De mislukte Vischvangst.
Het voorjaar slingerde zijn saprijke, groene, met bloemen omwoelde
guirlandes over heiden en weiden, bosschen en velden, zelfs over 't
rustig voortkabbelende water van de beek.
Lijsters en nachtegalen zongen hun hoogste lied.
Vader De Laat was de heele week in huis bezig geweest met het in
orde brengen der boeken. Steven had hem daarbij geholpen, maar zoo
vaak hij daartoe kans had gezien, was hij naar buiten geloopen. Dat
in huis zitten bij zulk mooi weer was voor hem een ware straf. De
avonden sleet hij gewoonlijk in 't huis van den nachtwaker, bij zijn
vriendin Tonia.
Ook zijn vader was dat zittend leven erg zuur gevallen. 's Avonds
ging hij geregeld voor de achterdeur aan de straat frissche lucht
scheppen en maakte dan een praatje met zijn buurman, den smid
Verhoeven.
Zoo kwam de Zaterdagavond.
Hij was in een opgewekte stemming, vooral ook omdat zijn goede vrouw
zich veel beter voelde, dan ze in den laatsten tijd gedaan had.
"Wat een mooie avond, buurman!" Met deze woorden nam hij nevens zijn
vriend, den smid, plaats op de bank voor 't huis.
"Dat zeg je wel!" antwoordde deze. Hij deed een fermen haal aan de
zwakpijp en blies den rook in krullen en spiralen de lucht in.
"Van Steven hoorde ik heden middag, dat er in den kolk, daar, waar
vroeger een watermolen gestaan heeft, een boel mooie visch zit,"
hervatte De Laat. "Mijn vrouw houdt heel veel van visch, maar ze is
hier in de streek gewoonlijk voor geld en goede woorden niet te
bekomen."
De smid verzekerde, dat ook hij zeer gaarne visch lustte, liefst
mooi bruin gebakken.
Zacht suisde de avondwind in 't jonge loof der linde- en
kastanjeboomen langs de straat. In 't naburig elzenboschje zat een
nachtegaal te zingen. De menschen, die allen voor de deuren hunner
huizen kwamen zitten of staan, roemden als om strijd den schoonen
zomeravond, zoo lieflijk en mild.
"Notaris Verlaar heeft een vischnet, dat nog zoo goed als nieuw is,"
hervatte na eenige oogenblikken de smid.
"De notaris is niet thuis, naar ik gehoord heb," sprak De Laat.
"Des te beter," hernam de ander lachend, "dat net heeft hij
opgeborgen in zijn schuur en ik heb een sleutel, die op 't slot
ervan past."
"'t Zou inbraak plegen zijn!" hervatte zijn vriend en trok een zeer
bedenkelijk gezicht.
"Neen, zoo moet je 't niet noemen," viel de smid hierop in. "De
notaris komt ook bij mij nu dit en dan weer dat leenen. Voor een
goede veertien dagen kwam zijn keukenmeid nog de koekepan leenen van
mijn vrouw. Dat gaat over en weer en 't hoort ook zoo. Als twee
handen elkander wasschen, worden ze beide schoon."
"Dat is allemaal goed en wel," sprak weer De Laat, "maar we hebben
geen acte en mogen daarom ook niet met een net visschen."
"Ja, er mag zooveel niet, dat toch gebeurt!"
"Maar als de veldwachter ons betrapt, zijn we 't net kwijt en moeten
nog bovendien boete betalen."
"De veldwachter is stellig ook blij, als hij 's avonds rustig bij
vrouw en kinderen thuis kan zitten," oordeelde de smid.
De vrienden wachtten tot het donker geworden was en begaven zich
toen ter vischvangst. De Laat, aan een regelmatigen, bedaarden stap
gewoon, moest zich terdege reppen om zijn langen buurman op zijde te
kunnen blijven. Ze spoedden zich zwijgend voort door den tuin van
dezen, waar ze door een hooge beukenhaag aan 't gezicht der anderen
waren onttrokken. Een smal voetpad leidde hen verder 't kreupelbosch
in, dat uit hoog opgeschoten eiken- en elzenhakhout bestond.
De bodem hier was dik bedekt met dorre bladers van vorige jaren, die
ruischten en ritselden onder hun schreden.
"Loop toch wat zachter: men zou ons licht kunnen hooren!" vermaande
de smid.
"Ik loop zoo zacht mogelijk!" bromde zijn vriend. "Jij maakt met de
voeten vrij wat meer gerucht dan ik."
Om bij de beek te komen, moesten ze een sloot over die wel niet
breed was en waarin ook geen water stond, maar daarentegen veel
modder en er overheen een dek van dorre bladers.
Nu en dan raakten ze verward in de dorens en ze maakten onder die
omstandigheden vrij wat meer gerucht, dan wel dienstig was. De
vrienden voelden zich hoe langer hoe minder op hun gemak.
"Hier moet er gesprongen worden!" zei de smid fluisterend. "Daar ga
'k je vóór!"
Hij zette zich schrap en deed den sprong. Hij zweefde boven de sloot
en zou er wel overheen gezweefd zijn, als hij niet aan 't ééne been
op den overkant ware vastgehouden. Plotseling werd hij toch in zijn
vaart gestuit en in 't volgend oogenblik hing hij met het hoofd
omlaag in de sloot.
"Help! Help!" riep hij in de grootste ontsteltenis uit en dat vrij
wat luider, dan in de gegeven omstandigheden raadzaam was.
De Laat, die 't net droeg, bleef verbluft staan. "Wat zijn dat nu
voor kunsten?" vroeg hij verbaasd.
"Help toch! O, help! O, mijn been! 't Is, of mijn voet wordt
afgeklemd!" jammerde hij. En ondertusschen scharrelde hij met de
handen op den bodem der sloot in 't dorre loof en den modder, als
meende hij daar een vetten paling te pakken te krijgen.
"Hoe kom je daar toch zoo komiek aan je ééne been te hangen?" vroeg
De Laat, wien 't moeite kostte om niet hardop te lachen.
"Moest ik dan bijgeval aan mijn beide beenen hangen?" vroeg zijn
vriend boos. "In plaats van daar op den kant, te staan grinniken,
deed je beter met mij weer uit den strik te helpen waarin mijn voet
is bekneld geraakt."
Hij wist echter al tastend een over de sloot hangenden twijg te
vatten en 't gelukte hem zich met behulp daarvan tegen den
glooienden kant omhoog te werken, vóór zijn vriend nog een middel
had weten te bedenken om hem te hulp te komen.
Maar de wildstrik, die zijn been boven den enkel omknelde, was eerst
met moeite weer los te krijgen.
De vrienden stonden juist gereed om de sloot over te springen, toen
de Laat den wijsvinger vlak vóór 't gezicht van zijn makker ophief
en fluisterend zei: "Stil! Hoor je niets?"
"Neen," zei de ander, eveneens fluisterend. "Maar nadat ik in den
strik heb gehangen, heb ik zoo'n sterk geruisch in mijn ooren."
"'k Meende, hier dicht bij een zacht gegrinnik te hooren."
"Allemaal verbeelding!" fluisterde de smid. "Laten we liever wat
voortmaken!"
Zoo kwamen ze welhaast op de plaats waar ze wezen wilden.
De vischvangst kon alzoo beginnen.
"Mijnentwege visschen we den heelen nacht door!" fluisterde De Laat.
"'t Is zoo'n mooie avond."
"Neen, dan zou de slaap me te pakken krijgen! 'k Heb den heelen dag
voor een heet vuur staan kloppen en hameren. 't Been doet me ook
pijn."
De eerste trekken met het net waren vruchteloos.
"Alle begin is moeilijk," fluisterde hijgend en zweetend de
zaadhandelaar, terwijl hij een paar vischjes ter dikte van een duim
uit het net opdiepte en ze zóó voorzichtig op den kant legde, alsof
ze licht konden breken.
"Sssst!" fluisterde hij weer. "Was daar geen geritsel?"
Ze luisterden schier ademloos, want ze voelden zich hier alles
behalve op hun gemak.
"'t Zal de wind wezen!" zei de smid. "Dat lastig geruisch in mijn
ooren blijft maar aanhouden."
Weer hanteerden ze 't net zoo wakker, dat het zweet hun van 't hoofd
gutste. Vooral De Laat vond het erg warm. 't Bleef dan ook zeer
drukkend in de lucht.
Hun ijver werd met den besten uitslag bekroond. Ze haalden een half
dozijn groote snoeken op en wilden met hun buit huiswaarts keeren,
toen ze op eens hevig schrikten van een ruwe bulderstem, die hen
onder 't uiten van allerlei verwenschingen met het gerecht dreigde.
De twee vrienden lieten 't net en de visschen in den steek en
vluchtten weg zoo snel als ze konden.
Ook Dronken Hannes, -- want zoo zullen we hem maar blijven noemen,
-- had het dien dag geducht warm gehad.
Hij was weer den boer op geweest en had vrij veel bijeen gebracht,
dat hem kon te pas komen. Derhalve was hij in een goeden luim. Als
hij bij de lui aan huis was gekomen, had hij grappen verteld en
terwijl hij zich die onder 't voortgaan weer herinnerde, moest hij
overluid grinniken. 't Grappigst vond hij 't geval bij den daglooner
Verhorst. De vrouw was er alleen thuis geweest met het jongste kind,
dat nog in de wieg lag. Achter den rug der moeder had hij allerlei
leelijke gezichten tegen den kleine getrokken, zoodat deze
onbedaarlijk was beginnen te huilen. Want hij kon bijzonder goed
voor bullebak spelen. Men vertelde van hem, dat hij zelfs
gevaarlijke wachthonden, door ze strak aan te kijken, zóó angstig
kon maken, dat ze jankend, met den staart tusschen de beenen,
achterwaarts in hun hok terugkropen, waaruit ze een minuut te voren
woedend kwamen te voorschijn vliegen.
Wanneer hij ergens dronken aan den kant van den weg lag, -- en dat
gebeurde nog al eens, -- dan zou hij toch nooit nalaten om, als hij
er maar even kans toe zag, lieden die daar voorbij kwamen en hem
niet opmerkten, een streek te spelen. Menigeen, die anders voor geen
klein gerucht vervaard was, ging als een bloode haas op den loop,
wanneer hij bij avond op een eenzamen weg en in een boschrijke
streek rustig voortstappend, onverwachts van uit het kreupelhout aan
den kant de vreemdste en akeligste geluiden hoorde.
Paarden, die wat zenuwachtig waren, kon men bij avond onmogelijk
voorbij een plaats krijgen, waar zijn nabootsingen van kattengemauw,
ekstergeschreeuw of berengebrom gehoord werden, of de voerman moest
van den wagen stappen en hen bij den toom voortleiden.
Bijgeloovige lieden beweerden bij kris en kras, dat het in de buurt,
waar iets dergelijks was voorgevallen, heel erg spookte.
De landlooper had alzoo, -- daarvan hield hij zich overtuigd, -- den
dag bijzonder nuttig besteed.
Hij naderde nu het dorp, maar besloot de plaats te vermijden en 't
pad te gaan, dat langs de beek voerde en waarlangs hij eenige
minuten vroeger zijn woning bereiken kon.
Met zijn gewonen sluipenden tred als dien van een beer op sokken, de
oogen spiedend rond slaande, ging hij 't bruggetje over en vervolgde
langzaam zijn weg, want hij was erg moe.
Eensklaps stond hij paalstil. Hoorde hij daar aan de overzijde der
beek achter 't hooge hakhout geen leven?
Er was geen twijfel aan.
Maar wat kon dat zoo laat nog zijn?
Voorzichtig als een speurhond sloop hij nader bij en zag nu de twee
vrienden druk met het net in de weer. Oogenblikkelijk herkende hij
ze en hij begreep ook wel, dat ze zich daar aan wetsovertreding
schuldig maakten. Bovendien zag hij, hoe bij iederen trek met het
net het aantal visschen vermeerderde. Grijnslachend mompelde hij:
"Gaan jelui je gang maar, hoor! Ik zal hier intusschen een poosje
zitten uitblazen."
Eerst toen hij bespeurde, dat onze twee visschers gingen eindigen,
begon hij te roepen:
"O jij schurken! Onbeschaamde vischdieven! Wacht maar een oogenblik!
Wacht! zeg ik je. 'k Beveel het je, overeenkomstig artikel zóó en
zóóveel van de Wet!"
De Laat en zijn vriend, in de meening dat veldwachter Van Braam of
de jachtopziener van 't kasteel Heiterloo die bedreigingen uitte,
namen In allerijl de vlucht. Dronken Hannes pakte de visschen met
het net mede en, ofschoon hij zwaar bevracht was, daar hij den
gebedelden voorraad ook nog te dragen had, toch moest hij telkens
stil staan en om de kostelijke grap grinniken.
Hijgend als een stoompaard bereikten onze twee visschers het dorp.
Erg ontdaan kropen zij onder de dekens, wat te gemakkelijker viel,
omdat hun overige huisgenooten al sinds geruimen tijd in diepe rust
waren. Ze konden echter den slaap niet vatten. Van achteren speet
het hun, dat ze zich door den mooien avond en de gunstige
gelegenheid hadden laten verlokken om uit visschen te gaan.
{Illustratie: ... en blijft nu en dan staan luisteren ... (Pag.
113).}
De smid vroeg zich bezorgd af, wat daarvan wel 't gevolg zou zijn.
De mogelijkheid bestond toch, dat niet alleen de heer van Heiterloo,
maar ook al de boeren die pachters van dezen grondeigenaar waren, in
't vervolg zijn smidse zouden vermijden. In dat geval zou jaar op
jaar de schade aanmerkelijk wezen. Zonder last en onaangenaamheden
zou 't stellig niet afloopen, meende hij. De jachtopziener Vervoort
was een algemeen gehaat en gevreesd heerschap, die 't in hem
gestelde vertrouwen meer dan eens op een schandelijke wijze
misbruikt had, door onschuldige lieden achter slot en grendel te
helpen. Hij zou ook deze zaak stellig niet maar blauw-blauw laten.
Ruim een kwartier zou Verhoeven aldus hebben liggen peinzen, toen
hij eensklaps tot zijn groote ontsteltenis een luid kloppen op 't
venster van zijn slaapvertrek hoorde, 't welk hem deed opschrikken.
Hij hield den adem in en bleef ingespannen in 't bed zitten
luisteren.
Spoedig werd het kloppen herhaald.
Toen vermande hij zich en vroeg luid:
"Wie is daar?"
Een grove stem van buiten antwoordde:
"'t Spijt me baas, maar 'k heb onaangenaam nieuws voor je: 'k moet
namelijk rapport van je maken!"
"'t Was de eerste maal en 't zal ook de laatste maal zijn,"
verzekerde deemoedig de smid, die intusschen opgestaan en naar 't
raam toegekomen was.
"Zóó waarlijk! Dan ben je er al dadelijk leelijk ingeloopen! Weet je
wat? Schuif vlug het raam op en geef me een rijksdaalder. In dat
geval zal ik zorgen, dat de zaak geheim blijft."
De smid haastte zich om aan dit bevel te voldoen en legde zich toen
weer ter rust, blij dat de zaak voor hem zulk een gunstige wending
genomen had. Maar 't was toch een dure pret voor hem geweest.
Hannes streek den rijksdaalder op, gaf brommend den raad dat zoo
iets nooit weer gebeuren moest en spoedde zich toen naar de woning
van De Laat, waar hij met het gewenschte gevolg dezelfde comedie
speelde.
De twee vrienden moesten nu een nieuw net koopen en ze waren nog
bovendien ieder een rijksdaalder kwijt.
De vagebond wist het gekaapte net in een naburig stadje voordeelig
van de hand te doen.
Toen had hij geld.
De gelegenheid was gunstig.
Het weder was uitlokkend.
Hij nam derhalve den dikken knuppel, die hem voor wandelstaf diende,
ter hand, snoof de lucht op als een beer die zijn prooi ruikt,
draaide zich op zijn breede, plompe voeten, die in vuile, erg
havelooze schoenen staken en vrij veel overeenkomst vertoonden met
de klauwen van een beer, naar 't Oosten, naar 't Westen en naar 't
Zuiden en stapte toen in de beste stemming voort waarheen de
omstandigheden hem voeren zouden, zóó kordaat als ware hij van plan
geweest een reis om de wereld te ondernemen.