Een vader, op weg om zijn zoon te zoeken.
Eenige jaren zijn er weer verloopen.
't Is een sombere herfstavond.
In gedachten bevinden we ons in een nauwe, donkere straat van één
onzer kleine steden, waar aan weerszijden de hooge huizen zich
spookachtig afteekenen tegen de donkere lucht.
De straat is bevloerd met groote keien, waarover men slechts
moeilijk kan voortgaan, omdat ze bij iederen stap de voeten knellen
en pijnigen.
Slechts hier en daar flikkert een lantaarn, die de naaste omgeving
maar gebrekkig verlicht.
De bejaarde man, die daar gebogen en hijgend voor ons uit gaat,
stoot zich tengevolge van zijn sloffenden gang telkens weer aan de
ruwe steenen.
Hij leunt zwaar op zijn stok. Blijkbaar is hij zeer vermoeid. En dat
is ook waarlijk geen wonder. Hij heeft toch al een lange,
bezwaarlijke reis achter den rug.
't ls onze oude kennis, de zaadhandelaar De Laat.
Wat heeft hij, zoo laat, nog in deze nauwe, donkere straat te doen?
Schuw kijkt hij telkens om zich heen.
Spiedend neemt hij de huizenrijen aan weerskanten in oogenschouw en
blijft nu en dan staan luisteren naar 't gerucht, dat daar binnen
gehoord wordt.
Enkele huizen zien er vrij wat deftiger uit dan al de overige. Voor
de breede ramen hangen kleurige gordijnen en er binnen hoort men een
luidruchtige dansmuziek. Door de openstaande deuren werpt hij
spiedende blikken in de helder verlichte gang. Maar als de portier
hem beleefd doch dringend uitnoodigt om binnen te komen, verwijdert
hij zich snel en met teekenen van schrik en afschuw.
De arme man zoekt zijn zoon, zijn Steven, die vóór eenige dagen de
ouderlijke woning verliet en van wien men sedert niets meer vernam.
En tegelijk met hem is ook Dronken Hannes verdwenen.
In den laatsten tijd gebeurde 't, helaas! wel meer, dat hij een
heelen nacht buitenshuis doorbracht, maar zóó lang als nu is hij
toch nog nooit weggebleven.
Zijn moeder is al sinds weken ziek en tobt aldoor over 't lot van
haar éénigen zoon. Als hij niet thuis is, heeft ze rust noch duur.
Sinds den vroegen morgen is De Laat al op 't pad. Nu is hij koud en
doodmoe. Zijn schoenen zijn erg bemodderd. Geen zonnestraal heeft
zijn weg vervroolijkt. De lucht was donker bewolkt en dreigde met
regen. Er woei een koude, vochtige wind.
Het water in de slooten en beken stond buitengewoon hoog en was op
sommige plaatsen buiten de oevers gevloeid, het had de lage weiden en
heidevelden en hier en daar zelfs de wegen overstroomd.
Aldoor verder ging de reis.
Hij heeft den moed niet, om zonder zijn jongen in huis terug te
komen, overtuigd als hij is, dat zijn vrouw dan doodelijk ongerust
worden zou.
Maar hoe zou hij hem vinden?
Voor wie iets of iemand zoekt, is de wereld zoo verbazend groot en
zijn er zooveel wegen, waarvan telkens weer nieuwe wegen uitloopen.
Onder deze omstandigheden wordt het zoeken haast een hopeloos werk.
De Laat kende al de wegen uit den omtrek. In alle wind en weer was
hij er over voortgespoed. Plassen had hij doorwaad, koude en hitte
moedig doorstaan, want hem kwelden zorgen noch verdriet en hij had
hoop op vertrouwen in de toekomst.
Zijn handel ging zeer voordeelig en de som, die hij en zijn vrouw
konden besparen, werd met ieder jaar grooter.
Hoe schoon, hoe licht en blij had toen hem en zijn brave vrouw de
toekomst geschenen!
En nu was alles zoo geheel anders geworden.
De zoon, op wien hun hoop gebouwd was, had de ouderlijke woning
verlaten, om in gezelschap van een gewoon vagebond de wereld in te
gaan, misschien wel om met dezen in 't vervolg als een straatslijper
rond te zwerven. En dat, terwijl hij zijn hulp in de zaak telkens
meer behoefde, want met het klimmen zijner jaren viel 't reizen hem
steeds moeilijker. En in plaats dat de zoon nu voor de zaak, die ook
dezen in staat stelde om in betrekkelijke welvaart te leven, op reis
zal gaan, moet de vader zijn huis verlaten om hem te zoeken en zijn
zieke vrouw aan de zorg van Tonia toevertrouwen.
Nu, het bedaarde, schrandere, werkzame meisje is dat vertrouwen wel
waardig.
Als de arme moeder zich bezorgd toonde over de toekomst van haar
zoon, -- en dat was telkens weer 't geval, -- dan wist ze haar beter
dan iemand anders gerust te stellen en de goede verwachtingen weer
in haar te wekken, die ze vroeger van haar kind had gekoesterd.
Moeder De Laat werd steeds meer aan haar verstandig en vriendelijk
buurmeisje gehecht en ze verlangde iederen dag naar het uur, waarop
ze gewoonlijk kwam opdagen.
De weg naar hier was vader De Laat erg lang gevallen. Zoo vreemd,
zoo treurig eenzaam hadden hem de vroeger zoo vriendelijke wegen en
paden geschenen.
Wanneer hij op zijn handelsreizen daar voorbijkwam, groette hem
iedereen en wisselde hij met de meesten eenige vriendelijke woorden.
Nu poogde hij geheel alleen en onopgemerkt zijn reis te vervolgen.
Dat was niet gemakkelijk.
Op schier iederen akker waren nu de lieden met den aardappelenoogst
bezig.
Uit de huizen, waar hij voorbijging, kwamen bekende vrouwen naar
buiten; sommige om water te putten, andere om de wasch te verzorgen
of eenig ander werk te verrichten.
Als hij ze zag, die bekende gezichten, en bedacht hoe vriendelijk ze
hem altijd hadden welkom geheeten, schaamde hij zich diep, hen nu
zonder groeten voorbij te moeten gaan.
Want hij was overtuigd dat ze, zoodra ze hem zagen, hem zouden
uitnoodigen om binnen te komen, wat uit te rusten en, -- evenals
vroeger, -- een kop koffie met een boterham te nuttigen. En hij was
verzekerd, dat dan haar eerste vraag wezen zou: "Hoe komt u zoo
hier? -- We hebben u in zoo langen tijd niet in deze buurt gezien."
En verder zouden ze vragen naar den welstand van vrouw en zoon en
wat de laatste zou worden: of hij ook voor den zaadhandel, dan wel
voor een handwerk of eenig vak van studie werd opgeleid.
De zielsbedroefde vader poogde zich dan achter 't kreupelhout ter
zijde van den weg te verbergen en zoo dit niet mogelijk was, sloop
hij voorbij, de oogen ten gronde gericht en zonder te groeten, in de
hoop van niet opgemerkt, in ieder geval niet herkend te worden.
Sommige merkten hem niettemin op en wanneer er dan twee of meer bij
elkander waren, hoorde hij haar zacht tegen elkaar zeggen:
"Lieve deugd, wat is die hupsche, vroolijke man treurig veranderd!
Wat is hij erg geouderd! Men zou hem haast niet weerom kennen."
Op verschillende plaatsen passeerde hij jongens en meisjes, die hun
koe langs de wegen hoedden. Ze kenden echter niet den bejaarden,
vermoeiden man, die daar sloffend kwam voorbijgaan en die hen
geregeld vroeg:
"Is je hier vandaag of gisteren of eergisteren niet een jongmensch
gepasseerd in gezelschap van een bejaard persoon, die zoo'n ruigen
pijekker aan had?"
Op die wijze had hij eenige uren na den middag 't geluk, zijn jongen
op 't spoor te komen.
"Eergisterenmorgen zijn hier twee zulke lui voorbij gekomen,"
verzekerde hem een kleine koeherder. "Ze gingen gearmd en zwaaiden
van links naar rechts, precies of ze dronken waren."
"Dom toch, dat ik daaraan niet eer gedacht heb!" mompelde de vader
en haastte zich, den weg naar de stad in te slaan, die intusschen
nog uren ver verwijderd was.
En gelijk we bij 't begin van dit hoofdstuk reeds mededeelden, --
hij bereikte eerst vrij laat in den avond het doel van zijn
treurigen tocht, een tocht die hem zou blijven heugen, al werd hij
ook honderd jaar oud.
Zoo had vader de Laat dan nu de stad bereikt. Maar voor iemand, die
er een geliefd kind moest opsporen, is zelfs een kleine stad
verbazend groot.
Intusschen begreep hij dat zijn jongen, nu hij Dronken Hannes tot
kameraad had, in geen geval in een zoogenaamde fatsoenlijke buurt
moest gezocht worden.
Hij wendde zich derhalve terstond tot de achterbuurt, waar we hem
zooeven ontmoetten en waarin hij tot dusver nog nooit een voet gezet
had.
Eindelijk bleef hij poozen voor een herberg, die met de voorzijde
naar een grootere straat gekeerd stond.
Hij luisterde ademloos toe.
Daar binnen klonk een luidruchtig gepraat en gelach.
De stem van zijn zoon meende hij luid boven die der anderen uit te
hooren.
Terwijl hij nog in beraad stond, of hij hier al of niet zoo te
zeggen met de deur zou komen in huis vallen, trad er een eenvoudig,
doch zindelijk gekleede vrouw met een knap, vriendelijk gezicht naar
buiten.
Ze bleef op de stoep staan.
"Hè!" zei ze, zich tot De Laat wendend, "'t is daar binnen bij die
dranklucht en dien tabakswalm op den duur niet om uit te houden!"
De Laat begreep, dat het de waardin was. Hij zei derhalve met een
toonlooze stem:
"'t Schijnt er in uw herberg druk te wezen vanavond, juffrouw!"
En terwijl hij dit zeide, beefde hij alsof hij de koorts had. Geen
wonder.
Hij herkende nu heel duidelijk de stem van zijn zoon, die op een
kommandotoon iets scheen te gebieden.
Daarop volgde een dof gebrom als van een beer, toen een herhaald
gebons op de planken vloer en eindelijk een daverend gejuich en
handgeklap.
"O ja!" antwoordde de waardin, "'t gaat er nu een paar avonden al
zeer luidruchtig toe. Gisteravond kwam hier zoo'n ruwe kerel met een
harigen pijekker aan en een ruwe muts op, zijn intrek nemen en hij
had een jongmensch van een goede achttien jaar bij zich, die, naar
zijn kleeding en zijn voorkomen te oordeelen, in 't geheel niet bij
hem past. En die twee maken daar binnen nu de poppen aan 't dansen.
Kent u dat jonge mensch bijgeval?"
"Ja! Is u de waardin hier?"
"Precies geraden! Hoe vraagt u dat zoo?"
"Dan begrijp ik waarlijk niet, hoe u er toe komen kunt om zulke
brooddronken lieden in uw herberg te laten den baas spelen. Als ik
in uw plaats ware, liet ik dat soort lui zonder omwegen buiten de
deur zetten."
"Van den baas spelen is hier in 't minst geen spraak," antwoordde de
kasteleines fier. "Die oude, dien je daar zoo leelijk hoort brommen,
loopt nu op handen en voeten door de gelagkamer en speelt voor beer.
En dat doet hij zóó natuurlijk, dat men om zijn potsen lachen moet,
of men wil of niet. Het jonge mensch speelt voor berenleider. Hij
houdt zijn ruigen kameraad vast aan een dik touw en laat hem dansen.
Gisteravond ging de oude languit op den rug op den vloer liggen en
liet één der gasten op zijn buik staan. En toen 't hem begon te
vervelen, deed hij dezen door een gezwinde intrekking en uitzetting
der buikspieren een buiteling maken, zoodat hij onder de
biljarttafel terecht kwam en in den eersten opslag van toeten noch
blazen wist. "Die is van de plank gewiepst!" riep hij zegevierend.
Er kwam geen einde aan de toejuichingen der gasten, terwijl 't jonge
mensch, dat met moeite van onder 't biljart kwam te voorschijn
kruipen, door de anderen werd in 't ootje genomen.
Dit spelletje wordt nu ook weer vertoond en de gasten vermaken er
zich kostelijk mee. Als het is afgeloopen, heft de beer zich weder
log en plomp overeind en 't jonge mensch, dat hem gezelschap houdt,
roept:
"Het eerste bedrijf is af. De kunst moet beloond worden! Als ieder
een kleinigheid bijdraagt, zijn ze alle twee geholpen: de
berenleider en de beer!"
En de bezoekers tasten in hun beurzen en de rojaalsten onthalen de
beide potsenmakers nog bovendien op een borrel of een glas bier.
Dan begint het tweede bedrijf.
Het jonge mensch loopt op handen en voeten zoo verbazend vlug door
de gelagkamer heen en weer, dat het verwonderlijk is om te zien. Wie
gewoon op zijn voeten loopt, kan hem nog haast niet bijhouden. Dan
buitelt hij verscheidene malen achtereen over zijn hoofd. Vervolgens
gaat hij op 't hoofd staan, -- eerst op den vloer. En de hond dien
ze bij zich hebben, -- een oud, leelijk mormel, ze noemen hem
Fannie, -- nu, die hond dan wipt op kommando heel netjes tusschen de
in de lucht geheven beenen van 't jonge mensch door. 'k Geloof
haast, dat ze nu juist tot daar toe met hun voorstelling gevorderd
zijn. Hoor maar, hoe ze 't uitschateren! Hoor ze eens in de handen
klappen! Maar 't spel zal nog vrij wat komieker worden. 't Jonge
mensch klimt vervolgens op een tafel en gaat ook daarop op zijn
hoofd staan, zoodat zijn beenen hoog in de lucht staan. En ofschoon
dit zooveel moeilijker te doen is, toch springt ook nu de hond er op
kommando flink weg door heen. En als dit eenige malen geschied is,
roept de oude, die voor beer gespeeld heeft:
"Het tweede bedrijf is afgeloopen. Gedenk de arme kunstenaars! Ieder
moet wat verdienen: ook wij kunnen onmogelijk van den wind leven,
ofschoon we 't al vaak genoeg geprobeerd hebben. Wees daarom voor
dezen keer een beetje rojaal, mijn lieve menschen en bedenk wel, dat
het zaliger is te geven, dan te ontvangen!"
Op die manier pratende gaat hij met zijn ruige muts rond en ontvangt
centen, stuivertjes en zelfs enkele dubbeltjes.
Dan komt het derde bedrijf.
Het jonge mensch leent van een der gasten een fiets en maakt daarop
allerlei kunsten. Hij rijdt er op rondom de biljarttafel, om gewone
tafels en stoelen heen; om kort te gaan: ook in dit opzicht
volbrengt hij verbazende toeren. Hij is een echte waaghals en 't zou
me volstrekt niet verwonderen, zoo hij op die manier nog eens een
ongeluk kreeg."
Wie beschrijft de gewaarwordingen van den armen vader, die eens
zulke groote verwachtingen koesterde van zijn zoon en nog steeds was
blijven hopen, dat hij eens de steun van zijn ouderdom wezen zou, nu
hij van deze vrouw moest vernemen dat zijn Steven in gezelschap van
Dronken Hannes haast net als een gewone bedelaar giften inzamelde
bij 't meest alledaagsche herbergpubliek.
Sprakeloos van droefheid bleef hij daar als aan den grond geboeid
staan.
De spraakzame kasteleines verwonderde zich over den indruk, dien
haar verhaal op den vreemdeling gemaakt had. En daar deze bleef
zwijgen, vervolgde zij:
"U meent misschien, dat we een goed werk zouden doen, als we voor
dit soort menschen onze herberg gesloten hielden.
Toch is juist het tegendeel 't geval.
Zoolang de klanten enkel pleizier maken, is 't voor alle partijen
beter, dat we ze laten begaan.
Door zooveel mogelijk den teugel te vieren, voorkomt men opstootjes.
Het ongeluk van veel jongelieden, ja zelfs van bejaarde menschen is,
dat ze geen gezellig, ja soms in 't geheel geen thuis hebben. En zoo
we hen hier de deur wijzen, loopen ze gevaar van in gelegenheden te
belanden, waar ze nog vrij wat erger middelen van tijdpasseering en
verstrooiing zullen vinden en gevaar loopen om met hun beurs tevens
hun gezondheid kwijt te raken."
"Hebt u zelf ook kinderen?" vroeg hierop De Laat met een toonlooze
stem.
"Ja we hebben een jongen en een meisje!" antwoordde ze, terwijl een
glans van geluk haar gelaat verhelderde.
"Zijn die op 't oogenblik ook daar in de gelagkamer?"
"Welneen! Ze hebben een afkeer van zulke ruwe tooneelen. Onze zoon
is op een handelskantoor werkzaam. Hij past goed op, verdient al
negen gulden in de week en zijn chef heeft hem beloofd, binnen kort
zijn loon te zullen verhoogen. Ons meisje helpt mij in de
huishouding en ofschoon ze nog pas veertien jaar is, kan ze al zoo
handig met de naald omgaan als ik zelf het nooit geleerd heb."
"Hoe is 't mogelijk, dat uw kinderen onder zulke omstandigheden toch
zoo braaf en oppassend gebleven zijn?" vroeg De Laat met blijkbare
verbazing.
"Wel," antwoordde de vrouw, "mijn man en ik hebben ons uiterste best
gedaan, om hun een gezellig thuis te verzekeren en ze steeds nuttige
bezigheid te verschaffen, zoodat ze lust in 't werken kregen. Ook
zorgden we, dat ze niet meer dan 't hoog noodige zakgeld hadden en
dat hun kameraden eenvoudige, flinke, werkzame jongeluitjes waren.
Verder zorgden we zooveel mogelijk voor goed voedsel, een doelmatige
kleeding, goede boeken en tevens voor de noodige leermiddelen.
Daarbij gaven we er nauwlettend acht op, dat de taak die ze te doen
kregen, voor hun leeftijd en krachten was berekend en dat er op de
inspanning steeds de noodige uitspanning en rust volgde. Maar boven
alles zorgden wij er voor, dat er in ons gezin altijd een
vriendelijke geest bleef heerschen, zoodat de kinderen een prettig
thuis hadden en niet uren achtereen op straat bleven rondzwerven.
Hebt u ook kinderen?" dus besloot de waardin op zachten toon te
vragen.
"Ach ja!" klonk het bedroefd antwoord. "'k Heb een zoon."
"Och zoo!" zei de goede vrouw meewarig. "'t Komt me voor, dat die
zoon u juist niet veel reden tot vreugde geeft."
"Neen, precies het tegendeel. Hij is den breeden weg opgegaan,
zooals men zegt," antwoordde de ongelukkige vader met een zucht.
"Arme man!" zei de vrouw op deelnemenden toon. "Ik ben waarlijk met
uw lot begaan. En leeft zijn moeder nog?"
"Ze leeft nog, ja! Maar ze is eenigszins zwak van gestel en 't
verdriet, dat ze van haar zoon gehad heeft, maakte haar onvatbaar
voor vreugde en geluk. In den laatsten tijd is ze meestal
bedlegerig."
"Hoe oud is uw zoon?" vroeg de vrouw weder met een zachte,
medelijdende stem.
De vermoeide vader, verteerd door kommer en hartzeer, bleef zwijgen.
Zijn lippen bewogen zich krampachtig; het was hem echter niet
mogelijk, om een woord uit te brengen. Tranen verduisterden zijn
oogen.
Door het diepst medelijden bewogen, vatte de waardin hem bij de
hand.
"Je bent doodmoe en moet wat uitrusten, aleer ge uw reis vervolgt,"
zei ze. "Kom mee!"
Hij volgde haar werktuigelijk. Ze traden een klein, net vertrek, dat
grensde aan de gelagkamer, binnen. En eenige oogenblikken later
stond er voor onzen eenzamen reiziger al een warm kop thee en een
flinke boterham op tafel.
Hij dronk de thee in eens uit. "Hé, daar frischt een mensch weer
heelemaal van op!" zei hij. "Mag ik nog een kop thee, als 't u
blieft?"
Dit zeggende haalde hij zijn beurs te voorschijn, om te toonen dat
hij niet arm was en 't geen hij gebruikte wenschte te betalen.
Doch de vrouw maakte met de hand een afwerend gebaar.
"Neen, laat dat blijven!" sprak ze, "wat de klanten bestellen moeten
ze natuurlijk betalen, maar u is van avond mijn gast. Het komt me
zoo voor, dat ge zijt uitgegaan om uw zoon te zoeken; anders zoudt
ge wel bij uw zieke vrouw zijn thuis gebleven. In gedachten stel ik
me in uw plaats, mijn goede man! Geen onzer weet, wat hem nog boven
't hoofd hangt. Onze zoon heeft een schat van mooie boeken. Sommige
staan vol verzen en één van deze boeken is van Tollens. Verleden
Zondag las ik deze regels, die me sinds altijd door 't hoofd spelen:
"'k Heb zoovele struikelaren,
Vrienden, op mijn weg ontmoet,
Die den ééns geglipten voet
Langer niet meer meester waren,
Wien zoo licht een tweede pas
En zoo zwaar het keeren was."
Het medelijden, dat deze eenvoudige vrouw hem betoonde, deed haar
geheel het vertrouwen van vader De Laat verwerven.
Hij vertelde haar nu, wie de berenleider en kunstenmaker was en
verzocht haar tevens hem te willen zeggen, hoe hij naar haar meening
in deze omstandigheden diende te handelen.
"Van avond kunt ge onmogelijk weer thuis komen," zei ze na eenig
beraad. "Bovendien zou 't ook niet verstandig wezen om nu uw zoon
onder de oogen te komen en hem in 't bijzijn van al die anderen te
bevelen om met u mee te gaan. Terwijl hij zich reeds aangewend heeft
om in alles zijn eigen hoofd te volgen, zou 't zeer de vraag zijn of
hij u, terwijl de anderen hem om 't zeerst toejuichen, zou
gehoorzamen. 't Best zal wezen, dat u van nacht hier blijft. De twee
vrienden hebben den vorigen nacht in onze schuur in 't hooi geslapen
en dit zullen ze ongetwijfeld van nacht weer wenschen te doen. Ik
zal zorgen, dat ze een goed avondmaal krijgen en ieder een paar
dekens om in te slapen. Als dan de schuur zorgvuldig gesloten wordt,
zijn we zeker dat ze ons niet ontsnappen. Morgen vroeg ga ik uw zoon
alleen te spreken vragen en breng hem dan bij u. Terwijl gij hem
tracht te overreden om u naar huis te volgen, praat ik met zijn
kameraad en dreig hem met de politie, omdat hij een minderjarige
buiten voorkennis van zijn ouders en zelfs tegen hun wil heeft
meegenomen. Van hem zul je dan in den eersten tijd geen last meer
hebben en zonder hem kan uw zoon vooreerst ook weinig uitvoeren.
Dronken Hannes is vroeger wel meer hier geweest en als ik dan maar
even van de politie repte, kroop hij dadelijk in zijn schulp. En ik
vermoed, dat hij daarvoor wel zijn goede redenen zal hebben."
Zóó werd dan ook besloten.