II.

De kennismaking wordt voortgezet.

Steven de Laat, -- de vader, -- was handelaar in tuinzaden. Hij was

een goedaardig, in zichzelf gekeerd man, middelmatig groot en gezet

van postuur.

Zijn kennissen zeiden schertsend van hem, dat hij op _een grooten

voet_ leefde. Zij hadden geen ongelijk, in zoover zijn voeten

buitengewoon groot waren, even alsof hij ze door 't vele loopen

uiteen getrapt had en ze daardoor langzamerhand zoo breed geworden

waren.

Door de vele voetreizen en 't geregelde verkeer in de buitenlucht

was hij tegen wind en weder gehard.

Alle wegen en paden daar in de streek kende hij en kon hij zelfs bij

duisteren nacht passeeren, zonder gevaar van te verdwalen. Overal

voelde hij zich thuis en op zijn gemak.

Gelijk veel menschen, die vaak alleen zijn, was hij gewoon om nu en

dan half luid in zichzelf te spreken, of wel hardop te loopen

denken, zooals men zegt.

Steunend op een dikken, eikenhouten stok met een looden knop, welk

wapen hem nog daarenboven diende om er zich de kwaadaardige

wachthonden op de eenzaam gelegen boerenhoeven mee van 't lijf te

houden, en met een groenen reiszak op den rug, zagen de lieden die

nevens den weg woonden hem op vaste tijden voorbijkomen.

Hij was een voor zijn tijd vrij ontwikkeld man en deed alle werk met

overleg.

De grond in zijn woonplaats was bijzonder geschikt om er groenten

op te verbouwen en zaden te telen. De laatste behoefde hij voor zijn

handel. Hij kocht ze bij hoeveelheden van de boeren en verkocht ze

met groote winst weer in 't klein.

Vrouw De Laat leek, voor zoover haar kleeding en spraak betrof,

vrijwel op de boerinnen daar in de streek. Doch heur hagelwitte

neepjesmuts was mooier en van een kostbaarder stof; de gebloemde

borstdoek, het jak en de rok van donkere kleur en de blauwe

boezelaar met gebloemden rand kleedden haar bijzonder goed. Ze was

een wakkere vrouw, een voorbeeld van rustige werkzaamheid, met een

vriendelijk open gelaat, groote, sprekende oogen en een zachte,

aangename stem.

Beleefd en vriendelijk was ze ook jegens de armsten en zoo kreeg ze

daardoor zelden andere dan vriendelijke gezichten te zien. In dit

opzicht gelijkt de wereld een spiegel, die 't gelaat te zien geeft,

dat men hem toekeert. Iedereen komt onder de bekoring van een

vriendelijke verschijning.

Steven, het zoontje, was hun éénig kind. Hij was gezond, vlug en

vrij schrander. Maar, -- zooals dit vooral toentertijd bij tal van

jongeluitjes op 't platteland het geval was, -- hij speelde veel

liever buiten met zijn makkers of met de met hem bevriende

huisdieren dan naar school te gaan, te leeren en

"Te zitten op die harde banken;

Te kijken naar die zwarte planken

En zoet te zijn als domme Jool."

Zijn vader meende, dat hij geregeld de school bezocht. De goede man

was in de week maar zelden thuis. Zijn vrouw wist echter wel, dat

haar zoontje, van wien ze zulke groote verwachtingen had, een

sterken afkeer had van 't schoolgaan en ze had hem zelf herhaalde

malen gebracht naar 't onoogelijk gebouw, bezijden de kerk, dat voor

school dienst deed, maar veel meer geschikt ware geweest voor

pakhuis. Voor een levenslustig ventje als Steven was 't werkelijk

een erge straf, om daarin dag op dag vijf uur achtereen opgesloten

te zitten, terwijl daar buiten de vogels lustig floten, de bloemen

fleurden en geurden en de dieren in veld en weide zich in hun

vrijheid verlustigden.

Op eens scheen de knaap echter zijn tegenzin in 't naar school gaan

overwonnen te hebben. Hij klaagde 's morgens niet meer als vroeger

over hoofdpijn of buikpijn, maar verliet tijdig de ouderlijke woning

en ging gewillig heen. De moeder verwonderde zich over dit

veranderde gedrag van haar jongen en toen hij op een morgen weer

heel parmantig de deur uitging, volgde zij hem ongemerkt. Ze zag hem

het huisje van een buurman binnengaan en volgde hem. De oude moeder

Teunissen zat ijverig te spinnen, maar Steven was niet te zien.

"Zeg eens, buurvrouw, waar is onze jongen?" vroeg ze.

't Oude mensch hield bijzonder veel van Steven en daar ze zelf lezen

noch schrijven kon, begreep zij ook volstrekt niet, welk belang er

iemand bij hebben kon, om zich zoo jong al in die nuttige kunsten te

oefenen. Ze beantwoordde de vraag dan ook vrij bits met de

wedervraag: "Hoe kan ik dat weten?"

"Wel, ik zag hem zoo pas hier binnengaan. De jongen moet hier zijn

en voor den dag komen ook."

"Dan moet je maar zoeken, tot je hem vindt!" zei de oude vrouw. "Je

wilt hem zeker weer naar die nare school sturen."

"Wel wis en zeker!" was 't antwoord. "De jongen _moet_ en _zal_

leeren! Wat zou er anders van hem terecht komen?"

"Je plaagt jou jongen met dat naar school gaan en dat leeren! En 't

is toch zoo'n aardig kereltje! 'k Begrijp heusch niet, hoe je 't

over je hart kunt verkrijgen om hem heele dagen in zoo'n akelige

gevangenis op te sluiten! En al dat leeren dient nergens voor.

Gingen de boerenmenschen vroeger ook naar school? De meesten dachten

er niet aan, het te doen. En ze zijn er ook buitendien wel gekomen,

hoor!"

Zoo ging 't oude, goedhartige moedertje voort haar buurvrouw te

bekijven. Deze keek intusschen het heele vertrek rond. De kleine, in

lood gevatte ruitjes van 't éénige raam verlichtten maar flauw het

armoedig woonvertrek en lieten de hoeken in een schemerig donker.

Het haardvuur, van wat turf en schadelen opgebouwd, gloeide in den

ijzeren pot zonder ooren, die, tot aan den rand in den grond

gegraven, voor stookplaats diende. Een gedeukte, met een dikke

roetkorst bedekte waterketel hing er boven aan den berookten

"haolketting" en zong zulke eentonige, vreemde deunen, dat men er

droefgeestig van worden moest.

Over den vloer, bestaande uit vierkante vakken van keisteentjes,

door een band van op den kant gezette roode metselsteenen omlijst,

dribbelde taterend een bedrijvige kip rond en zocht er naar

broodkruimels. Maar van Steven was geen spoor te ontdekken.

"Waar zou de jongen toch zitten?" dacht de moeder.

Daar zag ze opeens achter de rokken der oude vrouw heen een

kinderklomp te voorschijn komen. Steven, die zijn moeder had zien

aankomen, had daarachter een schuilplaats gezocht. Nu was hij

ontdekt en werd, ondanks het gekijf van vrouw Teunissen, door zijn

zorgzame moeder aan school afgeleverd. "'t is mijn jongen en ik ben

voor hem aansprakelijk!" zeide ze.

Ook na dien tijd werd Steven nog herhaalde malen in school gemist.

Maar op Vrijdagnamiddag zag men hem toch geregeld in de lange bank

naast zijn makkers plaats nemen. En 't liedje, dat dan bij 't begin

wel eens werd aangeheven, zong hij uit volle borst mee:

"Komt, makkers, 't schooluur heeft geslagen,

Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt." enz.

Hij hield dan ook veel van zingen en had een goede stem. Maar de

grootste aantrekkelijkheid voor de jeugd hadden dan toch de

vertellingen van den onderwijzer, waarin men reizen maakte te land

en ter zee. De kale muren van 't somber en donker schoolvertrek,

waarbinnen vaak een onaangename lucht heerschte, schenen dan

plotseling voor de verbeelding der eenvoudige landjeugd te

verdwijnen. Men bezocht in gedachten vreemde landen en nog vreemder

menschen en leefde in vollen ernst met hen mede.

Ja, die Vrijdag-namiddagen waren ook toentertijd in die oude,

ondoelmatig ingerichte plattelandsscholen wel eens bij uitstek

vormend voor verstand en hart. Ook de leesboeken, schoon lang niet

zoo doelmatig als die tegenwoordig gebruikt worden, bevatten tal van

verhalen, welke spraken tot gevoel en verbeelding. Daaraan vooral

was het toe te schrijven dat Steven, toen hij eindelijk die boeken

kon lezen en begrijpen, er toe werd aangezet om de lessen meer

geregeld bij te wonen.

Vader De Laat had gelijk, toen hij zeide dat zijn zoontje een echt

dierenvriend was. De honden uit de buurt kwamen kwispelstaartend

naar hem toe. Hij deelde wel eens zijn boterham met hen en ze waren

hem daarvoor op hun wijze erkentelijk.

Onder den maaltijd zat de groote, zwartbonte poes gewoonlijk op een

stoel naast hem te spinnen en telde hem, zoo te zeggen, de brokken

in den mond. Van tijd tot tijd tikte ze hem met haar poot op den

arm, om hem een stukje af te bedelen. En ze bereikte daarmee

gewoonlijk haar doel. En als dit niet spoedig genoeg 't geval was,

begon ze heel vlijtig te spinnen, als wilde ze zich op die manier

voor de huishouding verdienstelijk maken.

Daar zijn vader maar zelden thuis was, hechtte de knaap zich meer

aan zijn moeder. Deze vond in zijn gezelschap een zeer gewenschte

afwisseling in haar overigens vrij eentonig leven. Ze vermaakte zich

met zijn gekeuvel en zijn spelen met de huisdieren. Vooral het

speenvarkentje speelde een belangrijke rol in de kleine huishouding.

Steven rolde met het zindelijk diertje gedurende de donkere

winterdagen om en om in 't hooi, dat Bles stond te verorberen. Het

groot, goedaardig beest zag de twee luidruchtige worstelaars, van

wie de één door geschater en de ander door geknor zijn pret te

kennen gaf, zwijgend aan met een gezicht, als wou ze zeggen: "Ja,

ja, spelen jelui maar! Je weet er nog niemendal van, wat er al zoo

in de wereld te koop is, maar zult het spoedig genoeg leeren!"

Als de jongen naar school was, vond de moeder 't erg leeg en stil in

huis. De hangklok aan den wand, waarvan de wijzerplaat met roode

rozen beschilderd was, tikte dan buitengewoon hard, vond ze; de

waterketel boven 't vuur zong dan zulke zwaarmoedige deunen, dat ze

wel eens de deur uit ging, om zich wat te verzetten. En als de

school uitging, stond zij haar jongen aan de straat op te wachten;

ze vermaakte zich met zijn gekeuvel en vond, dat hij al bijzonder

verstandig praten kon, haast net als een groot mensch. Ze vertelde

op een keer aan buurvrouw Teunissen, hoe knap haar jongen al was en

hoe wijs hij praten kon, maar de goede oude schudde bezorgd het

hoofd. "'t Ventje wordt niet oud!" zei ze treurig. "Dat stil zitten

in school en dat gestadig leeren deugt volstrekt niet voor hem."

"Gekheid!" antwoordde de moeder. "Andere kinderen leeren immers ook

en blijven toch gezond en in leven; waarom zou onze jongen juist

daarvan ziek worden?"

Maar toch bleef die herhaalde verzekering van 't oude mensch haar

onaangenaam stemmen. Ze vond het noodzakelijk, dat Steven geregeld

onderwijs kreeg en wilde toch voor de heele wereld niet, dat zijn

gezondheid schade leed. Zij gaf hem daarom aan tafel de lekkerste

beetjes en kocht hem allerlei speelgoed. Bovendien stond ze toe, dat

hij zijn halven spaarpot in een mooi beursje in den zak had, om er

gekleurde griffels of andere benoodigdheden voor aan te schaffen. En

daar hij de waarde van 't geld niet kende en niet bij ondervinding

wist, hoeveel moeite 't vaak kost om enkele stuivers te verdienen,

was hij er ook volstrekt niet zuinig op.

Hij was goedhartig en mededeelzaam, zoodat zijn makkers veel van hem

hielden.

Op een morgen kwam Tonia, het dochtertje van den nachtwacht Jansen,

schreiend naar school.

Steven hield veel van 't aardige meisje. Hij staakte daarom zijn

spel, ging op haar toe en vroeg wat haar scheelde.

"'k Heb mijn schoolgeld verloren en moeder heeft ook geen centen

meer in huis, dat weet ik wel," zei ze snikkend.

"O, is 't anders niet!" sprak hij geruststellend. "Hier heb je vijf

centen, geef die maar aan meester." Tonia stond een oogenblik

verbaasd te kijken. Vijf centen, waren voor 't arme kind een heele

schat. Haar mooie kijkers werden verwonderlijk groot. Ze staarde

naar de toegestoken hand met de centen er in, als wilde ze vragen:

"Voor mij?" Ze draalde met het aannemen van den zoo bereidwillig

geboden schat, uit vrees dat de jongen gekscheerde en de hand met

het geld lachend zou terugtrekken, als zij die wilde aannemen.

"Wil je ze niet hebben?" vroeg Steven verwonderd.

"O, heel gaarne," zei ze, terwijl zij ze aannam. "Ik denk, dat ik ze

Maandag wel weer kan teruggeven."

"Dat hoeft niet!" verzekerde de knaap. "'k Heb nog centen genoeg in

mijn spaarpot en daar komen er iedere week nog wat bij. Vertel maar

niet in huis, dat je 't geld verloren hebt, want dan zou je nog

knorren krijgen."

"Wat ben je toch goed! Dank je!" zei het meisje en spitst de lippen,

alsof ze hem een zoen wou geven, maar niet durfde. Haar schoone,

donkere oogen schitterden van dankbaarheid en vreugde tevens, omdat

ze nu uit die groote moeilijkheid gered was. Met haar blauw

boezelaartje droogde ze haar tranen en ging met de anderen opgeruimd

het schoolgebouw binnen.

Steven zag haar na en onwillekeurig richtten zijn blikken zich naar

de plaats, waar zij zat, toen ook hij zijn plaats op de schoolbank

had ingenomen.

Hoe vriendelijk werd ze door den meester toegesproken! En hoe deed

ze haar best met leeren!

"Ik moet ook mijn best doen!" dacht de knaap. En hij was dien morgen

met leeren al zijn makkers de baas.

* *

*

Het huis, waarin De Laat met vrouw en kind woonde, verschilde weinig

van een gewoon boerenhuis daar in de streek. Evenals deze stond het

ook met de achterzijde naar de straat gekeerd. Het ruime achterhuis

met den leemen dorschvloer had hier grootendeels gemist kunnen

worden. In den grooten stal, die eertijds een viertal koeien tot

verblijf had gestrekt, stond nu alleen Bles en 't ruime varkenshok

herbergde nu 't speenvarkentje.

Door de tusschendeur kwam men in de keuken, die ook hier tot woon-

en tevens tot slaapvertrek diende. Twee paar groene gordijnen aan

weerszijden van den haard verborgen de hooge, met ganzeveeren

gevulde bedden in de ruime slaapsteden.

Aan den Zuidkant leidde een trap over den keldermond naar de

zoogenaamde opkamer.

Het raam dezer laatste bood een heerlijk uitzicht over de schoone

streek met haar graan- en aardappelvelden, weiden, kreupelbosschen

en boomen. Op den achtergrond verhief zich 't bosch van het kasteel

Heiterloo.

Op menigen zonnigen winterdag, als de boomen kaal stonden, kon men

de vergulde windvaan op den toren van 't kasteel zien glinsteren en

blinken. De kleine Steven kon er soms lang naar zitten staren en als

hij zoo vertrouwelijk zat te keuvelen met zijn vriendin Tonia van

den nachtwacht, was dat geheimzinnige schitterende vaantje vaak het

onderwerp hunner gesprekken. Het kasteel zelf hadden ze ook al eens

uit de verte gezien. Het was zoo groot, zoo hoog en zoo mooi, dat

het naar hun meening niet ter woning strekte aan gewone menschen,

maar tot verblijf moest dienen van hooger wezens.

Langs Slingerpaden · 第 8 / 30 题