Op visite bij De Laat.
De Laat en zijn vrouw werden door de boeren, die de tuinzaden
leveren en, ondanks de schaarschte van 't geld in dien tijd, toch
steeds in klinkende munt betaald werden, zoo nu en dan op visite
genoodigd.
De Laat zelf bewees men daardoor geen dienst. Aangezien hij vaak 't
grootste gedeelte van de week op reis was, zou hij, eenmaal thuis
zijnde, er ook liever in den kring van zijn gezin zijn gebleven. Dat
hij niettemin geregeld aan die uitnoodigingen voldeed, geschiedde
alleen ter wille van zijn vrouw, die anders maar zeer weinig
afwisseling had in haar leven.
Maar wie ter visite gaat, moet op zijn beurt ook weer gasten
ontvangen. En zoo had onze zaadhandelaar op zekeren avond in Januari
de met hem bevriende boeren en hun vrouwen ten zijnent genoodigd. En
hij was wel zeker, dat niemand hunner buiten noodzaak zou
wegblijven, omdat hij bij zulk een gelegenheid elk der gasten
betaalde, wat ze voor de door hen geleverde zaden te vorderen
hadden.
Het was een sombere, donkere avond. De lindeboomen, die bij wijze
van zonnescherm voor de gevels van sommige huizen waren heengeleid,
de vruchtboomen op de erven en de kastanjeboomen langs de straat, ze
stonden daar alle recht spokerig, terwijl hun knoestige takken
dropen van water. Geen tochtje bewoog ze en zoo stonden ze daar als
dood.
De lucht was dik bewolkt en op de dorpsstraat, die nog door geen
enkele lantaren verlicht werd, heerschte een drukkende stilte, alsof
het heele dorp was uitgestorven.
Op eens verbrak de oude torenklok het algemeen zwijgen door zes
brommende slagen, die nog eenige oogenblikken erg vreemd in de
donkere ruimte nagalmden. Die klokslagen schenen op de omgeving een
tooverachtige uitwerking te hebben uitgeoefend want in 't volgend
oogenblik hieven de wachthonden op de naburige erven een echt
nijdig, schor geblaf aan en op de modderige landwegen bij het dorp
werd een plassend gedruisch vernomen. Spoedig daarop klonk er een
geratel van belang op de straatkeien en verschillende huisdeuren
werden in groote haast geopend, terwijl tal van gezichten
nieuwsgierig naar buiten gluurden en tal van stemmen vroegen: "Wat
is er toch te doen?"
De nieuwsgierigen merkten al ras, dat die opschudding werd
veroorzaakt door een zestal boeren-kleedwagens, die achter elkaar
het dorp kwamen inratelen. In elk daarvan zaten een boer en zijn
vrouw.
Spoedig waren de paarden in den ruimen schuurstal der voornaamste
dorpsherberg tegenover de kerk onder dak gebracht en de boeren en
boerinnen begroetten elkaar op de gewone, luidruchtige manier van
menschen, die meestal in de buitenlucht verkeeren en hun stemmen
moeten uitzetten om met elkander of tegen hun paarden te praten.
De Laat stond in de deur zijner woning hen op te wachten en heette
hen hartelijk welkom.
Een weldadigen indruk maakte het door een petroleumlamp helder
verlichte, ruime woonvertrek op de bezoekers. Het haardvuur brandde
zoo lustig en in 't vertrek heerschte zulk een aangename warmte. 't
Was hier vrij wat genoegelijker dan in de nauwe, schokkende wagens,
waarin ze een geruimen tijd in 't kille duister door modder en slijk
waren voortgetrokken, telkens gevaar loopend om door de hevige
schokken in de "knijpgaten" uit het voertuig te worden geslingerd.
Na den gastheer en zijn vrouw als oude kennissen gulhartig te hebben
begroet, namen de boeren plaats bij den haard en de vrouwen om de
ronde tafel, waar de stoelen voor hen waren gereed gezet. De
boerinnen waren ieder nog voorzien van een warme stoof.
De gastheer had zijn gewone plaats in 't hoekje van den haard
ingenomen en zat daar recht genoegelijk zijn pijp te rooken. Hij
liet zijn goed voorziene zilveren tabaksdoos de rondte doen en
welhaast zaten de mannelijke leden van 't gezelschap te dampen, dat
het een aard had.
De vrouwen hadden daarvan geen hinder, omdat de rook door den
schoorsteen ontsnapte.
't Was er recht gezellig.
De koperen-, tinnen- en porseleinen schotels en borden, langs de
wanden overeind gezet, blonken verwonderlijk mooi en de bijbelsche
tafereelen, die met bonte kleuren op de witte haardtegels
geschilderd stonden, schenen door 't hoog opvlammend vuur als
bezield.
En hoe gezellig tikte de groote, staande klok in den hoek, die niet
alleen den stand der maan, maar tevens den naam van maand en dag op
de sierlijk beschilderde wijzerplaat te zien gaf.
De stil heen en weer spoedende, altoos bedrijvige huismoeder had de
koffie al gezet en was nu bezig die in te schenken. Ze legde
bovendien in ieder schoteltje een stuk kandij, anders gezegd een
klontje.
Gezelliger dan hier kon 't wel nergens zijn. En dit alles was nog
maar 't begin van 't feestelijk onthaal.
Allen verkeerden dan ook in een opgeruimde stemming.
De vrouwen begonnen den gezelligen kout. Gewoonlijk waren ze over
dag druk met de huishouding en avond op avond ijverig met het
spinnen van vlas in de weer, om 't benoodigde garen voor een goeden
voorraad "eigengereid" linnen te bekomen, zoodat er dan geen tijd
tot praten overbleef. Nu toonden ze al dadelijk, door tegelijk te
spreken, een geducht pak nieuws op 't hart te hebben en zielsblij te
wezen, dat ze hun gemoed eens konden ontlasten. Ze vertelden
allerlei merkwaardigs van haar kinderen, haar huishouding en haar
buren.
Vrouw De Laat, die nu ook in den kring had plaats genomen, verhaalde
allerlei merkwaardigs van haar Steven. Gelukkig dat deze zelf in de
naburige bedstede rustig lag te slapen en alzoo van de loftuitingen
zijner moeder niets hoorde.
De tongen van de boeren raakten nu ook los. En ook zij begonnen
allemaal tegelijk te praten. De gastheer alleen zat zwijgend, met
een glimlach op 't gelaat toe te luisteren.
De anderen begrepen echter al gauw, dat men wel allen tegelijk het
woord kan voeren, maar dan ook geen de minste kans heeft om verstaan
of begrepen te worden. Daardoor kwam er een oogenblik stilte,
waarvan De Laat gebruik maakte om zelf het woord te nemen.
"Oost, West, thuis best!" dus begon hij. "Maar met altijd thuis te
blijven, komt men niet ver. Als er één te voet verre tochten gedaan
heeft, dan was 't wel mijn vader, dien sommigen van jelui nog wel
gekend hebben, want het zal met Februari a.s. juist twintig jaar
geleden zijn, dat hij, tachtig jaar oud zijnde, gestorven is.
Als die van zijn ontmoetingen op zijn vele, verre tochten te voet
vertelde, luisterden we met mond en ooren en als dan de geschiedenis
uit was, waren we soms te bang om naar bed te gaan. Zoo vertelde hij
op een avond het volgende:
"'t Was de 13de October 1830, een mooie, zonnige dag, uitstekend
weer om een verre wandeling te doen, zonder last te hebben van
vermoeienis. 't Was heerlijk buiten. De spurrie stond te bloeien en
te geuren op de landen nevens de akkers met frisch knolgroen. Langs
wegen en paden bloeiden de gele en blauwe wildebloemen, die 't
najaar kenmerken, echt lieve bloemen, schoon door haar eenvoud. Ook
het heidekruid prijkte nog met tal van bloemtrossen en daar tusschen
wiegden de klokjes gentiaan. De dennen, hier verspreid en daar dicht
bijeen gegroept, waren mooi groen en daar tusschen verhieven zich de
witte, met donkere vlekken bezette berkenstammen, wier sierlijke
loofslingers al begonnen te gelen.
De boomgaarden bij de verspreid liggende boerenhoeven waren echter
't allermooist. Haast iedere appelboom leek een reusachtig groote
bloemruiker, waarvan de rijpe appels met hun gele en roode wangen de
bloemen vormden. De zon deed ze glanzen als de paarlen in het
tooverslot van Aladin uit het bekende Arabische wondersprookje.
Verwonderlijk stil was 't in de bosschen, waar de herfsttinten
glansden en de zilveren herfstdraden zweefden.
Toen mijn vader over de hem zoo welbekende paden en wegen
voortstapte, maakten zijn schreden in 't dorre loof zulk een groot
gerucht, dat hazen en konijnen er door werden opgejaagd en
wegvluchtten, dieper het hout in. Eekhorens wipten kwetterend rond
door toppen en takken en zochten in de struiken en boomen naar
hazelnooten of beukenoten.
Maar geen vogel zong er. De plechtige stilte van den "Kranenzomer"
heerschte alom, slechts nu en dan afgebroken door 't geroep van
groote zwermen trekvogels, die hoog in 't blauwe ruim voortspoedden
naar 't warme Zuiden.
Mijn vader wisselde van tijd tot tijd een groet met een landman, die
op een akker nevens den weg, of een vrouw of meisje, die voor haar
huisdeur aan 't werk was. Intusschen stapte hij, zonder zich op te
houden, doch ook zonder zich te haasten, geregeld voort, zooals
menschen doen, die gewoon zijn om te voet groote afstanden af te
leggen.
Het dorp Markelo, dat tusschen een kring van hoogten als
verstoppertje speelt, had hij een kwartier geleden verlaten en op
den straatweg over Holten naar Deventer het punt bereikt, waar die
weg meer dan een half uur gaans pijlrecht door de heidevelden
voortloopt, met op eenigen afstand links de lage broekweiden.
't Was ongeveer drie uur in den namiddag. Hij zag nu vóór zich uit
een vijftal wagens, ieder met één paard bespannen, zonder zijplanken
of ladders, met vrij groote tusschenruimten achter elkander
stapvoets voortrijden. Op 't voorstel zat de voerman en op 't
achterstel waren gevulde zakken vastgebonden, die hooi of haver voor
de paarden schenen te bevatten.
Een reizend koopman in zeisen, zichten, scharen en messen, zekere
Jozeph Kersting uit Pruisen, een goede kennis van mijn vader, daar
ze elkander op hun reizen meermalen ontmoetten, was dezen een paar
honderd meter vooruit. Hij steunde zwaar op zijn stok en liep
gebogen onder zijn vracht, maar repte zich toch zooveel mogelijk, om
den achtersten wagen in te halen, in de hoop van te mogen meerijden.
Dit gelukte hem dan ook. De wagen hield stil en de koopman zette
zich neer op één der zakken op 't achterstel.
Toen reed men weer verder.
Mijn vader was intusschen vlug doorgestapt. Hij hoopte, ook te mogen
meerijden en verlangde eveneens naar 't gezelschap van de menschen,
met wie hij een praatje zou kunnen maken. Nu zag hij hoe de koopman,
vermoeid van de reis, zich eens recht op zijn gemak had gezet en
zijn tabakspijp uit den zak haalde, om wat te rooken. Na die pijp
gestopt te hebben, kreeg hij staal, vuursteen en tonderdoos en begon
al "ketsende" vuur te slaan. De voerman keek verschrikt naar hem om.
Men denke zich vaders ontzetting!
Al ketsende sloeg de koopman uit den steen een vonk, die omlaag
schoot; de vonk werd een oplaaiende vlam; het dampte, siste,
bruiste; een allerverschrikkelijkste slag volgde, die den grond deed
schudden, zoodat vader als dronken heen en weer waggelde. Toen rook
en smook weer waren opgetrokken, waren het voertuig en de twee
menschen, die er op gezeten hadden, als spoorloos verdwenen. Het
paard lag er nog, met afgeschroeid haar en manen, dood. De hoepels,
zeisen en zichten van den koopman vond men op een afstand; ze waren
als kurketrekkers ineen gedraaid; de wagen en de twee menschen waren
in stukken weggeslingerd; een groot, diep gat was in de straat
geslagen.
De zakken waren gevuld met buskruit, dat gesmokkeld werd; het kruit
had vuur gevat en zoo was alles in de lucht gevlogen.
De vier andere wagens, vermoedelijk ook met buskruit geladen,
draafden daarop terstond het wijde veld in naar de Holter-Borkelt,
waar zij ontkwamen."
"Als dat ongeluk in 't dorp zelf gebeurd was, zou er misschien geen
enkel huis zijn blijven staan," zei nu boer Scholte. "Hier was dus
ook weer een geluk bij een ongeluk."
"Ja," -- dus begon daarop boer Jansen, "een mensch kan rare
ontmoetingen hebben. Als ik bij onzen baron de pacht kom betalen en
de mevrouw of één van de jonkers bevindt zich in dezelfde kamer als
wij, dan praten ze Fransch tegen elkaar, zoodat ik er geen woord van
verstaan kan. Ik vind, dat dit niet te pas komt, want het heeft dan
den schijn, of ik niet weten mag wat ze zeggen. Ik kan er evenwel
niets aan doen. Maar een ander geval overkwam me verleden Woensdag
in de stad. Ik kocht er in de apotheek voor een kwartje
koortspillen, want mijn vrouw heeft ieder voor- en najaar van die
koortsachtige aandoeningen, zal ik maar zeggen.
Den apotheker Jochems telde ik twee dubbeltjes en vijf centen op de
toonbank neer. Hij streek ze in de lade. En wat denk je, dat die
vent tegen me zei? -- "Merci!" zei hij tegen me. Ik ging boos de
straat op en bromde zoo in me zelf: Merci! Merci! Wat is dat?
Merci?"
"Hoe loop je daar zoo in je zelf te mompelen en te brommen, Jansen?"
vroeg nu de boekhandelaar Pietersen, die op de stoep voor zijn
winkel stond. -- "Wel," antwoordde ik, "dat verwaande heerschap daar
uit de apotheek zei zoo even "Merci" tegen me." -- "Te drommel," zei
nu meneer Pietersen, "durft die vent dat tegen een eerlijk man als u
te zeggen? Je weet zeker wel, wat dat woord beteekent?" -- "Neen,"
zeg ik, "dat weet ik niet, maar veel goeds zal 't wel niet wezen!"
"_Merci_ is het Fransche woord voor _Gauwdief_!" zei hij. Toen werd
ik voorgoed kwaad. Ik liep dadelijk naar de apotheek terug en riep
achter de deur heen, zoodat allen in huis het wel hooren konden:
"Zeg er eens, heerschap, weet je wel wat jij bent?"
"Apotheker," zei hij en hij keek heel verwonderd naar me. "Neen,
heerschap!" schreeuwde ik hem toe, "jij bent _merci_; jou vader is
_merci_, jou moeder is _merci_ en jou heele familie is _merci_!" En
nadat ik deze verzekeringen had uitgebruld, ging ik heel wat
opgelucht de straat op.
Baas Pietersen was in zijn schik, dat ik me zoo kordaat had
gedragen. Toen ik zijn winkel weer voorbij ging, zei hij lachend:
"Zie zoo! daar kan de kwast het voor dezen keer wel mee doen!"
"Dat dunkt me toch ook!" zei ik. "Maar er zijn ook lui, die
onverbeterlijk zijn!"
De gasten gaven luide hun instemming te kennen met de kordate wijze,
waarop Jansen dien stadschen heerschap den mond had gesnoerd en
vrouw Scholte was zelfs van oordeel, dat hij hem wegens laster bij
't gerecht had moeten aanklagen, waarop vrouw Jansen aanmerkte, dat
haar man dit ook stellig zou gedaan hebben, als hij maar twee
getuigen had gehad.
De gastheer glimlachte echter veelbeteekenend en scheen iets te
willen in 't midden brengen, doch daar de gasten weer allemaal
tegelijk het woord voerden, deed hij er 't zwijgen toe. Na nog eenig
over en weer praten kwam 't gesprek op de paarden.
"Geen verstandiger beest is er te vinden!" zei boer Huisman. "Van
mijn jeugd af heb ik met paarden omgegaan en ik kan er derhalve ook
over meespreken. Geen dier hecht zich meer aan zijn meester, als
deze 't met zachtmoedigheid en geduld weet te leiden en te leveren.
Maar een harde behandeling, vooral in de jeugd, maakt het
zenuwachtig, koppig en onhandelbaar. In dat geval moet men zich voor
zoo'n creatuur terdege in acht nemen. Daar heb je b.v. dien bonk van
den vrachtrijder Roggeveld, -- die sloeg den smid, die hem beslaan
wilde, zoo hevig voor 't hoofd, dat hij dood neerviel, en een paar
jaar later heeft hij den veearts Hofman doodgeslagen, toen die zich
bij 't kwade dier in den stal waagde. Ik verzeker je, dat wie met
zulk een paard uit is zijn vijand tot reisgezel heeft en zijn leven
geen minuut zeker is."
Hij besloot deze verzekering, waarmee allen blijkbaar instemden,
door een dikke rookwolk uit zijn zwakpijp te trekken en die in
krullen en spiralen in de lucht te blazen.
Vervolgens kwamen nog de prijzen van 't vee en van de
landbouwproducten aan de beurt, tot eindelijk de gastheer, na met
zijn vrouw blikken van verstandhouding te hebben gewisseld, aan 't
gezelschap voorstelde om zich eens te vertreden en de koe in den
stal te gaan zien.
Dit voorstel had aller instemming en voorgelicht door een lantaarn,
waarin een vetkaars ontstoken was, begaf men zich naar de deel,
uitgezonderd de gastvrouw, die ondertusschen den maaltijd wou
opdisschen.
't Was daar in 't achterhuis donker en stil. De koe lag op haar
zindelijk bed van stroo te herkauwen. Maar bij 't zien van al die
menschen zette ze groote oogen op; ze opende zeer wijd de neusgaten
en snoof zeer sterk. Steunend verhief ze 't logge lichaam en kwam,
zich schuddend, op de pooten, om op alle gebeurlijkheden te zijn
voorbereid.
"Een pracht van een koe!" zei boer Scholte en hij klopte haar
vriendschappelijk op de breede schoft.
"'t Is een bovenstbeste melkgeefster, want ze heeft fijne horens en
heldere kringen om de oogen," sprak vrouw Verlaar.
"Mensch, wat een dikke melkaders heeft ze!" riep boer Jansen uit den
stal.
"Stil! Luister eens even!" verzocht nu De Laat half fluisterend. "'k
Meende in gindschen hoek gerucht te hooren." Hij wees op den
tegenovergestelden hoek, waar achter zich de bergplaats voor hout en
turf bevond.
Men luisterde. Maar alles was en bleef stil. En ook het onderzoek,
dat men vervolgens instelde, bracht niets bijzonders aan 't licht.
"Er zullen eenige turven van den hoop gevallen zijn. Een rat heeft
misschien daarover de vlucht genomen en ze zóó los gemaakt van den
hoop," gaf boer Reinders in overweging.
"Ja, maar hier vind ik toch een paar turven, die stuk getrapt zijn,"
zei boer Scholte. "Er moet hier dus iemand geweest zijn."
"Nu ja," sprak zijn vrouw, "als men hier in 't donker turf vandaan
moet halen, worden er allicht eenige stuk getrapt, als ze iemand
voor de voeten liggen."
De anderen vonden ook, dat zoo iets gemakkelijk kon plaats hebben.
Boer Horstman wees nu echter op een opening in den getuinden, met
leem bepleisterden buitenwand.
"Hoor eens, De Laat!" sprak hij op vermanenden toon, "dit kippengat
hier is veel te groot. Bij ons is die opening juist groot genoeg, om
één kip tegelijk door te laten. Maar door deze opening kan een
volwassen manspersoon zonder veel moeite naar binnen komen."
Men kon echter niets verdachts bespeuren.
't Was kil en donker en ongezellig daar in 't achterhuis. De
lantaarn verlichtte er slechts de naaste omgeving en tooverde
vreemde schaduwen op vloer en wanden.
Wie, als deze menschen, pas uit een warm, helder verlicht, recht
gezellig vertrek kwam, voelde hier onwillekeurig een huivering door
de leden gaan.
Daar hoorde men plotseling op den open hooizolder een zwaren bons,
onmiddellijk gevolgd door een erbarmelijk geschreeuw.
Algemeene ontsteltenis.
De vrouwen slaakten uitroepingen van schrik. De koe sprong in botte
verbijstering hoog op. Het speenvarkentje, dat nu al vrij groot was,
kwam met een angstig gegil uit zijn warm strooleger opspringen en
holde als bezeten door zijn hok heen en weer.
"Die verwenschte katten zouden iemand een doodschrik op 't lijf
jagen!" zei de gastheer lachend. "Ze hebben al vroeg het voorjaar in
't hoofd!"
"Ze vinden zeker, dat er bij ons feest ook muziek moet wezen! Hoor
ze toch eens te keer gaan!" sprak de vroolijke vrouw Scholte en ze
schaterde 't uit van lachen.
"Mensch, mensch! Is me dat schrikken!" riep de ziekelijke vrouw
Jansen, hevig ontsteld. Ze was zeer bleek en vouwde de handen voor
de borst, om 't klappen van 't hart wat te doen bedaren.
Maar 't katten-concert werd met kleine tusschenpoozen van diepe
stilte voortgezet. 't Klonk nu eens heel hoog en dan weer in
brommende bastonen.
"Komt, nu moeten jelui ons speenvarkentje toch ook eens gaan zien.
Mijn vrouw heeft het opgefokt en 't is haar prachtig gelukt," sprak
nu De Laat.
Ze begaven zich daarop allen naar de verblijfplaats van 't aardig
dier, dat op 't gerucht van al die voetstappen verschrikt bleef
zitten en bij 't zien van zooveel menschen de ooren verwonderd
overeind stak. Het slaakte een zacht geknor, alsof het verschrikt
vroeg: "Wat is er toch aan de hand?"
"Och, wat een mooi, zindelijk dier is dat!" riep vrouw Scholten.
"Wat is het vet!" riep vrouw Jansen. "'k Wil wedden, dat het al meer
dan anderhalf honderd pond weegt!"
De Laat vertelde nu, welk een schrander, vriendelijk dier het was en
hoe aardig zijn zoontje er mee spelen kon. "Denk eens!" zeide hij,
"ze zijn bij mooi weer buiten en bij ongunstig weer hier op de deel
en stoeien en spelen, dat het een wonder is. In 't eerst was de
jongen 't sterkst, maar hij liet het al worstelend om den anderen
keer 't varkentje winnen, zoodat het op zijn beurt boven kwam te
liggen. En nu 't beest het in kracht van den jongen wint, laat het
hem ook op zijn beurt baas blijven. Steven beproeft wel eens uit de
grap tweemaal achtereen de bovenhand te hebben, maar dat wil 't
varkentje volstrekt niet toelaten; het knort en gilt dan, alsof het
zeggen wou: "Neen, dat mag niet! Zoo is het geen eerlijk spel!"
't Mooiste van de zaak is, dat het den jongen van de straat houdt,
want daar leeren de kinderen vooral bij avond maar weinig goeds."
Onder die bedrijven hadden ze al 't merkwaardige in 't achterhuis
bezichtigd tot de antieke kleerenkist in den hoek toe, die nu diende
tot berging van tuinzaden. Ze was van eikenhout gemaakt, aan den
voorkant en de zijden met kunstig snijwerk versierd en gemerkt met
het jaartal 1713.
"'t Is een familie-erfstuk," zei De Laat. "Jammer, dat we haar geen
betere plaats kunnen geven. Maar komaan!" vervolgde hij, "laten we
eens gaan zien, of 't moeder de vrouw gelegen komt om ons weer te
ontvangen."
Met deze woorden ging hij 't gezelschap weer voor naar 't
woonvertrek. "Jelui komen alsof je geroepen waart!" zei vrouw
De Laat. "Komt nu allemaal hier om de tafel zitten!"
Er lag wel geen helder wit kleed over de tafel. Dat was toen en is
ook nu nog geen gewoonte bij de boeren in deze streken. Maar menige
keurig gedekte tafel heeft niet zulk een overvloed van heerlijke,
voedzame spijzen.
Hier stond opgedischt een schaal, opgehoopt met groote sneden "eigen
gebakken wegge" (wittebrood, waarvan 't beslag door de huisvrouw
zelf gemaakt was en met zoete melk was aangemengd).
Een tweede schaal was opgehoopt met groote sneden heerlijk
krentenbrood.
Daarnevens stond een bord vol met dikke schijven metworst, een
tweede gevuld met rookvleesch en een derde met dikke sneden
zoetemelksche kaas. En hoe geurig was de koffie, die daarbij
geschonken werd! Daaraan konden de bezoekers naar hartelust te gast
gaan. En ze lieten zich dan ook niet nooden. Het spreekwoord: "Als
de katten muizen, mauwen ze niet," was ook toepasselijk op dit
gezelschap; van een geregeld gesprek was er ook bij hen gedurende
den maaltijd geen sprake.
Na afloop daarvan was het al bij tienen.
De dorpsbewoners waren al ter rust gegaan.
Droomerig suisde de avondwind in de kale boomen op 't ruime
kerkplein.
Welhaast klonken uit den hoogen, slanken toren tien galmende slagen.
Daarop hoorde men 't geratel van den nachtwacht, gevolgd door zijn
schor geroep:
"Tien uren heeft de klok! De klok heeft tien!"
't Werd voor de bezoekers langzaam aan tijd, om naar huis te keeren.
De gastheer verzocht daarom de boeren, hem even te volgen naar de
"opkamer", dat is de zijkamer, waarnaar de trap boven den keldermond
toegang verleende.
De vrouwen bleven zoolang in 't huishoudvertrek onder gezelligen
kout bijeen en dronken er nog een laatste kop koffie, een zoogenaamd
"neugeköpken".
Toen de boeren in de opkamer om de tafel hadden plaats genomen,
ontsloot de gastheer een fraaie, ouderwetsche kast, die voor een
goed deel gevuld was met "eigengereid" linnen van zijn vrouw. Met
een tweeden sleutel opende hij vervolgens een smal deurtje, links in
den stijl aangebracht, in welken stijl nu van onder naar boven een
rij lange, smalle laden zichtbaar werden. Uit één van die laden
haalde hij een grooten zak, gevuld met klinkende munt, te
voorschijn. Papieren geld was in den tijd van ons verhaal nog lang
niet zoo algemeen in omloop als tegenwoordig en op 't platteland
ontving men het over 't geheel enkel in een noodzakelijk geval:
velen trokken de waarde er van in twijfel.
Juist was De Laat bezig met aan ieder de verschuldigde som toe te
stellen, toen één der boeren de opmerking maakte, dat hij "zoo'n
nare brandlucht" rook.
In 't volgend oogenblik klonken er haastige voetstappen op de trap
en werd de deur snel geopend door de verschrikte vrouwen, die
verzekerden, dat er in de keuken zoo'n rook was en ze vreesden, dat
er brand was in 't achterhuis. Allen kwamen nu schielijk op de been.
De Laat behield echter zijn kalmte. Hij legde de hand op den
schouder van zijn vriend Scholte en zei bedaard:
"Ik vertrouw die zaak niet. 'k Meende vóór een uur, toen we op de
deel waren, schuifelende voetstappen te hooren, maar er was toen te
veel gepraat. Blijf jij hier, om op 't geld te passen."
"'t Zal gebeuren!" zei deze. En hij bleef alleen achter, terwijl de
rook door de open deur naar binnen drong.
De anderen spoedden zich intusschen onder uitroepingen van verbazing
en schrik naar 't achterhuis.
Boer Scholte deed de deur weer dicht en ging weer aan tafel zitten
in afwachting van wat er verder zou gebeuren. 't Was drukkend stil
om hem heen.
Het flauwe licht der lantaarn, die midden op tafel stond, deed de
geldstukken glinsteren en blinken.
Slechts nu en dan hoorde hij een roep der anderen, die blijkbaar
zich afsloofden om den brand te blusschen.
Was niet misschien 't vernielend vuur reeds tot de verste hoeken van
't groote, holle gebouw doorgedrongen?
Een huivering liep hem door de leden. Die hoopjes zilver, daar voor
hem, oefenden een zonderlinge aantrekkingskracht op hem uit. Zijn
blikken bleven er onophoudelijk door geboeid. Terwijl hij er al
starend naar bleef kijken, scheen het edel metaal door een
spookachtig licht omgeven. Het kostte hem moeite, er de oogen af te
wenden. Maar hij vermande zich en keek spiedend rond, en nu zag hij
aan den wand, tusschen andere voorwerpen, een pistool hangen.
Zou ze geladen zijn?
In dat geval ware 't een geducht wapen in de hand van wie een schat
moest bewaken, en misschien in 't volgend oogenblik goed en leven
tegen een stoutmoedigen vagebond zou moeten verdedigen.
't Was zelfs niet onmogelijk, dat er meer dan één schelm in de
nabijheid rondsloop, die 't geschiktst oogenblik afwachtte om hem
van achteren te bespringen en zoo te overmannen.
Hij luisterde scherp toe en meende nu in 't woonvertrek sluipende
voetstappen te hooren.
Wat moest hij doen?
Om hulp roepen?
Maar als 't gevaar nu eens alleen in zijn verbeelding bestond, zou
hij zich, dus doende, toch zeer belachelijk aanstellen en 't
reddingswerk vertragen, zoo niet verijdelen!
Sluipend ging hij naar de plaats waar 't pistool hing, omvatte dit
wapen, spande den haan en richtte 't op de deur. Het was nog juist
bijtijds.
Eenige oogenblikken later toch werd zacht de kruk van de deur
omgedraaid en deze zacht open geduwd en op den drempel vertoonde
zich een breede, plompe kerel met een zwart gemaakt gezicht. Zijn
loerende oogen keken spiedend rond.
Boer Scholte stond nu nevens de tafel den hem toevertrouwden schat
te bewaken. Op het zien van den vagebond beheerschte hem een killen
schrik.
Maar ook de roover ontstelde blijkbaar zeer hevig, toen hij de kans
om zich onbespied van 't geld meester te maken, verijdeld zag. Hij
bleef onbewegelijk staren naar den boer, een flink gebouwd persoon
van buitengewone lengte, die daar in een gebiedende houding
uitdagend op slechts eenige schreden afstands hem met groote oogen
bleef aanzien en, -- wat het ergste was, -- 't pistool op hem
richtte.
Hij uitte een half gesmoorden vloek, keerde zich toen ijlings om en
vluchtte als een bloode haas weg.
De eenzame wachter loosde een zucht van verademing.
Maar, -- dus vroeg hij zich met bezorgdheid af, -- zou de schelm
niet spoedig terugkeeren met eenige kameraden?
Onmogelijk was dit niet.
Ook maakte hij zich steeds meer ongerust over 't lot der anderen,
onder wie zijn eigen innig geliefde vrouw, de zorgzame moeder zijner
kinderen. De rook daar binnen werd steeds dikker. Dat voorspelde
weinig goeds.
Eensklaps hoorde hij nu 't gerucht van voetstappen, vermengd met een
luid gepraat. En voor hij er op bedacht was, kwam zijn bezorgde
echtgenoote op hem toesnellen. Zij omhelsde en kuste hem en sprak
bewogen: "De brand is gebluscht, maar ik miste u. Eerst nu hoorde ik
van De Laat, dat je hier alleen waart achter gebleven, om 't geld te
bewaken."
De anderen kwamen nu ook binnen en toen ze 't gebeurde vernamen, zei
De Laat: "Er is geen twijfel aan: de brand is opzettelijk
aangestoken, om van de daardoor ontstane verwarring gebruik te
kunnen maken om 't geld te stelen. De boef had in een hoek, waar dit
vooreerst weinig gevaar voor brand kon opleveren, een paar
hennepzakken en wat vochtige dennentakken op een hoop gegooid en die
door een stevig gebonden brandenden bos stroo aan 't smeulen
gehouden, zoodat ze een verstikkenden rook verwekten. De schurk
dacht natuurlijk hier zijn slag te kunnen slaan, terwijl wij druk
waren met het blusschen van den brand, maar dit is hem
tegengevallen.