XIII.

De mislukte Vischvangst.

Het voorjaar slingerde zijn saprijke, groene, met bloemen omwoelde

guirlandes over heiden en weiden, bosschen en velden, zelfs over 't

rustig voortkabbelende water van de beek.

Lijsters en nachtegalen zongen hun hoogste lied.

Vader De Laat was de heele week in huis bezig geweest met het in

orde brengen der boeken. Steven had hem daarbij geholpen, maar zoo

vaak hij daartoe kans had gezien, was hij naar buiten geloopen. Dat

in huis zitten bij zulk mooi weer was voor hem een ware straf. De

avonden sleet hij gewoonlijk in 't huis van den nachtwaker, bij zijn

vriendin Tonia.

Ook zijn vader was dat zittend leven erg zuur gevallen. 's Avonds

ging hij geregeld voor de achterdeur aan de straat frissche lucht

scheppen en maakte dan een praatje met zijn buurman, den smid

Verhoeven.

Zoo kwam de Zaterdagavond.

Hij was in een opgewekte stemming, vooral ook omdat zijn goede vrouw

zich veel beter voelde, dan ze in den laatsten tijd gedaan had.

"Wat een mooie avond, buurman!" Met deze woorden nam hij nevens zijn

vriend, den smid, plaats op de bank voor 't huis.

"Dat zeg je wel!" antwoordde deze. Hij deed een fermen haal aan de

zwakpijp en blies den rook in krullen en spiralen de lucht in.

"Van Steven hoorde ik heden middag, dat er in den kolk, daar, waar

vroeger een watermolen gestaan heeft, een boel mooie visch zit,"

hervatte De Laat. "Mijn vrouw houdt heel veel van visch, maar ze is

hier in de streek gewoonlijk voor geld en goede woorden niet te

bekomen."

De smid verzekerde, dat ook hij zeer gaarne visch lustte, liefst

mooi bruin gebakken.

Zacht suisde de avondwind in 't jonge loof der linde- en

kastanjeboomen langs de straat. In 't naburig elzenboschje zat een

nachtegaal te zingen. De menschen, die allen voor de deuren hunner

huizen kwamen zitten of staan, roemden als om strijd den schoonen

zomeravond, zoo lieflijk en mild.

"Notaris Verlaar heeft een vischnet, dat nog zoo goed als nieuw is,"

hervatte na eenige oogenblikken de smid.

"De notaris is niet thuis, naar ik gehoord heb," sprak De Laat.

"Des te beter," hernam de ander lachend, "dat net heeft hij

opgeborgen in zijn schuur en ik heb een sleutel, die op 't slot

ervan past."

"'t Zou inbraak plegen zijn!" hervatte zijn vriend en trok een zeer

bedenkelijk gezicht.

"Neen, zoo moet je 't niet noemen," viel de smid hierop in. "De

notaris komt ook bij mij nu dit en dan weer dat leenen. Voor een

goede veertien dagen kwam zijn keukenmeid nog de koekepan leenen van

mijn vrouw. Dat gaat over en weer en 't hoort ook zoo. Als twee

handen elkander wasschen, worden ze beide schoon."

"Dat is allemaal goed en wel," sprak weer De Laat, "maar we hebben

geen acte en mogen daarom ook niet met een net visschen."

"Ja, er mag zooveel niet, dat toch gebeurt!"

"Maar als de veldwachter ons betrapt, zijn we 't net kwijt en moeten

nog bovendien boete betalen."

"De veldwachter is stellig ook blij, als hij 's avonds rustig bij

vrouw en kinderen thuis kan zitten," oordeelde de smid.

De vrienden wachtten tot het donker geworden was en begaven zich

toen ter vischvangst. De Laat, aan een regelmatigen, bedaarden stap

gewoon, moest zich terdege reppen om zijn langen buurman op zijde te

kunnen blijven. Ze spoedden zich zwijgend voort door den tuin van

dezen, waar ze door een hooge beukenhaag aan 't gezicht der anderen

waren onttrokken. Een smal voetpad leidde hen verder 't kreupelbosch

in, dat uit hoog opgeschoten eiken- en elzenhakhout bestond.

De bodem hier was dik bedekt met dorre bladers van vorige jaren, die

ruischten en ritselden onder hun schreden.

"Loop toch wat zachter: men zou ons licht kunnen hooren!" vermaande

de smid.

"Ik loop zoo zacht mogelijk!" bromde zijn vriend. "Jij maakt met de

voeten vrij wat meer gerucht dan ik."

Om bij de beek te komen, moesten ze een sloot over die wel niet

breed was en waarin ook geen water stond, maar daarentegen veel

modder en er overheen een dek van dorre bladers.

Nu en dan raakten ze verward in de dorens en ze maakten onder die

omstandigheden vrij wat meer gerucht, dan wel dienstig was. De

vrienden voelden zich hoe langer hoe minder op hun gemak.

"Hier moet er gesprongen worden!" zei de smid fluisterend. "Daar ga

'k je vóór!"

Hij zette zich schrap en deed den sprong. Hij zweefde boven de sloot

en zou er wel overheen gezweefd zijn, als hij niet aan 't ééne been

op den overkant ware vastgehouden. Plotseling werd hij toch in zijn

vaart gestuit en in 't volgend oogenblik hing hij met het hoofd

omlaag in de sloot.

"Help! Help!" riep hij in de grootste ontsteltenis uit en dat vrij

wat luider, dan in de gegeven omstandigheden raadzaam was.

De Laat, die 't net droeg, bleef verbluft staan. "Wat zijn dat nu

voor kunsten?" vroeg hij verbaasd.

"Help toch! O, help! O, mijn been! 't Is, of mijn voet wordt

afgeklemd!" jammerde hij. En ondertusschen scharrelde hij met de

handen op den bodem der sloot in 't dorre loof en den modder, als

meende hij daar een vetten paling te pakken te krijgen.

"Hoe kom je daar toch zoo komiek aan je ééne been te hangen?" vroeg

De Laat, wien 't moeite kostte om niet hardop te lachen.

"Moest ik dan bijgeval aan mijn beide beenen hangen?" vroeg zijn

vriend boos. "In plaats van daar op den kant, te staan grinniken,

deed je beter met mij weer uit den strik te helpen waarin mijn voet

is bekneld geraakt."

Hij wist echter al tastend een over de sloot hangenden twijg te

vatten en 't gelukte hem zich met behulp daarvan tegen den

glooienden kant omhoog te werken, vóór zijn vriend nog een middel

had weten te bedenken om hem te hulp te komen.

Maar de wildstrik, die zijn been boven den enkel omknelde, was eerst

met moeite weer los te krijgen.

De vrienden stonden juist gereed om de sloot over te springen, toen

de Laat den wijsvinger vlak vóór 't gezicht van zijn makker ophief

en fluisterend zei: "Stil! Hoor je niets?"

"Neen," zei de ander, eveneens fluisterend. "Maar nadat ik in den

strik heb gehangen, heb ik zoo'n sterk geruisch in mijn ooren."

"'k Meende, hier dicht bij een zacht gegrinnik te hooren."

"Allemaal verbeelding!" fluisterde de smid. "Laten we liever wat

voortmaken!"

Zoo kwamen ze welhaast op de plaats waar ze wezen wilden.

De vischvangst kon alzoo beginnen.

"Mijnentwege visschen we den heelen nacht door!" fluisterde De Laat.

"'t Is zoo'n mooie avond."

"Neen, dan zou de slaap me te pakken krijgen! 'k Heb den heelen dag

voor een heet vuur staan kloppen en hameren. 't Been doet me ook

pijn."

De eerste trekken met het net waren vruchteloos.

"Alle begin is moeilijk," fluisterde hijgend en zweetend de

zaadhandelaar, terwijl hij een paar vischjes ter dikte van een duim

uit het net opdiepte en ze zóó voorzichtig op den kant legde, alsof

ze licht konden breken.

"Sssst!" fluisterde hij weer. "Was daar geen geritsel?"

Ze luisterden schier ademloos, want ze voelden zich hier alles

behalve op hun gemak.

"'t Zal de wind wezen!" zei de smid. "Dat lastig geruisch in mijn

ooren blijft maar aanhouden."

Weer hanteerden ze 't net zoo wakker, dat het zweet hun van 't hoofd

gutste. Vooral De Laat vond het erg warm. 't Bleef dan ook zeer

drukkend in de lucht.

Hun ijver werd met den besten uitslag bekroond. Ze haalden een half

dozijn groote snoeken op en wilden met hun buit huiswaarts keeren,

toen ze op eens hevig schrikten van een ruwe bulderstem, die hen

onder 't uiten van allerlei verwenschingen met het gerecht dreigde.

De twee vrienden lieten 't net en de visschen in den steek en

vluchtten weg zoo snel als ze konden.

Ook Dronken Hannes, -- want zoo zullen we hem maar blijven noemen,

-- had het dien dag geducht warm gehad.

Hij was weer den boer op geweest en had vrij veel bijeen gebracht,

dat hem kon te pas komen. Derhalve was hij in een goeden luim. Als

hij bij de lui aan huis was gekomen, had hij grappen verteld en

terwijl hij zich die onder 't voortgaan weer herinnerde, moest hij

overluid grinniken. 't Grappigst vond hij 't geval bij den daglooner

Verhorst. De vrouw was er alleen thuis geweest met het jongste kind,

dat nog in de wieg lag. Achter den rug der moeder had hij allerlei

leelijke gezichten tegen den kleine getrokken, zoodat deze

onbedaarlijk was beginnen te huilen. Want hij kon bijzonder goed

voor bullebak spelen. Men vertelde van hem, dat hij zelfs

gevaarlijke wachthonden, door ze strak aan te kijken, zóó angstig

kon maken, dat ze jankend, met den staart tusschen de beenen,

achterwaarts in hun hok terugkropen, waaruit ze een minuut te voren

woedend kwamen te voorschijn vliegen.

Wanneer hij ergens dronken aan den kant van den weg lag, -- en dat

gebeurde nog al eens, -- dan zou hij toch nooit nalaten om, als hij

er maar even kans toe zag, lieden die daar voorbij kwamen en hem

niet opmerkten, een streek te spelen. Menigeen, die anders voor geen

klein gerucht vervaard was, ging als een bloode haas op den loop,

wanneer hij bij avond op een eenzamen weg en in een boschrijke

streek rustig voortstappend, onverwachts van uit het kreupelhout aan

den kant de vreemdste en akeligste geluiden hoorde.

Paarden, die wat zenuwachtig waren, kon men bij avond onmogelijk

voorbij een plaats krijgen, waar zijn nabootsingen van kattengemauw,

ekstergeschreeuw of berengebrom gehoord werden, of de voerman moest

van den wagen stappen en hen bij den toom voortleiden.

Bijgeloovige lieden beweerden bij kris en kras, dat het in de buurt,

waar iets dergelijks was voorgevallen, heel erg spookte.

De landlooper had alzoo, -- daarvan hield hij zich overtuigd, -- den

dag bijzonder nuttig besteed.

Hij naderde nu het dorp, maar besloot de plaats te vermijden en 't

pad te gaan, dat langs de beek voerde en waarlangs hij eenige

minuten vroeger zijn woning bereiken kon.

Met zijn gewonen sluipenden tred als dien van een beer op sokken, de

oogen spiedend rond slaande, ging hij 't bruggetje over en vervolgde

langzaam zijn weg, want hij was erg moe.

Eensklaps stond hij paalstil. Hoorde hij daar aan de overzijde der

beek achter 't hooge hakhout geen leven?

Er was geen twijfel aan.

Maar wat kon dat zoo laat nog zijn?

Voorzichtig als een speurhond sloop hij nader bij en zag nu de twee

vrienden druk met het net in de weer. Oogenblikkelijk herkende hij

ze en hij begreep ook wel, dat ze zich daar aan wetsovertreding

schuldig maakten. Bovendien zag hij, hoe bij iederen trek met het

net het aantal visschen vermeerderde. Grijnslachend mompelde hij:

"Gaan jelui je gang maar, hoor! Ik zal hier intusschen een poosje

zitten uitblazen."

Eerst toen hij bespeurde, dat onze twee visschers gingen eindigen,

begon hij te roepen:

"O jij schurken! Onbeschaamde vischdieven! Wacht maar een oogenblik!

Wacht! zeg ik je. 'k Beveel het je, overeenkomstig artikel zóó en

zóóveel van de Wet!"

De Laat en zijn vriend, in de meening dat veldwachter Van Braam of

de jachtopziener van 't kasteel Heiterloo die bedreigingen uitte,

namen In allerijl de vlucht. Dronken Hannes pakte de visschen met

het net mede en, ofschoon hij zwaar bevracht was, daar hij den

gebedelden voorraad ook nog te dragen had, toch moest hij telkens

stil staan en om de kostelijke grap grinniken.

Hijgend als een stoompaard bereikten onze twee visschers het dorp.

Erg ontdaan kropen zij onder de dekens, wat te gemakkelijker viel,

omdat hun overige huisgenooten al sinds geruimen tijd in diepe rust

waren. Ze konden echter den slaap niet vatten. Van achteren speet

het hun, dat ze zich door den mooien avond en de gunstige

gelegenheid hadden laten verlokken om uit visschen te gaan.

{Illustratie: ... en blijft nu en dan staan luisteren ... (Pag.

113).}

De smid vroeg zich bezorgd af, wat daarvan wel 't gevolg zou zijn.

De mogelijkheid bestond toch, dat niet alleen de heer van Heiterloo,

maar ook al de boeren die pachters van dezen grondeigenaar waren, in

't vervolg zijn smidse zouden vermijden. In dat geval zou jaar op

jaar de schade aanmerkelijk wezen. Zonder last en onaangenaamheden

zou 't stellig niet afloopen, meende hij. De jachtopziener Vervoort

was een algemeen gehaat en gevreesd heerschap, die 't in hem

gestelde vertrouwen meer dan eens op een schandelijke wijze

misbruikt had, door onschuldige lieden achter slot en grendel te

helpen. Hij zou ook deze zaak stellig niet maar blauw-blauw laten.

Ruim een kwartier zou Verhoeven aldus hebben liggen peinzen, toen

hij eensklaps tot zijn groote ontsteltenis een luid kloppen op 't

venster van zijn slaapvertrek hoorde, 't welk hem deed opschrikken.

Hij hield den adem in en bleef ingespannen in 't bed zitten

luisteren.

Spoedig werd het kloppen herhaald.

Toen vermande hij zich en vroeg luid:

"Wie is daar?"

Een grove stem van buiten antwoordde:

"'t Spijt me baas, maar 'k heb onaangenaam nieuws voor je: 'k moet

namelijk rapport van je maken!"

"'t Was de eerste maal en 't zal ook de laatste maal zijn,"

verzekerde deemoedig de smid, die intusschen opgestaan en naar 't

raam toegekomen was.

"Zóó waarlijk! Dan ben je er al dadelijk leelijk ingeloopen! Weet je

wat? Schuif vlug het raam op en geef me een rijksdaalder. In dat

geval zal ik zorgen, dat de zaak geheim blijft."

De smid haastte zich om aan dit bevel te voldoen en legde zich toen

weer ter rust, blij dat de zaak voor hem zulk een gunstige wending

genomen had. Maar 't was toch een dure pret voor hem geweest.

Hannes streek den rijksdaalder op, gaf brommend den raad dat zoo

iets nooit weer gebeuren moest en spoedde zich toen naar de woning

van De Laat, waar hij met het gewenschte gevolg dezelfde comedie

speelde.

De twee vrienden moesten nu een nieuw net koopen en ze waren nog

bovendien ieder een rijksdaalder kwijt.

De vagebond wist het gekaapte net in een naburig stadje voordeelig

van de hand te doen.

Toen had hij geld.

De gelegenheid was gunstig.

Het weder was uitlokkend.

Hij nam derhalve den dikken knuppel, die hem voor wandelstaf diende,

ter hand, snoof de lucht op als een beer die zijn prooi ruikt,

draaide zich op zijn breede, plompe voeten, die in vuile, erg

havelooze schoenen staken en vrij veel overeenkomst vertoonden met

de klauwen van een beer, naar 't Oosten, naar 't Westen en naar 't

Zuiden en stapte toen in de beste stemming voort waarheen de

omstandigheden hem voeren zouden, zóó kordaat als ware hij van plan

geweest een reis om de wereld te ondernemen.

Langs Slingerpaden · 第 23 / 30 题