Het Speenvarkentje.
Het speenvarkentje groeide als kool. 't Bracht heel wat gezellige
drukte in 't kleine huishouden. In weinig dagen leerde het al, de
hem aangeboden melk zelf uit het bakje te drinken. In 't eerst was
het erg kouwelijk en moest bij den haard in de overdekte mand
blijven huizen. Doch dit werd gaandeweg beter en iederen volgenden
dag mocht het een poosje langer blijven voortscharrelen over de
kleine steentjes in 't woonvertrek. Onder een vroolijk geknor
snuffelde 't nieuwsgierig in alle hoeken en maakte telkens weer de
grappigste sprongen, zoodat Steven 't uitschaterde van plezier. En
't leukste was wel, dat het al druk begon mee te praten over alles
en nog wat. Vooral als de moeder 't woord tot een der anderen
richtte, begon 't aardig diertje terstond heel ernstig met
vriendelijk geknor te antwoorden en stak dan tevens heel gewichtig
de ooren op, alsof 't wou zeggen: "Ja, mijn lieve mensch, als ik met
mijn groot verstand er niet was, zou 't er slecht voor jelui
uitzien!"
De winter naderde met rassche schreden. 's Morgens was daarbuiten
vaak alles met rijp overdekt. De doornhaag, die het tuintje omsloot,
was wel zijn bladertooi kwijt, maar ieder takje, met ontelbare
ijskristalletjes bezet, fonkelde allerheerlijkst in 't zonlicht. De
boomen waren even sierlijk getooid. Maar 't mooist waren toch de
dennenbosschen daar in de buurt. Als met zilveren webben waren ze
overspannen en de ontelbare dauwdroppels, die er aan hingen,
schitterden als juweelen. Iederen morgen bracht iets nieuws en moois
voor de streek. Nu eens baadden velden en bosschen in den
zonneschijn, dan weer was alles als met een zilveren nevel
omwikkeld. Het speenvarkentje lette daarop echter in 't minst niet.
Het sprong en dartelde met Steven om de woning rond en als het moe
was, werd het weer in zijn mand bij den haard getild en kroop
heelemaal weg in zijn strooleger. Aan zijn moeder, van wie hij zoo
vroeg al gescheiden was, dacht het nooit meer.
Het was een paar maand later.
Toen Steven op een morgen ontwaakte en tusschen de bedgordijnen door
in 't woonvertrek gluurde, zag hij daar zijn zorgzame moeder al
ijverig bezig met den vloer aan te vegen.
En op den haard brandde 't vuur zoo lustig, als wou 't het groote
vertrek geheel een zomersche warmte meedeelen en nog bovendien 't
water in den ketel, die er boven hing, aan den kook brengen. Het
water zong nu zoo droefgeestig, alsof het er een voorgevoel van had,
dat het welhaast als thee zou verhuizen naar een menschenmaag. Een
gedeelte er van wist nog bijtijds in den vorm van stoom door de tuit
te ontsnappen en zich zoo in vrijheid te stellen. Het vuur bleef
intusschen lustig door branden en deed de tinnen en koperen borden
en schotels, welke langs de wanden achter houten richels waren te
pronk gezet, blinken met een verwonderlijken gloed.
Steven vond het er nu zoo gezellig, dat hij aanstalten maakte om op
te staan. Zijn moeder, die dit merkte, zei echter: "Blijf nog maar
wat in bed, mijn jongen! Je ligt er zoo lekker warm en 't is buiten
koud. Ook hier in de keuken is 't nog ver van warm."
"Neen, 'k moet nu opstaan," antwoordde Steven.
"Waarvoor zoo vroeg al?" vraagde de moeder.
"'k Moet naar mijn speenvarkentje!" antwoordde hij. "'t Ligt in zijn
hok zoo erg alleen. 'k Zal 't in de keuken bij 't vuur brengen en
eten geven. Gisteravond heb ik nog een grooten bos stroo in zijn hok
gebracht. O, hij was er zoo blij mee! Hij gilde 't uit van pleizier,
maakte een groot gat en kroop er met prettig geknor heelemaal in.
Maar als 't nu 's nachts zoo bitter koud wordt, was 't misschien
beter dat ik 't maar bij mij in bed nam. Wat dunkt u er van,
moeder?"
"Gekheid!" zei deze. "Een varkentje hoort te slapen in een bed van
stroo; dat is voor 't beestje warm genoeg, hoor!"
"U moet niet meenen, dat hij onzindelijk is," -- pleitte Steven.
"Als hij iets doen moet, wat zijn leger vuil zou maken, gaat hij
altijd naar dezelfde plaats in den hoek."
"'k Weet het," antwoordde de moeder. "Als de hokken maar goed droog
worden gehouden, zijn de varkentjes gewoonlijk heel zindelijk. Maar
we kunnen ze daarom nog niet bij ons in 't bed nemen."
Bles deed juist haar morgenmaal met geurig hooi. En toen ze nu
moeder en zoon in 't woonvertrek zoo gezellig hoorde keuvelen, wilde
ze blijkbaar ook een duit in 't zakje gooien, want ze begon zoo echt
goedaardig te brommen: "Hammm! hmmm!" Want klinkers gebruikte Bles
alleen, als ze heel hard moest roepen. Dan zei ze: "Boe!" en de
heele buurt kon 't hooren.
"Bles roept mij al," zei Steven. "'t Is hoog tijd, dat ik er uit
kom."
Vrouw De Laat hield haar jongen niet langer tegen en welhaast was
hij 't bed uit en in de kleeren. En 't eerste wat hij deed, was, zoo
vlug mogelijk naar de deel te loopen en de koe, die hem in blijde
verrassing brommend en snuivend een goeden morgen wenschte, bij den
gehoornden kop te pakken en er zijn gezicht tegen aan te drukken.
Het goede dier likte hem met haar stekelige tong, wat voor Steven
alles behalve een genot moest zijn, maar hij was niet kleinzeerig en
wist, dat de bedoeling goed was.
Toch kon hij soms onmogelijk een pijnlijken gil onderdrukken.
Daardoor werd in 't aangrenzende hok het speenvarkentje gewekt. Blij
gillend kroop het uit den bos stroo, die hem tot nachtleger gediend
had en sprong driftig knorrend en gillend tegen de deur op. 't Was
duidelijk, dat hij daarmee zeggen wou: "'k Wil er uit! Laat mij er
uit! 'k Wil ook van de partij zijn!" Steven, aldus op de
aanwezigheid van zijn speelmakker opmerkzaam gemaakt, -- hoe had hij
hem, al stoeiend met Bles, kunnen vergeten? -- haastte zich, de deur
te openen. Het beestje liep hem knorrend en gillend zoo uitgelaten
mogelijk om de beenen en bewoog blij zijn sierlijken krulstaart heen
en weer. Steven pakte 't beet en ging er mee aan 't rollen en
wentelen in 't hooi, dat Bles tot morgenmaal diende. 't Goedaardig
beest lekte de twee pretmakers, waar ze die maar kon vatten en nam
ondertusschen zoo nu en dan een hap hooi, ze zette daarbij zoo'n
vriendelijk, ernstig gezicht, als ware ze de eigen moeder van 't
stoeiende tweetal en moest ze dit onder haar bescherming nemen. Doch
opeens uitte de jongen een smartkreet, die 't varkentje hevig deed
schrikken. Bles had met een plok hooi ook een bosje van zijn
hoofdhaar gepakt. Op zijn kreet liet ze oogenblikkelijk den heelen
hap vallen en pakte een anderen van een meer verwijderde plaats.
Daarbij schudde ze nadenkend haar ruigen kop, als wou ze zeggen:
"Ja, ja! voor wie met dat jonge goedje moet omgaan, is oppassen de
boodschap. Maar met dat al is 't hier toch een recht gezellig
huishouden."