HOOFDSTUK XXXV.

Hetwelk het laatste is, behalve voor degenen, die al vroeger de

lectuur dezer reisontmoetingen hebben afgebroken.

Het oogenblik, waarin men, na eene lange afwezigheid of eene reis van

eenige uitgebreidheid, voor het eerst weder den vaderlandschen grond

betreedt, of het land weerziet, waar men geboren is, en dat alles,

wat ons dierbaar is, in zich bevat, is voor de meeste menschen in

de voorstelling zeer aangenaam; en velen, die voor het eerst reizen,

stellen zich de zoetste gewaarwording voor, die door een plotselingen

overgang zal worden opgewekt. Jammer is het, dat gewoonlijk de

uitkomst al bijzonder weinig aan die voorstelling beantwoordt. Want

wat die overgang betreft, men bemerkt er meestal niets van; men is

gewoonlijk in het vaderland, voordat men het weet, en men ziet in zulke

oogenblikken, dat men de voorgestelde zoete gewaarwordingen niet eer

kan smaken, voordat men zijn eigen woning binnentreedt. Welk genot

is er, bij voorbeeld, voor den Hollander, om aan het Lobith aan te

varen, of bij Westwezel de grenspaal voorbij te rijden? Zeker niet het

gevoel van trotschheid, zulk een mooi land het zijne te mogen noemen;

want schoon Holland niet als het Paradijs van Europa kan beschouwd

worden, het ziet er binnen's lands over het algemeen heel wat beter

uit, dan aan den grenscirkel. Of zou de vreugd te zoeken zijn in het

ontmoeten van zijne landgenooten! Ach, wie zijn het, die hij het eerst

aantreft! Commiezen, welke als gieren op zijn bagaadje aanvallen, en

zijne nette koffers met baldadig geweld van de diligence smijten, of

die met aanmatigende onbeleefdheid aan boord van de stoomboot stappen;

policiebeambten, welke hem bewijzen vragen, dat hij geen schurk is,

en aan wie hij toonen moet, dat hij permissie heeft, om zijn eigen

land binnen te komen; schippers en loodsen, handlangers en knechts,

die, terwijl zij elkander een touw toewerpen, of een baal voortsjouwen,

zichzelven en elkander, bij wijze van stopwoordjes en tusschenwerpsels,

het eeuwige oordeel toewenschen; in welke kunstige manier van spreken,

wij moeten het onbevooroordeeld bekennen, onze Hollandsche sjouwers,

schippers en werklieden, het gepeupel van alle andere landen verre

achter zich laten. Al verder: gij gaat in een herberg, en betaalt

uwe vertering, met een 5 franc of een thaler, of, zoo gij het nog

hebt, een fatsoenlijk stuk Hollandsch geld; en voor hetgeen men u

terug moet geven, regent het dertiendehalfjes, pietjes en blinde

dubbeltjes in uwe hand.--Maar nu zijt gij dan eindelijk verheugd,

dat gij toch weer op vaderlandschen bodem wandelt; nu stelt gij u

voor, hoe gij het verliet; maar gij denkt ook onwillekeurig aan al

het opgewisselde goud, dat toen uwe beurs bevatte, en het is alsof

gij nu voor het eerst opmerktet, dat uw plunje er armelijk uitziet,

en dat uw nieuw jasje wat al te versleten is, om daarmee in uwe

eigene stad aan te komen. Maar gij ontmoet ook menschen, die gij

half en half kent, die gij wel eens meer ontmoet; dat doet u plezier;

maar hen, die hunne gewone manier van leven gevolgd hebben, en wiens

niets bijzonders gebeurd is, treft deze ontmoeting volstrekt niet;

of zoo zij misschien ook een tourtje gemaakt hebben, dan is het

uwe grooter en interessanter, maar daar ligt hun niets aan gelegen;

en zij beginnen u over Kleef en den Eltenberg te onderhouden, daar

gij uwe mededeelingen omtrent den _Mont blanc_ kunt opzouten. Voorts

vraagt gij met brandend verlangen naar nieuws omtrent allerlei zaken;

en daar is niets nieuws voorgevallen, en alles gaat zijn gewonen gang,

alsof gij niet weg geweest waart. En waartoe al de teleurstellingen

opgesomd, die u treffen, als gij het genot smaakt den vaderlandschen

grond te betreden? Daar is misschien geen enkel genoegen op aarde,

dat zich met de voorstelling, die men er van maakt, kan meten.

Nijmegen was de plaats, waar onze vrienden het eerst den vaderlandschen

bodem weer betraden. Weinige uren te voren hadden zij elkander met

veel deftigheid geluk gewenscht, toen zij eene Hollandsche vlag en

Hollandsche uniformen aan den wal ontdekten. Daar was zelfs eene

propisitie gedaan, om eene fijne flesch te drinken; maar niemand

durfde er sterk op aandringen, omdat aller finantiële toestand veel te

wenschen overliet, en sommigen zelfs niet begrepen, hoe zij Rotterdam

konden halen. Het afscheid van Van Aartheim, die terstond naar Utrecht

vertrok, liep dan ook zonder libaties, maar met hartelijke wenschen

en vriendschappelijke handdrukken af, en de hoop om elkander spoedig

weer te zien, verbande tevens alle droefgeestigheid en aandoening

van deze plegtigheid.

En nu ondernamen de vijf getrouwe vrienden den volgenden morgen vroeg

den terugtogt naar Rotterdam, waar de reis volbragt zou zijn. Dezelfde

stoomboot, die hen vóór twee maanden had overgebracht, lag weer

gereed, en occupeerde zich met den overbodigen stoom snuivend uit te

blazen; de kaai was weer met dezelfde soort van toekijkers gevuld,

als altijd, en onder hen bevond zich een aanzienlijk aantal bedelaars,

die niets vuriger verlangden, dan de waarheid te ondervinden van het

spreekwoord: de morgenstond heeft goud in den mond. De hofmeester nam

al de passagiers met scherpe blikken waar, of er ook onder waren, die

hun leeftocht met zich voerden, of die al in hun logement gedejeuneerd

hadden; de kapitein liep met zekere gewigtigheid over het dek heen

en weder, zonder zich eenigszins met de passagiers of goederen in te

laten, die hij als bijkomende zaken beschouwde, doch die met het doel

zijner reize in geen het minste verband stonden; de stokers woelden

in den voorraad steenkolen, waarover zij te disponeeren hadden,

en brandden hunne zwarte aangezigten voor den gloeijenden oven; de

commissionairs en kruijers verwisselden met groot genoegen den zwaren

last, dien zij torschten, voor eenig klein zilvergeld; en de reizigers,

zelfs die nog een kwartier te vroeg kwamen, verhaastten hunnen tred,

zoodra zij de boot in het gezigt kregen, als hoorden zij in den

sissenden stoom eene waarschuwing: "Pas op, dat ge niet te laat komt."

Het was een zeer koele morgen, en de meeste passagiers vonden het

dus geraden zich benedenwaarts te retireren. Ook Pols trok, toen hij

gezien had, dat de stoomboot gelukkig omgekeerd en goed _en train_ was,

naar de kajuit. Maar welk eene verrassing wachtte hem hier? Hij kon

nauwelijks zijne oogen gelooven, toen hij zijn waarden neef en nicht

van Schalen en hunne kolossale, blozende en gezonde dochter Truitje

ontdekte. "Wel heden, neef!"--"Mijn lieve tijd, nicht!" waren de eenige

woorden, die een paar omslagtige omhelzingen en luidruchtige kussen

vooraf gingen. Maar toen volgde een stroom van uitboezemingen over

de vreugde dezer ongehoopte ontmoeting, en eene reeks van opmerkingen

over het zonderlinge en buitengewone, dat dit juist zoo trof, en het

voorregt, dat menschen in zulk soort van rencontres boven bergen en

dalen vooruithebben; en toen nicht aan het verhalen, hoe het kwam,

dat zij juist heden in de stoomboot zat, en niet gisteren, zooals

haar eerste plan geweest was; en hoe zij niet weg had kunnen komen van

hare eigene zuster, die te Nijmegen woonde; en hoe zij de bruiloft had

wezen bijwonen van eene nicht, waarvan zij moei, of, op zijn Fransch,

tante was; en hoe die nicht een kostelijk huwelijk gedaan had met

een knap mensch, die een post had bij een dijkcollegie, zij geloofde

zooveel als bode; en hoe haar eigen man, die wel van een grapje hield,

zich op die bruiloft had verkleed als een Jood, en op het dessert

met een kruiwagen met amandelen om de tafel gereden had; en hoe zij

zelve hem haast niet herkend had, zoo natuurlijk riep hij; "mangelen,

beste mangelen!" en nog meer dergelijke vermakelijke grappen, waarvan

haar man de aanlegger geweest was, maar alles in eer en deugd.

Pols luisterde met goedhartige aandacht naar al deze belangrijke

mededeelingen, en daarna met belangstelling naar een nader relaas

omtrent de laatste ziekte en de begrafenis van Mijntje; hij vernam

ook met veel genoegen, dat alles aan zijn huis toch goed en ordelijk

was toegegaan, maar dat Pietje wat zou staan te kijken, als hij daar

op eens voor haar stond, hoewel zij hem al sedert veertien dagen alle

uur te wachten was; en toen verzocht nicht hem, om ook eens wat van

zijn reizen te vertellen, en waar hij al zoo geweest was, en of hij

nu waarlijk zulke bijzonderheden gezien had, als de reizigers altijd

wel willen zeggen. Pols voldeed met genoegen aan haar verlangen,

en sprak een poosje over hooge bergen en watervallen, waarvan nicht

de handen in elkaâr sloeg, en waaronder neef in een gerusten slaap

raakte. Maar toen sprong hij in eens met zijne gedachten tot Coblenz

terug, en dit gaf hem aanleiding om te zeggen:

"Maar nu zult ge nooit raden, wie ik onderweg ontmoet heb; het is

nog iemand van de familie."

"Toch neef Joris niet? maar die is al dien tijd niet uit Rotterdam

geweest; of zijn broêrs weduwe? maar neen, die is al jaren dood. Neen,

ik kan het niet raden."

"Ik zal het dan maar zeggen: 't was nicht Mientje van Schalen van

IJsselstein."

"Wel, nu nog mooijer! Dat slechte schepsel, die niets had dan haar

mooije gezigtje, maar die er zoo trotsch op was, als wat ben je me! Nu,

ze zal ook wel in een mooije conditie wezen."

"Neen, waarlijk, dat is alles heel goed te regt gekomen; ze is toen

met dien Duitschen heer in het geheim getrouwd."

"Een mooije heer, een grasmof, die half naakt in 't land gekomen

is, om ons goede geld te winnen. En dat ze getrouwd zijn maakt mij

niemand wijs; dan had ze in IJsselstein moeten blijven, en dan hadden

de geboden moeten gaan, net als over mij en je neef, en over ieder

eerlijk en fatsoendelijk mensch. Neen, het is ook altijd een ligt

meisje geweest."

"Ge oordeelt misschien wat te streng, nicht! Het was toen wel

onvoorzigtig van haar gehandeld, maar zij zijn waarlijk getrouwd;

en het is toen ook heel goed met hen gegaan; Mijnheer Blumengarten

is tegenwoordig een groot koopman in Coblenz, en zit in goeden doen."

"Dat zal dan ook wel niet alles in den haak wezen; niet dat ik iemand

wil veroordeelen, maar het geld van weduwen en weezen is misschien ook

niet te goed voor iemand, die zoo ligt over eene heilige zaak denkt,

als toch het huwelijk is."

Pols vond het geraden dit onderwerp maar niet langer te behandelen,

hoewel hij plan had het als inleiding te doen dienen voor eene

belangrijke confidentie, althans om zoo iets van zijne plannen in

het verschiet te laten zien. Nicht Van Schalen bromde nog eenige

liefderijke aanmerkingen, en sloot daarop hare oogen, om de schade

van een slapeloozen nacht nog wat in te halen.

Onze vriend entameerde dus een discours met Truitje, en na eenige

woorden over onverschillende zaken gewisseld te hebben, dacht het hem

niet kwaad, aan deze, die toch zeker zoo streng niet denken zou, iets

van zijn voornemen omtrent Juffrouw Blumengarten meê te deelen. Hij

schoof dus zijn tabouretje wat nader aan haar toe, en begon op half

fluisterenden toon tot haar te zeggen:

"Ik zal het nu wel eenig hebben in mijn ruime huis in den Oppert."

"Ja maar, neef! u hebt zooveel vrienden; die zullen u nog wel eens

opzoeken."

"Ja maar, nicht Truitje! vrienden zijn ook maar vrienden; ik heb mijn

gedachten al eens over een meisje laten gaan."

Truitje zei niets, maar keek blozend voor zich.

"Wel, nicht! wat zou je daarvan denken; daar is niets dat het mij

belet, en ik heb een nichtje, dat er heel mooi uitziet, en dat ook

heel lief is."

Truitje werd nu eens voor de variatie bleek, doch zette toen weêr

haar blozen voort.

"Maar zeg dan toch eens, lieve nicht! wat zou je mij hierin raden?"

Met een nieuwen gloed op de wangen, stotterde Truitje; "Neef

Joachim! ik kan er niets van zeggen, zonder vader of moeder."

"Maar dat is toch vreemd," zei Pols: "je kunt toch je eigen meening

wel zeggen zonder vader of moeder?"

"Neen neef! dat mag ik niet doen; je moet het mij niet kwalijk

nemen. Ik ben het met moeder geheel eens, wat een meisje behoort te

doen, en ge hoordet straks zelf, hoe ze zich uitliet omtrent nicht

Mientje, die nu in Duitschland woont."

Juist lag de stoomboot aan voor Tiel, en de botsing tegen den wal

maakte neef en nicht Van Schalen wakker.

"Wel, nu zal ik je krijgen!" riep neef, toen hij Pols en zijne dochter

in een zoo vertrouwelijk discours zag. "Vrouw! je mag wel oppassen,

of ik moet het kleed van den mangelenjood al gaauw weer aantrekken."

"Houd je mond, lobbes!" zei nicht. "Wat praat je altijd malle

praat! Maar, Trui-lief! wat hebt ge een kleur!"

"'t Is hier vast wat benaauwd, moeder! ik wil eens naar boven gaan."

Op den trap vroeg de moeder fluisterende aan de dochter: "Wat was

dat toch, kindje?" En het kindje van bijna zes voet antwoordde:

"Ik weet het niet, moetje! ik geloof, dat neef Joachim u en vader

wel eens spreken wou."

Gedurende dit gesprek had boven eene ontmoeting plaats, niet minder

aangenaam, dan die tusschen Pols en de Van Schalens. Te Tiel zag

Torteltak zijn eenigen broeder aan boord komen. Juichend drukten zij

elkander de hand, en de glans van vreugde, die zich op beider gelaat

vertoonde, duidde aan, dat zij niet alleen door den band des bloeds,

maar ook door wederkeerige toegenegenheid en vriendschap aan elkander

verbonden waren. Daar is gewoonlijk veel, dat zich tegen zulk eene

naauwe vriendschap tusschen broeders aankant, misschien het meest,

dat men elkander van der jeugd af al te naauwkeurig kent, eene proef,

waartegen de meeste menschen niet bestand zijn. Maar wanneer, in

weerwil van al die tegenkantingen, zulk eene vriendschappelijke

betrekking bij broeders plaats vindt, dan kan er moeijelijk een

vriendschap zijn, naauwer en inniger dan de zoodanige, moeijelijk

eene vertrouwelijkheid, die grooter is en meer insluit, en die

door de natuurlijke betrekking meer gewaarborgd is tegen botsingen,

waartoe verscheidenheid van betrekkingen bij andere vrienden somtijds

aanleiding zou kunnen geven.

Frederik van Torteltak was twee jaren ouder dan zijn broeder, en in

houding en gelaatstrekken zeer op dezen gelijkend. Alleen had hij

iets meer deftigs en bedaards, en miste hij de misschien te groote

ijdelheid van Eduard. Sedert een jaar had hij de Leidsche akademie

verlaten, zonder evenwel terstond eene plaats in de maatschappij in

te nemen. Hij behoorde tot die menschen, welke de voorregten van het

akademieleven verloren hebben, en wien men die van het maatschappelijke

nog niet toestaat. Hij was proponent, een dier benijdbaren, wier namen

vier- of zesmaal 's jaars in lange lijsten achter de Boekzaal worden

aangeplakt, even als die van dienstboden op een verhuurkantoor, en

die van wijnen op eene prijscourant; een dier gelukkigen, welke nooit

hunne betrekking kunnen noemen, zonder een medelijdenden glimlach of

schouderophalen te ontmoeten; over wie iedereen, als over publiek goed,

meent te kunnen en mogen oordeelen en beschikken, en die dat voorregt

boven doctoren en advokaten zonder praktijk en kooplieden zonder zaken

hebben, dat zij bij uitnemendheid als "arme stakkers" en "ongelukkigen,

die niets om handen hebben," worden beschouwd. Vertoont zich een

proponent in een gezelschap, iemand, die hem voor het eerst ontmoet,

en die het zeer indiscreet zoo rekenen, een jong doctor te vragen,

of hij al patiënten heeft, vraagt hem terstond: "Hebt u al eenig

uitzigt op eene plaats?" Hij maakt nooit eene visite bij een tante, of

eene mevrouw, die de Boekzaal bijhoudt, of hij hoort ten minste drie

keeren in het half uur van zijn bezoek: "Daar zijn ontzettend veel

proponenten!" Heeft een jong meisje de onvoorzigtigheid zich met hem

te engageren, hare vriendinnetjes maken toespelingen op minnarijen,

daar nog geen eind aan te zien is, of verheugen zich, dat zij haar

nog zoo heel gaauw niet zullen verliezen. Dit gaat zelfs verder:

de persoon, aan den proponent verbonden, wordt zelve een voorwerp

van deernis, even als de ongelukkige, aan wien zij zich opoffert. Is

de proponent treurig of ernstig: "hij zal zich nog doodkniezen," of

"wie wil met zoo'n stijven Klaas te doen hebben?" Is hij vrolijk

en opgeruimd: "hij trekt het zich niet veel aan; 't kan hem niet

schelen; hij is nog ongeschikt voor zijne betrekking."--Maar waartoe

al de voorregten, aan dezen stand verbonden, opgesomd! Waarom

gesproken van de philantropische vertogen en voorstellen, om hun

lot te verbeteren, en die misschien nog wel zullen leiden, om er

kerkeknechts en doodgravers van te maken! Met erkentenis voor den

goeden wil van allen, die zich zooveel aan hen laten gelegen leggen,

zouden de meeste proponenten wel onder hunne namen willen schrijven:

"Verzoeke van brieven en betuigingen van beklag verschoond te blijven."

Torteltak had in een van de Geldersche waarden zijne gaven doen hooren;

hij liet zich evenwel volstrekt niet uit over zijne verwachtingen, en

daar Pols nog al veel met zijne familie bezig was, viel ook niemand

hem daarmeê lastig. De broeders hadden veel te praten en veel meê

te deelen: "en je hebt mijn brief te Straatsburg ontvangen?" vroeg

Frederik.--"Ik heb geen brief gezien na Constants van u, noch van

iemand."--"Dan weet ge ook het nieuwtje nog niet: ik ben geëngageerd,

en je kent het meisje ook; maar nu zeg ik je niet met wie, voor gij

haar ziet."--"Toch niet met Elize L.?--"Met Elize, noch met Sophie;

maar nu zeg ik niets meer."--Torteltak raadde nog twintig namen; maar

hij was altijd mis; dus besloot hij de zaak af te wachten. Hij deelde

intusschen aan zijn broeder meê, dat ook hij misschien geëngageerd was,

doch dat hij nog onderweg moest informeren, of het werkelijk zoo was,

maar dat hij niet wist, of hij het verlangde ja, dan neen.--Voorts

liepen de gesprekken over vele familiezaken; Veervlug informeerde met

veel belangstelling naar hunne zuster, maar vernam niets bijzonders,

dan dat zij springlevend, gezond en nog even dartel als vroeger was.

Pols vond in den loop des morgens, toen hij met zijne oude nicht alleen

in de kajuit was, nog gelegenheid een woordje ten voordeele van Mevrouw

Blumengarten te spreken, en daar deze door sommige voorstellingen,

die zij sedert het discours op den trap had beginnen te scheppen,

in eene meer vergevensgezinde bui was geraakt, verklaarde zij nu

het huwelijk als wettig te beschouwen, en best te willen gelooven,

"dat dat eigenste losse en wilde Mientje toch nog wel eene goede

en brave huismoeder kon geworden zijn." Onze vriend was zoo voldaan

over deze omkeering, dat hij besloot terstond zijne confidentie te

doen volgen, en hij maakte haar alzoo in diep geheim bekend, dat hij

plegtig om de hand en het hart van Caroline Blumengarten had verzocht,

en hoop had binnen kort zijnen wensch vervuld te zien.

Nicht Van Schalen werd, even als vroeger hare dochter, beurtelings

rood en bleek. "Je doet me schrikken, neef Joachim! en weet je wel,

dat je dan een Duitsche deern in je Rotterdamsche huis krijgt?"

"Ja," zei Pols; "maar zij zal zich best bij ons kunnen schikken,

en ge zult zien, zij zal u uitmuntend bevallen."

"En was het dat, dat je me zeggen woudt?" zei nicht, hem sterk

aanziende. "Truitje... ik dacht, dat je me iets hadt meê te deelen.'"

En zonder zijn antwoord af te wachten--want juist kwam Truitje

beneden--nam de moeder hare dochter onder den arm en ging naar

boven. Op den trap fluisterde zij haar in: "Het reizen heeft neef

Joachim, geloof ik, heelemaal mal gemaakt."

"Dat geloof ik ook," zei Truitje, toen de moeder haar de aanleiding

tot deze gissing meêdeelde.

Ten een ure lag de stoomboot voor de Boompjes te Rotterdam stil. Pols

nam al de bagaadje en drie zijner vrienden terstond meê naar huis;

maar Torteltak werd door zijn broeder meegetroond, die hem hier tot

getuige van zijn geluk wilde maken. Niet ver van de aanlegplaats

schelden zij aan een groot huis aan, en de proponent sleepte zijn

broeder onaangediend naar boven. De deur eener zijkamer werd geopend,

"Hier is zij!" riep Frederik verheugd uit. "Eduard! zie hier mijn

meisje!" En Torteltak stamelde zijne broederlijke gelukwenschen uit

voor Ambrosine Korenaar.

"Wel heden, Mijnheer Torteltak! dat vind ik nu eens heel aardig,

dat gij ons terstond komt bezoeken; en wat zegt gij nu van die

jongeluidjes? Ja, het kan wonderlijk in de wereld loopen. Wij

ontmoetten uwen broeder te Kleef, juist acht dagen nadat gij ons

verlaten hadt, en wij konden het terstond zoo best met hem vinden. En

nu wordt Ambrosine nog eene domineesvrouw! Nu, het is wel mijne eigen

dochter, maar ik durf gerust zeggen, dat er weinige zulke lieve en

geschikte meisjes ook daarvoor gevonden worden."

Torteltak was in de eerste oogenblikken door deze ontmoeting een weinig

uit het veld geslagen, en hij stond eenige oogenblikken in beraad,

om nu als een wanhopig minnaar te gaan kwijnen, en met liedjes in het

genre van: "_Fare thee well!_--_Non, je ne t'aime plus._--_So willst

du treulos von mir scheiden!_" en dergelijke te gaan occuperen;

maar toen hij zijn hart eens goed onderzocht had, bleek het hem,

dat hij, zonder zich ongelukkig te maken, Ambrosine heel goed aan

zijn broeder kon afstaan. Hij ontwaarde geen pijnlijker aandoening,

dan die hij altijd gevoelde, als hij zag dat een mooi en lief meisje

zich aan een ander naauwer verbond dan aan hem. Toen dus de oude Heer

Korenaar bovenkwam, viel hij dadelijk in dien goeden toon, en sprak met

gemelden grijsaard zeven kwartier over den Engelschen en Hollandschen

koophandel, dronk aan tafel een vrolijken toast, en maakte bij zijn

afscheid van zijn broederlijk regt op Ambrosine met vreugde gebruik.

En 's avonds was er feest in den Oppert, het feest der behouden

terugkomst, en het afscheidsmaal van vijf getrouwe reisgenooten. Pols

presideerde het souper, in den stoel van zijn vader, met zijn

gemakkelijken huisjas en zijne gevoerde pantoffels versierd. De

goedhartige vergenoegdheid, die op 's mans gelaat te lezen was, deelde

zich aan al de vrienden mede. "Daar is toch maar één Holland!" riep hij

uit, toen hij het laatste van vele glazen krachtige Portwijn uitdronk,

en toen hij zijne eigen leden op zijn eigen bed uitstrekte, murmelde

hij half sluimerend: "Oost west, 'thuis best!"

Hier eindigt het relaas der Reisontmoetingen van Joachim

Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Wij weten het dat wij onze Lezers

weinig belangrijks en buitengewoons hebben meêgedeeld; maar het is

moeijelijk, indien men de waarheid getrouw wil blijven, zoo iets

uit hedendaagsche reizen te putten. Die, in weerwil van dat al, deze

ontmoetingen tot den einde toe gevolgd heeft, wordt bij deze bedankt

voor zijn geduld, en ontvangt tot toegift, hetgeen wij, omtrent het

wedervaren onzer personen, sedert hunne tehuiskomst vernomen hebben.

Pols is na zijne terugkomst nog bijna een maand in onzekerheid geweest,

hoe het met zijn engagement zou afloopen. De Heer Blumengarten, die

zich als vader verpligt rekende omtrent den minnaar zijner dochter

behoorlijke informatiën in te winnen, wendde zich, met medewerking

zijner Overheid, tot de Regeering van Rotterdam, om inlichtingen

aangaande dien persoon te verzoeken. Deze renvoyeerde het stuk aan

de Policie, en het antwoord, dat teruggezonden werd, luidde, dat

gemelde Polsbroekerwoud geenszins voor een verdacht persoon gehouden

kon worden. Hiermede was de schoonpapa tevreden; en op aandringen

van zijne vrouw, die zoo gaarne haar vaderland eens wilde weêrzien,

ondernam hij met zijne familie de reis naar Rotterdam. Op eenen morgen,

in het laatst van September, werd er bij Pols een brief gebragt, dien

hij begeerig opende, maar dien hij, van wege het Duitsche schrift,

niet lezen kon. Hij spoedde zich dus naar een beëedigd translateur, die

hem met den volgenden inhoud bekend maakte: "De Heer Polsbroekerwoud

wordt verzocht dezen middag ten 2 ure in het Zwijnshoofd te komen

dineren bij zijne familie uit Coblenz." Onze vriend was zichzelven

nauwelijks meester, en zijne vreugde kende geen palen, toen de oude

Heer hem als _Herr Sohn_ en de broeder als _Herr Bruder_ begroette,

en Caroline hem blozend de hand toereikte. In Mei 1838 is dan ook

het huwelijk te Coblenz voltrokken; de Van Schalens zijn geheel met

de Blumengartens verzoend, vooral nadat deze hun een oxhoofd goeden

Rijnwijn hebben toegezonden. Mevrouw Polsbroekerwoud schikt zich

goed naar de Rotterdamsche levenswijze. Om harentwil is Pols lid

geworden van den Doelen, waar zij geen enkel zomerconcert verzuimen,

en waar de jonge vrouw zich doet opmerken door haar blanke _teint_

en het overmatig gebruik van boterhammen met gerookten zalm. Sedert

eenigen tijd fluisteren de buren in den Oppert van iets, dat op til

zou wezen; althans, dat er eenige stukken mandenwerk en oogjesgoed,

benevens kousjes en slaapmutsjes van het kleinste soort, aan het huis

van Polsbroekerwoud zijn bezorgd.

Torteltak is gepromoveerd en wacht op een post. Hij is nog altijd een

_enfant cheri des dames_, en kleedt zich voortdurend heel netjes. Hij

schijnt zich evenwel nog niet te kunnen decideren, wie der vele lieve

meisjes, die hij kent, door hem gelukkig zal worden gemaakt. Zijn

broeder is nu geplaatst, en Ambrosine vindt het buitenleven heel

aangenaam, hoewel mama Korenaar zich niet kan begrijpen, dat het

lieve meisje zich daar niet doodkniest.

Veervlug maakt tegenwoordig minneliederen, met wonderlijke aardige _jeu

de mots_ omtrent _tortels op een tak_. Hij is vlug als een veertje,

sedert de dartele zuster van zijnen vriend deze minneliederen in

genade aanneemt. Tusschen beiden pleit hij ook _pro Deo_ en is een

gezocht advokaat door degenen, die bij voorkeur gratis consulteren.

Holstaff had vroeger plan gemaakt nog eens een reisje naar Frankfort

te maken, om Clementine Schmallheim te zien; maar sedert hij vernomen

heeft, dat dit lieve meisje hevig door de kinderziekte geschonden

is, maakt hij zich ongerust, dat dit gezigt hem te veel treffen zou,

en stelt dus deze reis van dag tot dag uit.

De Morder is gepromoveerd, na het verdedigen van een _Specimen_,

handelende over verschillende misbruiken en ongepermitteerde wettelijke

bepalingen. Hij staat op het trouwen met een weeuwtje, hoewel hij zich

lang op dien stap bedacht heeft, omdat hij het beroerd onaangenaam

vond, dat juist, als hij eens zin kreeg in een meisje, een ander al

eens met haar getrouwd was geweest.

De vrienden, en vooral Torteltak, ontvangen goede berigten van Van

Aartheim. De oude Heer Torteltak, een kundig procureur, die reeds

vroeger eens de partij van Mevrouw Van Aartheim tegen Lurgrave had

opgevat, heeft hem den gemakkelijksten weg aangewezen, om al de zaken

van _Miss_ Cleford en haren voogd te ontwarren. De gelukkige man woont

met zijne jonge vrouw en zijne moeder op een buiten in Kent, waar hij

rustig leeft en bemind is, door allen die met hem in aanraking komen.

En hiermede eindigt dit Hoofdstuk, en dit Boek.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 40 / 43 题