Waarin men een straattooneeltje bijwoont en kennis maakt met de
familie De Laat.
't Was een koude, heldere avond in 't laatst van October. Steven de
Laat, een ventje van zeven jaar, had op de dorpsstraat met zijn
makkers gespeeld en wilde juist het huis binnen gaan, toen 't op den
hoek, bij de tapperij van Klaas Brouwer, bijzonder rumoerig werd.
Een bekende dronkaard, Teunis Vlak, kwam met een uitsporigen zwaai
de kroeg uit en de straat op loopen en schreeuwde uit alle macht,
terwijl hij op een allergekste manier met armen en bovenlijf
zwaaide: "Wij gaan nog niet naar huis!" enz. Daar er in 't stil,
landelijk dorpje, dat we maar Veldwijk zullen noemen, slechts zelden
iets bijzonders gebeurde, trok de luidruchtige dronken man
buitengewoon veel belangstelling. Hij bracht weer eens wat leven in
de brouwerij, zooals men zegt.
"Dronken Teunis is weer aan den gang!" riepen de bewoners, die
nieuwsgierig uit hun huizen kwamen loopen, elkander toe en lachten
en schaterden om de komieke manier, waarop hij over de straat
laveerde.
Teunis scheen te meenen, dat hij zich door zoo mal te doen jegens 't
belangstellend publiek buitengewoon verdienstelijk maakte. Althans:
hij grijnslachte allerleelijkst en zong steeds weer van voren af
aan, dat hij nog niet naar huis ging.
"Ha, ha! -- die is goed!" lachte een spotvogel onder de
toeschouwers. "Hij heeft geen huis en hoe zou hij er dan naar toe
gaan? Zijn hut kan men toch geen huis noemen. De getuinde wanden
zijn met leem dichtgesmeerd; het dak is van half vergaan stroo,
dat hier en daar met mos en huislook begroeid is. Het ondereinde van
een eiken stam is de tafel; een wrakke stoel is schier 't eenige
meubel. De vent kan evengoed in 't arrestantenlokaal zitten."
"Misschien is 't wel zijn toeleg, om door de politie opgepakt te
worden!" zei bakker Joosten. "Hij komt dan voor niet een heelen
nacht onder dak. Morgen vroeg wordt hij weer vrij gelaten en kan dan
van nieuws beginnen. Ze hadden hem al lang naar de Schans moeten
sturen en hem noodzaken om met werken zijn brood te verdienen."
"'t Is een gevaarlijke kerel!" sprak nu boer Scholte, die met paard
en wagen in 't dorp was en daar een vaatje boter en een honderdtal
eieren bij den kruidenier afleverde en daarvoor waren terug nam. "Je
kunt je hier in 't dorp haast niet voorstellen, wat een last wij
buitenmenschen van dat brutale bedelvolk hebben. Als de vrouwen
alleen thuis zijn, dwingen en dreigen ze, om te krijgen wat er van
hun gading is. Ze zijn een ernstig, blijvend gevaar voor oppassende,
werkzame menschen." Hij groette, klom op zijn wagen en reed met het
schokkende, ratelende voertuig over den met keien geplaveiden
straatweg, terwijl hij 't paard in draf zette.
De nieuwsgierige dorpelingen, die nog altijd naar het dwaze doen van
den vagebond bleven kijken, zagen nu eensklaps veldwachter Van Braam
om den hoek heen komen en met haastige stappen naderen. De
ondergaande zon schitterde op de kleine koperen knoopjes, aan
weerskanten van zijn sjako-achtig hoofddeksel en de heel groote
knoopen van 't zelfde metaal, waarmee de voorzijde van zijn kaal
afgesleten lakensche jas versierd was.
Hij was een lang man met een deftige houding. Een dikken stok droeg
hij onder den arm en aan zijn linkerzijde hing de geduchte sabel.
"Wat is hier te doen?" vroeg hij barsch.
"De Bierton is weer dronken!" galmde de straatjeugd, die den
landlooper op de hielen volgde en een groot vermaak schepte in zijn
heen en weer zwaaien en zijn dronkemansgezang.
De veldwachter stapte kordaat op den vagebond toe, greep hem bij den
kraag van zijn ruigen pijekker, die hem, in verband met zijn vuile
pelsmuts, het voorkomen gaf van een ruigen beer en zei forsch: "Wel,
wel, Teunis, is 't weer zoo laat met je! Kom mee: 'k zal je wel even
onder dak brengen!"
Maar Teunis vond dit aanbod niet naar zijn zin. Hij zette zich
terdege schrap en zong of liever schreeuwde weer uit alle macht, dat
hij nog niet naar huis ging.
De straatjeugd en ook sommige volwassen lieden vonden dit zulk een
kluchtig tooneel, dat ze 't uitschaterden en staan bleven om te
zien, hoe 't zou afloopen. Zij zagen, hoe de veldwachter vooruit en
Teunis achteruit trok, hoe die twee struikelden over een straatkei,
in de goot vielen en in 't vuile water lagen te ploeteren en ze
barstten uit in een schaterlach.
Gelukkig kwam de nachtwacht nu te hulp schieten en met hun beiden
brachten ze den druipnatten landlooper in 't arrestantenlokaal. Men
kon hem echter ook toen hooren zingen, dat hij nog niet naar huis
ging.
"Vader! Moeder! De Glimworm kwam er aan en greep de Bierton, die
zong, bij den kraag. Maar de Bierton wou niet mee en trok aldoor
achteruit en de Glimworm trok vooruit en toen vielen ze allebei in
de goot en lagen er in 't vuile water te ploeteren ... och zoo
grappig!"
Met dit nieuws kwam de zevenjarige Steven de Laat het woonvertrek
binnenloopen. Hij had een kleur als bloed van den haast, dien hij
gemaakt had om 't groote nieuws aan vader en moeder te vertellen en
beefde van opgewondenheid en groote pret.
Zijn vader zat erg vermoeid in den leunstoel in 't warme hoekje van
den haard. Zoo pas nog was hij van een verre, hoogst bezwaarlijke
voetreis weer thuis gekomen.
De verkeersmiddelen van tegenwoordig, zooals spoor- en tramwegen,
waren toen in dit gedeelte des lands nog onbekende zaken, want wat
we nu beginnen te vertellen, is ongeveer een halve eeuw geleden
voorgevallen.
October had den goeden man bij 't scheiden als in boozen luim zijn
kille hagelbuien in 't gezicht geblazen of wel hem begroet met een
sneeuwjacht, waardoor niet enkel de streek als wit gepoeierd werd,
maar ook hij zelf in een sneeuwman veranderd scheen, die, voor de
afwisseling, zijn vaste standplaats verlaten had, om een uitstapje
te doen in de buurt en er een praatje te maken met een anderen
sneeuwman.
De landwegen, die hij had moeten passeeren, verkeerden in een
slechten staat; op sommige plaatsen waren 't modderpoelen en de reis
had geduurd van Maandag tot Zaterdag. Hij was dan ook zeer vermoeid,
zooals we reeds zeiden, en zat te knikkebollen tegen 't hoog
opvlammend haardvuur, alsof hij dit door middel van gebaren een
hoogst belangrijk geheim wilde mededeelen. Op dit oogenblik kwam
zijn zoontje met het voor dezen zoo gewichtig nieuws binnen stormen
en deed hem opschrikken uit zijn sluimer.
Verwonderd keek De Laat eerst zijn jongen aan en richtte vervolgens
de oogen op zijn vrouw, die juist bezig was om den avondmaaltijd
gereed te maken.
"Wat praat de jongen toch van de Bierton en den Glimworm?" vroeg hij
verbaasd. "Wat meent hij daarmee?"
"Och," antwoordde zijn echtgenoote lachend, "de jongens noemen
Teunis Vlak, omdat hij zoo dik is, de Bierton. En als de veldwachter
hem, wanneer hij dronken over de straat laveert, in 't
arrestantenlokaal wil opsluiten, scheldt Teunis hem om de glimmende
knoopen van zijn uniform voor "leelijke glimworm" en de jongens
hebben ook dien scheldnaam overgenomen."
De Laat schudde bedenkelijk het hoofd. "'t Bevalt me niet," zeide
hij ernstig, "dat de jongen zoo laat nog op straat loopt en allerlei
dingen ziet gebeuren, waarvan hij zoo lang mogelijk onkundig moest
blijven en er de lui scheldnamen leert geven. Waar is hij nu weer
zoo gauw gebleven? Zeker weer de straat op."
"Misschien wel," antwoordde zijn vrouw, ze opende de voordeur en
riep haar zoontje. Toen ze 't woonvertrek weer binnentrad, zei ze:
"'t Begint al aardig te vriezen. 't Zal een koude nacht worden."
Steven volgde haar op den voet en zijn vader liet zijn plan varen om
hem te berispen. Hij kon later immers evengoed zijn jongen
waarschuwen.
Spoedig stond nu de maaltijd gereed en zaten ze recht gezellig aan
tafel. Helder brandde de lamp en 't haardvuur verspreidde een
aangename warmte.
't Genot van spijs en drank deed den man weer heelemaal opleven. Hij
vertelde van 't geen hij op zijn reis alzoo gezien had.
"Ze zijn op 't Wolvenveld met een spoorbaan aan 't leggen," dus
begon hij. "Een troep polderwerkers is daar op een verwonderlijke
manier in den taaien leemgrond aan 't bolwerken. 'k Heb nog van mijn
leven zulk werken niet gezien. De één graaft en delft; de ander duwt
den zwaarbeladen kruiwagen tegen een smalle plank op en stort den
inhoud uit in een grooten wagen, die op ijzeren richels staat. Dat
alles geschiedt met een vlugheid en handigheid, alsof 't hun
volstrekt geen inspanning kostte. Als die wagens gevuld zijn, worden
er een dozijn of nog meer aanéén gehaakt. Dan komt er een
locomotief, zooals ze 't ding noemen, rookend, sissend en fluitend
over die richels aanrollen. Ze maken daarachter de wagens vast en
blazend, puffend en hijgend trekt hij ze voort, veel sneller dan een
paard loopen kan."
"Hoeveel paarden zijn daar dan wel voorgespannen, vader?" vroeg
Steven.
"Er loopen heelemaal geen paarden voor, mijn jongen!" was het
antwoord. "De voorste wagen, die locomotief heet, is gevuld met
kokend water en de damp van dat heete water brengt al die wagens in
beweging en doet ze loopen zoo snel als een vogel vliegen kan."
Steven vond dit verhaal veel verwonderlijker, dan dat van Klein
Duimpje of Asschepoester en haast te wonderlijk om het te gelooven.
"Ja," zei De Laat, "'t is een verwonderlijke uitvinding. Een paar
weken geleden stond ik vrij laat in den avond in een eenzame streek
aan een overweg van de spoorbaan en moest wachten, tot de laatste
personentrein gepasseerd was. 't Was donker; de lucht was bewolkt en
dreigde met regen; droomerig suisde de wind in de kale boomen en
ontlokte aan de telegraafdraden boven mijn hoofd allervreemdste
geluiden.
Op de plaats, waar ik stond, maakte de weg een bocht. Ratelend kwam
de trein aanstoomen. De twee groote lantaarns voor aan den
locomotief leken wel de vlammende oogen te zijn van een vreeselijk
monster uit de voorwereld. Daar was het vuurspuwend gedrocht vlak
tegen mij! 't Scheen zich van de spoorstaven te willen loswringen,
om op mij te komen aanstormen en me te vermorselen! 't Was een
gekletter van wielen en stangen, van ijzer op ijzer, alsof alles
kort en klein moest. Maar het vuurspuwend monster met zijn langen,
vurigen staart van helder verlichte wagens holde voorbij en liet een
ijselijk gegil hooren, dat mijlen ver over de streek weerklonk en
door de echo's herhaald werd.
Vermoeid van de lange reis leunde ik over den afsluitboom en dacht,
hoe mijn vader, die toch een moedig man was, geschrikt zou zijn, als
hij in zijn tijd dezen trein had zien voorbij-daveren en den vurigen
gloed had gezien, die er uit opsteeg en onheilspellend afstak tegen
de donkere lucht.
{Illustratie: "We gaan nog niet naar huis". (Pag. 3).}
De goede man ware de gevolgen van den doorgestanen schrik misschien
nooit weer te boven gekomen.
Maar zie! terwijl ik zoo dacht, kwam plotseling de boom, waarop ik
leunde, in beweging. Van 't verwijderde wachthuis werd hij omhoog
getrokken om den weg weer vrij te maken en ik ging mee de hoogte in.
Verschrikt liet ik me vallen en kwam vrij onzacht op den natten
grond terecht."
"Foei!" zei zijn vrouw huiverend. "Je zou armen en beenen hebben
kunnen breken! Maar," dus ging ze voort, "die spoorwegen maken 't
verkeer toch zeer gemakkelijk en goedkoop. Levensmiddelen en andere
zaken worden in weinig tijd naar de meest afgelegen plaatsen
vervoerd, zoodat er in gewone omstandigheden weinig of geen gevaar
meer bestaat voor hongersnood. Vroeger ging dit vervoer uiterst
langzaam per as en vaak over ongebaande en met tollen bezwaarde
wegen. 't is maar gelukkig, dat we binnen kort hier in de streek ook
zoo'n spoorweg zullen krijgen."
"Ja," zei De Laat, "die veranderingen met stoom en telegraaf zijn
ongetwijfeld verbeteringen. En wie weet, welke veranderingen we
mettertijd nog te wachten hebben. Sinds we kinderen waren, is er op
verschillend gebied al zooveel vooruitgang waar te nemen. Het heugt
me nog als de dag van gisteren, dat Teunis, de marskramer, hier de
eerste lucifers bracht. Wat hadden onze moeders vroeger een moeite
om 's morgens 't vuur aan te maken, als de gloeiende turfkool, die
ze den avond te voren onder de asch in den haard hadden begraven,
was uitgedoofd, wat nog al eens gebeurde. Vader moest dan met staal,
vuursteen en tonderdoos te werk, of wij moesten bij buurvrouw een
kool vuur gaan halen.
Nog zie ik in gedachten Teunis hier in 't hoekje zitten met de
bemodderde schoenen op de vuurplaat en de mars met kruidenierswaren
achter zich. Hij zag er dien keer heel gewichtig uit. Vrouw Stoffel
was juist een buurpraatje komen maken. Moeder bood haar een kop
koffie met een klontje aan en Teunis kreeg ook een kopje. Hij dronk
het met langzame teugen leeg en zei: 'Hé! daarvan frischt een mensch
weer heelemaal op!"
Hij zette een heel ernstig gezicht. Toen diepte hij uit zijn
broekzak een doosje op en zei: "U is altijd zoo vriendelijk om mij
een plaatsje te gunnen aan uw warmen haard en me nog bovendien op
een kop heerlijke koffie te trakteeren; nu heb ik ook iets
meegebracht, dat u in de huishouding kan te pas komen. Ziehier dit
doosje! 't Zit vol kleine houtjes met een rooden kop. Die zijn
allemaal voor u. Als u er zuinig mee te werk gaat, kunt u er wel een
maand mee toe."
"Maar wat moet ik met die houtjes uitvoeren?" vroeg moeder
nieuwsgierig.
"Neem er eens zoo'n stokje uit," antwoordde hij, "strijk het met den
ronden kop over den ruwen kant van 't doosje en je zult wat wonders
zien gebeuren."
Nu, moeder deed zoo en nu hoorden we een zwakken plof, we roken een
sterke zwavellucht en zagen het houtje branden. We schrikten er van
en meenden, dat er tooverij onder stak. En tegenwoordig denken we
niet meer om 't vreemde van 't geval. Zoo wordt alles tot een
gewoonte."
Toen De Laat tot hier met zijn verhaal van de vroegere toestanden
gevorderd was, keek hij verwonderd naar zijn zoontje, dat met open
mond zat te luisteren.
"Heb je muizen in jou zak, mijn jongen?" vroeg hij.
"Neen, vader," verzekerde Steven. "'k Zag van morgen wel een muis.
Toen ik wakker werd, zat er een op mijn bed. 't Beestje keek me met
zijn schitterende oogjes heel verwonderd aan. Toen sprong het weg.
Waar 't is heengeloopen, weet ik niet, maar in mijn zak is het niet
gekropen: 't liep een heel anderen kant uit."
"Maar ik hoorde toch ook een gepiep," zei de moeder. "Kom, trek je
buisje eens uit: 't is toch bedtijd."
Steven gehoorzaamde, want de slaap werd hem de baas. Zijn moeder
voelde eens in den binnenzak van zijn jas. Doch ze trok de hand weer
snel terug. "Hu!" riep ze, "er zit een groote rat in. Die had me
leelijk kunnen bijten."
"O neen!" zei Steven. "'t Is een van onze kuikentjes. 't Lag van
avond koud en stijf op den hardbevroren grond. Toen heb ik 't in
mijn zak gestoken en nu is 't weer warm en levend geworden. Kijk
maar!" riep hij vroolijk, terwijl hij 't jonge kopje, dat angstig
piepte, springlevend uit den zak te voorschijn haalde.
De ouders prezen hem om zijn zorgzaamheid voor 't kleine schepseltje
en moeder gaf hem verlof om nog zoolang op de stoof in 't hoekje van
den haard tegenover zijn vader te blijven zitten, totdat zij de koe
gemolken had. Hij kon dan, vóór hij ging slapen, nog een kopje
lekkere melk drinken.
Zij spoedde zich nu met een emmer naar de deel en nam 't kuikentje
en ook de lamp mee.
De huisvader schoof een paar houtblokken op den haard, waarboven nog
de waterketel hing te zingen en te stoomen. De oplaaiende vlammen
verlichtten de naaste omgeving en bij dit wisselend schijnsel kwam
't hem voor, dat het gezicht van zijn zoontje buitengewoon bleek
was. "Hoe is 't? Ben je een beetje ziek, mijn jongen?" vroeg hij
bezorgd.
"Neen, vader!" verzekerde Steven.
Hij bleef droomerig in 't vuur kijken.
De knaap verbeeldde zich, dat hem uit den gloed vreemde gezichten
aanstaarden, die zeer geheimzinnig knipoogden, maar al ras met een
vlies van witte asch overtogen werden en weer door andere gezichten
werden vervangen.
De vader hoorde op eens, tot zijn schrik, een geluid dat veel op 't
knorren van een varkentje geleek.
"Foei, jongen, wat heb je een akeligen hoest!" zei hij. Steven bleef
met opmerkzaamheid de gezichten in den haard beschouwen en lette
niet op wat zijn vader zei.
Eenige minuten later, juist toen de vlammen verstoppertje speelden
en 't vertrek in 't duister lieten, herhaalde zich hetzelfde
knorrende geluid.
"Hoor eens, mijn jongen!" riep nu de verschrikte vader, "dien hoest
van jou bevalt me volstrekt niet. Morgen ga je mee naar den dokter,
hoor! Heb je 't erg benauwd, mijn ventje?"
"Neen, vader!" antwoordde Steven in gedachten.
Maar daar hoorde men 't zelfde geluid weer.
De vader sprong verschrikt op van zijn stoel. Hij wilde naar de deel
snellen om zijn vrouw te vertellen welk een leelijken hoest hun
zoontje toch had, doch ging weer zitten, toen hij bedacht dat het
goede mensch met het melken gedaan moest hebben, eer ze komen kon.
En hij wilde haar niet noodeloos doen schrikken.
Welhaast kwam ze dan ook met een emmer vol schuimende melk van de
deel. Steven kreeg daarvan een kopje vol en dronk dit vlug leeg.
Toen vulde ze een bakje met melk en ging daarmee eveneens naar den
hoek waar haar jongen zat. Naast dezen stond een groote mand, die
met een leegen hennepzak was toegedekt en zij diepte daaruit een
spierwit speenvarkentje op. Terwijl ze 't met den linkerarm omvat
hield, stak ze het den voorvinger van de linkerhand in den bek en
duwde toen 't snuitje van den kleinen hongerhals in de melk. 't
Aardig diertje begon op den vinger te zuigen en kreeg meteen een
goede portie melk binnen. "Hoe kom je aan dat varkentje?" vroeg haar
man, wien nu op eens het heele geval duidelijk werd.
"Och ja, 'k vergat dit nog te zeggen," antwoordde ze. "Boer Hulzebos
heeft het ons van middag gebracht. Zijn zeug heeft dertien biggen
gekregen en ze kon er maar twaalf zoogen: het ééne moest daarom
worden opgefokt en omdat hun dit teveel tijd kostte, bracht hij 't
ons maar."
"Dat is dan alzoo een buitenkansje," zei De Laat. "Melk hebben we
genoeg, meel kunnen we koopen en zoo zal 't beestje wel vet worden."
Toen 't varkentje genoeg gedronken had, zette de vrouw het weer in
de mand en dekte er den zak weer overheen.
En weldra was Steven nu ook te bed gebracht en lag hij gerust te
slapen.
"'t Bevalt me van onzen jongen, dat hij zoo'n dierenvriend is," zei
De Laat, toen zijn vrouw naast hem was komen zitten. "Hoe aardig van
hem, om dat kuikentje in zijn zak te warmen!"
"O ja," zei de moeder met trots. "Hij is vrij wat vlugger en
verstandiger dan andere kinderen van zijn leeftijd."
De glimlach die, toen ze dit zeide, haar gelaat verhelderde,
verhoogde haar schoonheid zoo zeer, dat haar man er zich over
verwonderen moest en zich gelukkig achtte dat hij uit de donkerheid,
de guurheid, de drukkende eenzaamheid en de onveiligheid daar
buiten, na een afwezigheid van zooveel moeilijke dagen, in den zoo
vriendelijken huiselijken kring was teruggekeerd.