HOOFDSTUK XXIX.

Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar dat de lezer

zonder oponthoud kan eindigen.

Treffende en treurige voorvallen, die den mensch ontmoeten, laten

natuurlijk altijd eenigen indruk bij hem na. Indien hij nu zelf in die

rampen en ongelukken betrokken is, dringt die indruk dieper door; maar

het diepst, wanneer zij met zijne eigene omstandigheden, of zelfs met

zijn leven, in naauw verband staan. Een smartelijk verlies, waarvoor

de mensch misschien troost zou kunnen, de Christen moeten vinden,

maar dat in zijne geheele manier van zijn en handelen eene merkbare

verandering te weeg brengt, doet hem daarom misschien te langer

pijn, omdat hij, bij het onaangename van ieder dier veranderingen,

tot de oorzaak opklimt, die hem daartoe dwingt, en deze op nieuw in

al hare verschrikkelijkheid voor zich ziet, terwijl bij een anderen,

in wien het even treurige gewaarwordingen verwekt, maar minder in

zijn leven indringt, en hem in dit opzigt laat wie hij is, spoediger

het bittere der droefheid wordt weggenomen, en in zacht, weemoedig

smartgevoel veranderd.

De indruk der treurige scène, waarvan zij op den Saint-Gothard getuigen

waren geweest, op de vrienden liet het langst sporen na bij Torteltak,

als den eenigen, die tot Sindenton in naauwere betrekking had gestaan;

en nog zult gij hem nooit over dit voorval hooren spreken, zonder

dat hij daarbij eenige weemoedige treurigheid openbaart. Maar toch,

daar waren door den dood des jongelings geene banden losgescheurd;

want de betrekking, waarin zij tot elkander gestaan hadden, was meer

eene gewoonte van omgaan geweest, dan eene teedere vriendschap. Indien

hij zijn ouden kennis niet voor weinige dagen te Aken had ontmoet en

zich niet zoo had verlustigd in zijn geluk, zou hij, bij het vernemen

der treurmare, zich misschien vergenoegd hebben met den uitroep:

"Die arme duivel! hij is er ook alweêr geweest. Hij was een beste

jongen."--Maar nu was het hem, alsof een schoone schilderij, in welks

beschouwing hij zich meermalen verlustigde, als hij zich in zijne

verbeelding op den Louisberg verplaatste, op eens totaal voor hem

was bedorven; en schoon hij ook oogenblikken had, waarin hij dacht,

dat hij er waarlijk ongelukkig door was, zijn gevoel verdiende meer

den naam van spijt dan van droefheid; het was voor hem meer jammer

dan ongelukkig.

Maar met dat al, de eerste dagen na de treurige ontmoeting was

hij geheel onvatbaar voor de verschillende reisgenoegens, die de

anderen langzamerhand weêr begonnen te smaken. Doch wel begrijpende,

dat zijne vrienden niet op den duur sympathie met zijne smart konden

hebben, was hij verstandig genoeg, zijne klagten voor zich te houden,

uit vrees dat er bij hun medelijdend "ja, 't is heel naar en akelig,

ook voor u," niet eindelijk onwillekeurig het denkbeeld zou opkomen:

"maar toch ook voor ons, dat hij altijd met Jeremiades aankomt."

Het was hem nu intusschen heel welkom, dat het in hun reisplan lag, om

den retour vrij expediet af te leggen. Zij bezagen dan ook maar vlugtig

het land, waar Willem Tell vóór ettelijke eeuwen zulk eene verbazende

rol speelde schoon zij zich verwonderden, dat op de plaats zelve de

historie een minder levendigen indruk op hen maakte, dan toen zij ze

uit hunne kinderboekjes vernamen. Zij namen evenwel, als conscienteuse

reizigers, de verschillende kapellen in oogenschouw, die te Burglen

en op den _Tell's Platte_ ter eere van den grondlegger der vrijheid

gesticht zijn, en die door smakeloosheid van bouworde uitmunten, en

met minder schoone schilderstukken zijn versierd, dan de gravures,

die wij er bij ons te land van aantreffen in plattelands-herbergen,

of bij onze oude keukenmeid, die met een tuinknecht getrouwd is.

Van Brunnen is men in korten tijd te Zurich, als de paarden goed

loopen en maar een ligt rijtuig te trekken hebben. Dit ondervonden de

vrienden, en zij hoopten nu ook zonder verder oponthoud te Constants te

zullen komen, waarheen zij, boven op de diligence gezeten, 's morgens

ten zes ure vertrokken.

Geheel zonder oponthoud voleinden zij echter deze reis niet; want

terwijl zij, door een lieflijken zonneschijn gestoofd, in een aangenaam

dutje verzonken waren, waarschijnlijk om zich de streken, die zij

doortrokken, zoo mooi als zij zelve wilden te kunnen voorstellen,

werden zij op eenmaal in de nabijheid van Frauenfeld in hunne

meditaties gestoord in toevallig juist een ondeelbaar oogenblik,

nadat het breken van de as de diligence had doen omvervallen.

"Zijn wij hier aan eene pleisterplaats?" vroeg Pols, die vrij vast

geslapen had en nu vrij onzacht op den grond neêrkwam.

"Ja, ik ben wakker, ik sta al op: maar schud me zoo niet!" riep

Veervlug, die naast hem in een hoop zand werd geworpen.

"Mijnheer! zie wat beter voor u!" zei een slaperig heer in den wagen,

die een half dozijn passagiers op zijn lijf kreeg.

"Ach, conducteur! laat er mij maar uit, want ik houd niets van

ongelukken!" riep een dametje.

"Ik ben dood!" schreeuwde een Franschman, met drift uit de cabriolet

springende.

En ieder der passagiers, die in en naast de omgevallene diligence

lagen, scheen zich verpligt te gevoelen, door eene meer of minder

gepaste phrase te kennen te geven, dat dit evenement niet onopgemerkt

voor hem had plaats gehad.

Weinige oogenblikken later stonden al de reizigers op den straatweg

de paarden na te staren, die volstrekt niet verschrikt waren, maar

begrepen, dat zij op hun tijd op het station Frauenfeld moesten

aankomen. Bij de passagiers openbaarde zich nog eenige oogenblikken

bezorgdheid voor hunne goederen; vooral het dametje, dat niet van

ongelukken hield, nam informatiën naar hare hoedendoos maar de

conducteur beloofde voor alles te zullen zorgen, en ook aan het

verlangen der dame te voldoen, dat de doos toch vooral niet scheef

gehouden werd. En daar de poort van Frauenfeld reeds in het gezigt

was, besloten de reizigers niet op hun regt te staan, om daar in

staatsie binnen te rijden, maar liever door eene kleine wandeling

den schrik wat te verzetten. Allen konden zich verheugen goed van de

reis te zijn afgekomen, met uitzondering van eene dame, die aan haar

linkeroog de aanraking had gevoeld van de laars van haren overbuur,

welke laars meer indruk op haar gemaakt had, dan de _oeuillades_,

die hij haar sedert uren had toegeworpen.

De waard uit _het Hert_, die de paarden op stal had zien aankomen,

maar door dezen niet genoeg inlichtingen had kunnen bekomen omtrent

het gebeurde, maakte nu uit de verschillende kreten en uitroepen op,

waarom de diligence niet was meêgekomen, en de vrolijke _Kellner_

Jacques, die ieder der reizigers een glas _kirschwasser_ opdrong om

weêr wat bij te komen, verzocht al de passagiers geen rancune op de

diligence te houden en familiaar in het hotel te blijven dineren.

Het ontbreekt na dergelijke voorvallen zelden aan discoursen

tusschen menschen, die elkander vroeger vreemd waren, maar door

gemeenschappelijk ongeluk verbroederd worden. In afwachting van het

_diner_ en de geschikte gelegenheid om verder te reizen, plaatsten

zich nu de reisgenooten in een cirkel, waarvan zich echter een jong

paar uitsloot, dat zich liever eenigzins op den achtergrond hield. Om

echter hunne reisgenooten niet af te matten door gissingen, waarom

zij zich schenen af te zonderen, gaven deze jonge lieden zich de

moeite, elkander teeder aan te zien, de hand te drukken, zamen niet

meer dan vijf kwart stoel in te nemen, en meer dergelijke zaken, die

op vrijerij duiden. Zij maakten daarenboven zeer dikwijls gebruik

van het privilegie van geëngageerden, om veelvuldig te fluisteren,

een voorregt, dat vele jongelingen, die niet sterk zijn op het punt

van lieve geheimpjes, somtijds zeer zwaar valt op den regten prijs te

schatten. Gelukkig dat allen, die zich op het liefde plegen toeleggen,

als het meer aankomt op dadelijke liefkozingen en dergelijke zaken,

die het gezigt van een verliefd paar voor een toeschouwer regt

onderhoudend maken, goed te huis zijn.

"Ik gaf wel honderd _louis d'or,_ dat de diligence niet omgevallen

was! want ik ben zeer gepresseerd!" zei de Franschman die dood was,

en er uitzag alsof hij nooit honderd _francs_ te gelijk in zijn beurs

had gehad.

"Pah!" riep een Duitscher: "is dat omvallen, en zonder dat iemand

armen of beenen breekt! Ik heb te Rome ook eens met de _Regio carriëro_

omgelegen; maar toen waren al de reizigers er om koud, behalve ik."

"Gij alleen over?" zei de Franschman: "dat was jammer."

"Ik hoop dat de conducteur nu maar oppast en mijn hoedendoos regt

houdt," riep het dametje; "anders zijn al mijn mutsen verkreukt."

"Maar, beste! het was toch een heel ongeluk!" fluisterde de verliefde,

die door Veervlug beluisterd werd: "ben je nu toch waarlijk niet

geschrikt?"

"Neen, heusch niet; maar heb jij nergens pijn?" was het antwoord.

"Je bent toch een engel!" fluisterde de jongeling.

Deze zelfde phrases werden vijf malen binnen den tijd van zeven en

een halve minuut gewisseld. Toen werd de jongeling op eens pathetisch,

en vroeg met hevige rolling zijner oogen: "Maar beste! als ik nu toch

eens onder de diligence verpletterd was?"

"Ach Hemel! dan was ik ook verpletterd."

"Je bent toch een engel!" fluisterde de jongeling. "Maar wil je nu

niets gebruiken? zijt ge waarlijk niet geschrikt?"

"Waarlijk niet?" antwoordde het meisje, en zuchtte hoorbaar.

"Ik woû dat ze nu met dat satansche eten kwamen!" riep de Franschman

van de honderd _louis d'or_, eenen heer in de rede vallende, die van

een omgevallen diligence te Marseille verhaalde.

"Beste!" fluisterde de verliefde jongeling, die een poosje op een

fluistergesprek had zitten peinzen: "wat denk je dat we eten zouden?"

"Ja, dat weet ik heusch niet, dierbare! misschien coteletten."

"Dat zou heerlijk wezen. Je bent toch een engel!" Maar nu ziet de

jongeling een wijd veld tot lieve geheimen open, en gaat voort:

"Waar houdt ge meer van, van rheevleesch of van faisanten?"

"Ik weet het heusch niet. Wat vind jij het lekkerst?"

"Ik rheevleesch."

"Nu, dan ik ook." En het lieve meisje zag hem, na dit sterke bewijs

harer liefde gegeven te hebben, met zoo teedere oogjes aan, dat het

bijna in het geheel geen oogjes meer waren.

"O Hemel!" zegt de jongeling: "zij is te edel en te groot voor de

wereld!" En na zich hierin een oogenblikje verdiept te hebben, vraagt

hij haar, terwijl zijne oogen van verliefdheid zijn hoofd schenen te

verlaten: "Beste, houdt ge wel van een kalfskop?"

"Kunt gij dat nog vragen?" zegt de schoone, hem even smachtend

aanziende, als een schelvisch op het strand de middagzon.

"Je bent toch een engel!" En de jongeling staat op het punt zijne

schoone te kussen.

Juist wordt het eten opgedragen, en het eerste, wat de verrukte

minnaar voor zich op tafel ziet, is een schotel coteletten.

Een traan van vreugde schittert in des jongelings oogen, die

hij beurtelings op den schotel en op zijne geliefde slaat. Ook de

Franschman van de honderd _louis d'or_, die nu zijne redenen meende

te moeten openbaren, waarom hij het _diner_ met zooveel verlangen

te gemoet had gezien, scheen het op de coteletten te hebben gemunt,

althans hij laadde er een aanzienlijk aantal van op zijn bord. Maar

eer nog de schotel tot het jonge paar was gekomen, en toen hij er nog

maar drie had ingezwolgen, riep hij uit, dat het vleesch taai was als

de duivel, waarmede hij wilde te kennen geven, dat het zeer taai was.

De arme minnaar werd bleek van schrik, en zijn meisje dat vroeger door

zijne al te teedere blikken op den schotel bemerkt had, dat haar hart

wel eenigzins voor jaloezij vatbaar was, werd nu vervuld van innig

medelijden in deze bittere teleurstelling voor haren jongeling;

krampachtig drukte hij haar de hand, toen de eerste beet hem had

overtuigd, dat de Franschman de waarheid had gesproken. Op gelijke

wijze werd die handdruk beantwoord; doch na weinige oogenblikken

fluisterde zij er deze lieve en vertroostende woordjes bij: "Beste! ik

hoop u nooit zoo te leur te stellen; ik zal altijd mijn best doen u

malsch vleesch voor te zetten."

Een glans van genoegen en vreugde keerde weêr op des jongelings gelaat,

en als twee illuminatieglazen schitterden zijne oogen, toen hij haar

toevoegde: "Je bent toch een engel!"

De Franschman ging voort met al het eten verfoeijelijk slecht te

vinden en tevens van alles verbazende portiën te nuttigen, als wilde

hij, zooveel in zijn vermogen was, die slechte spijzen van de aarde

verdelgen. Hij ging tevens voort bij ieder zijner uitroepen onder

verschillende benamingen den duivel aan te roepen, zoodat sommige

leden van het gezelschap deze voor zijn beschermheilige begonnen te

houden. De minnaar, die onder al dat afgekeurde eten, verschillende,

zeer smakelijke zaken aantrof, liet zich geenszins onbetuigd; en wie

dus in het gezelschap gemeend had, dat hij niets kon dan fluisteren,

zag nu, dat hij den edelen jongeling deerlijk had miskend. Hij vond

echter onder al deze werkzaamheden gedurig gelegenheid, om iets

van zijne liefde te openbaren, en verstond meesterlijk de kunst,

te gelijk met kakebeen en oogen te werken.

Het _diner_ kenmerkte zich overigens, zoo al niet door vrolijkheid,

toch door luidruchtigheid, vooral toen de reizigers bij het dessert

zich verpligt gevoelden, hunne dankbaarheid voor levensbehoud en

uitredding uit dreigend gevaar te betoonen door zich een halven

roes te drinken aan besten Rijnwijn. Spoedig werden zij echter in

deze hartverheffende pligtsbetrachting gestoord, daar de conducteur

binnenkwam, en het gezelschap verzocht in de rijtuigen te klimmen,

die hij te Frauenfeld had opgeloopen.

"Maar, conducteur! staat mijn hoedendoos nu wel regt?" roept het

dametje, dat niet van ongelukken hield.

"Best, dame! en de mutsen, die er uitgevallen waren, heb ik er zelf

weêr ingepakt."

"En hebt gij voor mijn _effets_ gezorgd?" vraagt de Franschman van

de honderd _louis d'or_.

"Uw pakje ligt onder de bank in het eerste rijtuig."

"Ben je nu toch waarlijk niet bang?" fluistert de jongeling.

"Neen, heusch niet." En reeds zit de engel in den wagen.

"Ik zal nu wakker blijven," zegt Pols, terwijl hij inklimt;

"want ik zou niet gaarne weêr omvallen."

En zonder verdere ongelukken ging de togt voort, en weinige uren later

zag men de torens van Constants. Veervlug herkende ze dadelijk uit

de decoratiën van de _Juive_, die hij in den Haag had zien opvoeren.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 34 / 43 题