendelijke geest bleef heerschen, zoodat de kinderen een prettig

thuis hadden en niet uren achtereen op straat bleven rondzwerven.

Hebt u ook kinderen?" dus besloot de waardin op zachten toon te

vragen.

"Ach ja!" klonk het bedroefd antwoord. "'k Heb een zoon."

"Och zoo!" zei de goede vrouw meewarig. "'t Komt me voor, dat die

zoon u juist niet veel reden tot vreugde geeft."

"Neen, precies het tegendeel. Hij is den breeden weg opgegaan,

zooals men zegt," antwoordde de ongelukkige vader met een zucht.

"Arme man!" zei de vrouw op deelnemenden toon. "Ik ben waarlijk met

uw lot begaan. En leeft zijn moeder nog?"

"Ze leeft nog, ja! Maar ze is eenigszins zwak van gestel en 't

verdriet, dat ze van haar zoon gehad heeft, maakte haar onvatbaar

voor vreugde en geluk. In den laatsten tijd is ze meestal

bedlegerig."

"Hoe oud is uw zoon?" vroeg de vrouw weder met een zachte,

medelijdende stem.

De vermoeide vader, verteerd door kommer en hartzeer, bleef zwijgen.

Zijn lippen bewogen zich krampachtig; het was hem echter niet

mogelijk, om een woord uit te brengen. Tranen verduisterden zijn

oogen.

Door het diepst medelijden bewogen, vatte de waardin hem bij de

hand.

"Je bent doodmoe en moet wat uitrusten, aleer ge uw reis vervolgt,"

zei ze. "Kom mee!"

Hij volgde haar werktuigelijk. Ze traden een klein, net vertrek, dat

grensde aan de gelagkamer, binnen. En eenige oogenblikken later

stond er voor onzen eenzamen reiziger al een warm kop thee en een

flinke boterham op tafel.

Hij dronk de thee in eens uit. "Hé, daar frischt een mensch weer

heelemaal van op!" zei hij. "Mag ik nog een kop thee, als 't u

blieft?"

Dit zeggende haalde hij zijn beurs te voorschijn, om te toonen dat

hij niet arm was en 't geen hij gebruikte wenschte te betalen.

Doch de vrouw maakte met de hand een afwerend gebaar.

"Neen, laat dat blijven!" sprak ze, "wat de klanten bestellen moeten

ze natuurlijk betalen, maar u is van avond mijn gast. Het komt me

zoo voor, dat ge zijt uitgegaan om uw zoon te zoeken; anders zoudt

ge wel bij uw zieke vrouw zijn thuis gebleven. In gedachten stel ik

me in uw plaats, mijn goede man! Geen onzer weet, wat hem nog boven

't hoofd hangt. Onze zoon heeft een schat van mooie boeken. Sommige

staan vol verzen en één van deze boeken is van Tollens. Verleden

Zondag las ik deze regels, die me sinds altijd door 't hoofd spelen:

"'k Heb zoovele struikelaren,

Vrienden, op mijn weg ontmoet,

Die den ééns geglipten voet

Langer niet meer meester waren,

Wien zoo licht een tweede pas

En zoo zwaar het keeren was."

Het medelijden, dat deze eenvoudige vrouw hem betoonde, deed haar

geheel het vertrouwen van vader De Laat verwerven.

Hij vertelde haar nu, wie de berenleider en kunstenmaker was en

verzocht haar tevens hem te willen zeggen, hoe hij naar haar meening

in deze omstandigheden diende te handelen.

"Van avond kunt ge onmogelijk weer thuis komen," zei ze na eenig

beraad. "Bovendien zou 't ook niet verstandig wezen om nu uw zoon

onder de oogen te komen en hem in 't bijzijn van al die anderen te

bevelen om met u mee te gaan. Terwijl hij zich reeds aangewend heeft

om in alles zijn eigen hoofd te volgen, zou 't zeer de vraag zijn of

hij u, terwijl de anderen hem om 't zeerst toejuichen, zou

gehoorzamen. 't Best zal wezen, dat u van nacht hier blijft. De twee

vrienden hebben den vorigen nacht in onze schuur in 't hooi geslapen

en dit zullen ze ongetwijfeld van nacht weer wenschen te doen. Ik

zal zorgen, dat ze een goed avondmaal krijgen en ieder een paar

dekens om in te slapen. Als dan de schuur zorgvuldig gesloten wordt,

zijn we zeker dat ze ons niet ontsnappen. Morgen vroeg ga ik uw zoon

alleen te spreken vragen en breng hem dan bij u. Terwijl gij hem

tracht te overreden om u naar huis te volgen, praat ik met zijn

kameraad en dreig hem met de politie, omdat hij een minderjarige

buiten voorkennis van zijn ouders en zelfs tegen hun wil heeft

meegenomen. Van hem zul je dan in den eersten tijd geen last meer

hebben en zonder hem kan uw zoon vooreerst ook weinig uitvoeren.

Dronken Hannes is vroeger wel meer hier geweest en als ik dan maar

even van de politie repte, kroop hij dadelijk in zijn schulp. En ik

vermoed, dat hij daarvoor wel zijn goede redenen zal hebben."

Zóó werd dan ook besloten.

Langs Slingerpaden · 第 24 / 30 题