HOOFDSTUK XXX.

Waarin Pols een zeer mooien coup de théatre ziet mislukken,

en waarin Torteltak eene Dame in haar rijtuig helpt.

Het is heel moeielijk, het iedereen naar den zin te maken. Dit

ondervonden onder anderen, in het jaar 1415 de Heeren van het Concilie

te Constants, toen twee der Pausen, die zij op pensioen gesteld hadden,

en de eene nog wel op zijn eigen verzoek, dezen maatregel gansch

niet vriendelijk opnamen, en de derde gepensioneerde dit gunstbewijs

finaal afsloeg en zich tot zijn dood toe in active dienst aftobde.--Hoe

weinig goedkeuring verwierven gemelde Heeren verder van het algemeen,

toen zij, na vier jaren vergaderd geweest te zijn, uiteengaande de

Hervormingsplannen, waarvan nog al veel verwachting was, in den steek

lieten! En zoo zij niet de aangename bewustheid hadden meêgevoerd,

dat zij de Kettersche stellingen van Joannes Huss en Hieronymus van

Praag met kracht en vuur hadden weêrlegd en vernietigd, hoe gering zou

dan ook nog hunne zelfvoldoening over het verrigte werk zijn geweest!

Maar al liet nu deze Kerkvergadering bij sommige pausen geene zeer

aangename herinneringen na, en al bevorderde zij de tijdelijke

belangen van eenige ketters niet veel, en al leverde zij voor

Kerk en Staat die resultaten niet op, die men gewacht had, zij was

belangrijk voor diegenen, die er maar partij van wisten te trekken,

en nog ten huidigen dage baant zij den weg tot onmetelijken rijkdom

en onsterfelijken roem voor Johann Kastell, _Antiquar_ te Constants.

Wanneer gij ooit in de beroemde Conciliestad komt, zult gij niet

verzuimen den verdienstelijken oudheidkenner te bezoeken. Zijne

schriften zal hij u tegen betaling van 56 cents aanbieden, en gij

zult eigenaar worden van verschillende onuitgegeven brieven van Huss,

die Kastell uit het werk van Van der Hardt in zijn geschrift heeft

nagedrukt. Daarna zal de geleerde u uitnoodigen, om nog omtrent 73

cents te betalen, voor welke u het gezigt der _Kunst und Altherthums

Sammlung_ in de _Conciliums-Saal_ zal worden vergund. Gelukkige! dan

zult gij langs een steilen trap naar den donkeren zolder worden geleid;

daar zult gij in een hoek twee vermolmde stoelen zien staan, die gij

met den naam van _troonen_ zult hooren bestempelen. Daarnaast ziet

gij een kistje, voor één derde uit hout en voor twee derde uit stof

bestaande; dat is het beroemde _Scrutinium_. Die ronde roestmassaas

tegen den wand zijn de schilden der krijgers, die den vorstelijken

troon omringden.--Is het u niet, als waart gij door een tooverslag

uit de negentiende in de vijftiende eeuw verplaatst? als bevondt gij u

in het midden der luisterrijke Kerkvergadering, omringd door vorsten

en kardinalen?--Ziet gij daar op dat zoldertje die drie mannen,

die onvermoeid met hunne armen roeijen, hun hoofd omdraaijen, meer

dan ooit een ander mensch het vermogt, en op de maat hunne oogen

doen rollen? Beteugel uwe verbeelding--zij leven niet; doe gerust

een stap nader;--ja, het zijn de twee ketters wel, en Celestinus de

Dominikaner monnik, die met hen disputeert; maar slechts geboetseerd in

gele was. De beide eersten zijn al eens door een pruikmaker gestolen

geweest, die den monnik, van wege de kaalgeschoren kruin voor zijn

doel onbruikbaar, had laten staan; maar Kastell heeft ze uit den

barbierswinkel naar zijn zoldertje teruggevoerd.--Maar nog hebt gij

niet alles gezien. Daar in dien hoek staan twee steenen muren; dat

zijn de muren der gevangenis van Johannes Huss, uit den kelder van

het Franciskaner klooster gebroken, en nu op de Conciliezaal heel

netjes weêr opgemetseld, om alles wat meer bij elkaêr te hebben. Het

is eene ijselijke gevangenis. Zie, zij ontvangt geen ander licht,

dan uit de hooge vensters van de zaal.--Gij opent de gegrendelde

kerkerdeur en stapt eene schrede terug. In die kerker ligt op stroo een

menschengedaante. Het is de ongelukkige. Vroeger figureerde het beeld

onder den preekstoel in de _Munsterkirche_, als de aartsvader Abraham;

een bekwaam schilder heeft het een weinig gemoderniseerd, en nu doet

het in den kerker van den aartsketter Huss volkomen zijne dienst.

Het spreekt van zelve, dat alleen hij, die als pelgrim naar Constants

reist en inspectie _in loco_ houdt, zich eenigzins kan voorstellen,

hoe het op die Kerkvergadering is toegegaan, en dat niemand dan

de zoodanige een bevoegd beoordeelaar kan wezen van den invloed,

of wilt gij _vis et efficacitas_, dien zij op Kerk en Staat heeft

uitgeoefend. Begrepen alle geleerde _historici_ dat, hoeveel minder

verschil van opinie zou er omtrent deze zaak bestaan! Werd eindelijk

deze stelling in het algemeen toegepast, hoeveel grieven werden er

bespaard! Of bleek het ook ons Hollanders niet, dat het gevoelen

van sommige Duitsche en Fransche geschiedschrijvers, bij voorbeeld

omtrent den moord van Willem I, den heldendood van Van Speyk, en de

stoute daad van Hobein, zoo oneindig van het onze verschilt, omdat

die onkundigen niet in de gelegenheid waren zoo diep in de zaken in

te dringen, als wij, die in onze Museums den waarachtigen hoed en het

waarachtige buis van Balthasar Gerards hebben aanschouwd, en die toen

eerst de daden der dappere zeehelden regt leerden begrijpen, toen wij

het lapje blaauw laken van wijlen Van Speyk's rok en den vlaggedoek

van Hobein in het glazen kastje zagen ten toon gesteld?--Weg dan met

historie zonder oudheden en rariteiten! Hoe zouden wij Nederlanders

ooit zoo verbaasd veel licht hebben doen opgaan over de geschiedenis

van Egypte, indien wij niet zoo vele en zoo aanzienlijke mummies in

ons Leydsch Museum logeerden?

Het gezigt van het meer van Constants is voor ieder Hollander treffend

en verrassend. Wanneer hij van het hoofd bij de stad, ter linkerzijde

van de kapel, in de vorm van een molen, die op alle plaatjes van

Constants staat afgebeeld, zijn oog laat weiden op de watervlakte en

het lage land, waartegen zij aanspoelt, dan is het hem, als stond hij

aan de haven bij Hillegom, en als zag hij op eens het Haarlemmermeer

voor zich. Maar slechts kort duurt deze begoocheling; want zoodra

hij zich aan de tafel in zijn hôtel heeft neêrgezet, mist hij den

schotel meerbaars, en met niemand der gasten kan hij zijn geliefkoosd

discours aanvangen, hoe mooi en hoe aardig het toch wel wezen zal,

als die groote kom eens geheel en al zal zijn drooggemaakt.

Ofschoon nu onze reizigers aan de bezigtiging van al deze merkwaardige

kunst- en natuurschoonheden vele aangename en nuttige oogenblikken

te danken hadden, zij schenen er niet genoeg voedsel voor verstand

en hart uit te hebben opgedaan, om er een geheelen dag op te kunnen

teeren. Sommigen hunner merkten ten minste aan, dat zij nog wel

gaarne iets anders zouden zien, dat levendiger indruk bij hen naliet;

anderen vonden, dat de morgens te Constants veel langer duurden dan

elders. En toch, zij deden alles wat in hun vermogen was om zich den

tijd te korten. Zij doorkruisten herhaalde malen in een slenterpas

de geheele stad, namen successivelijk alle huizen op, keken nu en dan

over de balies van de brug in het water, vierden hunnen lust bot, om

zich door geeuwen en gapen te vervrolijken, fixeerde de zon zoolang,

tot zij aan het niezen raakten, en hielden hun horlogies elke tien

minuten aan hun oor, om te onderzoeken of zij ook stilstonden. Doch

toen zij eindelijk al deze genoegens tot overdaad toe gesmaakt hadden,

besloten zij, voor de variatie, in hun logement voor de ramen te gaan

zitten kijken.

In hoeverre de uitvoering van dit plan aan de vrolijke verwachting, die

men er misschien van had, beantwoordde, durven wij niet bepalen. Veel

afwisseling leverde echter deze uitkijk niet op; want schoon het

logement niet in de afgelegenste wijk der stad gesitueerd was, de

geheele stad Constants is eigenlijk eene afgelegen buurt, en men ziet

er gewoonlijk evenveel menschen op straat, als te Woerden in de uren,

dat daar de diligence niet passeert. Binnen in de gezelschapskamer

was ook niet veel rumoer, maar daar was toch nog iets om de oogen meê

bezig te houden: een lief jong meisje namelijk en een bejaard heer, die

zamen het _dejeuner_ gebruikten. De vrienden hadden juist den tijd en

de gelegenheid om dit paar menschen eens goed op te nemen. Zij wisten

dan ook naderhand allen precies de kleur der oogen en der lokken van

het meisje, en hoe fijn haar mondje, hoe spits haar voetje was. Deze

bijzonderheden hadden zij bij den bejaarden heer minder opgemerkt,

schoon zij daarin overeenkwamen, dat de man een zeer gedistingueerd

voorkomen had, en dat er een waas van melancholie over zijn gelaat

lag. Zij schenen vader en dochter, schoon er in hunne gelaatstrekken

geen enkele van gelijkenis te ontdekken was; maar de teedere blikken,

die hij van tijd tot tijd op het meisje sloeg, en de liefde en eerbied,

waarmede zij hem bejegende, duidde kennelijk eene naauwe betrekking

aan; en schoon ook zij den bejaarden man vele attenties bewees,

die kinderen dikwijls omtrent hunne ouders verzuimen, zij zag er te

vrolijk en hij te verstandig uit, om bij het groote verschil hunner

jaren, aan eene andere liefde dan die van vader en kind te denken.

Misschien waren er onder de vrienden, die eene nadere kennismaking

dan die der aanschouwers wenschten; maar daaraan viel niet te denken,

althans zoolang de twee vreemdelingen zich zoo uitsluitend met het

_dejeuner_ en met elkander bezig hielden, dat zij geene oogen schenen

te hebben voor iemand, die zich in de zaal bevond. Gemakkelijker

geraakten zij in gesprek met een ander heer, wiens voorkomen juist niet

veel belang inboezemde, ten zij men een zeer rooden en zeer gezwollen

neus en een aantal karbonkels voor interessante verschijnselen op

een menschelijk aangezigt houdt. Deze heer, die waarschijnlijk door

langdurige oefening de faculteit bezat, evenveel flesschen oud bier

in te houden als een Nederlandsch fust nam bij deze affaire tevens

die van kastelein waar, en om deze betrekking vond een der vrienden,

die gaarne eens iemand vreemds wilde toespreken, de vrijmoedigheid

hem te vragen, of er geen nieuws was.

"Neen, wat wou er voor nieuws wezen," antwoordde Mr. Sorvels vrij

knorrig: "althans geen goed nieuws, maar kwaads genoeg, ten minste voor

mij." En na deze verklaring met een krachtigen vloek geverifieerd te

hebben, liet hij een verbazenden bierstroom met bruisend geweld in

zijn wijdgeopenden mond neêrstorten.

"Maar je ziet er anders nog al niet uit, om zooveel verdriet te

hebben," zei Veervlug; "'t zal nog al zoo'n vaart niet met je loopen."

"Ge zoudt wel anders spreken, als je bijgewoond hadt, wat ik daar

straks heb bijgewoond. Het is te verschrikkelijk om het uit te

spreken."

"Is je land overstroomd, of je schuur verbrand?" vroeg een der

vrienden.

"Is er een biervat gesprongen, of een brouwsel mislukt?" zei een ander.

"Is je vrouw ziek, of een kind van je dood?" vroeg een derde.

"Was het dat maar," riep de kastelein verdrietig uit; "dat zou nog zijn

over te komen. Ik zal het je maar zeggen, maar het is een vervloekte

leelijke historie. Mijn vrouw is van haar achtste kind bevallen."

"Wel, daar filiciteer ik je meê," zei Pols heel goedig. "Als alles

goed afgeloopen is, is het een groot geluk. Maar wat is het, een

jongen of een meisje?"

"Wat weet ik het!" riep de dikke heer vertoornd. "Een jongen of een

meisje, het is een doodeter te meer; het is waarachtig of de ellende

hier aan huis niet ophoudt. 't Is er net meê als met de kiespijn. Je

weet wel wanneer het begint, maar niet wanneer het eindigt."

"Maar kinderen krijgen is toch een groote zegen," merkte een der

heeren zeer wijs aan.

"Ik wensch je geluk met dien zegen," bromde de bierbuik. "Ik zie

liever, dat mijne koeijen me een keer meer aan kalfsvleesch helpen,

of dat ik den vetten os loot; dat helpt meer in het huishouden. Maar

kijk! hier heb ik er nog een, die zal mij niet doodeten." En hij wees

op een kind, dat voor het raam op de straat in een tafelstoel zat,

en zich de handen op het blad bont en blaauw sloeg.

"Was dat je jongste?" vroeg een der vrienden.

"Dat is een klucht!" riep de vader, terwijl hij zijn bierkan weêr eens

in zijn maag leêggoot en daarna in de hoogte zwaaide. "Dat hebben al

meer vreemdelingen gedacht; en het is juist de oudste van allen."

"Maar het jongetje kan toch nog geen twee jaren oud zijn!"

"Een jongetje van twee jaar? ha, ha! het is een meisje van

achttien. Maar ge hebt in uw leven zoo'n raar kind niet gezien:

het is sinds haar eerste jaar niet gegroeid en doofstom, en nog

onnoozeler als toen zij geboren werd. En zij kan niets binnen krijgen

dan wat broodwater, dat ze door een pijpje inzuigt; dat is een goedkoop

kostje, ha, ha! Maar ik houd het met mijn Duitsche bier!" En behalve

met een vrij forschen eed, bevestigde hij dit laatste gezegde door

een krachtige manoeuvre met de bierkan. Toen schoof hij het raam open

en tikte het meisje op den schouder.

"Bu, bu!" kreet het onwijze kind en hapte naar den stok, waarmeê het

was geraakt.

"Houd je snater, malloot!" riep de vader, "of ik kom je met den stok

op je ligchaam!"

Het kind, den opgeheven stok ziende, begon te janken als een hond;

maar de vreemde dame, die bij het laatste gedeelte van het gesprek

toegeluisterd had, vloog toe, en terwijl een gloed van toorn haar

schoon gelaat bedekte, hield zij de hand des vaders terug.

"Ik vraag u excus, schoone dame!" viel de dikke heer lagchend in:

"ik speelde maar met het kind. Ze heeft zoo geen gevoel van tikjes;

ze is zoo weekelijk niet opgebragt, als de rijkeluiskinderen."

Het schoone meisje sloeg de oogen neder en keerde zich om. Een traan

kwam in haar oog, toen zij den bejaarden heer omhelsde en kuste. "Ook

ik ben achttien jaar, zeide zij, "en ik heb u tot vader."

Mr. Sorvels ging echter, zonder zich aan zulke _scènes_ te ergeren,

of zich in het minste om zijne gasten te generen, voort met proeven

van zijne ouderliefde en teederheid van gevoel te geven. Zijne stem

werd intusschen heesch en zijn gang moeijelijk. "Ja, ik heb ze allen

onder appèl!" riep hij uit, terwijl hij op zijn duim floot, waarop uit

verschillende deuren vier of vijf zeer morsige kinderen te voorschijn

kwamen en vroegen wat hun papa beliefde.

"Dat je allemaal weêr heengaat, waar je van daan gekomen zijt," riep de

oude heer, "en die het laatst in de kamer is, sla ik de ribben stuk."

Als door een tooverwoord verdwenen de kinderen, misschien omdat zij

hun vader als een waarheidlievend man kenden.

De bejaarde heer was intusschen met zijne dochter naar buiten gegaan,

waar hij liever zijn rijtuig wilde afwachten, dan in het onderhoudend

gezelschap in de zaal.--De vrienden, die ook liever _scènes_ van

anderen aard bijwoonden verzochten den kastelein hun wat rust te laten,

of een ander apartement aan te wijzen.

"Wat rust?" riep de man, terwijl hij op zijne beenen voortwaggelde. "Ik

sta je niet in den weg, maar ik ben hier in mijn eigen huis, en ik

moet voor mijne kinderen zorgen; weet je dat met je rust? Maar ik zal

heengaan, omdat ik mijn wereld versta, hoort ge? maar als ik blijven

wou, dan bleef ik. Goeden dag!"

En de man, die op den geboortedag van zijn achtste kind eenige uren

vroeger, dan hij gewoon was, fusthoogte had bereikt, zeilde naar eene

deur aan het eind van het vertrek, die hij achter zich geopend liet, en

daardoor den vrijen inkijk in de kraamkamer aan de vrienden vergunde.

"Leg je daar met je leelijke marmot?" was de eerste phrase, die hij

zijne beminde wederhelft toevoegde.

En hierop volgde een discours tusschen de beide echtelingen, dat met

vrij veel levendigheid werd gevoerd. De vrouw begon met haren gemaal

een beest te noemen, waarbij zij een epitheton voegde, dat kennelijk op

den staat van beschonkenheid doelde. De gemaal weêrlegde dit argument

met haar als een lui wijfjesvarken te begroeten, waarop de teedere

echtgenoote eenige gillen slaakte, en iets van besterven sprak, bij

welke gelegenheid zij een teug uit een flacon _kirschwasser_ nam,

dat te Constants een zeer dienstige drank voor jonge kraamvrouwen

schijnt te wezen. Hierop begon de lieve eerstgeborene te schreeuwen,

en de gemaal proponeerde derhalve den telg der huwelijksmin in het

meer te werpen; waarop weder de gemalin sprak van ontaarde vaders

en menschen erger dan de beesten; welk gezegde de dikke heer zich

aantrok, en een stok in de hoogte hield, waarop de jonge moeder een

nieuwe teug _kirschwasser_ nam, en nu de flesch aan haren echtvriend

voorhield, ten einde Z.Ed. de hersenpan in te slaan. Een paar oudere

zoontjes der gelukkige echtelingen, waarschijnlijk meenende dat papa

gefloten had, hingen hem nu aan de beenen, en een dochtertje stond

aan haar moeders bed, en scheen de aandacht op het voorvallende te

willen vestigen, door zeer voorbarig "moord" en zeer ontijdig "brand"

te roepen, terwijl de oudste dochter in de tafelstoel zich de handen

aan bloed sloeg, en harder dan ooit "bu, bu, bu!" riep. Het was een

zeer levendig tooneeltje, doch dat als onopgemerkt passeerde voor de

_kellners_, die daarin niets bijzonders schenen te vinden en intusschen

met groote bedaardheid de tafel begonnen te dekken.

"Zoo'n _scène_ toont je nu eens aan, hoe veel geluk het huwelijk

oplevert!" riep de Morder, terwijl hem onwillekeurig de drie

vergeefsche aanzoeken, die hij in der tijd tot dat einde gedaan had,

voor den geest kwamen.

"Niet steeds is de liefde bestendig van duur,

Hoe snel zij den boezem deed jagen"

begon Torteltak te reciteeren.

"Bier is toch erger dan de cholera," zeide Veervlug.

"Ik moet eens zien, dat ik dat misverstand doe ophouden," zei Pols,

en met moed stapte hij de kraamkamer binnen.

Zijne komst had evenwel niet terstond die uitwerking, die hij gewacht

had; want de echtelingen gingen voort elkander zeer onvriendelijke

gezegden toe te voegen; maar toen zij in diervoege elkander hun gemoed

hadden uitgestort, begon de vrouw luid te weenen, en aan Pols te

vragen, of hij ooit zoo'n ongelukkige en mishandelde vrouw gezien had.

"En zou het wonder wezen, dat ik een ongeluk aan mijzelven

beging?" vroeg de man.

"En dat nog wel eene kraamvrouw!" snikte zij.

"En dat nog wel op den dag, dat zij mij eene nieuwe dochter in huis

heeft durven brengen!" riep hij woedend uit.

Pols vond het evenwel geraden deze vragen der echtelingen niet te

beantwoorden; maar, hetzij dat zijn eigen gevoel, of wel het recit

van Torteltak dit idée bij hem verwekte, hij besloot de ouders door

middel van hun kind te verzoenen. Hij nam derhalve het pas geboren

wichtje uit de wieg, en het in de hoogte houdende, zeide hij op zeer

aandoenlijken toon: "Dit onschuldig wicht smeekt om uw beider liefde."

Dit gezegde had uitwerking: want de vader riep dadelijk uit: "Smijt

het in het meer, en je zult zien, dat zij haar kind nog niet eens

naspringt."

"Hang het aan de beenen op," zei de moeder, "en het monster zal het

nog niet eens afsnijden."

Pols keek even verbaasd op, als de redenaar, die onder het uiten zijner

meest oratorische passage het signaal tot neuzensnuiten en hoesten

ziet geven. "Wat zal ik met u kindje doen?" vroeg hij met onrust.

"Neem het meê," riep de vrouw: "dan redt gij het van zijn bederf en

van zijn vader."

"Wel ja, doe dat!" riep de man: "dan zijn wij het met fatsoen kwijt."

Daar dit evenwel niet in het plan lag van onzen vriend legde hij het

wichtje weêr voorzigtig in zijn wiegje neder, en stapte langzaam en

treurig de kamer uit.

"Ik geloof niet dat er iets is, dat die menschen tot rust en

eensgezindheid kan brengen," zei hij teleurgesteld tot zijn vrienden.

Maar hij vergiste zich; want naauwelijks had hij de kraamvrouw

verlaten, toen de man, uitgeput en bedwelmd door zijn krachtige

redeneringen en zijn nog krachtiger bier, op den grond neêrzonk en

in een vasten slaap insliep.

En toen de vrouw nog een teugje _kirschwasser_ genomen had, daalde

ook de slaap over haar neder, en zij accompagneerde snurkende haar

snurkende gemaal.

Toen heerschte er rust en eensgezindheid bij de gelukkige echtelingen.

Het voorgevallene in het hotel maakte slechts kort een onderwerp

van discours uit tusschen de vrienden en den vreemden heer en dame,

met welke zij zich voor de deur vereenigd hadden.

Toen evenwel het gesprek, dat natuurlijk over Zwitserland, reizen,

aangename ontmoetingen en dergelijke zaken gerouleerd had, een

weinig levendig begon te worden, kwam het reisrijtuig van de twee

vreemdelingen voor, en de vrienden maakten zich gereed om voor altijd

afscheid van hen te nemen. Maar juist toen de dame in de calêche wil

stappen, hoort zij den jongeling, die haar in het rijtuig helpt,

door een zijner vrienden met den naam van Torteltak noemen. Met

vrolijke belangstelling keert zij zich tot hem, en vraagt: "Is u

Mijnheer Torteltak uit Holland?"

De jongeling beantwoordde deze vraag, die hem verwonderde, toestemmend.

"En hebt ge te Kleef Ambrosine Korenaar ontmoet?"

"Ik had het geluk..." zegt de jongeling blozend.

"Dan weet ik genoeg; dat is heerlijk. He, papa! Is dat niet

toevallig? Die heer is Mijnheer Torteltak, die met Ambrosine Korenaar

geëngageerd is!"

"Dat is te zeggen...." valt de jongeling in.

"Nu, nu, geen woord meer," zegt het meisje, hem met hartelijkheid

de hand drukkende. "Wij moeten voort; maar gij gaat immers naar

Straatsburg? Gij kunt ons vinden in het _Hotel de Paris_.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 35 / 43 题