Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor de Nederlanders
in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het bijzonder.
"'t Neêrland, Neêrland is 't, dat in de rei der volken
't Gelauwerd hoofd verheft door 't dundoek van de wolken,
En tot Europa roept: "Het licht dat u bestraalt,
De kunstrei die u volgt, is van mij afgedaald.
De lievling der Natuur zag op mijn' grond het leven!
Ik kweekte uw' Koster op! 'k heb hem aan de aard' gegeven."
Met deze regelen heeft de Heer J. F. Helmers, die te Amsterdam,
bij andere zaken, ook de dichtkunst waarnam anno 1804 de questie
uitgemaakt, waar en door wien de Drukkunst werd uitgevonden. Hij laat
het evenwel hierbij niet blijven; want nadat hij Haarlem verzocht
heeft te juichen,
"Juich, Haarlem, die hem 't eerst' mogt in uw' arm ontvangen!
Hem als een' zuigeling zaagt aan uw' boezem hangen!"
gaat hij over tot de mededeeling der mirakelen, die bij de geboorte
van den kleinen Koster plaats grepen; hoe de Natuur hem met een lach
begroette, en hoe het Spaarne, meer trotsch, de kruin opstak; hoe ook
de zwanen met opgestoken hals terstond driemaal de stad rondzwommen,
slaande met de vlerken en schaterende van vreugd; en hoe de bladen in
den Haarlemmerhout puur van wellust begonnen te fluiten en te gorgelen;
en hoe de Lente op zulk eene gelegenheid gewacht had om te komen; en
"Nooit steeg de Zonnegod met zulk een' gloed ten wagen,
En de uren, om zijn kar in 't bloemgareel geslagen,
Verspreidden als een' vloed van rozen in den wind,
En bloemen regenden op 't wiegje van het kind."
Hij maakt echter geen gewag van den klopper voor de deur, die zeker
ook wel opmerkelijk fraai zal zijn geweest. Te bejammeren is het, dat
hij van de verbazing der goede Haarlemmers, en in het bijzonder van
de oudelui Koster over al dat spectakel, geene andere melding maakt,
dan in de woorden:
"En nieuwe levenskracht vloog door elks aadren om."
Door een zamenloop van omstandigheden waren evenwel deze regelen in den
jare 1837 nog niet te Maints bekend, en in deze gelukkige onwetendheid
hebben onze Duitsche naburen met opgewondenheid het Gutenbergsfeest
gevierd. 't Is nu maar te hoopen, daar de zaak toch niet meer te
verhelpen is, dat de gedichten van Helmers nooit in het Duitsch worden
vertaald; want de inwoners van _Moguntinum_ zouden zeker dood confuus
worden, en te laat doen, wat Vondel nog in tijds van hen eischte:
"De Keurstadt kloppe op haer mont,
Als Haerlem spreekt: de fiere Rijn
Geef d'eere aan 't Sparen, met dien schijn
Van Recht, en zwijgh van Vuist, den zetter,
En Gutenberghs geroofde letter."
Maar wat hier ook van zij, in den vroegen morgen van den 15den
Augustus deden vijf Hollandsche jongelingen hun intrede in het "_Stolze
Maintz, von Rom gegründet_," en kwamen dus juist in tijds om te zien,
hoe de Duitschers Laurens Janszoon Koster van Haarlem miskennen en
verguizen. Het was wel hard, voor menschen, wie Neêrlandsch bloed
door d'adren vloeide, van dit schandelijk feit getuigen te zijn; maar
sommigen hunner kwam het nog harder voor, de stad, die er in haar
feestelijken dos regt sierlijk en vrolijk uitzag, zoo maar terstond
weêr te verlaten. Daarom besloten zij het doel der feestviering uit de
gedachten te zetten, iets dat eigenlijk altijd bij zulke gelegenheden
twee derde der zaamgevloeide menigte doet, en zoo veel moois te zien,
en zooveel plaisir te hebben, als zij maar grijpen en vangen konden. En
hiertoe werden zij al dadelijk in de gelegenheid gesteld; want zij
hadden het genoegen, met pak en zak beladen, de gansche stad Maintz
in alle rigtingen te doorkruisen, en aan alle logementen te vernemen,
dat er zelfs voor geen muis meer plaats was, iets dat iedereen die uit
de algemeene menschenliefde die tot kasteleins niet uitsluit, om den
wil van dezen hartelijk aangenaam moet wezen. Het deed intusschen den
vrienden wel leed, dat ook zij niet in de gelegenheid werden gesteld om
de _gastgebers_ voordeel te verschaffen, door etende en slapende geld
te verteren; maar men had maar een blik op al de logementen te slaan,
om te zien, dat zij van de vliering tot den kelder waren gevuld. In
het eind arriveerden zij aan een hôtel veertienden rang. Hier waren
zij gelukkiger; want de heer des huizes had nog juist gelegenheid om
vijf personen te logeren op twee stoelen met kussens en drie dito met
matten, in een soort van afgeschoten salon, of eigenlijk eene _suite_
van de keuken.
Hoewel nu zulk een apartement en zulke slaapplaatsen in gewone
omstandigheden niet bijzonder naar den zin van reizigers zijn, in
zulk een tijd is zoo iets nog eene verhooging van het genoegen: voor
sommigen, die zich om die reden verpligt gevoelen den ganschen dag
door te slenteren, en ook den nacht tot dag te maken; voor anderen,
omdat zij naderhand, bij de opsomming van de genoegens, die zij
gesmaakt hebben, ook zonder zich aan liegen te bezondigen, kunnen
vertellen dat zij zich armelijk moesten behelpen, of in geen twee
dagen een knie hebben gebogen. Voor onze vrienden had de situatie
van dat apartementje, dat aan de andere zijde in het bureau uitkwam
waar de juffrouw de notaas bijhield, dit nut, dat zij er een weinig
door ingewijd werden in de logementsgeheimen. Zoo kwamen zij er
in een half uur, dat zij met kleeden doorbragten, achter, hoe het
toch komt, dat nooit iets, zelfs niet de geringste kleinigheid,
op een nota vergeten is, daar de juffrouw, niet regt verstaande,
of de koffij en het brood, dat naar boven gebragt werd, voor Nr. 8
of 18 was, dezen post op beide rekeningen boekte. Te gelijk leerden
zij doorgronden, waarom de knechts zoo dikwijls denken, dat er op eene
andere kamer dan de uwe gescheld was, en dus niet komen voordat gij de
manoeuvre een dozijnmalen herhaald hebt; want toen de schel van Nr. 4
herhaalde malen vervaarlijk klingelde, vergenoegde zich de _kellner_,
wien deze schel aanging, met zoo lang te zeggen "wacht je beurt af,"
tot hij op zijn gemak zijn _dejeuner_ had gebruikt.
Maar daar de vrienden niet bepaaldelijk te Maintz waren gekomen om
zich met dit gewigtig onderwerp bezig te houden, haastten zij zich
hun hôtel te verlaten, om in tijds op de _Liebfrauplatze_ te wezen,
waar de onthulling van het Gutenbergs monument zou plaats hebben;
zij hadden het geluk eene uitmuntende staanplaats te verkrijgen, waar
de trein, uit den Domkerk komende, hen moest passeren, en tevens door
een paar uren wachtens hunne verwachting behoorlijk te spannen. Daar
klinken op eens hoornen en trompetten; zij komen; daar is reeds
de voorwacht, een aantal jolende knapen en deftig voortstappende
kerels, met vuile buizen aan het lijf, en dito handen in den zak. Met
uitgerekte halzen zien onze vrienden den optogt te gemoet; maar juist
in dien oogenblik komen de kurassiers om plaats te maken en rust te
bewaren, en deze heeren beginnen zulke vreemde manoeuvres met paarden
en sabels tegen al de belangstellende vreemdelingen, dat iedereen een
goed heenkomen zoekt. Pols en de zijnen bleven echter zeer vooraan,
en hadden dus het genoegen, toen de trein passeerde en de kurassiers
zich in linie van bataille schaarde, in zeer naauwe aanraking met
verscheiden regimentspaarden te komen en een rij blinkende kurassen
te aanschouwen. Dit was echter alles; zij zagen niets van den
_Burgemeister und der Gemeinderath_, van _die Polizei-Commissäre
und die Mitglieder des Literatuur-Vereins und der naturforschende
Gesellschaft_, geen enkele der _Buchdrucker_, _Schriftgiesser_,
_Buchhändler_, en niet een der vele dozijnen Duitsche Vorsten, die
allen in rokken, glinsterend door de nieuwheid van het laken of den
rijkdom van het verguldsel, voor de kurassiers heentrokken.
Wij zouden intusschen niet gaarne beweren, dat de teleurstelling onzer
vrienden, die niets van den optogt gezien hadden, grooter was dan die
der andere vreemdelingen, die het wel gezien hadden. Gewoonlijk toch
valt zoo iets, waarvan een wijdloopig programma reeds dagen bekend
is geweest, voor iemand, die zich goude galons en purper fluweel en
veelkleurig laken, ook zonder het te zien, kan voorstellen, niet
erg in de hand. Maar zeker is het, dat zij nu bewaard bleven voor
het uiten van opinies omtrent de uitstekende schoonheid van dezen of
genen rok, over het vreemde fatsoen der mutsjes, die de letterzetters
op hun hoofd hadden, over de vriendelijkheid, waarmeê de burgemeester
groette, en over meer dergelijke belangrijke zaken, waarmede men zich
op de afgehuurde kamers, nadat de trein gepasseerd was, bezig hield.
Maar toen nu al deze deftige personaadjes hunne eergestoelten hadden
ingenomen, en het ook Pols en zijnen vrienden gelukt was, op de trappen
der tribune plaats te krijgen, en de muziek ophield, nam de President
der _Gutenbergs-Commission_ de _Rednerbühne_ in, en bragt eene groote
rol papier te voorschijn, aan alle zijden volgeschreven, tot wanhoop
van al die het zagen, en die het meenden te moeten aanhooren. Maar die
wanhoop was te voorbarig; want de redenaar was niet wreed genoeg om zoo
veel van hunne aandacht te vergen. Hij sprak zoo zacht, dat slechts
drie à vier menschen, wier ooren bijna in aanraking met zijn mond
kwamen, door zijne verhandeling slaperig werden; terwijl het al den
anderen aanschouwers vrijstond, door welke middelen zij zelve verkozen,
tot dien toestand te geraken. In minder dan twee uren sprak hij zijne
geheele verhandeling uit, waarin hij het volgende had trachten aan te
toonen: "_Die Kunst, welche den Griechen und Römern verborgen blieb,
brachte eines Deutschen erfinderischer Geist an das Licht, und alles,
was die Alten und Neuen erdacht haben und wissen, haben sie jetzt
nicht mehr für sich, sondern für alle Völker erdacht_;" en toen hij
dit bewezen had, boog hij, en het publiek applaudiseerde van vreugd,
omdat het begreep wat die buiging beduidde, en de trompetten begonnen
te schallen, en door het verbranden van het chemisch geprepareerd
doek werd het Monument onthult, en allen die zamengevloeid waren
om het te aanschouwen, begonnen te juichen, met uitzondering van
drie individus, die door het verbazend gedrang onder den voet waren
geraakt en vertrapt, en voor wie het dus jammer was, dat zij niet
tot den volgenden dag gewacht hadden, om het beeld te gaan zien,
dat waarschijnlijk vooreerst niet zou wegloopen, omdat zij het nu
zeker nooit zouden zien.
Toen nu deze plegtigheid zoo schoon en aandoenlijk was afgeloopen,
en ook onze vrienden nog een geruimen tijd het heerlijk monument voor
Gutenberg hadden aangegaapt, en Pols bij die gelegenheid gevraagd
had, of het standbeeld in den Haarlemmerhout ook niet van Thorwaldsen
was, begreep men elders fortuin te moeten zoeken. Dit fortuin zoeken
beteekent eigenlijk op zulke feestdagen niets anders, dan al de uren,
die niet aan openbare vermakelijkheden gewijd zijn, met flaneren
doorbrengen, en zich door den prikkel van sterken drank in een
betamelijk opgewonden stemming houden. Bij zulke gelegenheden merkt
men eerst regt op, hoe nuttige inrigtingen koffiehuizen zijn, en hoe
zeer men ze onregt doet, door ze niet bij de het een of ander schoons
en edels bedoelende Gestichten of Maatschappijen op te sommen. Want
waar wordt de vermoeide vreemdeling vriendelijker opgenomen? waar
stelt men sterker en geestrijker maatregelen in het werk, om hem van
geestdrift te doen gloeijen? waar hoort men ooit in opgewondener taal
vaderlands- en vorstenliefde, en warm medegevoel voor al wat schoon en
edel is, uiten? Als u dan de oogen schemeren, feestvierders, van al de
vlaggen, die uit de huizen wapperen,--als uw mond lusteloos toevalt,
van het aangapen van al de pracht en weelde,--als u de knieën knikken
van de vermoeienis, die gij staande en loopende hebt opgedaan,--naar
de koffiehuizen dan, naar de koffiehuizen! Ziet gij dien stoet daar
uit de deur komen? Zij waren even uitgeput als gij thans; en welk
een gloed is nu in hunne oogen! tot hoe vrolijk gejuich openen zich
hunne lippen! hoe luchtig en sierlijk zwaaien zij u voorbij! Naar
binnen dan, feestelingen! één glas, één bokaal, één toast, en gij
zijt hun gelijk, en uwe insluimerende belangstelling voor het feest,
tot welks viering gij u hier onder de vele duizende vreemdelingen
hebt geschaard, zal weêr ontwaken.
Dank zij deze maatregelen van voorzigtigheid, kwam 's avonds het
gezelschap van Polsbroekerwoud, zeer luchtig en vrolijk gestemd,
voor de deur van het Maintzer Theater, en offerde met de grootste
bereidwilligheid een aanzienlijk aantal _Thalers_, om door vele
kelen den lof van Gutenberg te hooren uitgalmen. Het was nog aan een
bijzonder geluk te danken, dat zij werden binnengelaten, want reeds
dagen te voren waren natuurlijk alle kaartjes opgekocht; maar daar
men nu eerst vernomen had, dat er zestien Duitsche Vorsten minder
zouden komen dan men gewacht had, werd een der voor hen bestemde
loges aan de vrienden afgestaan, die daar nu op eene waardige wijze
de Hollandsche Natie konden representeren.
Weldra kwam het gewigtig moment. Tweehonderd heeren in 't zwart
en tweehonderd dames in 't wit, met vierhonderd paar witte glacé
handschoenen en vierhonderd bleeke gezigten, namen hunne plaats op het
tooneel in. Op de voorste rij zetten zich vier andere heeren en ééne
dame, in 't zelfde kostuum als de vorigen, doch met een extra strik van
lichtblaauw versierd, en iets meer pommade in 't haar dan de anderen,
waaruit bleek, dat zij Adolph von Nassau, Gutenberg, _Der Kläger im
Erzbischöflichen Gericht_ en Maria Faust's _Tochter_ voorstelden. De
Orchestmeester had intusschen al zijnen onderhoorigen de noodige
wenken gegeven; de instrumenten waren gestemd; met het tooverstokje
werd op den lessenaar getikt, de arm in de hoogte gezwaaid, en in
een oogenblik zwollen al de wangen der blazers op, al de armen der
strijkers bewogen zich naar denzelfden kant. Het voorspel is geëindigd:
Gutenberg staat uit zijn fauteuil op, manoeuvreert eenige oogenblikken
met een schitterende _foulard_ en op eens begint hij te zingen:
"_O lichte Mainz_," enz.
en toen hij zesmaal zijn coupletje herhaald heeft, staan al de heeren
op, en daverend klinkt het door de zaal:
"_O Stolze Mainz_," enz.
maar naauwelijks hebben die heeren hunne vier regels uit, of Gutenberg
begint weêr van voren af aan:
"_O lichte Mainz_,"
en eer hij nog een halven regel ver is, vallen de anderen weêr in:
"_O Stolze Mainz_,"
en zonder dat een der partijen het opgaf, zongen zij nu ieder om het
hardst, totdat zij dood af waren, en weêr op hunne stoelen gingen
zitten, waarop het publiek luid begon te juichen, en zeide dat de
woorden en de muziek beiden heerlijk mooi waren.
Maar naauwelijks gezeten, staan zij weêr op, en al de heeren zingen
vragenderwijze:
"Klang hier nicht noch eine Stimme?
Steht nicht jemand dort im Dunkel?"
waarop Faust begrijpt zich met het geval te moeten bemoeien, en ook
opstaande, zingt:
"Halt! Wer bist du? Nenne dich!"
En nu staat ook Gutenberg weêr op, en galmt uit!
"Gutenberg--Du kennst mich, Faust!"
waarop deze beide heeren aan het redeneren raken, en elkander herhaalde
malen dezelfde tweeregelige vragen en antwoorden toevoegen, totdat
ook de dame met den blaauwen strik er bijkomt, en voor de variatie
een aria zingt.
De eerste afdeeling liep ten einde. Het geraas en geweld nam steeds
toe, en ook onze vrienden waren reeds half doof, toen Pols, die
intusschen zijne oogen over het schoone publiek had laten weiden,
op eens een gil geeft, en zijn buurman in den arm knijpt. Het eerste
werd gelukkig niet opgemerkt; want juist bulderde het koor met
vreeselijke kracht:
"Du taufst das Kind im Traume;
Du taufest das Metall."
Maar het laatste, dat ongelukkig een stalmeester van een regerend
Vorst getroffen had, werd met een zeer barsch gezigt achtervolgd en
met de vraag: "Wat beteekent dat?"
"Ik vraagje excus, Mijnheer!" zegt Pols, "maar ik zag een neef en
nichten van mij zitten."
"Als je dan nog meer familie ziet, verzoek ik je aan den anderen kant
te knijpen."
En Pols maakte bij zichzelven de opmerking, dat die heer heel
kwalijknemend was en zeker weinig familiezwak had; maar toen nu
eindelijk "_das Kind im Traume getaufet was_," en er een moment van
stilte volgde, nam Pols deze gelegenheid waar, om zijn bovenlijf
over de balie der loge te buigen, en te kugchen en te hemmen, om de
aandacht te trekken van de familie Blumengarten, die schuins tegenover
hem in een andere loge zat; en toen dit nog niet gelukte, haalde hij
zijn geruiten zakdoek voor den dag en begon te wuiven, en te gelijk
rond te zien, waarover het publiek toch zoo lachte. Maar zijn vondst
had effect: de familie Blumengarten knikte neef toe, en nicht wenkte
zelfs, dat hij bij hen moest komen, waarop Pols eenige kamerheeren
en kamerdienaren bijna omverliep en de corridor doorsnelde, om zijne
familie op te zoeken. Van de _scène_ der ontmoeting werd evenwel
de aandacht van het publiek afgetrokken, omdat de tweede afdeeling
begonnen was, en de heeren met nieuwen moed aanhieven:
"Du taufst das Kind im Traume;
Du taufest das Metall;
An deines Mantels Saume
Liegt friedenreich das All."
Het ware voor Pols en zijne familie te wenschen geweest, dat zij
elkander wat later in den avond ontmoet hadden; want zij kregen het
zoo druk met praten, dat de heerlijkste stukken van het Oratorium
voor hen verloren gingen, en onze vriend was zoo oplettend voor zijne
jonge nicht, dat hij geene oogen had voor de tweehonderd zangeressen,
die onder aanvoering van Maria ook zeer aan het galmen raakten. Hij
begreep niets van het discours tusschen den _Kurfürst_ en den _Kläger_,
dat toch ook heel mooi was. Hij merkte naauwelijks of er _Ariosos_
of _Chöre_ werden uitgevoerd; en eerst toen al de heeren en dames op
het tooneel opstonden, en hunne laatste krachten inspanden, voor het
"Dreimal gesegnete
Stimmen der Scheidenden,
Stimmen der Bleibenden
Preisen dich laut, du gewallige Mainz!"
en toen daarna een applaudissement volgde, zoo luid, dat een aardbeving
hare inferioriteit zou hebben moeten toegeven, begreep hij, dat het
einde dáár was van een zeer aangenaam doorgebragten avond.
De familie Blumengarten en Polsbroekerwoud schenen elkander goed
bevallen te zijn; althans den volgenden dag haalde onze vriend zijne
bloedverwanten af, om de volksfeesten bij te wonen. Dit soort van
amusement viel geheel in den smaak dier goede menschen; zij lachten
zich dood, terwijl de Mainzers van de smalle gemeente allerlei
vergeefsche sprongen maakten, om den hangende aal te vangen; zij
juichten van plaisir bij het _Schifferstechen_, en gilden het uit van
pret bij den _Entenfang_. Hiertoe droeg bij, dat de oude heer volstrekt
niet hield van op een droogje te zitten, en dus verscheiden flesschen
goeden wijn liet ontkurken. Pols glom van genoegen, en verklaarde,
zijne jonge nicht helder aanziende, dat hij wel alle dagen zulke
feesten zou willen vieren; waardoor hij toonde volstrekt niet meer
boos te zijn, dat Maintz zich een regt aanmatigde het welke deze stad
in het geheel niet toekwam.
Het gevolg van dit alles was, dat toen Pols gearmd met zijn jonge
nichtje, de _allgemeine Illumination_ in de stad en op de rivier
bezigtigde, na zeer vele belangrijke aanmerkingen gemaakt te hebben
over schoone sterren, door groene en gele en roode en blaauwe lampions
verlicht, en over het sierlijke van latten met glaasjes om een
geheel raam, en over licht in zulke vierkante, poort- en kolomvormige
gedaanten, als alleen de kunst kan voortbrengen, geheel uitgepraat,
misschien alleen om het discours op een anderen boog te wenden,
begon te zeggen:
"Lieve nicht Caroline, ik ben niet heel jong meer."
"Dat is waar, neef!" antwoordde Caroline.
"En ook niet schoon."
De nicht zei niets, maar knikte toestemmend.
"Ik ben niet rijk."
"Zoo!" zei Caroline.
"Maar ik heb toch een aardig stuivertje geld."
"Dat is altijd een groot geluk!" merkte nicht aan.
"En ik wou, dat gij met mij deeldet."
"Maar, neef! hoe kom je nu zoo? ik heb immers volstrekt geen geld
noodig."
"Je begrijpt me niet, lieve nicht!" zei Pols: "ik wou nog meer. Ik
heb wel eens gedacht, om te trouwen!"
"Wel dat is goed!" zei Caroline, schoon toch eenigzins bevende,
misschien door eene verwonderlijk sterke _Devinationsgabe_ begrijpende,
waar het heen wilde. En toen voegde zij er bij: "Daar zijn vast in
Holland meisjes genoeg."
"Ja," zei Pols, "maar geen een zoo lief als jij!"
"Heere, neef! wat praat je rare dingen!"
"Ja, maar, lieve nicht! ik moet het je nu maar zeggen. Ik ben sinds
gisteren avond zoo raar, en al sedert verleden maand, toen ik je voor
het eerst zag. Je zoudt me een groot plaisir doen, als gij met mij
trouwen wildet."
"Maar neef Joachim! ik ken u nog zoo weinig."
"Ach! noem mij niet meer neef, maar alleen Jochem; en als ge met mij
trouwt, zult gij me wel beter leeren kennen."
Toen zei het meisje een heel langen tijd geen woord, maar keek voor
zich op den grond, en Pols begreep, dat hij nu een voetval zou moeten
doen, maar het was zoo schrikkelijk vol op de straten, dat hij er geen
plaats toe vond. In het eind, toen Pols haar zoo in de hand kneep,
dat zij er misschien pijn van kreeg, zei het meisje:
"Maar, neef! spreek er dan eens met papa en mama over."
Toen zei Pols verrukt: "O mijne geliefde! noem mij dan maar eens bij
mijn naam."
En het meisje zeide, hoog blozende: "Jochem!" Maar juist toen onze
vriend haar in verrukking de hand wilde kussen, kwam er een voetzoeker,
door een jong en dartel Maintzenaartje afgestoken, tusschen zijn mond
en haar hand, en Pols riep uit: "Dat is verduiveld onaangenaam!" en
het meisje: "Foei! is dat schrikken!"
De jongeling bragt zijn meisje zeer zedig naar haar logement, en toen
hij afscheid van haar had genomen, verzocht hij de oude lieden nog
een woordje, en legde zijn belangen bloot. Neef en nicht vonden de
propositie zeer vereerend; maar daar zij zich verpligt gevoelden,
eerst de noodige informatiën te nemen, beloofden zij, zoo spoedig
zulks geschieden kon, hun antwoord schriftelijk te zullen meêdeelen.
En toen Pols bij zijne vrienden terugkwam, deelde hij hun mede, dat
zijne nicht Caroline een engel was, en hij hoopte hun spoedig nog iets
te zullen meêdeelen, maar wat dat was, zouden zij nooit kunnen raden.