Waarin een heer zeer vrolijk en een ander zeer melancholiek wordt.
Nog nooit zoo veel te vroeg was Pols of een zijner vrienden aan
eenige diligence, stoomboot of trekschuit gekomen, als heden het
geval was aan den _eilwagen_, die des namiddags ten vier ure uit
Constants vertrok. Was het daarom, dat zij zoo vergenoegd zagen,
toen de postillon met zijn horen het sein tot vertrekken gaf? of
was het, omdat zij smachtten eene plaats te verlaten, waar zij
niets dan verveling en ergernis hadden ondervonden? Genoeg is het
te melden, dat zij allen, naarmate zij zich van de oude en vervallen
stad verwijderden, in vrolijkheid en opgewondenheid toenamen, en dat
zij, toen in den laten avond in Stokach de diligence een uur van zijn
eentoonig en vermoeijend rollen uitrustte, al het leed hadden vergeten;
dat zij heden hadden gevoeld, en zich zelfs genoegen durfden beloven
van een nog vierentwintig uren lang verblijf, als tusschen hemel en
aarde, boven op de postkoets.
De tour door het Schwartzwald, dien zij nu, door handelbaarder weder
begunstigd, aflegden, wekte aangename herinneringen bij onze reizigers
op. Indien Pols dus afgetrokken was, hij dacht misschien aan zijne
schoone Ohlsbachsche, en het speet hem zeker, dat de _eilwagen_
nu zeer weinig notitie nam van de boerenherberg, waar zij zoo goed
waren onthaald geworden, en slechts aan de gewone stations stilhield,
waar men zeer weinig met zeer veel geld moest betalen. De heerlijke
landstreek, die al vruchtbaarder en bloeijender werd, hoe verder zij
voortreisden, hield hen allen in eene zeer opgeruimde stemming, en
zoo sommigen hunner reikhalzend naar Straatsburg uitzagen, het was
heden niet, omdat zij iets tegen de landstreek, of het gezelschap,
waarin zij zich bevonden, hadden in te brengen. Maar Torteltak
brandde van verlangen om het schoone meisje van Constants weêr te
zien; nog voelde hij den lieven druk harer vingeren; nog zag hij
den vriendelijken en vertrouwelijken blik, dien zij hem schonk;
en schoon hij dat alles danken moest aan hare veronderstelling,
dat hij met een ander meisje geëngageerd was, ook dat denkbeeld,
dat men hem bij die schoone reeds zoo ver geavanceerd hield, deed
hem genoeglijk glimlagchen, en bevestigde hem in zijne opinie, dat
hij toch wel _l'enfant chéri des dames_ mogt genoemd worden. Bij Van
Aartheim was het verlangen naar de Fransche grensstad althans niet
minder dan bij zijn vriend, schoon hij volstrekt niet aan drukjes en
blikjes dacht, maar toch in vrolijke hoop leefde, daar zeer aangename
en gewigtige ontdekkingen te doen.
Twee dingen zijn er, die den reiziger naar Straatsburg reeds in
tijds te kennen geven, dat hij de stad nadert; het eerste is de
domtoren, die van wege zijne hoogte van zeshonderd voet boven al zijne
medetorens uitsteekt; het tweede zijn de veelvuldige tamme ganzen,
die in troepjes van honderd, onder het kommando van een jongsken van
8 of 10 jaren, over de velden patrouilleren, waar zij niet zoozeer
door de vorming van verstand en hart, als wel door die hunner lever,
tot hunne bestemming worden opgeleid.
Wie kent ze niet, die voortreffelijke producten van Straatsburg,
die meesterstukken uit deszelfs fabrieken? _Paté de foie gras!_ gij
zijt schoon; ja schoon zijt gij en heerlijk om te aanschouwen! Als
van de terrine, waarin gij verscholen ligt, het sierlijke deksel wordt
afgewenteld, en eene dartele hand den sluijer van sneeuwwitten reuzel
wegrukt, dan vertoont zich, met een zedigen blos bedekt, uw liefelijk
aangezigt; dan vervult gij allen, die u omringen niet met strengen
eerbied, maar met warme liefde, met een zoet en nameloos verlangen! Gij
zijt zacht, _foie gras_, als het dons; zacht voor het gevoel en zacht
voor het oog! Het sneeuwwit hermelijn moge schitteren, en zijn glans
moge verhoogd worden door de zwarte vlokken, waarmeê het bestrooid
is; hoeveel liefelijker is uw rooskleurige gloed! hoeveel bevalliger
wordt die verhoogd door uwe vereeniging met den edelen truffel, in het
statig zwart gedost! Maar wat beteekent het u te zien, voor hem die u
kent? Neen, gij verheft u niet op ijdele schoonheid, maar schittert
door innerlijke waarde. Gij stelt de hoop niet te leur van hem, die
verlangend zijnen mond ontsluit! Zacht en malsch als de liefdekus
raakt gij de lippen aan; als een dauwdrop in een bloemkelk voor de
zon, versmelt gij op de tong, die u verwarmt en koestert; en als de
toonen des nachtegaal het oor, zoo streelt uwe geur het gehemelte.
En toch, daar zijn er die u miskennen, _foie gras_! daar zijn er
die u met smaad en schimp zouden willen beladen. Of heb ik het niet
gehoord, dat men uw uitzigt vergeleek met dat der geestelooze pommade,
uw smaak met dien van walgelijk kaarsvet? Ik ken er, die u niet willen
zien, omdat gij uwe frischheid en uwe mollige rondheid gedeeltelijk
dankt aan den wreeden ganzendans op de gloeijende roosters, schoon
ik diezelfde beestenvriendinnen in kwade luim heb gezien, omdat de
garnalen alweêr niet met koud water waren opgezet, en dus volstrekt
niet hadden begrepen, wat het zegt, _gekookt_ te worden.--Maar wie
u ook beleedigen of zijne verachting toonen moge, blijf niet terug
uit Nederland, edele wezens, in Straatsburg geboren en gewonnen! Gij
vindt er ook hier als elders, wie gij altijd welkom zijt, en die het
zich steeds tot geluk en vreugde zullen rekenen, u eene eereplaats
aan hunnen disch in te ruimen.
Met deze en dergelijke bespiegelingen kortte Veervlug zich den tijd,
toen hij zichzelven en zijne vrienden moê geredeneerd had. Hij liet
zich niet uit zijne aangename stemming brengen door den vallenden
avond en een opkomenden mist, of door vermoeijenis en vrees, dat men te
laat zou aankomen, om goed te souperen, zoo als zijn vriend De Morder;
evenmin matte hij zich af in wiskundige berekeningen, hoe veel menschen
er zouden omkomen als de toren van Straatsburg eens onverwacht naar
beneden kwam, zoo als zijn vriend Holstaff; maar moeijelijk viel het
hem om vrolijk te blijven, toen de diligence meer dan twee uren voor
de poort der stad moest ophouden, omdat de douanen, om de belangen
der schatkist te bevorderen en hun eigen nieuwsgierigheid te voldoen,
alle koffers en doozen uitpakten, en zelfs onder jassen en mantels
onderzoek deden, wat er al zoo de stad werd ingevoerd. Daar is bijna
geen treuriger reisinconveniënt dan een grenscommies, zonder zelfs
muskieten en ander meer Noordelijk ongedierte uit te zonderen; en
onaangenaam is het er bij, dat men zich eigenlijk billijkerwijze over
dit ongemak niet beklagen kan. Als de wet spreekt, dient de onderdaan
der wet te zwijgen; maar nergens gevoelt men als eerlijk man meer
verdriet, dat er zooveel schurken zijn, als daar, waar men van het
principe uitgaat dat iedereen een schurk is, of tracht te wezen. Ik
geloof dan ook niet dat er iemand sterker aan de algemeene bedorvenheid
van het menschengeslacht kan gelooven, dan zij, die als commiezen
hun leven doorbrengen. Daar zijn intusschen weinig landen in Europa,
waar men zich meer tegen den invoer van verboden zaken wapent en te
weer stelt dan Frankrijk; misschien omdat men de overtuiging bezit,
dat daar reeds genoeg verboden zaken plaats vinden. (Men vergelijke
dit laatste gezegde met den brief van Veervlug aan zijn vriend L,
geschreven te Straatsburg, den 11den Augustus 1837.)
Een der eerste merkwaardigheden van Straatsburg, die Torteltak
den volgenden morgen wenschte te zien, was de vreemdenlijst in het
_Hôtel de Paris_, omdat hij daaruit hoopte te kunnen ontdekken of
gissen, hoe de naam van het meisje was, dat hem hier verwachtte. Maar
naauwelijks heeft hij de lijst in handen, of daar gaat een licht voor
hem op, en hij noemt zichzelf een domkop, omdat hij vroeger niet op
die gedachte gekomen was. Hij las namelijk den naam Darmold, en het
verhaal van den ouden Heer Korenaar kwam hem in al deszelfs kleuren
voor den geest. "Wel ja!" roept hij uit: "zij zijn het! Wie kan het
ook anders wezen?"
"Wie?" vroeg Van Aartheim, die naast hem zat.
"Wel, Darmold en Emma, wie anders?" zegt Torteltak.
"Hoe, wat?" zegt zijn vriend, van zijn stoel opspringende: "hoe weet
gij het? heb ik ze genoemd? kent gij ze? waar zijn ze?" Dit was het
begin van een serie andere vragen, in éénen adem uitgestort en te
veel om op te noemen.
"Wat! kent gij die ook al?" vroeg Torteltak. "Heeft zij bij u ook
voor waarzegster gespeeld? Ik kon mij ook al niet begrijpen, dat zij
zijne dochter was."
"Neen, maar, ik bid u, waar hebt gij dien Mijnheer Darmold
gezien?" vroeg Van Aartheim met drift.
"Wel te Constants, daar gij hem ook hebt gezien, en waar ge nog een
heel interessant discours over de Koningin Hortense met hem gevoerd
hebt."
"Wel, dat is vreeselijk! Was hij dat? En was ik dan met blindheid
geslagen? Verbeeld u! ik reis maanden lang, alleen om hem te vinden,
en ik kreeg tijding dat hij te Straatsburg zal komen; en ik zie hem
te Constants en ik verzuim mijn kans."
"Dan moet ge ze hier beter waarnemen," zeide Torteltak. "_Garçon_! waar
logeert dat gezelschap, dat het laatst is aangekomen?"
"In Nr. 9 en 10. Ik heb ze juist het _dejeuner_ gebragt."
"De Hemel zij gedankt!" riep Van Aartheim, en met ongewone drift
sprong hij door de kamer rond.
"Ge doet het immers niet om dat Emmaatje?" zei Torteltak glimlagchende;
"want, vriend! dan komt ge te laat; maar neen, ge hebt aan ééne
schaakpartij wel genoeg."
Weinige oogenblikken later werd Van Aartheim bij den Heer Darmold
aangediend, en na eenige preliminairen openbaarde de jongeling
hem, dat hij hoop had om van hem belangrijke inlichtingen te zullen
inwinnen, omtrent zekere schuldbekentenissen van zijn vader, waarbij
de Heer Darmold als getuige moest gediend hebben. De oude heer liet den
jongeling alles uiteenzetten, en gaf hem toen hoop die zaak gemakkelijk
te kunnen schikken, daar de papieren, door den Heer Lurgrave gebruikt,
niet anders dan valsche stukken konden zijn. Hij deelde hem toen in
vele woorden mede, hoe goed hij den ouden Heer Van Aartheim gekend had,
en hoe hij zelf bij zijne komst in Oost-Indië aan dien waardigen man
veel te danken had, en sprak in zulke bewoordingen van Mevrouw Van
Aartheim, dat de jongeling hem met warmte de hand drukte.
In het midden van dat gesprek bragt een bediende een kaartje binnen,
waarop onze vriend met verbazing den naam Lurgrave vond. De knecht had
in commissie, dat de heer van dien naam terstond Mijnheer Van Aartheim
verlangde te spreken, maar dat hij geen lang uitstel verzocht, omdat
hij niet veel tijd te verliezen had.
"Hij komt of hij geroepen was!" zegt Darmold. "Verzoek Mijnheer hier
te komen."
Sir Lurgrave kwam binnen, en zonder zich aan den ouden heer, die
een weinig ter zijde was gegaan, te storen, rigtte hij zich tot den
jongeling, wien hij niet veel met complimenten, informatiën naar
welstand en meer dergelijke zaken lastig viel, maar voegde hem op
zeer hoogen toon toe: "Gij hebt ons contract verbroken, Mijnheer Van
Aartheim, nu weet ook ik, waaraan ik mij te houden heb."
"Ik heb alleen Miss Cleford voor uwe lagen behoed, Sir Lurgrave! Gij
hebt haar en mij beiden misleid; ik rekende mij geregtigd en verpligt
haar in veiligheid te brengen."
"Noem mij de plaats, waar gij haar gebragt hebt!"
"Nooit!" zegt Van Aartheim bedaard, maar met vastheid.
"Dan haalt gij vloek over u, en ongeluk over uwe moeder!" roept de
Engelschman woedend.
De jongeling werd bleek, niet van angst, maar van toorn.
"Zoo spoedig niet, Sir Lurgrave!" zegt Darmold, zich omkeerende en
hem strak aanziende: "ik kan u zulke maatregelen, evenzeer als zulke
gezegden, ontraden."
Lurgrave ziet den vreemdeling aan, en heeft een brutaal antwoord voor
hem klaar; maar toch eene zekere onrust overmeestert hem; misschien
sprak zijn geweten, misschien een duister voorgevoel. Maar in het
eind verzamelt hij al zijn moed en zegt: "Wie zijt gij, Mijnheer,
die zulken toon tot mij durft voeren, en die u met zaken inlaat,
die u niet aangaan?"
"Gij zoudt echter wel wenschen dat zekere handteekening mij wat meer
aanging. Herkent gij mij niet, Lurgrave? Mijn naam is Darmold."
De Engelschman staat alsof hij door den donder getroffen is, en alsof
de schrik al zijne leden verlamd heeft. Zijne oogen zijn onbewegelijk
gevestigd op den man, die hem dus heeft toegesproken. Maar op eens
springt hij op en terwijl hij een papier te voorschijn haalt en
in stukken scheurt, roept hij uit: "In uwe magt ben ik niet; de
bewijsstukken tegen mij zijn vernietigd."
"Maar nog niet in zekere zaak van een voogd, die zich van het vermogen
zijner pupillen op een onwettige wijze heeft meester gemaakt."
"Gij zijt een vreeselijk mensch, Mijnheer Darmold!"
"Dat kan er naar wezen, als het noodig is," zegt de ander koel.
"Kan ik u een oogenblik alleen spreken, Mijnheer?" zegt Lurgrave,
terwijl hij zijn partij angstig aanziet.
"Mijnheer Van Aartheim is hier niet te veel; want de zaak gaat ook
hem aan. Naar ik hoor, is hij de minnaar van _Miss_ Cleford."
"Maar hij krijgt haar nooit. Gaat nu beiden u gang en brengt mij op
't schavot."
En ijlings vliegt hij de kamer uit en in de postchais, die hem voor
de deur wacht.
"Hoe zal ik u ooit genoeg dankbaar zijn, mijn goede, lieve Mijnheer
Darmold!" roept Van Aartheim uit.
"Gij hebt zoo heel veel verpligting niet aan mij," zegt de oude heer;
"maar ik wenschte dat ik meer voor u had kunnen doen. Want het zal
nog heel wat moeite in hebben, de zaak met _Miss_ Cleford in orde te
brengen; want hij is listig en slecht."
"Maar mijne lieve moeder is gered," riep Van Aartheim. "De Hemel
zij gedankt!"
Kalmer dan het bovenstaande gesprek liep dat tusschen Torteltak en
Emma aan de publieke tafel af. Want na hem eerst wat geplaagd te
hebben, deelde het meisje hem mede, dat zij uit een brief van Mevrouw
Korenaar vernomen had, dat zekere Mijnheer Torteltak, een heel lief
jongmensch (dit zeggende keek Emma rijkelijk spottend genoeg, naar
der jongelings zin), te Kleef al zeer lief met Ambrosine was geweest,
en dat hij werkelijk al _acces_ gevraagd en dat dan ook verkregen had.
"Ik wist waarlijk niet, dat ik al zoo ver gegaan was," zegt Torteltak
verbaasd in zichzelven. "Mama Korenaar schijnt niet voor uitstel te
wezen." Maar daar hij heel gaarne op den voet van intimiteit met de
lieve Emma wilde blijven, hield hij al zijne aanmerkingen binnen,
en bepaalde zich tot het maken van zoo veel lieve complimentjes, die
ook weer zoo aardig beantwoord werden, als beide deze zaken aan eene
publieke tafel en tusschen menschen, die elkaêr voor de tweedemaal
ontmoeten, kunnen geschieden.