De kennismaking wordt voortgezet.
Steven de Laat, -- de vader, -- was handelaar in tuinzaden. Hij was
een goedaardig, in zichzelf gekeerd man, middelmatig groot en gezet
van postuur.
Zijn kennissen zeiden schertsend van hem, dat hij op _een grooten
voet_ leefde. Zij hadden geen ongelijk, in zoover zijn voeten
buitengewoon groot waren, even alsof hij ze door 't vele loopen
uiteen getrapt had en ze daardoor langzamerhand zoo breed geworden
waren.
Door de vele voetreizen en 't geregelde verkeer in de buitenlucht
was hij tegen wind en weder gehard.
Alle wegen en paden daar in de streek kende hij en kon hij zelfs bij
duisteren nacht passeeren, zonder gevaar van te verdwalen. Overal
voelde hij zich thuis en op zijn gemak.
Gelijk veel menschen, die vaak alleen zijn, was hij gewoon om nu en
dan half luid in zichzelf te spreken, of wel hardop te loopen
denken, zooals men zegt.
Steunend op een dikken, eikenhouten stok met een looden knop, welk
wapen hem nog daarenboven diende om er zich de kwaadaardige
wachthonden op de eenzaam gelegen boerenhoeven mee van 't lijf te
houden, en met een groenen reiszak op den rug, zagen de lieden die
nevens den weg woonden hem op vaste tijden voorbijkomen.
Hij was een voor zijn tijd vrij ontwikkeld man en deed alle werk met
overleg.
De grond in zijn woonplaats was bijzonder geschikt om er groenten
op te verbouwen en zaden te telen. De laatste behoefde hij voor zijn
handel. Hij kocht ze bij hoeveelheden van de boeren en verkocht ze
met groote winst weer in 't klein.
Vrouw De Laat leek, voor zoover haar kleeding en spraak betrof,
vrijwel op de boerinnen daar in de streek. Doch heur hagelwitte
neepjesmuts was mooier en van een kostbaarder stof; de gebloemde
borstdoek, het jak en de rok van donkere kleur en de blauwe
boezelaar met gebloemden rand kleedden haar bijzonder goed. Ze was
een wakkere vrouw, een voorbeeld van rustige werkzaamheid, met een
vriendelijk open gelaat, groote, sprekende oogen en een zachte,
aangename stem.
Beleefd en vriendelijk was ze ook jegens de armsten en zoo kreeg ze
daardoor zelden andere dan vriendelijke gezichten te zien. In dit
opzicht gelijkt de wereld een spiegel, die 't gelaat te zien geeft,
dat men hem toekeert. Iedereen komt onder de bekoring van een
vriendelijke verschijning.
Steven, het zoontje, was hun éénig kind. Hij was gezond, vlug en
vrij schrander. Maar, -- zooals dit vooral toentertijd bij tal van
jongeluitjes op 't platteland het geval was, -- hij speelde veel
liever buiten met zijn makkers of met de met hem bevriende
huisdieren dan naar school te gaan, te leeren en
"Te zitten op die harde banken;
Te kijken naar die zwarte planken
En zoet te zijn als domme Jool."
Zijn vader meende, dat hij geregeld de school bezocht. De goede man
was in de week maar zelden thuis. Zijn vrouw wist echter wel, dat
haar zoontje, van wien ze zulke groote verwachtingen had, een
sterken afkeer had van 't schoolgaan en ze had hem zelf herhaalde
malen gebracht naar 't onoogelijk gebouw, bezijden de kerk, dat voor
school dienst deed, maar veel meer geschikt ware geweest voor
pakhuis. Voor een levenslustig ventje als Steven was 't werkelijk
een erge straf, om daarin dag op dag vijf uur achtereen opgesloten
te zitten, terwijl daar buiten de vogels lustig floten, de bloemen
fleurden en geurden en de dieren in veld en weide zich in hun
vrijheid verlustigden.
Op eens scheen de knaap echter zijn tegenzin in 't naar school gaan
overwonnen te hebben. Hij klaagde 's morgens niet meer als vroeger
over hoofdpijn of buikpijn, maar verliet tijdig de ouderlijke woning
en ging gewillig heen. De moeder verwonderde zich over dit
veranderde gedrag van haar jongen en toen hij op een morgen weer
heel parmantig de deur uitging, volgde zij hem ongemerkt. Ze zag hem
het huisje van een buurman binnengaan en volgde hem. De oude moeder
Teunissen zat ijverig te spinnen, maar Steven was niet te zien.
"Zeg eens, buurvrouw, waar is onze jongen?" vroeg ze.
't Oude mensch hield bijzonder veel van Steven en daar ze zelf lezen
noch schrijven kon, begreep zij ook volstrekt niet, welk belang er
iemand bij hebben kon, om zich zoo jong al in die nuttige kunsten te
oefenen. Ze beantwoordde de vraag dan ook vrij bits met de
wedervraag: "Hoe kan ik dat weten?"
"Wel, ik zag hem zoo pas hier binnengaan. De jongen moet hier zijn
en voor den dag komen ook."
"Dan moet je maar zoeken, tot je hem vindt!" zei de oude vrouw. "Je
wilt hem zeker weer naar die nare school sturen."
"Wel wis en zeker!" was 't antwoord. "De jongen _moet_ en _zal_
leeren! Wat zou er anders van hem terecht komen?"
"Je plaagt jou jongen met dat naar school gaan en dat leeren! En 't
is toch zoo'n aardig kereltje! 'k Begrijp heusch niet, hoe je 't
over je hart kunt verkrijgen om hem heele dagen in zoo'n akelige
gevangenis op te sluiten! En al dat leeren dient nergens voor.
Gingen de boerenmenschen vroeger ook naar school? De meesten dachten
er niet aan, het te doen. En ze zijn er ook buitendien wel gekomen,
hoor!"
Zoo ging 't oude, goedhartige moedertje voort haar buurvrouw te
bekijven. Deze keek intusschen het heele vertrek rond. De kleine, in
lood gevatte ruitjes van 't éénige raam verlichtten maar flauw het
armoedig woonvertrek en lieten de hoeken in een schemerig donker.
Het haardvuur, van wat turf en schadelen opgebouwd, gloeide in den
ijzeren pot zonder ooren, die, tot aan den rand in den grond
gegraven, voor stookplaats diende. Een gedeukte, met een dikke
roetkorst bedekte waterketel hing er boven aan den berookten
"haolketting" en zong zulke eentonige, vreemde deunen, dat men er
droefgeestig van worden moest.
Over den vloer, bestaande uit vierkante vakken van keisteentjes,
door een band van op den kant gezette roode metselsteenen omlijst,
dribbelde taterend een bedrijvige kip rond en zocht er naar
broodkruimels. Maar van Steven was geen spoor te ontdekken.
"Waar zou de jongen toch zitten?" dacht de moeder.
Daar zag ze opeens achter de rokken der oude vrouw heen een
kinderklomp te voorschijn komen. Steven, die zijn moeder had zien
aankomen, had daarachter een schuilplaats gezocht. Nu was hij
ontdekt en werd, ondanks het gekijf van vrouw Teunissen, door zijn
zorgzame moeder aan school afgeleverd. "'t is mijn jongen en ik ben
voor hem aansprakelijk!" zeide ze.
Ook na dien tijd werd Steven nog herhaalde malen in school gemist.
Maar op Vrijdagnamiddag zag men hem toch geregeld in de lange bank
naast zijn makkers plaats nemen. En 't liedje, dat dan bij 't begin
wel eens werd aangeheven, zong hij uit volle borst mee:
"Komt, makkers, 't schooluur heeft geslagen,
Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt." enz.
Hij hield dan ook veel van zingen en had een goede stem. Maar de
grootste aantrekkelijkheid voor de jeugd hadden dan toch de
vertellingen van den onderwijzer, waarin men reizen maakte te land
en ter zee. De kale muren van 't somber en donker schoolvertrek,
waarbinnen vaak een onaangename lucht heerschte, schenen dan
plotseling voor de verbeelding der eenvoudige landjeugd te
verdwijnen. Men bezocht in gedachten vreemde landen en nog vreemder
menschen en leefde in vollen ernst met hen mede.
Ja, die Vrijdag-namiddagen waren ook toentertijd in die oude,
ondoelmatig ingerichte plattelandsscholen wel eens bij uitstek
vormend voor verstand en hart. Ook de leesboeken, schoon lang niet
zoo doelmatig als die tegenwoordig gebruikt worden, bevatten tal van
verhalen, welke spraken tot gevoel en verbeelding. Daaraan vooral
was het toe te schrijven dat Steven, toen hij eindelijk die boeken
kon lezen en begrijpen, er toe werd aangezet om de lessen meer
geregeld bij te wonen.
Vader De Laat had gelijk, toen hij zeide dat zijn zoontje een echt
dierenvriend was. De honden uit de buurt kwamen kwispelstaartend
naar hem toe. Hij deelde wel eens zijn boterham met hen en ze waren
hem daarvoor op hun wijze erkentelijk.
Onder den maaltijd zat de groote, zwartbonte poes gewoonlijk op een
stoel naast hem te spinnen en telde hem, zoo te zeggen, de brokken
in den mond. Van tijd tot tijd tikte ze hem met haar poot op den
arm, om hem een stukje af te bedelen. En ze bereikte daarmee
gewoonlijk haar doel. En als dit niet spoedig genoeg 't geval was,
begon ze heel vlijtig te spinnen, als wilde ze zich op die manier
voor de huishouding verdienstelijk maken.
Daar zijn vader maar zelden thuis was, hechtte de knaap zich meer
aan zijn moeder. Deze vond in zijn gezelschap een zeer gewenschte
afwisseling in haar overigens vrij eentonig leven. Ze vermaakte zich
met zijn gekeuvel en zijn spelen met de huisdieren. Vooral het
speenvarkentje speelde een belangrijke rol in de kleine huishouding.
Steven rolde met het zindelijk diertje gedurende de donkere
winterdagen om en om in 't hooi, dat Bles stond te verorberen. Het
groot, goedaardig beest zag de twee luidruchtige worstelaars, van
wie de één door geschater en de ander door geknor zijn pret te
kennen gaf, zwijgend aan met een gezicht, als wou ze zeggen: "Ja,
ja, spelen jelui maar! Je weet er nog niemendal van, wat er al zoo
in de wereld te koop is, maar zult het spoedig genoeg leeren!"
Als de jongen naar school was, vond de moeder 't erg leeg en stil in
huis. De hangklok aan den wand, waarvan de wijzerplaat met roode
rozen beschilderd was, tikte dan buitengewoon hard, vond ze; de
waterketel boven 't vuur zong dan zulke zwaarmoedige deunen, dat ze
wel eens de deur uit ging, om zich wat te verzetten. En als de
school uitging, stond zij haar jongen aan de straat op te wachten;
ze vermaakte zich met zijn gekeuvel en vond, dat hij al bijzonder
verstandig praten kon, haast net als een groot mensch. Ze vertelde
op een keer aan buurvrouw Teunissen, hoe knap haar jongen al was en
hoe wijs hij praten kon, maar de goede oude schudde bezorgd het
hoofd. "'t Ventje wordt niet oud!" zei ze treurig. "Dat stil zitten
in school en dat gestadig leeren deugt volstrekt niet voor hem."
"Gekheid!" antwoordde de moeder. "Andere kinderen leeren immers ook
en blijven toch gezond en in leven; waarom zou onze jongen juist
daarvan ziek worden?"
Maar toch bleef die herhaalde verzekering van 't oude mensch haar
onaangenaam stemmen. Ze vond het noodzakelijk, dat Steven geregeld
onderwijs kreeg en wilde toch voor de heele wereld niet, dat zijn
gezondheid schade leed. Zij gaf hem daarom aan tafel de lekkerste
beetjes en kocht hem allerlei speelgoed. Bovendien stond ze toe, dat
hij zijn halven spaarpot in een mooi beursje in den zak had, om er
gekleurde griffels of andere benoodigdheden voor aan te schaffen. En
daar hij de waarde van 't geld niet kende en niet bij ondervinding
wist, hoeveel moeite 't vaak kost om enkele stuivers te verdienen,
was hij er ook volstrekt niet zuinig op.
Hij was goedhartig en mededeelzaam, zoodat zijn makkers veel van hem
hielden.
Op een morgen kwam Tonia, het dochtertje van den nachtwacht Jansen,
schreiend naar school.
Steven hield veel van 't aardige meisje. Hij staakte daarom zijn
spel, ging op haar toe en vroeg wat haar scheelde.
"'k Heb mijn schoolgeld verloren en moeder heeft ook geen centen
meer in huis, dat weet ik wel," zei ze snikkend.
"O, is 't anders niet!" sprak hij geruststellend. "Hier heb je vijf
centen, geef die maar aan meester." Tonia stond een oogenblik
verbaasd te kijken. Vijf centen, waren voor 't arme kind een heele
schat. Haar mooie kijkers werden verwonderlijk groot. Ze staarde
naar de toegestoken hand met de centen er in, als wilde ze vragen:
"Voor mij?" Ze draalde met het aannemen van den zoo bereidwillig
geboden schat, uit vrees dat de jongen gekscheerde en de hand met
het geld lachend zou terugtrekken, als zij die wilde aannemen.
"Wil je ze niet hebben?" vroeg Steven verwonderd.
"O, heel gaarne," zei ze, terwijl zij ze aannam. "Ik denk, dat ik ze
Maandag wel weer kan teruggeven."
"Dat hoeft niet!" verzekerde de knaap. "'k Heb nog centen genoeg in
mijn spaarpot en daar komen er iedere week nog wat bij. Vertel maar
niet in huis, dat je 't geld verloren hebt, want dan zou je nog
knorren krijgen."
"Wat ben je toch goed! Dank je!" zei het meisje en spitst de lippen,
alsof ze hem een zoen wou geven, maar niet durfde. Haar schoone,
donkere oogen schitterden van dankbaarheid en vreugde tevens, omdat
ze nu uit die groote moeilijkheid gered was. Met haar blauw
boezelaartje droogde ze haar tranen en ging met de anderen opgeruimd
het schoolgebouw binnen.
Steven zag haar na en onwillekeurig richtten zijn blikken zich naar
de plaats, waar zij zat, toen ook hij zijn plaats op de schoolbank
had ingenomen.
Hoe vriendelijk werd ze door den meester toegesproken! En hoe deed
ze haar best met leeren!
"Ik moet ook mijn best doen!" dacht de knaap. En hij was dien morgen
met leeren al zijn makkers de baas.
* *
*
Het huis, waarin De Laat met vrouw en kind woonde, verschilde weinig
van een gewoon boerenhuis daar in de streek. Evenals deze stond het
ook met de achterzijde naar de straat gekeerd. Het ruime achterhuis
met den leemen dorschvloer had hier grootendeels gemist kunnen
worden. In den grooten stal, die eertijds een viertal koeien tot
verblijf had gestrekt, stond nu alleen Bles en 't ruime varkenshok
herbergde nu 't speenvarkentje.
Door de tusschendeur kwam men in de keuken, die ook hier tot woon-
en tevens tot slaapvertrek diende. Twee paar groene gordijnen aan
weerszijden van den haard verborgen de hooge, met ganzeveeren
gevulde bedden in de ruime slaapsteden.
Aan den Zuidkant leidde een trap over den keldermond naar de
zoogenaamde opkamer.
Het raam dezer laatste bood een heerlijk uitzicht over de schoone
streek met haar graan- en aardappelvelden, weiden, kreupelbosschen
en boomen. Op den achtergrond verhief zich 't bosch van het kasteel
Heiterloo.
Op menigen zonnigen winterdag, als de boomen kaal stonden, kon men
de vergulde windvaan op den toren van 't kasteel zien glinsteren en
blinken. De kleine Steven kon er soms lang naar zitten staren en als
hij zoo vertrouwelijk zat te keuvelen met zijn vriendin Tonia van
den nachtwacht, was dat geheimzinnige schitterende vaantje vaak het
onderwerp hunner gesprekken. Het kasteel zelf hadden ze ook al eens
uit de verte gezien. Het was zoo groot, zoo hoog en zoo mooi, dat
het naar hun meening niet ter woning strekte aan gewone menschen,
maar tot verblijf moest dienen van hooger wezens.