Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar dat de lezer
zonder oponthoud kan eindigen.
Treffende en treurige voorvallen, die den mensch ontmoeten, laten
natuurlijk altijd eenigen indruk bij hem na. Indien hij nu zelf in die
rampen en ongelukken betrokken is, dringt die indruk dieper door; maar
het diepst, wanneer zij met zijne eigene omstandigheden, of zelfs met
zijn leven, in naauw verband staan. Een smartelijk verlies, waarvoor
de mensch misschien troost zou kunnen, de Christen moeten vinden,
maar dat in zijne geheele manier van zijn en handelen eene merkbare
verandering te weeg brengt, doet hem daarom misschien te langer
pijn, omdat hij, bij het onaangename van ieder dier veranderingen,
tot de oorzaak opklimt, die hem daartoe dwingt, en deze op nieuw in
al hare verschrikkelijkheid voor zich ziet, terwijl bij een anderen,
in wien het even treurige gewaarwordingen verwekt, maar minder in
zijn leven indringt, en hem in dit opzigt laat wie hij is, spoediger
het bittere der droefheid wordt weggenomen, en in zacht, weemoedig
smartgevoel veranderd.
De indruk der treurige scène, waarvan zij op den Saint-Gothard getuigen
waren geweest, op de vrienden liet het langst sporen na bij Torteltak,
als den eenigen, die tot Sindenton in naauwere betrekking had gestaan;
en nog zult gij hem nooit over dit voorval hooren spreken, zonder
dat hij daarbij eenige weemoedige treurigheid openbaart. Maar toch,
daar waren door den dood des jongelings geene banden losgescheurd;
want de betrekking, waarin zij tot elkander gestaan hadden, was meer
eene gewoonte van omgaan geweest, dan eene teedere vriendschap. Indien
hij zijn ouden kennis niet voor weinige dagen te Aken had ontmoet en
zich niet zoo had verlustigd in zijn geluk, zou hij, bij het vernemen
der treurmare, zich misschien vergenoegd hebben met den uitroep:
"Die arme duivel! hij is er ook alweêr geweest. Hij was een beste
jongen."--Maar nu was het hem, alsof een schoone schilderij, in welks
beschouwing hij zich meermalen verlustigde, als hij zich in zijne
verbeelding op den Louisberg verplaatste, op eens totaal voor hem
was bedorven; en schoon hij ook oogenblikken had, waarin hij dacht,
dat hij er waarlijk ongelukkig door was, zijn gevoel verdiende meer
den naam van spijt dan van droefheid; het was voor hem meer jammer
dan ongelukkig.
Maar met dat al, de eerste dagen na de treurige ontmoeting was
hij geheel onvatbaar voor de verschillende reisgenoegens, die de
anderen langzamerhand weêr begonnen te smaken. Doch wel begrijpende,
dat zijne vrienden niet op den duur sympathie met zijne smart konden
hebben, was hij verstandig genoeg, zijne klagten voor zich te houden,
uit vrees dat er bij hun medelijdend "ja, 't is heel naar en akelig,
ook voor u," niet eindelijk onwillekeurig het denkbeeld zou opkomen:
"maar toch ook voor ons, dat hij altijd met Jeremiades aankomt."
Het was hem nu intusschen heel welkom, dat het in hun reisplan lag, om
den retour vrij expediet af te leggen. Zij bezagen dan ook maar vlugtig
het land, waar Willem Tell vóór ettelijke eeuwen zulk eene verbazende
rol speelde schoon zij zich verwonderden, dat op de plaats zelve de
historie een minder levendigen indruk op hen maakte, dan toen zij ze
uit hunne kinderboekjes vernamen. Zij namen evenwel, als conscienteuse
reizigers, de verschillende kapellen in oogenschouw, die te Burglen
en op den _Tell's Platte_ ter eere van den grondlegger der vrijheid
gesticht zijn, en die door smakeloosheid van bouworde uitmunten, en
met minder schoone schilderstukken zijn versierd, dan de gravures,
die wij er bij ons te land van aantreffen in plattelands-herbergen,
of bij onze oude keukenmeid, die met een tuinknecht getrouwd is.
Van Brunnen is men in korten tijd te Zurich, als de paarden goed
loopen en maar een ligt rijtuig te trekken hebben. Dit ondervonden de
vrienden, en zij hoopten nu ook zonder verder oponthoud te Constants te
zullen komen, waarheen zij, boven op de diligence gezeten, 's morgens
ten zes ure vertrokken.
Geheel zonder oponthoud voleinden zij echter deze reis niet; want
terwijl zij, door een lieflijken zonneschijn gestoofd, in een aangenaam
dutje verzonken waren, waarschijnlijk om zich de streken, die zij
doortrokken, zoo mooi als zij zelve wilden te kunnen voorstellen,
werden zij op eenmaal in de nabijheid van Frauenfeld in hunne
meditaties gestoord in toevallig juist een ondeelbaar oogenblik,
nadat het breken van de as de diligence had doen omvervallen.
"Zijn wij hier aan eene pleisterplaats?" vroeg Pols, die vrij vast
geslapen had en nu vrij onzacht op den grond neêrkwam.
"Ja, ik ben wakker, ik sta al op: maar schud me zoo niet!" riep
Veervlug, die naast hem in een hoop zand werd geworpen.
"Mijnheer! zie wat beter voor u!" zei een slaperig heer in den wagen,
die een half dozijn passagiers op zijn lijf kreeg.
"Ach, conducteur! laat er mij maar uit, want ik houd niets van
ongelukken!" riep een dametje.
"Ik ben dood!" schreeuwde een Franschman, met drift uit de cabriolet
springende.
En ieder der passagiers, die in en naast de omgevallene diligence
lagen, scheen zich verpligt te gevoelen, door eene meer of minder
gepaste phrase te kennen te geven, dat dit evenement niet onopgemerkt
voor hem had plaats gehad.
Weinige oogenblikken later stonden al de reizigers op den straatweg
de paarden na te staren, die volstrekt niet verschrikt waren, maar
begrepen, dat zij op hun tijd op het station Frauenfeld moesten
aankomen. Bij de passagiers openbaarde zich nog eenige oogenblikken
bezorgdheid voor hunne goederen; vooral het dametje, dat niet van
ongelukken hield, nam informatiën naar hare hoedendoos maar de
conducteur beloofde voor alles te zullen zorgen, en ook aan het
verlangen der dame te voldoen, dat de doos toch vooral niet scheef
gehouden werd. En daar de poort van Frauenfeld reeds in het gezigt
was, besloten de reizigers niet op hun regt te staan, om daar in
staatsie binnen te rijden, maar liever door eene kleine wandeling
den schrik wat te verzetten. Allen konden zich verheugen goed van de
reis te zijn afgekomen, met uitzondering van eene dame, die aan haar
linkeroog de aanraking had gevoeld van de laars van haren overbuur,
welke laars meer indruk op haar gemaakt had, dan de _oeuillades_,
die hij haar sedert uren had toegeworpen.
De waard uit _het Hert_, die de paarden op stal had zien aankomen,
maar door dezen niet genoeg inlichtingen had kunnen bekomen omtrent
het gebeurde, maakte nu uit de verschillende kreten en uitroepen op,
waarom de diligence niet was meêgekomen, en de vrolijke _Kellner_
Jacques, die ieder der reizigers een glas _kirschwasser_ opdrong om
weêr wat bij te komen, verzocht al de passagiers geen rancune op de
diligence te houden en familiaar in het hotel te blijven dineren.
Het ontbreekt na dergelijke voorvallen zelden aan discoursen
tusschen menschen, die elkander vroeger vreemd waren, maar door
gemeenschappelijk ongeluk verbroederd worden. In afwachting van het
_diner_ en de geschikte gelegenheid om verder te reizen, plaatsten
zich nu de reisgenooten in een cirkel, waarvan zich echter een jong
paar uitsloot, dat zich liever eenigzins op den achtergrond hield. Om
echter hunne reisgenooten niet af te matten door gissingen, waarom
zij zich schenen af te zonderen, gaven deze jonge lieden zich de
moeite, elkander teeder aan te zien, de hand te drukken, zamen niet
meer dan vijf kwart stoel in te nemen, en meer dergelijke zaken, die
op vrijerij duiden. Zij maakten daarenboven zeer dikwijls gebruik
van het privilegie van geëngageerden, om veelvuldig te fluisteren,
een voorregt, dat vele jongelingen, die niet sterk zijn op het punt
van lieve geheimpjes, somtijds zeer zwaar valt op den regten prijs te
schatten. Gelukkig dat allen, die zich op het liefde plegen toeleggen,
als het meer aankomt op dadelijke liefkozingen en dergelijke zaken,
die het gezigt van een verliefd paar voor een toeschouwer regt
onderhoudend maken, goed te huis zijn.
"Ik gaf wel honderd _louis d'or,_ dat de diligence niet omgevallen
was! want ik ben zeer gepresseerd!" zei de Franschman die dood was,
en er uitzag alsof hij nooit honderd _francs_ te gelijk in zijn beurs
had gehad.
"Pah!" riep een Duitscher: "is dat omvallen, en zonder dat iemand
armen of beenen breekt! Ik heb te Rome ook eens met de _Regio carriëro_
omgelegen; maar toen waren al de reizigers er om koud, behalve ik."
"Gij alleen over?" zei de Franschman: "dat was jammer."
"Ik hoop dat de conducteur nu maar oppast en mijn hoedendoos regt
houdt," riep het dametje; "anders zijn al mijn mutsen verkreukt."
"Maar, beste! het was toch een heel ongeluk!" fluisterde de verliefde,
die door Veervlug beluisterd werd: "ben je nu toch waarlijk niet
geschrikt?"
"Neen, heusch niet; maar heb jij nergens pijn?" was het antwoord.
"Je bent toch een engel!" fluisterde de jongeling.
Deze zelfde phrases werden vijf malen binnen den tijd van zeven en
een halve minuut gewisseld. Toen werd de jongeling op eens pathetisch,
en vroeg met hevige rolling zijner oogen: "Maar beste! als ik nu toch
eens onder de diligence verpletterd was?"
"Ach Hemel! dan was ik ook verpletterd."
"Je bent toch een engel!" fluisterde de jongeling. "Maar wil je nu
niets gebruiken? zijt ge waarlijk niet geschrikt?"
"Waarlijk niet?" antwoordde het meisje, en zuchtte hoorbaar.
"Ik woû dat ze nu met dat satansche eten kwamen!" riep de Franschman
van de honderd _louis d'or_, eenen heer in de rede vallende, die van
een omgevallen diligence te Marseille verhaalde.
"Beste!" fluisterde de verliefde jongeling, die een poosje op een
fluistergesprek had zitten peinzen: "wat denk je dat we eten zouden?"
"Ja, dat weet ik heusch niet, dierbare! misschien coteletten."
"Dat zou heerlijk wezen. Je bent toch een engel!" Maar nu ziet de
jongeling een wijd veld tot lieve geheimen open, en gaat voort:
"Waar houdt ge meer van, van rheevleesch of van faisanten?"
"Ik weet het heusch niet. Wat vind jij het lekkerst?"
"Ik rheevleesch."
"Nu, dan ik ook." En het lieve meisje zag hem, na dit sterke bewijs
harer liefde gegeven te hebben, met zoo teedere oogjes aan, dat het
bijna in het geheel geen oogjes meer waren.
"O Hemel!" zegt de jongeling: "zij is te edel en te groot voor de
wereld!" En na zich hierin een oogenblikje verdiept te hebben, vraagt
hij haar, terwijl zijne oogen van verliefdheid zijn hoofd schenen te
verlaten: "Beste, houdt ge wel van een kalfskop?"
"Kunt gij dat nog vragen?" zegt de schoone, hem even smachtend
aanziende, als een schelvisch op het strand de middagzon.
"Je bent toch een engel!" En de jongeling staat op het punt zijne
schoone te kussen.
Juist wordt het eten opgedragen, en het eerste, wat de verrukte
minnaar voor zich op tafel ziet, is een schotel coteletten.
Een traan van vreugde schittert in des jongelings oogen, die
hij beurtelings op den schotel en op zijne geliefde slaat. Ook de
Franschman van de honderd _louis d'or_, die nu zijne redenen meende
te moeten openbaren, waarom hij het _diner_ met zooveel verlangen
te gemoet had gezien, scheen het op de coteletten te hebben gemunt,
althans hij laadde er een aanzienlijk aantal van op zijn bord. Maar
eer nog de schotel tot het jonge paar was gekomen, en toen hij er nog
maar drie had ingezwolgen, riep hij uit, dat het vleesch taai was als
de duivel, waarmede hij wilde te kennen geven, dat het zeer taai was.
De arme minnaar werd bleek van schrik, en zijn meisje dat vroeger door
zijne al te teedere blikken op den schotel bemerkt had, dat haar hart
wel eenigzins voor jaloezij vatbaar was, werd nu vervuld van innig
medelijden in deze bittere teleurstelling voor haren jongeling;
krampachtig drukte hij haar de hand, toen de eerste beet hem had
overtuigd, dat de Franschman de waarheid had gesproken. Op gelijke
wijze werd die handdruk beantwoord; doch na weinige oogenblikken
fluisterde zij er deze lieve en vertroostende woordjes bij: "Beste! ik
hoop u nooit zoo te leur te stellen; ik zal altijd mijn best doen u
malsch vleesch voor te zetten."
Een glans van genoegen en vreugde keerde weêr op des jongelings gelaat,
en als twee illuminatieglazen schitterden zijne oogen, toen hij haar
toevoegde: "Je bent toch een engel!"
De Franschman ging voort met al het eten verfoeijelijk slecht te
vinden en tevens van alles verbazende portiën te nuttigen, als wilde
hij, zooveel in zijn vermogen was, die slechte spijzen van de aarde
verdelgen. Hij ging tevens voort bij ieder zijner uitroepen onder
verschillende benamingen den duivel aan te roepen, zoodat sommige
leden van het gezelschap deze voor zijn beschermheilige begonnen te
houden. De minnaar, die onder al dat afgekeurde eten, verschillende,
zeer smakelijke zaken aantrof, liet zich geenszins onbetuigd; en wie
dus in het gezelschap gemeend had, dat hij niets kon dan fluisteren,
zag nu, dat hij den edelen jongeling deerlijk had miskend. Hij vond
echter onder al deze werkzaamheden gedurig gelegenheid, om iets
van zijne liefde te openbaren, en verstond meesterlijk de kunst,
te gelijk met kakebeen en oogen te werken.
Het _diner_ kenmerkte zich overigens, zoo al niet door vrolijkheid,
toch door luidruchtigheid, vooral toen de reizigers bij het dessert
zich verpligt gevoelden, hunne dankbaarheid voor levensbehoud en
uitredding uit dreigend gevaar te betoonen door zich een halven
roes te drinken aan besten Rijnwijn. Spoedig werden zij echter in
deze hartverheffende pligtsbetrachting gestoord, daar de conducteur
binnenkwam, en het gezelschap verzocht in de rijtuigen te klimmen,
die hij te Frauenfeld had opgeloopen.
"Maar, conducteur! staat mijn hoedendoos nu wel regt?" roept het
dametje, dat niet van ongelukken hield.
"Best, dame! en de mutsen, die er uitgevallen waren, heb ik er zelf
weêr ingepakt."
"En hebt gij voor mijn _effets_ gezorgd?" vraagt de Franschman van
de honderd _louis d'or_.
"Uw pakje ligt onder de bank in het eerste rijtuig."
"Ben je nu toch waarlijk niet bang?" fluistert de jongeling.
"Neen, heusch niet." En reeds zit de engel in den wagen.
"Ik zal nu wakker blijven," zegt Pols, terwijl hij inklimt;
"want ik zou niet gaarne weêr omvallen."
En zonder verdere ongelukken ging de togt voort, en weinige uren later
zag men de torens van Constants. Veervlug herkende ze dadelijk uit
de decoratiën van de _Juive_, die hij in den Haag had zien opvoeren.