HOOFDSTUK XXXI.

Waarin een heer zeer vrolijk en een ander zeer melancholiek wordt.

Nog nooit zoo veel te vroeg was Pols of een zijner vrienden aan

eenige diligence, stoomboot of trekschuit gekomen, als heden het

geval was aan den _eilwagen_, die des namiddags ten vier ure uit

Constants vertrok. Was het daarom, dat zij zoo vergenoegd zagen,

toen de postillon met zijn horen het sein tot vertrekken gaf? of

was het, omdat zij smachtten eene plaats te verlaten, waar zij

niets dan verveling en ergernis hadden ondervonden? Genoeg is het

te melden, dat zij allen, naarmate zij zich van de oude en vervallen

stad verwijderden, in vrolijkheid en opgewondenheid toenamen, en dat

zij, toen in den laten avond in Stokach de diligence een uur van zijn

eentoonig en vermoeijend rollen uitrustte, al het leed hadden vergeten;

dat zij heden hadden gevoeld, en zich zelfs genoegen durfden beloven

van een nog vierentwintig uren lang verblijf, als tusschen hemel en

aarde, boven op de postkoets.

De tour door het Schwartzwald, dien zij nu, door handelbaarder weder

begunstigd, aflegden, wekte aangename herinneringen bij onze reizigers

op. Indien Pols dus afgetrokken was, hij dacht misschien aan zijne

schoone Ohlsbachsche, en het speet hem zeker, dat de _eilwagen_

nu zeer weinig notitie nam van de boerenherberg, waar zij zoo goed

waren onthaald geworden, en slechts aan de gewone stations stilhield,

waar men zeer weinig met zeer veel geld moest betalen. De heerlijke

landstreek, die al vruchtbaarder en bloeijender werd, hoe verder zij

voortreisden, hield hen allen in eene zeer opgeruimde stemming, en

zoo sommigen hunner reikhalzend naar Straatsburg uitzagen, het was

heden niet, omdat zij iets tegen de landstreek, of het gezelschap,

waarin zij zich bevonden, hadden in te brengen. Maar Torteltak

brandde van verlangen om het schoone meisje van Constants weêr te

zien; nog voelde hij den lieven druk harer vingeren; nog zag hij

den vriendelijken en vertrouwelijken blik, dien zij hem schonk;

en schoon hij dat alles danken moest aan hare veronderstelling,

dat hij met een ander meisje geëngageerd was, ook dat denkbeeld,

dat men hem bij die schoone reeds zoo ver geavanceerd hield, deed

hem genoeglijk glimlagchen, en bevestigde hem in zijne opinie, dat

hij toch wel _l'enfant chéri des dames_ mogt genoemd worden. Bij Van

Aartheim was het verlangen naar de Fransche grensstad althans niet

minder dan bij zijn vriend, schoon hij volstrekt niet aan drukjes en

blikjes dacht, maar toch in vrolijke hoop leefde, daar zeer aangename

en gewigtige ontdekkingen te doen.

Twee dingen zijn er, die den reiziger naar Straatsburg reeds in

tijds te kennen geven, dat hij de stad nadert; het eerste is de

domtoren, die van wege zijne hoogte van zeshonderd voet boven al zijne

medetorens uitsteekt; het tweede zijn de veelvuldige tamme ganzen,

die in troepjes van honderd, onder het kommando van een jongsken van

8 of 10 jaren, over de velden patrouilleren, waar zij niet zoozeer

door de vorming van verstand en hart, als wel door die hunner lever,

tot hunne bestemming worden opgeleid.

Wie kent ze niet, die voortreffelijke producten van Straatsburg,

die meesterstukken uit deszelfs fabrieken? _Paté de foie gras!_ gij

zijt schoon; ja schoon zijt gij en heerlijk om te aanschouwen! Als

van de terrine, waarin gij verscholen ligt, het sierlijke deksel wordt

afgewenteld, en eene dartele hand den sluijer van sneeuwwitten reuzel

wegrukt, dan vertoont zich, met een zedigen blos bedekt, uw liefelijk

aangezigt; dan vervult gij allen, die u omringen niet met strengen

eerbied, maar met warme liefde, met een zoet en nameloos verlangen! Gij

zijt zacht, _foie gras_, als het dons; zacht voor het gevoel en zacht

voor het oog! Het sneeuwwit hermelijn moge schitteren, en zijn glans

moge verhoogd worden door de zwarte vlokken, waarmeê het bestrooid

is; hoeveel liefelijker is uw rooskleurige gloed! hoeveel bevalliger

wordt die verhoogd door uwe vereeniging met den edelen truffel, in het

statig zwart gedost! Maar wat beteekent het u te zien, voor hem die u

kent? Neen, gij verheft u niet op ijdele schoonheid, maar schittert

door innerlijke waarde. Gij stelt de hoop niet te leur van hem, die

verlangend zijnen mond ontsluit! Zacht en malsch als de liefdekus

raakt gij de lippen aan; als een dauwdrop in een bloemkelk voor de

zon, versmelt gij op de tong, die u verwarmt en koestert; en als de

toonen des nachtegaal het oor, zoo streelt uwe geur het gehemelte.

En toch, daar zijn er die u miskennen, _foie gras_! daar zijn er

die u met smaad en schimp zouden willen beladen. Of heb ik het niet

gehoord, dat men uw uitzigt vergeleek met dat der geestelooze pommade,

uw smaak met dien van walgelijk kaarsvet? Ik ken er, die u niet willen

zien, omdat gij uwe frischheid en uwe mollige rondheid gedeeltelijk

dankt aan den wreeden ganzendans op de gloeijende roosters, schoon

ik diezelfde beestenvriendinnen in kwade luim heb gezien, omdat de

garnalen alweêr niet met koud water waren opgezet, en dus volstrekt

niet hadden begrepen, wat het zegt, _gekookt_ te worden.--Maar wie

u ook beleedigen of zijne verachting toonen moge, blijf niet terug

uit Nederland, edele wezens, in Straatsburg geboren en gewonnen! Gij

vindt er ook hier als elders, wie gij altijd welkom zijt, en die het

zich steeds tot geluk en vreugde zullen rekenen, u eene eereplaats

aan hunnen disch in te ruimen.

Met deze en dergelijke bespiegelingen kortte Veervlug zich den tijd,

toen hij zichzelven en zijne vrienden moê geredeneerd had. Hij liet

zich niet uit zijne aangename stemming brengen door den vallenden

avond en een opkomenden mist, of door vermoeijenis en vrees, dat men te

laat zou aankomen, om goed te souperen, zoo als zijn vriend De Morder;

evenmin matte hij zich af in wiskundige berekeningen, hoe veel menschen

er zouden omkomen als de toren van Straatsburg eens onverwacht naar

beneden kwam, zoo als zijn vriend Holstaff; maar moeijelijk viel het

hem om vrolijk te blijven, toen de diligence meer dan twee uren voor

de poort der stad moest ophouden, omdat de douanen, om de belangen

der schatkist te bevorderen en hun eigen nieuwsgierigheid te voldoen,

alle koffers en doozen uitpakten, en zelfs onder jassen en mantels

onderzoek deden, wat er al zoo de stad werd ingevoerd. Daar is bijna

geen treuriger reisinconveniënt dan een grenscommies, zonder zelfs

muskieten en ander meer Noordelijk ongedierte uit te zonderen; en

onaangenaam is het er bij, dat men zich eigenlijk billijkerwijze over

dit ongemak niet beklagen kan. Als de wet spreekt, dient de onderdaan

der wet te zwijgen; maar nergens gevoelt men als eerlijk man meer

verdriet, dat er zooveel schurken zijn, als daar, waar men van het

principe uitgaat dat iedereen een schurk is, of tracht te wezen. Ik

geloof dan ook niet dat er iemand sterker aan de algemeene bedorvenheid

van het menschengeslacht kan gelooven, dan zij, die als commiezen

hun leven doorbrengen. Daar zijn intusschen weinig landen in Europa,

waar men zich meer tegen den invoer van verboden zaken wapent en te

weer stelt dan Frankrijk; misschien omdat men de overtuiging bezit,

dat daar reeds genoeg verboden zaken plaats vinden. (Men vergelijke

dit laatste gezegde met den brief van Veervlug aan zijn vriend L,

geschreven te Straatsburg, den 11den Augustus 1837.)

Een der eerste merkwaardigheden van Straatsburg, die Torteltak

den volgenden morgen wenschte te zien, was de vreemdenlijst in het

_Hôtel de Paris_, omdat hij daaruit hoopte te kunnen ontdekken of

gissen, hoe de naam van het meisje was, dat hem hier verwachtte. Maar

naauwelijks heeft hij de lijst in handen, of daar gaat een licht voor

hem op, en hij noemt zichzelf een domkop, omdat hij vroeger niet op

die gedachte gekomen was. Hij las namelijk den naam Darmold, en het

verhaal van den ouden Heer Korenaar kwam hem in al deszelfs kleuren

voor den geest. "Wel ja!" roept hij uit: "zij zijn het! Wie kan het

ook anders wezen?"

"Wie?" vroeg Van Aartheim, die naast hem zat.

"Wel, Darmold en Emma, wie anders?" zegt Torteltak.

"Hoe, wat?" zegt zijn vriend, van zijn stoel opspringende: "hoe weet

gij het? heb ik ze genoemd? kent gij ze? waar zijn ze?" Dit was het

begin van een serie andere vragen, in éénen adem uitgestort en te

veel om op te noemen.

"Wat! kent gij die ook al?" vroeg Torteltak. "Heeft zij bij u ook

voor waarzegster gespeeld? Ik kon mij ook al niet begrijpen, dat zij

zijne dochter was."

"Neen, maar, ik bid u, waar hebt gij dien Mijnheer Darmold

gezien?" vroeg Van Aartheim met drift.

"Wel te Constants, daar gij hem ook hebt gezien, en waar ge nog een

heel interessant discours over de Koningin Hortense met hem gevoerd

hebt."

"Wel, dat is vreeselijk! Was hij dat? En was ik dan met blindheid

geslagen? Verbeeld u! ik reis maanden lang, alleen om hem te vinden,

en ik kreeg tijding dat hij te Straatsburg zal komen; en ik zie hem

te Constants en ik verzuim mijn kans."

"Dan moet ge ze hier beter waarnemen," zeide Torteltak. "_Garçon_! waar

logeert dat gezelschap, dat het laatst is aangekomen?"

"In Nr. 9 en 10. Ik heb ze juist het _dejeuner_ gebragt."

"De Hemel zij gedankt!" riep Van Aartheim, en met ongewone drift

sprong hij door de kamer rond.

"Ge doet het immers niet om dat Emmaatje?" zei Torteltak glimlagchende;

"want, vriend! dan komt ge te laat; maar neen, ge hebt aan ééne

schaakpartij wel genoeg."

Weinige oogenblikken later werd Van Aartheim bij den Heer Darmold

aangediend, en na eenige preliminairen openbaarde de jongeling

hem, dat hij hoop had om van hem belangrijke inlichtingen te zullen

inwinnen, omtrent zekere schuldbekentenissen van zijn vader, waarbij

de Heer Darmold als getuige moest gediend hebben. De oude heer liet den

jongeling alles uiteenzetten, en gaf hem toen hoop die zaak gemakkelijk

te kunnen schikken, daar de papieren, door den Heer Lurgrave gebruikt,

niet anders dan valsche stukken konden zijn. Hij deelde hem toen in

vele woorden mede, hoe goed hij den ouden Heer Van Aartheim gekend had,

en hoe hij zelf bij zijne komst in Oost-Indië aan dien waardigen man

veel te danken had, en sprak in zulke bewoordingen van Mevrouw Van

Aartheim, dat de jongeling hem met warmte de hand drukte.

In het midden van dat gesprek bragt een bediende een kaartje binnen,

waarop onze vriend met verbazing den naam Lurgrave vond. De knecht had

in commissie, dat de heer van dien naam terstond Mijnheer Van Aartheim

verlangde te spreken, maar dat hij geen lang uitstel verzocht, omdat

hij niet veel tijd te verliezen had.

"Hij komt of hij geroepen was!" zegt Darmold. "Verzoek Mijnheer hier

te komen."

Sir Lurgrave kwam binnen, en zonder zich aan den ouden heer, die

een weinig ter zijde was gegaan, te storen, rigtte hij zich tot den

jongeling, wien hij niet veel met complimenten, informatiën naar

welstand en meer dergelijke zaken lastig viel, maar voegde hem op

zeer hoogen toon toe: "Gij hebt ons contract verbroken, Mijnheer Van

Aartheim, nu weet ook ik, waaraan ik mij te houden heb."

"Ik heb alleen Miss Cleford voor uwe lagen behoed, Sir Lurgrave! Gij

hebt haar en mij beiden misleid; ik rekende mij geregtigd en verpligt

haar in veiligheid te brengen."

"Noem mij de plaats, waar gij haar gebragt hebt!"

"Nooit!" zegt Van Aartheim bedaard, maar met vastheid.

"Dan haalt gij vloek over u, en ongeluk over uwe moeder!" roept de

Engelschman woedend.

De jongeling werd bleek, niet van angst, maar van toorn.

"Zoo spoedig niet, Sir Lurgrave!" zegt Darmold, zich omkeerende en

hem strak aanziende: "ik kan u zulke maatregelen, evenzeer als zulke

gezegden, ontraden."

Lurgrave ziet den vreemdeling aan, en heeft een brutaal antwoord voor

hem klaar; maar toch eene zekere onrust overmeestert hem; misschien

sprak zijn geweten, misschien een duister voorgevoel. Maar in het

eind verzamelt hij al zijn moed en zegt: "Wie zijt gij, Mijnheer,

die zulken toon tot mij durft voeren, en die u met zaken inlaat,

die u niet aangaan?"

"Gij zoudt echter wel wenschen dat zekere handteekening mij wat meer

aanging. Herkent gij mij niet, Lurgrave? Mijn naam is Darmold."

De Engelschman staat alsof hij door den donder getroffen is, en alsof

de schrik al zijne leden verlamd heeft. Zijne oogen zijn onbewegelijk

gevestigd op den man, die hem dus heeft toegesproken. Maar op eens

springt hij op en terwijl hij een papier te voorschijn haalt en

in stukken scheurt, roept hij uit: "In uwe magt ben ik niet; de

bewijsstukken tegen mij zijn vernietigd."

"Maar nog niet in zekere zaak van een voogd, die zich van het vermogen

zijner pupillen op een onwettige wijze heeft meester gemaakt."

"Gij zijt een vreeselijk mensch, Mijnheer Darmold!"

"Dat kan er naar wezen, als het noodig is," zegt de ander koel.

"Kan ik u een oogenblik alleen spreken, Mijnheer?" zegt Lurgrave,

terwijl hij zijn partij angstig aanziet.

"Mijnheer Van Aartheim is hier niet te veel; want de zaak gaat ook

hem aan. Naar ik hoor, is hij de minnaar van _Miss_ Cleford."

"Maar hij krijgt haar nooit. Gaat nu beiden u gang en brengt mij op

't schavot."

En ijlings vliegt hij de kamer uit en in de postchais, die hem voor

de deur wacht.

"Hoe zal ik u ooit genoeg dankbaar zijn, mijn goede, lieve Mijnheer

Darmold!" roept Van Aartheim uit.

"Gij hebt zoo heel veel verpligting niet aan mij," zegt de oude heer;

"maar ik wenschte dat ik meer voor u had kunnen doen. Want het zal

nog heel wat moeite in hebben, de zaak met _Miss_ Cleford in orde te

brengen; want hij is listig en slecht."

"Maar mijne lieve moeder is gered," riep Van Aartheim. "De Hemel

zij gedankt!"

Kalmer dan het bovenstaande gesprek liep dat tusschen Torteltak en

Emma aan de publieke tafel af. Want na hem eerst wat geplaagd te

hebben, deelde het meisje hem mede, dat zij uit een brief van Mevrouw

Korenaar vernomen had, dat zekere Mijnheer Torteltak, een heel lief

jongmensch (dit zeggende keek Emma rijkelijk spottend genoeg, naar

der jongelings zin), te Kleef al zeer lief met Ambrosine was geweest,

en dat hij werkelijk al _acces_ gevraagd en dat dan ook verkregen had.

"Ik wist waarlijk niet, dat ik al zoo ver gegaan was," zegt Torteltak

verbaasd in zichzelven. "Mama Korenaar schijnt niet voor uitstel te

wezen." Maar daar hij heel gaarne op den voet van intimiteit met de

lieve Emma wilde blijven, hield hij al zijne aanmerkingen binnen,

en bepaalde zich tot het maken van zoo veel lieve complimentjes, die

ook weer zoo aardig beantwoord werden, als beide deze zaken aan eene

publieke tafel en tusschen menschen, die elkaêr voor de tweedemaal

ontmoeten, kunnen geschieden.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 36 / 43 题