Hoe zag de vent er uit?"

Deze vraag was tot boer Scholte gericht.

"Nu," antwoordde hij, "'t was een logge, plompe gast met een gezicht

zoo zwart als roet. Hij had, naar ik meen, een ruwen pijekker aan en

een ruige muts op. 't Zou me niet verwonderen, zoo 't "Dronken

Hannes" geweest is."

Allen waren van meening, dat deze best tot zoo'n schelmstuk in staat

was, maar omdat men volstrekt geen bewijzen had en bang was, dat

hij, zoo men er 't gerecht mee in kennis stelde, zich op de eene of

andere wijze op hen zou wreken, besloot men om aan 't geval geen

ruchtbaarheid te geven.

De brand was nu wel gebluscht, maar het huis was nog vol scherpen

rook, die het ademhalen zeer moeilijk maakte. Men zette daarom

deuren en vensters wijd open en nu rolde en zweefde de rook in

breede golven naar buiten, terwijl de frissche lucht binnendrong. De

vochtige nachtwind verspreidde die golven over de streek.

Bij tusschenpoozen keek de maan tusschen de donkere wolken door en

verlichtte met haar bleek schijnsel huizen en boomen, bosschen en

velden en deed in de naburige beek het water blinken, dat nu hoog

tegen de oevers stond en met onstuimige vaart voortspoedde naar de

verwijderde rivier en vervolgens naar de oneindige waterwereld, de

zee.

Overigens was alles in diepe rust.

Over de stille dorpsstraat kwam nu baas Teunissen, de nachtwacht,

aanstappen, om de gewone rondte te doen.

Hij draaide zijn ratel en maakte met schor geroep bekend, dat het

elf uur was.

Op eens bleef hij ontsteld staan.

Hij zag den dikken rook uit De Laat's woning in breede golven naar

buiten dringen.

"Lieve deugd, daar is brand!" riep hij verschrikt. "En dat hier

midden in 't dorp en op dit late uur, nu allen in hun eersten slaap

liggen!"

In botte verbijstering liet hij zijn ratel vallen. En wijl er vóór

de herberg daar schuin tegenover eenige emmers vol water gereed

gezet waren, om de paarden te drenken, greep hij in iedere hand één

emmer en wierp den inhoud door 't openstaande raam van De Laat's

woning naar binnen, om zoo den brand te blusschen.

Die vloed van water kwam plassend neer op een tafeltje, dat er voor

't raam stond en waarop een kostbaar servies van oud porselein was

te pronk gezet. Dit spoelde weg en viel op den vloer aan scherven.

Daarop sprong de gedienstige man zelf met een bewonderenswaardige

vlugheid over 't vensterkozijn heen naar binnen en snelde onder 't

herhaald geroep van "Brand!" naar de bedstede, waarin Steven gerust

lag te slapen. "De jongen heeft mijn kind uit het water gered: ik

zal hem uit het vuur redden!" zei hij in zich zelf.

De Laat en zijn vrouw, alsmede de gasten, hadden zich in een hoek

buiten den tocht neergezet. Zij verkeerden nog onder den indruk van

wat er dien avond was voorgevallen en zagen dit nieuw tooneel van

verwarring aan, sprakeloos van schrik.

Zij meenden in den nachtwacht een brutaal indringer te zien,

misschien was 't wel dezelfde persoon, die den brand gesticht had en

nu, na eerst het kostbaar servies vernield en den vloer in een plas

verkeerd te hebben, met haar éénig kind wegsnelde.

't Was de moeder, die bij dien gewaanden kinderroof plotseling

overeind vloog, den roover naijlde, hem bij den uitgang inhaalde,

met ongewone heftigheid bij den schouder vastpakte en met een

schorre stem riep:

"Je kunt hier alles in brand steken of stuk smijten of onder water

zetten, maar van ons kind zul je afblijven! Laat los, zeg ik je, of

'k bega aan jou een ongeluk!"

Intusschen was ook haar man komen toeschieten. Hij greep den

verbluften nachtwacht bij den anderen schouder en ontrukte hem 't

slapende jongske, dat, door al dat getob en gewurm wakker geschrikt,

het op een huilen zette en angstig om moeder riep.

Niemand was echter, door dezen samenloop van omstandigheden, meer

verbluft, dan de nachtwacht zelf, die, door de boeren en boerinnen

eensklaps als in een tooverkring besloten, zich niet keeren of

wenden kon.

"Och, mijn lieve menschen!" riep hij in wanhoop uit, "zie je dan

niet dat het heele huis hier in brand staat? Je moet hier toch, zou

'k zoo zeggen, haast stikken van den rook en de afschuwelijke

brandlucht. En 'k was bang voor jou Steven, dat die stikken of

verbranden zou, want voor eenigen tijd redde hij mijn dochtertje

Tonia, toen die op de Bleek door 't ijs zakte, van een wissen dood.

Hij heeft haar op den kant van de sloot weten te werken en weer

thuis gebracht. En, zie je ..."

"Je houdt er een mooie manier op na om een brand te blusschen, die

al gebluscht is!" zei De Laat. "Zie toch eens, hoe je hier den boel

hebt opgeknapt! 't Is waarlijk meer dan erg! Doch daaraan is nu

niets meer te veranderen. Je kunt gaan!"

"Ongevraagde diensten worden maar zelden op prijs gesteld!" mompelde

de arme man verdrietig, toen hij weer op straat stond en de moede

beenen opnieuw in beweging bracht, om de rondte door 't dorp te

doen.

Den dag te voren had hij boer Teeuwsen helpen mestrijden. Nu moest

hij een groot deel van den nacht al wandelend op straat doorbrengen,

terwijl zijn medemenschen rustig sliepen.

Zijn lot was waarlijk niet te benijden.

Het gezelschap in De Laat's woning bleef nog eenige oogenblikken

druk pratend bij elkander. Men vroeg zich af, of soms de nachtwacht

de brandstichter had kunnen zijn en nu nogmaals beproefd had om

verwarring te stichten en zóó een kans te hebben tot stelen.

"Die menschen hebben altijd voor eerlijk bekend gestaan," zei De

Laat.

"Ze hebben misschien in moeilijke omstandigheden verkeerd," merkte

vrouw Scholte aan. "Nood breekt wet!"

Intusschen was de rook uit het huis nu verwijderd. Deuren en

vensters werden weer gesloten en de bezoekers namen met gemengde

gevoelens afscheid.

Met groot gerammel en geratel, schuddend en schokkend, reden ze in

hun kleedwagens zonder veeren over de erg ongelijke straatkeien,

zoodat de lieden in 't dorp van 't gerucht wakker schrikten.

Toen men het dorp uit was, ging 't weer over de landwegen in

verschillende richtingen als in slakkengang verder.

Bij 't licht der volle maan teekenden de witte, bolstaande kleeden

der voertuigen zich scherp af tegen 't grauw der omgeving, als waren

't vreemde, witte wezens uit een Droomenland of wel schepen met

gespannen, blanke zeilen, stevenend over een in nacht gehulde zee

naar een onbekende kust.

Langs Slingerpaden · 第 11 / 30 题