Waaruit blijkt, dat de reisavonturen van Joachim Polsbroekerwoud
nog na zijne aankomst te Milaan, vervolgd worden.
Slechts drie dagen vertoefden de vijf vrienden in Milaan. "Het waren
dagen van weelde en genot," zoo als Torteltak nog menigmaal pleegt
te zeggen, als hij zich, naar de wijze van vele reizigers, door de
mededeeling van hetgeen hij al gezien heeft, ten koste van een geheel
gezelschap amuseert. "Ik ken geen stad in de wereld, waar men den
beker van levensgenot, en zelfs van overdaad, zoo zonder ophouden
kan drinken, zonder ooit den bodem te zien."
"Maar toch, mij dunkt, Londen of Parijs, naar ik ten minste hoor,"
waagt de een of ander te zeggen.
"Wat zouden die?" vraagt Torteltak, met medelijden glimlagchende. "Ik
ben nooit te Londen of te Parijs geweest, en ik verlang er niet naar,
nu ik Milaan gezien heb." En nu begint hij door te draven, over de
_Contrada di Roma_ met hare hemelhooge paleizen, ten minste van drie
à vier verdiepingen; over de _Ambrosiana_, de _Arco della Pace_,
de macaroni bij Rebecchino, de _Breza, de sorbetti_ in het _Café
Réale_, de _Cenaculo di Leonardo da Vinci_, den _Duomo_, met zijn
honderd torens en vierduizend beelden, de wit marmeren galerijen,
die het dak vormen, en van waar hij het vruchtbare Lombardije overzag,
begrensd door Alpen en Apennijnen, van wegen naar de beroemde steden
der oude en nieuwe wereld doorsneden, beladen met vruchten en ranken
en overwelfd door Italiës hemel. Van daar holt hij, niettegenstaande de
gloeijende hitte in de straten van Milaan, naar het _Teatro la Scala_,
en houdt niet stil, voordat hij in een calêche van Reichmann, tegen de
donzen kussens aangeleund, in een file van duizende rijtuigen zijne
promenade in den _Corso_ maakt. Het zou voor het gezelschap gelukkig
geweest zijn, als Torteltak op dit tourtje maar in slaap geraakt was;
dan hadden zij niet met hem de _revue_ behoeven te passeren van al
de Milanesche schoonen, die in die duizende rijtuigen gezeten waren,
en die, in weêrwil van den rijkdom van gitzwarte lokken, gloeijende
oogen en fijne en volle vormen, waarmede zij allen zonder onderscheid
prijkten, van wege hare onbekendheid nog al zoo weinig interesseerden,
als het dagelijksch gezigtje van jufvrouw Antje of Keetje, dat men,
zonder zich veel moeite te geven, zien kan als men wil.
"Gunst, wat zijn de heeren toch raar! Het moet bij hen toch altijd
wat vreemds wezen, wil het bevallen; en men zoekt dikwijls ver af,
wat digt bij te vinden is!" valt nu de eene of andere deftige Mevrouw
in, die de reden, waarom zij het niet ver af gezocht wil hebben,
naast haar heeft zitten.
"Misschien komt het," antwoordt Torteltak, die niet gaarne als
ongevoelig voor de Hollandsche schoonen wil beschouwd worden, "dat zij,
waar en wanneer men ze ziet, zoo lief, zoo los, zoo open gekleed zijn."
"Misschien wat al té," zegt de dame.
"Dat is te zeggen, niet veel anders dan bij ons de dames op concerten
en bals. Maar zoo ziet men ze ook in den Corso en in haar huis."
"In haar huis ook?" roept Mevrouw verbaasd, "en dat alle dagen? Gunst,
dat is toch een beetje heel indécent!"
"En gij troft uw vriend Van Aartheim weêr in Milaan aan?" vraagt een
goede kennis van Torteltak, die, om de oude dame nieuwe ergernissen
te sparen, het discours op iets anders wil brengen, en een verhaal
uitlokt, dat hij pas drieëntwintig malen gehoord heeft.
"Ja, dat was eene aangename ontmoeting," begint Torteltak te
verhalen. "Het was juist den laatsten morgen van ons verblijf te
Milaan. Wij gebruikten het ontbijt in het koele salon, dat aan
onze apartementen aansloot, en deden ons te goed aan macaroni en
fijne vruchten, en vergaten niet van tijd tot tijd de Malvoisy aan
te spreken, die in een koelvat met ijs voor ons stond. Op eens
gaat de deur open, en onze vriend de avonturier staat voor onze
oogen. Wij hadden hem in een geruimen tijd niet gezien, en hij had
ons haast tot de _dupes_ van zijne schaakhistorie gemaakt; maar
toch, wij drukten hem hartelijk en vrolijk de hand. Hij was echter
alles behalve opgeruimd; want hij had juist een plegtig vaarwel
aan zijne schoone toegeroepen, en deze occupatie scheen hem niet
erg te hebben opgevrolijkt. Wij hielden onze plagerijen, die wij
hem hadden toegedacht, dus maar voor ons, en bepaalden ons in de
eerste oogenblikken tot de gebruikelijke vragen: "Heden, ben jij
het? Kom je zoo in eens uit de lucht vallen?" welke ontboezemingen
hij met een kort _ja_ en _neen_ beantwoordde. En toen wij nu een
poosje zamen geweest waren, en zoo weêr wat op den ouden voet kwamen,
verhaalde hij ons, met de behoorlijke inleidingen en tusschenredenen,
zoo veel van zijne geschiedenis, als hij goedvond dat wij wisten,
en dat genoeg was om ons te bewijzen, dat het met die schaakhistorie
ook niet alles _couleur de rose_ was. De arme jongen was in een
mal parquet. Hij was het met _Miss_ Cleford zoo tamelijk eens, en
de acht dagen, die hij met haar voor een groot deel _tête à tête_
had doorgebragt, hadden hunne intimiteit niet verminderd. Van dien
kant was dus alles in orde. Maar minder goed stonden zijne zaken
bij haren voogd. _Sir_ Lurgrave was een soort van ellendeling,
die scheen te leven om de familie Van Aartheim te kwellen. De vader
van mijn vriend had een zeer aanzienlijken post in de Oost gehad,
en de Engelschman, die zich daar ook eenige jaren ophield, had zich
door aangenaamheid van omgang en het bewijzen van kleine diensten
tamelijk bij hem ingedrongen. Het doel, dat hij daarbij beoogde,
werd de schoone Mevrouw Van Aartheim al heel spoedig duidelijk; maar
zij verzweeg het haren man, om hem verdriet te besparen, en wist den
valschen vriend op een behoorlijken afstand te houden. Maar nu wil
het ongeluk, dat Mijnheer Van Aartheim sterft. Mevrouw, erfgenaam
van een vrij aanzienlijk vermogen, trekt met haar eenigen zoon naar
Engeland, waar zij geboren en opgevoed is. Lurgrave volgt haar spoedig,
en daar hare positie nu geheel veranderd is, legt hij er zich op toe,
hare hand en te gelijk haar vermogen te vermeesteren. Vijf jaren lang
verijdelt zij al zijne pogingen; maar nu, daar haar zoon zijne studiën
voleindigt heeft, en zij den lastigen indringer niet kan ontvlugten,
besluit zij den wijk naar Holland te nemen, waar zij het eerste jaar
van haar huwelijk heeft doorgebragt. Zij betrekt een buiten in de
omstreken van Utrecht. Maar nog is zij niet veilig. De Engelschman
vervolgt haar ook hier, en om zijne eischen kracht bij te zetten,
legt hij haar papieren voor, waarbij de Heer Van Aartheim verklaart
aan den Heer Lurgrave eene som schuldig te zijn, die oneindig
meer dan haar geheel vermogen bedraagt. Deze stukken zijn met de
handteekeningen van de behoorlijke getuigen voorzien en volkomen _in
forma_. Mevrouw Van Aartheim, die overtuigd is dat de papieren valsch
zijn stelt alle mogelijke onderzoekingen in het werk, en schrijft
aan de getuigen. Maar de een is kort na haar mans dood overleden;
de ander heeft sedert eenige jaren de Oost verlaten, en niemand weet
waarheen.--Lurgrave doet nog meer. Hij kent, even als de moeder,
de liefde van mijn vriend voor zijne pupil, en hij verklaart dat
deze verbintenis geheel afhangt van het besluit van Mevrouw Van
Aartheim. Bijna had de liefhebbende, teedere moeder toegegeven,
om haren zoon gelukkig te maken; maar deze verzet er zich tegen, en
wil zijn geluk niet voor dat zijner moeder koopen. Kort daarna wint
hij berigten in, die hem de hoop geven den getuige te zullen vinden,
van wiens verblijf men onkundig was, en wiens verklaring alles zal
afdoen. Lurgrave wordt ongerust en begint in te binden. Mijn vriend
gaat op reis; maar de Engelschman houdt hem in 't oog en blijft op
korten afstand van hem te meer, omdat zijne nicht zich juist in dezen
tijd te Interlaken bevindt, van waar haar broeder, die haar begeleidt,
een reis in het Oberland zou ondernemen. Te Baden had Van Aartheim
gehoopt nadere berigten in te winnen omtrent den persoon, dien hij
zocht; maar hij werd teleurgesteld, en dit ontging zijnen vijand, dien
hij er ontmoette, niet. Te Lucern trof hem dezelfde teleurstelling,
en toen hij daar Lurgrave ontmoette, was hij al gelukkig met dezen
een contract te kunnen sluiten, hetwelk zijne moeder voorloopig van
alle lastige en kwellende aanzoeken zou bevrijden, maar waartegen hij
beloven moest, zich volstrekt niet met _Miss_ Cleford in te laten,
ten zij haar voogd zelf hem door onwaardige behandeling daartoe
aanleiding gaf. Die aanleiding volgde spoedig; want Lurgrave, wel
inziende dat Van Aartheim in 't eind zou triomferen, had zijne plannen
gemaakt, en gebruik makende van de afwezigheid haars broeders, wilde
hij _Miss_ Cleford dwingen een huwelijk met een zijner vrienden,
een Franschen losbol, schoon van goede familie, aan te gaan; en
door geweld zou hij misschien zijn doel hebben bereikt, zoo niet Van
Aartheim, in tijds onderrigt, door de schaakhistorie zijne plannen had
doen mislukken.--Als nu mijn vriend de handen maar vrij gehad had,
dan zouden wij misschien in Zwitserland bruiloft hebben gehouden;
maar hij wist heel goed, dat zijne moeder nog in de magt van den
Engelschman was, en daarom zorgde hij, dat deze kennis kreeg, dat
hij het contract niet verbroken had, en zijne Jenny weêr aan haren
broeder zou overleveren. Door de familie Hunshow liet hij dezen naar
Milaan ontbieden, en daar scheidden de geliefden, niet wetende of
zij elkander ooit zouden weêrzien."
Het spreekt van zelve, dat, terwijl Torteltak dus aan 't verhalen is,
de noodige aanmerkingen zacht of half overluid worden gemaakt als:
"Neen! zulke monsters, als die Mijnheer Lurgrave, bestaan er toch
niet."--"Maar waarom sprak Mevrouw Van Aartheim er dan niet eens met
een advocaat over?"--"Maar hoe konden zij nu in Zwitserland trouwen,
zonder papieren?"--"Gunst! die jufvrouw was toch een beetje heel ligt,
dat zij zich zoo liet schaken, en dat wel door een jong heer; dat is
al té," enz.--Gelukkig voor het gezelschap, als, wanneer Torteltak op
deze hoogte van zijn verhaal gekomen, of als hij maar even begonnen is,
de boodschap binnen komt: Daar is de knecht, om Jufvrouw T te halen,"
of "de koets van Juffrouw U is voor;" want in de gegeve omstandigheden
is het wel waarschijnlijk, dat die dames spoedig aan allen het sein van
vertrekken zullen geven, "omdat mama doodelijk ongerust zou zijn," of
"dat papa heel bang is, dat de paarden door het lang staan verkouden
zullen worden."--De lezer, wij zijn er zeker van, stemt met de dames
T en U in, en gunt gaarne aan Tortelzak, de rest van zijn verhaal
voor zich te houden.
In het reisjournaal van Polsbroekerwoud vinden wij weinig omtrent de
curiositeiten van Milaan vermeld. De reden hiervan is, dat de goede man
er niet heel veel van gezien had. Reeds te Ivréa was hij begonnen te
klagen over matheid en lusteloosheid; te Vercelli was hij op den inval
gekomen, dat het copieus gebruik van vruchten hem weêr op stel zou
helpen; te Novara werd hij bang, dat hij zijne maag wat sterk verkoeld
had, en zocht dit door eenige glaasjes Rosolio te herstellen: maar al
zijne huismiddeltjes hielpen hem weinig; zijne _malaise_ nam steeds
toe, en hij reed Milaan binnen, omtrent in even opgewekte stemming, als
waarin een detachement gevangenen de poort van Woerden binnenrukt. Toen
de vrienden nu in het _Albergo del Tudesco_ waren afgestapt, en de
overigen zich tot eene wandeling door de stad gereed maakten, besloot
Pols hen niet te vergezellen; maar, zich ten halve ontkleedende en,
niettegenstaande de brandende hitte hem groote druppelen uit de poriën
joeg, een wollen muts over het hoofd trekkende, vlijde hij zich op
een bed neder, in hoop wat aan 't uitwasemen te raken. Maar ook deze
kuur mislukte; want hoewel eene soort van cascade van zijne wangen
op de kussens neêrstortte, zijne benaauwdheid nam toe en werd in
't eind zoo hevig, dat hij aan de schel trok en met drift uitriep:
"Een doctor! cito een doctor!"--De doctor kwam en nam een paar dekens
van het bed; dit gaf al eenige verligting aan den patiënt. "Ik zal
u genezen", ging hij voort, "en wel op een zeer eenvoudige manier,
zonder mixtuurtjes en dergelijke kwakzalverijen,--door olie, alleen
door zuivere olie. Ik gebruik geen ander medicament, noch uit-
noch inwendig. Olie verzacht, lenigt, zuivert, neemt elken prikkel
weg. Alle ziekten ontstaan uit overprikkeling van een der deelen,
en dus is olie een alles afdoend geneesmiddel." Terstond na het
uiten dezer redenering ging Doctor Buonaventa tot de praktijk over;
hij zelf gaf hem een lepel van het frissche en smakelijke vocht in,
en riep eene oude dienstmaagd naar boven, die onzen vriend hoofd,
borst en polsen met olie moest inwrijven.
De doctor verliet zijn patiënt, en gelastte de oude meid, bij den
zieke te blijven en hem zooveel olie toe te dienen, als zij hem in kon
krijgen, en als hij ergens pijn gevoelde, het medicament uitwendig te
appliceren.--Hij liet Pols in verbazing achter over deze eenvoudige
manier van genezen, maar tevens met een vrij onaangenamen smaak in
den mond, en iets in zijn binnenste, dat naar walging zweemde.
"Geef mij toch een glas water!" vroeg hij na een poosje, met een
benaauwd gezigt zijne oppaster aanziende, die naast zijn bed had
post gevat.
"_Si, Signore!_" antwoordde de oude vrouw, die hem niet verstond,
maar die begreep, dat hij weêr eens wilde innemen; en eer hij er op
verdacht was, goot zij hem een tweeden lepel olie in de keel.
"Wijf, ben je razend?" riep Pols.
"_Si, Signore!_" en de vrouw stond alweêr met de flesch gereed.
"Terug!" riep onze vriend angstig. "O Hemel, ik word zoo wonderlijk!"
De vrouw merkte op, dat hij klaagde en terwijl de hand op zijn hart
hield. Zij goot olie op een wollen lap, en begon nu uit al hare magt
de pijnlijke plaats te wrijven.
Pols kon haar geen weêrstand bieden en zonk na deze kuur aemechtig
op zijn kussen neêr. Hij bleef eenigen tijd in deze positie, totdat
een dier vlugge en goêlijke huisdiertjes, die meermalen in dekens
en bedden omspringen, zich opgewekt gevoelde, nadere kennis met den
vreemden heer te maken, en daarom zijn hals tot tooneel verkoos voor
eenige gymnastische en acrobatische oefeningen.
Onze vriend was echter in dezen oogenblik niet tot dergelijke
amusementen gestemd, en dus schielijk zijne hand uit het dek trekkende,
trachtte hij het kleine kunstenaartje in arrest te nemen. Maar
naauwelijks zag de getrouwe oppaster deze beweging, of zij begreep
dat hier spoedige hulp noodig was, en dus den hals van den patiënt
rijkelijk met het vette vocht besproeijende, stelde zij wederom de
manoeuvre met den wollen lap in het werk.
Pols begreep dat het best zou zijn, zich maar volstrekt niet meer
te bewegen. Lang hield hij dit vol; maar eindelijk riep hij met eene
angstige stem: "Ach, kwamen mijne vrienden mij maar te hulp!"
"_Si, Signore!_" en de vrouw bragt hem den lepel weêr aan den
mond. Maar nu was het geduld van Pols ten einde. Hij hield zijne
tanden hardnekkig op elkander gesloten, en te gelijk opspringend,
greep hij de vrouw bij den arm.
Op dit oogenblik kwamen de vrienden van hunne wandeling terug. Zij
bleven verbaasd staan over het schouwspel, dat zij zagen. Daar stond
Pols ten halve ontkleed, met een dubbelen vlaggedoek om zijn middel
gewonden, de blaauwe muts tot over zijne wenkbraauwen getrokken,
zijn gelaat glimmende, en het vet, dat door zijne onverwachte
beweging hem van de lepel in 't gezigt was gespat, van wangen en
kin afvloeijende. Met geweld slingerde hij de vrouw van zich af,
die hem angstig aanzag, en haar medelijden en verbazing in de meest
gebruikelijke Italiaansche vloeken openbaarde. Wij zullen hare
uitboezemingen hier niet herhalen, maar verwijzen den weetgierigen
lezer naar den eersten den besten roman, waarvan Italië het tooneel is,
en waarin hij eene profusie van zoodanige kunsttermen zal aantreffen.
Het gelukte den vrienden de woede van Pols te matigen, door de
gedienstige waakster weg te zenden; maar het was minder in hunne
magt om de onaangename uitwerking der toegediende medicamenten tegen
te gaan; doch hier kwam de natuur te hulp, en de maag van Pols gaf
duidelijk te kennen, dat zij van al die vettigheid niet gediend
beliefde. Den volgenden morgen was hij reeds weêr zoover hersteld,
als toen hij den Doctor liet ontbieden, en toen deze hem een tweede
bezoek gaf, verleende de vrees voor nieuwe kuren hem kracht om
zich volkomen genezen te verklaren. Buonaventa verzocht hem, zijn
systeem in Holland bekend te maken, en had de edelmoedigheid, zich
met 20 liras voor twee visites te vergenoegen. Op de rekening van
Reichmann was beleefdelijk melding gemaakt van eenige vetvlakken op
beddengoed en tapijten. En toen de reizigers eindelijk vertrokken,
zag Pols onder het aantal bedienden, dat met uitgestoken handen tot
aan de poort van het hotel uitgeleide deden, nog eenmaal zijne waardige
waakster weder. Met weêrzin gaf hij haar het kleinst mogelijke fooitje,
waarvoor hij nu nog een krachtigen en zeer populairen vloek terugkreeg.
De reizigers verlieten Milaan; en toen zij van eene kleine hoogte
nog een laatsten blik op de prachtige stad sloegen, riep Veervlug in
verrukking uit: "Het is een land, overvloeijende van melk en honig!"
"En van olie!" voegde Pols er zuchtend bij.