HOOFDSTUK XXXIV.

Waarin Van Aartheim eene zeer treurige ontmoeting heeft.

Van Aartheim was van Straatsburg alleen vooruitgereisd. Het was

misschien hard voor hem, daar binnen twee dagen _Miss_ Cleford

aldaar met haren broeder moest aankomen; maar toch, hij weifelde

geen oogenblik. Het was voor hem van belang, vóór zijnen vijand

in Holland te wezen; want uit hetgeen hij van hem ondervonden had,

moest hij besluiten, dat Lurgrave nog een laatsten wanhopigen stap

zou doen, al was het nu maar alleen om zich op hem en Darmold te

wreken. Hoeveel spoed hij intusschen maakte, overal ontdekte hij,

dat de Engelschman hem vooruitbleef, en bijna wanhoopte hij hem

in te halen, toen hij 's avonds te Keulen aankwam, waar hij tot

den volgenden morgen vertoeven moest, daar de stoomboot, die dan

vertrekken zou, hem nog eerder in Holland kon doen aankomen, dan

wanneer hij nu in postrijtuig vertrok. Lusteloos en vermoeid stapte

hij in het Mainzerhof af, waar hij zich, met een nieuwspapier in de

hand, in eenen hoek plaatste, om door niemand te worden gestoord. In

plaats van zich echter met de politieke redeneringen in te laten,

waarvan de _Kölnische Zeitung_ als naar gewoonte vervuld was, liep hij

in zijne gedachten eens door, wat er in den laatsten tijd al in zijn

hart was omgegaan, en hij vond daar zooveel strijdende magten van hoop

en vrees, van vreugde en droefheid, van verwachting en teleurstelling,

dat hij het met zichzelven niet eens kon worden, aan welke van dezen,

in den tegenwoordigen staat van zaken, het opperbewind toekwam. Hij

besloot dus, zoo als het best was, af te wachten tot hij meer licht

in de zaken kreeg, en geen der strijdvoerende partijen te versterken,

voor dat het zeker was, aan wie de zegepraal toekwam.

Terwijl hij aldus philosopheerde, werd zijne aandacht onwillekeurig

afgeleid door een verhaal, dat aan de gezelschapstafel werd

meêgedeeld, en hetwelk een kortelings voorgevallen vreeselijk

ongeluk betrof. Een duister voorgevoel, dat dit misschien met zijne

zaken in verband stond, kwam bij hem op, en toen hij de woorden

"Engelschman--vliegende ren--Holland" opving, voegde hij zich bij

het gezelschap, waar hem werd meêgedeeld, dat 's morgens heel vroeg

eene postchais in vollen ren van den kant van Bonn was gekomen, maar

dat, bij het omslaan van eenen hoek, een der paarden gestruikeld

en gestort was. De Engelschman, die met eene dame in het rijtuig

zat, zonder op de reden van dit oponthoud te letten, voer in hevige

vervloekingen tegen den postillon uit, en dreigde hem te vermoorden,

zoo hij te laat aan de Hollandsche stoomboot kwam. De arme postillon

deed wat hij kon, en het gelukte hem ook spoedig het paard te doen

opstaan. Maar de Engelschman, ongeduldig wordende, rukt het portier

open, en springt uit het rijtuig; doch ongelukkig juist, toen de

postillon zijne paarden weêr in vollen ren zette. Hierdoor wordt de

sprong den reiziger noodlottig; want zijn regterbeen haakt in het wiel,

en hij wordt onder het rijtuig geslingerd. De dame gilt en schreeuwt;

maar de postillon kan de paarden niet inhouden, voordat het wiel de

borst van den Engelschman raakte en ook zijn hoofd zwaar wondde,

terwijl zijn regterbeen geheel vermorseld was. Nu springt ook de

dame uit het rijtuig, en geeft kermend en handenwringend last, dat

men haren echtgenoot _zum Mainzerhof_ brenge. Onmiddellijk zijn de

doctoren ontboden; maar bij de eerste schouwing hebben zij verklaard,

dat de wonden doodelijk zijn, en dat hij geen vierentwintig uren meer

te leven heeft. Onbegrijpelijk is het, dat de dame, terstond nadat

zij deze verklaring gehoord had, met hare bagaadje, in een rijtuig,

weêr naar Bonn is vertrokken, en haren echtgenoot aan de zorg van

vreemden heeft overgelaten.

De gissingen van Van Aartheim klommen door dit verhaal tot een

hoogen trap van waarschijnlijkheid, en hij wendde zich dus terstond

tot den kastelein, om nog nadere inlichtingen te bekomen. Uit de

beschrijvingen, zoo van den Engelschman als van de dame, meende hij

nu zeker te kunnen opmaken, dat het Lurgrave was, wien dit vreeselijk

ongeluk getroffen had, en daar juist op dat oogenblik de doctoren

inkwamen, volgde hij hen naar de ziekenkamer, om den lijder te

zien. En waarlijk, daar zag hij den ellendige, het zwaar gewonde

hoofd op de borst gezonken, al met de kleur des doods overtogen,

en hoorde hij het akelig reutelen, als van iemand, die in hevige

benaauwdheid sterft. Onze vriend was diep getroffen; het denkbeeld,

dat hij, die daar lag, zijn bitterste vijand, zijn hevige vervolger,

de verstoorder van al zijn geluk was geweest, kwam geen oogenblik bij

hem op. Hij zag alleen zijnen medemensch; iemand dien hij van zoo nabij

gekend had; dien hij kortelings nog zoo gezond en krachtvol gezien had;

maar tevens iemand, wiens sterven men zich zelfs niet kan voorstellen,

zonder met schrik en ontzetting vervuld te worden.

"Het is nog geen sterven," zei een der doctoren, die tot zijn bed

genaderd was: "de verwonding van het borstbeen is de oorzaak van dit

benaauwd geluid. Ik zal trachten, door zijn hoofd lager te leggen,

het hem wat gemakkelijker te maken."

"Voort, voort!" riep Lurgrave, toen hij door deze aanraking als uit een

sluimer ontwaakte, met eene benaauwde stem, maar toch met inspanning

van al zijne krachten: "voort, postillon! of ik sla u met eigen hand

de hersens in."

"Houd u kalm, wat ik u bidden mag," zei de doctor, "en verzwaar uw

lijden niet! Tracht wat te rusten."

De lijder sloeg wild de oogen om zich heen; langzamerhand scheen

het hem duidelijk te worden, waar hij zich bevond; maar toen de hand

opheffende en met de vuist dreigende, riep hij: "Ha! waar zijt ge,

slang! met wie ik mijn leven aan den duivel gewijd heb? Ellendige! hebt

gij mij nu verlaten en bestolen, en mij op mijn sterfbed beschimpt

en bespot? Wees vervloekt!"

Deze uitroep scheen zijne trouwelooze maitresse te gelden. En o,

de beschuldiging, die hij tegen haar uitbraakte, bleek naderhand

maar al te gegrond te zijn. Neen! geen der misdrijven, waaraan de

ongelukkige _Française_ schuldig staat, zal eens haar sterfbed zoo

benaauwd en vreeselijk maken, als deze gruweldaad.

Maar daar ontdekt zijn oog Van Aartheim. "Ook gij nog!" roept hij

woedend uit, terwijl hij het verband van zijn hoofd losrukt, en hem

met woeste gebaren dreigt. "Komt gij mij beschimpen en juichen?--Neen,

ik wil niet sterven--ik zal niet sterven--spoedig--paarden--rijd

voort--vlieg, postillon!--duizend guinjes, zoo gij dien ellendige

voorblijft.--Neen, gij zult niet lang meer juichen!"

"Om Gods wil, bedaar!" roept Van Aartheim, terwijl hij smeekend de

armen naar hem uitstrekt. "Gij kent mij beter, Lurgrave! ik wil u

helpen, kon ik u maar helpen ik wil uw lijden verzachten. O, indien het

u troost geeft, zie, ik vergeef u alles, ik vergeet alles. Ongelukkige,

ik wil uw vriend zijn..."

Maar de lijder hoort hem niet meer; afgemat zinkt zijn hoofd op het

kussen neêr; uitgeput en bedwelmd ligt hij na deze woedende inspanning;

en het vuurrood, waarmeê de drift zijn voorhoofd en wangen geverfd had,

maakt weêr plaats voor de bleeke en vale kleur des doods.

De doctor herstelde het losgescheurd verband, en Van Aartheim plaatste

zich zoo, dat hij door den stervende niet meer gezien kon worden;

maar toch, hij bleef den geheelen nacht bij hem, bij afwisseling door

een der doctoren bijgestaan. Wij zullen onzen Lezers de bijzonderheden

van dien vreeselijken nacht niet mededeelen. Van Aartheim spreekt er

nooit van, dan met de diepste ontroering, en met weerzin brengt hij

zich die _horreurs_ voor den geest. In den vroegen morgen maakte de

dood een einde aan het aardsche lijden van Lurgrave, en deed eene

vervloeking, die hij uitbraakte, op zijne lippen versterven.

"Het is een groot geluk voor hem, dat hij maar dood is," zei de

kastelein, toen hij het berigt in de gezelschapszaal had medegedeeld.

"Ja, wel is het een geluk!" stemden al de gasten toe; maar niemand

hunner had hem zien sterven.

Twee dagen later, in den vroegen morgen (eene voorzorg van den

kastelein, om zijne gasten niet door zulke akelige dingen te

indisponeeren) werd het lijk van Lurgrave naar het kerkhof buiten de

stad gedragen. Niemand verzelde de baar van den vreemdeling, dan van

Aartheim; niemand zou, zelfs in zijn vaderland, tranen van droefheid

voor hem over hebben. Maar een traan van innig medelijden viel op

de kist van den ongelukkige, toen die in de groeve der vertering

nederzonk. Wee hem, over wie dan nog tranen van medelijden moeten

worden geschreid!

Nadat van Aartheim de zaken van den Engelschman had afgedaan,

besloot hij den volgenden morgen, per stoomboot zijne reis naar

Holland voort te zetten. In den namiddag ontmoette hij, op de

schipbrug, Polsbroekerwoud en de andere vrienden, die van Coblenz

waren teruggekeerd, en gezamenlijk reisden zij nu den volgenden dag

naar Nijmegen.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 39 / 43 题