HOOFDSTUK XXXIII.

Hetwelk misschien voor sommige lezers zal ophelderen, wat het

titelvignet voorstelt.

Daar zijn weinig zintuigen, die den menschen over het algemeen meer

geld kosten, dan de smaak. Het ligt toch in de menschelijke natuur,

om ze allen ten behoorlijken, en soms ook ten onbehoorlijken tijde in

gelegenheid te stellen, om gestreeld te worden. Nu kan men de overige

zintuigen nog al eens gratis het een of ander genoegen verschaffen. Het

gezigt, bij voorbeeld, verlustigt zich kosteloos in een schoon

landschap, op eene gepaste wijze door de zon verlicht, of, zoo dit niet

in zijn _genre_ valt, in den windwijzer op de nieuwe Willemspoort te

Amsterdam en de klok, waarvan de plaat, voor de variatie, in plaats

van den wijzer ronddraait. Het gehoor wordt even kosteloos gestreeld,

als de nachtegaal zijne minneliederen kweelt, of als de Secretaris van

de pui van het stadhuis afleest. De genietingen des reuks in de geuren,

die de bloemen des velds of de grachten (burgwallen) der hoofdstad

uitwasemen, behoeven nooit te worden betaald, evenmin als die van

het gevoel, bij de aanraking van een paar malsche lipjes (ieder heeft

toch wel één paar in zijne familie), of van stuifzand, dat zich van

den straatweg in het menschelijk oog verplaatst. Maar nu de smaak! Ik

bid u, welke amusement kunt gij dit zintuig verschaffen, waarbij niet

te gelijk uwe beurs in het spel komt? Een dikke, vochtige mist is

misschien het eenige, dat zich tot dit doel geheel belangeloos bij u

aanmeldt, daar hij aan den smaak van stervelingen die gewaarwordingen

meêdeelt, welke buiten hem slechts Soester knolletjes vermogen op

te wekken. Maar ook dit genoegen is slechts weggelegd voor weinigen,

die de daartoe vereischte gelukkige en beminnelijke habitude hebben

van altijd met een open mond te wandelen; ieder ander is genoodzaakt

dagelijks van zijn rijkdom of zijne armoede ten offer te brengen, om

niet door de blijken van ontevredenheid zijns smaaks te worden gekweld.

Meestal is het de overtuiging en ondervinding hiervan, die velen zoo

hevig doet ijveren tegen de genietingen, die men den smaak bereidt,

en laag doet neêrzien op dezulken, die daarvoor nu en dan nog wel

eens wat over hebben, terwijl dezelfde menschen veel verdraagzamer

zijn omtrent de amusementen der overige zintuigen. Het denkbeeld

"het genot is kort, en ieder voorwerp kan slechts eenmaal dat genot

verschaffen" doet gewoonlijk dien ijver ontbranden en die minachting

geboren worden. Bij de minsten dezer berispers komt het ooit op, dat

deze genietingen de meest dierlijke, ja soms niets dan dierlijk zijn.

Zonder zich echter in eenig opzigt met deze of dergelijke

bespiegelingen in te laten, bestelden Polsbroekerwoud en zijne

vrienden, op den top van den Johannisberg gekomen, eene flesch

goudlak, en zonder zich aan den onmatig hoogen prijs van deze

genieting te ergeren, savoureerden zij den eêlsten en beroemdsten

van alle Rijnsche wijnen. Het spreekt dan ook van zelve, dat zij

met zekeren eerbied de gevulde glazen opnamen, en deze op de reis

naar den mond een kleinen omweg lieten maken langs den neus, die van

het _bouquet_ genieten moest, en dat toen reeds de vrienden elkander

veelbeteekenend toeknikten; ook dat toen de eerste teug in aanraking

kwam met het verhemelte, eene soort van verrukking allen aangreep,

zoo als ieder, die den duren kabinetswijn proeft en betaalt, gevoelt,

of zich althans verpligt rekent te gevoelen. Het is opmerkelijk, dat

eene flesch van dezen wijn, die toch waarlijk zooveel krachtiger niet

is dan andere fijne Rijnwijnen, in staat is om een geheel gezelschap

tot een hoogen trap van verheuging op te voeren, en dat reizigers,

die voor een paar flesschen Bourgogne niet staan, na het gebruik van

twee glazen Schloss-Johannisberger-kabinet-goudlak, wel weergaas goed

gevoelden, dat zij wat gedronken hadden. Te meer nog verdient het de

aandacht, dat de keldermeester als er wat veel bezoekers van den berg

zijn, zich vaak genoodzaakt ziet een zeer gewonen ligten Rijnwijn

in die goudlakflesschen op te disschen, en dat de verrukking en het

bedwelmend effect altijd dezelfde blijven.

Wat hier ook van zij, onze vrienden geraakten bij het gebruik van

twee flesschen in eene vrolijk opgewonden stemming, zoo zelfs, dat

Pols het meisje, dat licht voor de sigaren bragt, tweemaal vriendelijk

toeknikte, en daarna zachtjes onder de kin streelde, waarop Torteltak

aanmerkte, dat zijn vriend aanmerkelijke vorderingen had gemaakt in

de kunst van minnekozen.

"Ik hoop er wel spoedig in volleerd te worden," dacht Pols; doch

hij zeide het niet, want zoolang de zaak van zijn engagement nog

niet gedecideerd was, had hij besloten het diepste stilzwijgen te

bewaren. Maar hij zag er geen gevaar in, zichzelven op te wiegen in

vrolijke verwachtingen en hoop op geluk, als hij met zijne Caroline

in den Oppert zou wonen, en hij haar gedurig zou verrassen, door

wekelijks het houtvlotje van nieuwe bloemen te voorzien, en door zelf

beste springlevende visch van de markt te halen. Hoe lief zouden zij

daar zamen in de tuinkamer zitten--zij in den gemakkelijken stoel

van zijn vader, hij op een stoofje aan hare voeten! Hoe zouden zij

zich daar verbeelden buiten te wonen, als de geur der bloemen hun van

het houtvlot tegenwoei, terwijl de leeuwerik en de vinken in kooijen

sloegen en kweelden! Hoe veel vergoeding zou dit alles aan zijne jonge

vrouw geven, die om hem haar schoon land verliet, en hoe verheugde het

hem, dat hij juist daar woonde, waar hij, als zijne lieve van hare

Rijn dweepte, met billijken trots op de Rotte kon wijzen, die langs

zijn huis haren arm tot aan de boerenvischmarkt uitstrekte! Neen,

zoo gelukkig was hij nooit geweest; zooveel geluk kon Mijntje hem

niet geven, hoeveel zij ook van hem hield. En zelfs met Leentje,

de dochter van den droogist uit Utrecht, die zoovele weken bij zijne

nicht Van Schalen had gelogeerd, had hem zijn huis zulk een tempel

van huwelijksgeluk niet kunnen worden. Het is waar, hij had dit

Leentje meenen te beminnen; hij had zelfs bij den ouden droogist

om hare hand aangehouden: maar hoe koel was dat antwoord geweest,

dat zij hem wel hoogachtte, maar niet tot eene eerlijke verkeering

met hem kon besluiten! Een nacht had hij er niet van kunnen slapen,

schoon ook Mijntje, om hem over het verlies van dat meisje te troosten,

zulke heerlijke varkenskarbonaden voor hem gebraden had. Maar hij had

spoedig leeren inzien, waarom het meisje niet bevallen kon. Zij wilde

hooger op; zij moest schitteren in de wereld; en daarom gaf zij kort

daarna hare hand aan een tweeden Luitenant bij de Infanterie.

Hoeveel beter dan deze was zijne tweede liefde! Caroline was niet

cocquet, niet zoo ijdel; zij was naif, onschuldig, teerder; zij had

hem uit achting haar hart geschonken; hij haar uit achting en liefde

zijn hand aangeboden. Deze verbindtenis moest gelukkig wezen. Het

was hier geheel anders toegegaan, dan met dezulken, die onder de

hedendaagsche jongelieden op een bal gesloten worden, waar de liefde

uit een wals geboren wordt, en waarvan de zinnelijkheid door gedurig

herhaalde genietingen wordt onderhouden. Neen, hij had zijne beminde

leeren kennen in de vrije natuur op een concert; hij had het eerst

ontdekt, dat hij haar liefhad, bij een hartverheffend oratorium;

hij had zijne plannen gevormd, om met haar gelukkig te zijn, terwijl

zij zich zamen onder onschuldige volksspelen verlustigden, en bij

eene vertrouwelijke avondwandeling hadden zij elkander hunne liefde

beleden. Hij kende haar alzoo onder verschillende omstandigheden;

hij had haar ook in den huiselijken kring gadegeslagen, toen hij

met zijne vrienden bij de Blumengartens soupeerde. Zoo dus zulk eene

liefde niet de bron werd van ongestoord huwelijksgeluk, dan kon er

nooit huwelijksgeluk op de wereld bestaan.

Onder den invloed van deze en dergelijke redeneringen, die allen tot

dezelfde gelukkige resultaten leidden, volgde Pols zijne vrienden,

die luidruchtig, vrolijk en dartel den berg afhuppelden, als wilden

zij aan de geheele wereld toonen, dat zij niet maar voor de leus, of

om het uitzigt, naar boven geklommen waren. Maar om aan den anderen

kant te toonen, dat zij niet ongezind waren, om ook met andere wijnen

kennis te maken, hielden zij stil voor de kleine herberg in het dorp,

en riepen den kastelein toe, hun eene flesch Johannisdorfer voor de

deur te brengen.

Een paar boomen, voor het huis geplaatst, waarschijnlijk niet om

binnen beschutting te geven tegen de brandende zon, iets waarvoor

de kleine tralievenstertjes genoegzaam zorgden, maar meer, om door

zekere kunstige leiding een prieel na te bootsen, boden den warmen

reizigers eene koele rustplaats aan. De bewoners van de herberg

schenen hieraan evenwel geen behoefte te gevoelen; want een driejarig

knaapje zat, met een houten kolonel in de armen, zich in de hitte des

middags te verlustigen, en zocht zich misschien daardoor schadeloos

te stellen voor het gebrek aan waschwater, waarvan zijn gezigtje,

handjes en beentjes duidelijke sporen droegen; de magere hond, met

gesloten oogen den kop vooruitstekende, ving de stralen op, die de

zon dien kant verkoos uit te zenden; en zelfs de dikke kastelein,

met wien de vrienden een praatje maakten, plaatste zich zoodanig,

dat het bladerrijk geboomte hem niet al de warmte ontroofde.

"Wat een heerlijk land bewoont ge hier toch!" zei Veervlug, nadat hij

eene poos zijne oogen had laten weiden over den schoonen _Rheingegend_,

naar den kant van het nabijgelegen Bingen en Rüdesheim.

"Dat schikt wel genoeg," zei de kastelein, "ten minste voor deze

streken. 't Zou evenwel anders mijne verkiezing niet wezen."

"Ge schijnt niet heel gemakkelijk te voldoen," zei de ander. "Laat

eens hooren, waar zoudt gij het dan zoeken?"

"Wel, ik koos het liever beneden Keulen, of nog lager. Het liefst

van allen was ik in Holland."

"Dat is ook een best land," zei Pols, in triomf zijne vrienden

aanziende.

"Men heeft er ten minste beter, wat een mensch toekomt," ging de

kastelein voort: "maar dat heb ik hier ook; ik moet niet klagen. Maar,

weet ge, het land is daar meer zoo als het behoort; ik wil zeggen,

dat het er vlak en effen is, en dat ge er zoo met geen bergen te

worstelen hebt."

"Benijdt ge ons daarom?" riep Veervlug; "ik wou hartelijk, dat ge ons

daarover beklaagdet. Het is misschien het eenige, dat mijn vriend in

Holland anders zou wenschen; niet waar, Pols?"

"En waarom?" zei onze vriend, die in dit gezegde al iets

revolutionnairs meende op te merken: "wij hebben immers bij ons

de duinen; en als ge iets uit de hoogte wilt zien, kunt ge op een

toren klimmen."

"Ge hebt een mooi land, Mijnheer!" viel de kastelein in: "ik ken het

door en door; ik ben er menigmalen met de kar met glaswerk geweest. Ik

vraag je, waar vindt ge in heel Duitschland zoo'n schoonen weg, als

tusschen Gouda en Rotterdam, zoo effen en vlak, en waar men alles

om zich heen ziet, juist zoo als het is. Ik vraag je, wat hebben wij

aan al die bergen? Niets dan last en ongemak. Waarlijk, een mensch is

niet op dat klimmen gemaakt; dan moest hij een ander fatsoen hebben,

en niets zoo regtstandig. Ik weet wel, dat ik het niet zeggen mag,

maar ik begrijp mij niet, waar al die bergen voor dienen, behalve voor

de steenbokken en de eekhorentjes. Maar het minst van allen begrijp

ik mij, wat al die reizigers er aan vinden, die als katten tegen die

bergen opklauteren; want wat ze van al die ruime gezigten praten,

dat is voor de vaak; een mensch kan maar één ding te gelijk zien;

en de rest ziet er allemaal in de verte heel anders uit, dan het

is. Ik zie liever de zaken in haar natuurlijken staat."

"Ge moet volstrekt eens in Leyden komen, vriendje, en daar, 's avonds

bij het quadrilletafeltje in _de Paauw_, wat gaan zitten koeteren. Ge

doet daar zeker opgeld; 't is of ik een van dat partijtje hoor praten,"

zei Torteltak. "Maar ik vind toch je land zoo kwaad niet, en daar

groeit betere wijn, dan bij ons tusschen Gouda en Rotterdam. Vooral

die van uw buurman, boven op den berg, is uitmuntend."

"Daar hebt ge 't alweêr," zei de kastelein. "Nu is die wijn boven

weêr beter; dat komt van die bergen. Nu doe ik en een ander evenveel

moeite aan den wijnbouw; maar Prins Metternich krijgt toch den besten,

en maakt grof geld, terwijl onze wijn in de vaten kan liggen verzuren."

"Dat merk ik," zei Veervlug, terwijl hij een klein slokje van den

wrangen landwijn opslurpte.

"Nu, wees maar tevreden," zei Torteltak; "wij zullen er u wel wat

doorhelpen. Als ik eens trouw, dan kom ik u nog eens opzoeken; dan

wil ik met plaisir een paar dagen bij u logeren."

"Ja," zei Pols, "dat is een goede inval; het moet hier wel aardig

wezen, om met een jong vrouwtje een paar stille en rustige dagen door

te brengen."

"Pas maar op, dat het u geen ongeluk aanbrengt," zei de kastelein. "Ik

heb eens een paartje hier bij mij gehad; daar is het niet best meê

afgeloopen."

"En laat eens hooren hoe?" vroegen de vrienden.

"'t Is hier wel juist niet gebeurd," zei de _gastgeber_; "daarom kan

ik het des te geruster vertellen, zonder dat het mij schade doet,

maar toch, de jongelieden waren de eerste dagen hier aan huis. Gij

moet dan weten, dat ik vroeger zooveel als eerste knecht was in een

heerenhuis te Frankfort, bij Mijnheer Schmallheim."

"Schmallheim? dien ken ik wel!" riep een der vrienden. "Hij heeft

zijn buiten aan den Main."

"Nu ja, dezelfde. Dan zult ge wel weten, dat hij drie dochters heeft,

engelen van kinderen; maar daar wilde ik nu niet van spreken. Ik heb ze

ook in geen tien jaren gezien; want het gaat nu aanstaande voorjaar al

in 't elfde jaar, dat ik er uit huis trouwde met mijne tegenwoordige

vrouw, die er zooveel als derde meid was. En toen wij getrouwd waren,

trokken wij hier naar toe, in deze affaire, die Mijnheer voor ons

gekocht had."

"En waart gijlui toen dat ongelukkige paartje?" vroeg Veervlug

lagchend.

"Wel neen; daar zijn wij nog niet aan toe; dat zou ook wat moois wezen;

dat is wel vijf jaren later geweest. Laat eens zien! Tien jaren ben ik

nu van Mijnheer van daan, en het is nu metterhaast vijf jaar geleden,

dat... Ja, het zal vijf jaar later geweest zijn, toen ik een brief

van Mijnheer ontving."

"Dan ging de correspondentie niet druk," merkte Torteltak aan.

"Neen; maar dat wou ik ook niet zeggen. Weet ge, Mijnheer schreef

mij, dat ik twee dagen later, met een rijtuig, digt bij zijn buiten

te Frankfort moest wezen. Of het nu op een Donderdag of op een

Vrijdag was, is mij ontschoten; maar dat zou ik nog kunnen nazien

in den almanak, want het is nu vijf jaren geleden, en het was een

schrikkeljaar."

"Ga maar voort; dat kunnen wij straks nazien."

"Nu dan! ik maakte, dat ik er was; want ik deed altijd alles wat

Mijnheer mij zeide, of het goed was en of het kwaad was; maar kwaads

gelastte hij mij nooit, in al de vijftien jaar, dat ik bij hem

gewoond heb, en de tien jaren, die ik nu al van hem weg ben, dat in

het voorjaar al elf jaar wordt.--Nu, zoo als ik zeide: ik stond 's

avonds met het rijtuig op mijn post, en oude Johann kwam bij mij en

zei: "Wilhelm, je krijgt straks een jonggetrouwd paar; maar je rijdt

maar met hen door, tot je t'huis bent, en je logeert ze maar bij je,

hoor!"--"Goed," zei ik, "als ze zich met mijn buitenherberg willen

vergenoegen. Ik zal ze het beste geven wat ik heb."--En ik wachtte

nog een uurtje, misschien wel anderhalf,--en ja wel, daar kwamen

ze.--"Voort maar!" riep Johann, toen hij het rijtuig toegemaakt had,

en ik lei er de zweep over, en ik reed door, of er niemand in zat,

en ik zag niets van hen, en ik hoorde niets, want ik had er geen

boodschap meê, wat zulke jongelui malkaêr te vertellen hadden. En zelfs

onderweg, als ik water gaf, hield ik me maar, of ik niemand bij me in

den wagen had; behalve te Beberich, toen kwam er de jonge Heer uit,

en ik zei hem goeden avond; maar ik kende hem niet, en het stond mij

niet voor, dat ik hem ooit bij Mijnheer aan huis gezien had; maar

ik ontgaf het mij, want het was al vijf jaar, dat ik van Mijnheer

weg was, en met het voorjaar wordt het er al elf; en ik reed weêr

verder, en het was al heel laat in den nacht, toen ik hier stilhield,

juist op het plekje, waar ik nu sta. En ik riep tegen mijne vrouw,

dat ze met licht zou komen, en zij kwam ook, maar zonder licht, en

zij hielp er het volk uit: en ik bragt de paarden naar den stal, en

ik kwam weêr binnen. Maar toen kwam de jonge Juffrouw naar mij toe,

en ze zei tegen mij, of ze mij mijn heele leven gekend had: "Ken

je me dan niet meer, Wilhelm?"--"Wel neen," zei ik, "hoe wou ik je

kennen?"--Maar toen ik ze eens regt aangekeken had, toen zei ik toch:

"Het ontschiet me, of je haalt na Elize van Mijnheer Furchtbach."--En

toen mijne vrouw ook: "Heden ja, het is Jufvrouw Elize, die zoo veel

bij ons aan huis verkeerd heeft," altijd bij Mijnheer aan huis; maar

het was al vijf jaar, dat ik bij Mijnheer van daan was, en ik moest

ze altijd om zeven uur 's avonds te huis brengen; want Mijnheer was

wat gestreng, en die wou nooit, dat zijne dochter of Juffrouw Elize

nachtliepen.--Maar hoe wij allebei nu stonden te kijken, toen ze

daar in het midden van den nacht voor onze oogen stond, en zoo groot

geworden, waarlijk eene heele juffrouw, en toen ik dezen Mijnheer

aankeek, en toen ik dacht, wat Johann tegen mij gezeid had, dat zij

zamen getrouwd waren!--Maar toen deed zij er ons de uitlegging van,

hoe die Mijnheer uit Holland gekomen was, en haar gezien had, toen

hij bij oom Furchtbach aan huis kwam, om een wissel te incasseren;

maar dat was alles na mijn tijd, want ik was toen al vijf jaren

bij Mijnheer van daan. En toen was de Juffrouw goed aan Mijnheer

bevallen, en zoo wederkeerig; en hij zocht verkeering over haar;

maar haar oom had veel tegen hem, omdat hij geene zaken aan de hand

had, en hij had toch geld genoeg om te leven, en goed ook; dus dat

was onredelijk; en de mama van Juffrouw Elize had er niets tegen,

maar zij zat ook al onder dien oom, en zij woonde daar in huis. En

dus had de jonge Mijnheer geene gelegenheid om de Juffrouw te zien,

dan als hij met een wisseltje kwam, om den hoek van de deur; want bij

mijn Mijnheer, daar hij ze meer ontmoette, mogt ze ook al geen voet

meer zetten; en toen kwam hij tweemaal in de week met een wissel;

en toen had Mijnheer nog veel meer tegen hem, en zei, dat hij een

doorbrenger was; en de jonge Juffrouw wierd er ziek van, maar dat kon

niet baten; en Mevrouw had evenwel alleen regt over hare dochter,

maar zij was te bang voor haren broeder. Maar toen moest Mijnheer

Furchtbach op reis voor zijne affaires, en toen kwam mijn Mijnheer

er bij, en die wist het met den jongen Mijnheer zoo mooi te praten,

dat de mama toestond, dat zij nu in stilte zouden trouwen, terwijl

de oom weg was, en mijn Mijnheer maakte de papieren in orde; en ik

zou dat alles zeker bezorgd hebben, maar ik was toen al vijf jaren

bij Mijnheer van daan. En toen gingen de mama en Juffrouw Elize 's

morgens uit, en de jonge Mijnheer wachtte ze op op straat, en zij

trouwden, zonder dat er een haan naar kraaide; en zij schreven een

briefje aan Mevrouw Furchtbach, dat zij op reis gingen, maar die was

er ook zoo niet tegen als Mijnheer; en toen was er bruiloft bij mijn

Mijnheer buiten, en 's avonds--dat ik mij nu maar niet herinneren kan,

of het Donderdag was of Vrijdag!--althans 's avonds moest ik met het

rijtuig komen, en ik bragt ze bij mij in de herberg, zoo als ik u

straks verteld heb--Maar nu zult gij misschien vragen, wat Mijnheer

Furchtbach zei, toen hij te huis kwam?--Maar hij kwam niet te huis,

althans niet voordat hij ze gezien had, want den tweeden dag, dat zij

hier waren,--laat eens zien! dat was op een Zondag; nu, dan was het

ook op een Vrijdag, dat ik ze gehaald heb; dat ik daar zoo even niet

op kon komen!--gingen zij eens wandelen. Nu, dat mogten zij wel doen,

want zij waren even wettig getrouwd, en zij verscholen zich maar

hier, omdat Mijnheer Furchtbach in het begin zeker te veel geweld

zou maken. Maar juist waren zij op den straatweg aan den overkant,

en daar komt de oom in een rijtuig aan, en hij hield ze staande ook

en hij schold den jongen Heer uit voor een maagdenroover; maar deze

had de papieren in zijn zak, dat hij getrouwd was, en de oom moest

optrekken, woedend van drift; maar hij kon er niets meer aan doen;

en toen zijn de jonge luidjes nog twee dagen bij mij geweest--laat

eens zien! ja, het was op een Dinsdag, toen zij heengingen; 't is nu

al over de vijf jaren geleden,--waar blijft de tijd!--en toen zijn ze

naar Aken gaan wonen, totdat het zoo bitter ellendig met die lieve,

goede menschen is afgeloopen."

"Ja, wij kennen de historie," viel Torteltak in, die in het begin

het verhaal opmerkzaam had aangehoord, maar langzamerhand in treurig

gepeins verzonken was. "Wij hebben haar op den St. Gothard ontmoet."

"Zoo! dan weet gij het, hoe akelig het met haar gesteld is. Gij zoudt

haar dan ook niet meer kennen, als gij haar nu zaagt."

"Waar is zij dan?" vroeg Torteltak; "is zij al te Frankfort? Ik heb ten

minste toen maatregelen genomen, om haar daarheen te transporteren."

"Wel, zij is hier, hier in mijn huis," zei de kastelein, "al sedert

eergisteren,--neen, laat eens zien! al sedert vooreergisteren; maar

zij is geheel onnoozel. Toen zij te Frankfort kwam bij Mijnheer

Schmallheim--want haar oom wou nu zelfs nog niets van haar weten,

en hij zeide, dat het haar eigen schuld was; de arme vrouw--toen zou

mijn Mijnheer haar zeker bij zich gehouden hebben; maar de pokken

waren bij hem aan huis, en Juffrouw Clementine is er deerlijk van

geschonden; en de doctor vond het goed, dat de arme Mevrouw Sindenton

weêrgebragt werd naar de plaats, waar zij het eerst gelukkig geweest

was, omdat zij misschien dan van hare verdooving zou terugkomen;

maar het heeft niets geholpen; want zij was niets getroffen van de

plaats, en zij kende mij niet meer, en mijne vrouw ook niet; en toch,

wij hebben zoo veel jaren met haar verkeerd, en toen die vier dagen

ook nog, dat nu vijf jaren geleden is; en zij zit maar stil; en wij

hebben ze de boerinnenplunje maar aangetrokken, omdat zij dan minder

in het oog zou vallen; maar ook daar heeft ze niets van gemerkt. Het

eenige, daar zij nog meê bezig is, is met mijn jongetje, dat daar zit;

somtijds streelt zij het nog wel eens, en zegt dan: Anton! maar als

die er niet is, houdt zij zich met niets bezig en spreekt geen woord.

Terwijl de kastelein deze laatste woorden zeide, zagen de

vrienden eene boerin achter het huis aankomen. Verschrikt keken

zij op. Torteltaks oogen ontmoetten de haren, die hem een oogenblik

wezenloos aanstaarden. Maar zij ontroerde niet, en naderde zachtjes

naar het kind, dat steeds aan den boomstam leunde. Zij kuste het voor

het voorhoofd, en zette zich toen naast hem, en begon met den houten

kolonel te spelen.

De vrienden stonden spoedig op, en verlieten met ontroering de plaats.

Twee maanden na hunne terugkomst ontving Torteltak een brief van

den Heer Schmallheim, bij wien hij zich naar de weduwe zijns vriends

geïnformeerd had, en die hem meldde, dat op zekeren avond, terwijl

zij weêr met het kind en den houten kolonel speelde, een flaauwe

gil den kastelein uit het huis had doen komen, en dat hij haar,

tegen den boomstam gezonken, dood had gevonden.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 38 / 43 题