HOOFDSTUK XXVI.

Waaruit blijkt, dat de reisavonturen van Joachim Polsbroekerwoud

nog na zijne aankomst te Milaan, vervolgd worden.

Slechts drie dagen vertoefden de vijf vrienden in Milaan. "Het waren

dagen van weelde en genot," zoo als Torteltak nog menigmaal pleegt

te zeggen, als hij zich, naar de wijze van vele reizigers, door de

mededeeling van hetgeen hij al gezien heeft, ten koste van een geheel

gezelschap amuseert. "Ik ken geen stad in de wereld, waar men den

beker van levensgenot, en zelfs van overdaad, zoo zonder ophouden

kan drinken, zonder ooit den bodem te zien."

"Maar toch, mij dunkt, Londen of Parijs, naar ik ten minste hoor,"

waagt de een of ander te zeggen.

"Wat zouden die?" vraagt Torteltak, met medelijden glimlagchende. "Ik

ben nooit te Londen of te Parijs geweest, en ik verlang er niet naar,

nu ik Milaan gezien heb." En nu begint hij door te draven, over de

_Contrada di Roma_ met hare hemelhooge paleizen, ten minste van drie

à vier verdiepingen; over de _Ambrosiana_, de _Arco della Pace_,

de macaroni bij Rebecchino, de _Breza, de sorbetti_ in het _Café

Réale_, de _Cenaculo di Leonardo da Vinci_, den _Duomo_, met zijn

honderd torens en vierduizend beelden, de wit marmeren galerijen,

die het dak vormen, en van waar hij het vruchtbare Lombardije overzag,

begrensd door Alpen en Apennijnen, van wegen naar de beroemde steden

der oude en nieuwe wereld doorsneden, beladen met vruchten en ranken

en overwelfd door Italiës hemel. Van daar holt hij, niettegenstaande de

gloeijende hitte in de straten van Milaan, naar het _Teatro la Scala_,

en houdt niet stil, voordat hij in een calêche van Reichmann, tegen de

donzen kussens aangeleund, in een file van duizende rijtuigen zijne

promenade in den _Corso_ maakt. Het zou voor het gezelschap gelukkig

geweest zijn, als Torteltak op dit tourtje maar in slaap geraakt was;

dan hadden zij niet met hem de _revue_ behoeven te passeren van al

de Milanesche schoonen, die in die duizende rijtuigen gezeten waren,

en die, in weêrwil van den rijkdom van gitzwarte lokken, gloeijende

oogen en fijne en volle vormen, waarmede zij allen zonder onderscheid

prijkten, van wege hare onbekendheid nog al zoo weinig interesseerden,

als het dagelijksch gezigtje van jufvrouw Antje of Keetje, dat men,

zonder zich veel moeite te geven, zien kan als men wil.

"Gunst, wat zijn de heeren toch raar! Het moet bij hen toch altijd

wat vreemds wezen, wil het bevallen; en men zoekt dikwijls ver af,

wat digt bij te vinden is!" valt nu de eene of andere deftige Mevrouw

in, die de reden, waarom zij het niet ver af gezocht wil hebben,

naast haar heeft zitten.

"Misschien komt het," antwoordt Torteltak, die niet gaarne als

ongevoelig voor de Hollandsche schoonen wil beschouwd worden, "dat zij,

waar en wanneer men ze ziet, zoo lief, zoo los, zoo open gekleed zijn."

"Misschien wat al té," zegt de dame.

"Dat is te zeggen, niet veel anders dan bij ons de dames op concerten

en bals. Maar zoo ziet men ze ook in den Corso en in haar huis."

"In haar huis ook?" roept Mevrouw verbaasd, "en dat alle dagen? Gunst,

dat is toch een beetje heel indécent!"

"En gij troft uw vriend Van Aartheim weêr in Milaan aan?" vraagt een

goede kennis van Torteltak, die, om de oude dame nieuwe ergernissen

te sparen, het discours op iets anders wil brengen, en een verhaal

uitlokt, dat hij pas drieëntwintig malen gehoord heeft.

"Ja, dat was eene aangename ontmoeting," begint Torteltak te

verhalen. "Het was juist den laatsten morgen van ons verblijf te

Milaan. Wij gebruikten het ontbijt in het koele salon, dat aan

onze apartementen aansloot, en deden ons te goed aan macaroni en

fijne vruchten, en vergaten niet van tijd tot tijd de Malvoisy aan

te spreken, die in een koelvat met ijs voor ons stond. Op eens

gaat de deur open, en onze vriend de avonturier staat voor onze

oogen. Wij hadden hem in een geruimen tijd niet gezien, en hij had

ons haast tot de _dupes_ van zijne schaakhistorie gemaakt; maar

toch, wij drukten hem hartelijk en vrolijk de hand. Hij was echter

alles behalve opgeruimd; want hij had juist een plegtig vaarwel

aan zijne schoone toegeroepen, en deze occupatie scheen hem niet

erg te hebben opgevrolijkt. Wij hielden onze plagerijen, die wij

hem hadden toegedacht, dus maar voor ons, en bepaalden ons in de

eerste oogenblikken tot de gebruikelijke vragen: "Heden, ben jij

het? Kom je zoo in eens uit de lucht vallen?" welke ontboezemingen

hij met een kort _ja_ en _neen_ beantwoordde. En toen wij nu een

poosje zamen geweest waren, en zoo weêr wat op den ouden voet kwamen,

verhaalde hij ons, met de behoorlijke inleidingen en tusschenredenen,

zoo veel van zijne geschiedenis, als hij goedvond dat wij wisten,

en dat genoeg was om ons te bewijzen, dat het met die schaakhistorie

ook niet alles _couleur de rose_ was. De arme jongen was in een

mal parquet. Hij was het met _Miss_ Cleford zoo tamelijk eens, en

de acht dagen, die hij met haar voor een groot deel _tête à tête_

had doorgebragt, hadden hunne intimiteit niet verminderd. Van dien

kant was dus alles in orde. Maar minder goed stonden zijne zaken

bij haren voogd. _Sir_ Lurgrave was een soort van ellendeling,

die scheen te leven om de familie Van Aartheim te kwellen. De vader

van mijn vriend had een zeer aanzienlijken post in de Oost gehad,

en de Engelschman, die zich daar ook eenige jaren ophield, had zich

door aangenaamheid van omgang en het bewijzen van kleine diensten

tamelijk bij hem ingedrongen. Het doel, dat hij daarbij beoogde,

werd de schoone Mevrouw Van Aartheim al heel spoedig duidelijk; maar

zij verzweeg het haren man, om hem verdriet te besparen, en wist den

valschen vriend op een behoorlijken afstand te houden. Maar nu wil

het ongeluk, dat Mijnheer Van Aartheim sterft. Mevrouw, erfgenaam

van een vrij aanzienlijk vermogen, trekt met haar eenigen zoon naar

Engeland, waar zij geboren en opgevoed is. Lurgrave volgt haar spoedig,

en daar hare positie nu geheel veranderd is, legt hij er zich op toe,

hare hand en te gelijk haar vermogen te vermeesteren. Vijf jaren lang

verijdelt zij al zijne pogingen; maar nu, daar haar zoon zijne studiën

voleindigt heeft, en zij den lastigen indringer niet kan ontvlugten,

besluit zij den wijk naar Holland te nemen, waar zij het eerste jaar

van haar huwelijk heeft doorgebragt. Zij betrekt een buiten in de

omstreken van Utrecht. Maar nog is zij niet veilig. De Engelschman

vervolgt haar ook hier, en om zijne eischen kracht bij te zetten,

legt hij haar papieren voor, waarbij de Heer Van Aartheim verklaart

aan den Heer Lurgrave eene som schuldig te zijn, die oneindig

meer dan haar geheel vermogen bedraagt. Deze stukken zijn met de

handteekeningen van de behoorlijke getuigen voorzien en volkomen _in

forma_. Mevrouw Van Aartheim, die overtuigd is dat de papieren valsch

zijn stelt alle mogelijke onderzoekingen in het werk, en schrijft

aan de getuigen. Maar de een is kort na haar mans dood overleden;

de ander heeft sedert eenige jaren de Oost verlaten, en niemand weet

waarheen.--Lurgrave doet nog meer. Hij kent, even als de moeder,

de liefde van mijn vriend voor zijne pupil, en hij verklaart dat

deze verbintenis geheel afhangt van het besluit van Mevrouw Van

Aartheim. Bijna had de liefhebbende, teedere moeder toegegeven,

om haren zoon gelukkig te maken; maar deze verzet er zich tegen, en

wil zijn geluk niet voor dat zijner moeder koopen. Kort daarna wint

hij berigten in, die hem de hoop geven den getuige te zullen vinden,

van wiens verblijf men onkundig was, en wiens verklaring alles zal

afdoen. Lurgrave wordt ongerust en begint in te binden. Mijn vriend

gaat op reis; maar de Engelschman houdt hem in 't oog en blijft op

korten afstand van hem te meer, omdat zijne nicht zich juist in dezen

tijd te Interlaken bevindt, van waar haar broeder, die haar begeleidt,

een reis in het Oberland zou ondernemen. Te Baden had Van Aartheim

gehoopt nadere berigten in te winnen omtrent den persoon, dien hij

zocht; maar hij werd teleurgesteld, en dit ontging zijnen vijand, dien

hij er ontmoette, niet. Te Lucern trof hem dezelfde teleurstelling,

en toen hij daar Lurgrave ontmoette, was hij al gelukkig met dezen

een contract te kunnen sluiten, hetwelk zijne moeder voorloopig van

alle lastige en kwellende aanzoeken zou bevrijden, maar waartegen hij

beloven moest, zich volstrekt niet met _Miss_ Cleford in te laten,

ten zij haar voogd zelf hem door onwaardige behandeling daartoe

aanleiding gaf. Die aanleiding volgde spoedig; want Lurgrave, wel

inziende dat Van Aartheim in 't eind zou triomferen, had zijne plannen

gemaakt, en gebruik makende van de afwezigheid haars broeders, wilde

hij _Miss_ Cleford dwingen een huwelijk met een zijner vrienden,

een Franschen losbol, schoon van goede familie, aan te gaan; en

door geweld zou hij misschien zijn doel hebben bereikt, zoo niet Van

Aartheim, in tijds onderrigt, door de schaakhistorie zijne plannen had

doen mislukken.--Als nu mijn vriend de handen maar vrij gehad had,

dan zouden wij misschien in Zwitserland bruiloft hebben gehouden;

maar hij wist heel goed, dat zijne moeder nog in de magt van den

Engelschman was, en daarom zorgde hij, dat deze kennis kreeg, dat

hij het contract niet verbroken had, en zijne Jenny weêr aan haren

broeder zou overleveren. Door de familie Hunshow liet hij dezen naar

Milaan ontbieden, en daar scheidden de geliefden, niet wetende of

zij elkander ooit zouden weêrzien."

Het spreekt van zelve, dat, terwijl Torteltak dus aan 't verhalen is,

de noodige aanmerkingen zacht of half overluid worden gemaakt als:

"Neen! zulke monsters, als die Mijnheer Lurgrave, bestaan er toch

niet."--"Maar waarom sprak Mevrouw Van Aartheim er dan niet eens met

een advocaat over?"--"Maar hoe konden zij nu in Zwitserland trouwen,

zonder papieren?"--"Gunst! die jufvrouw was toch een beetje heel ligt,

dat zij zich zoo liet schaken, en dat wel door een jong heer; dat is

al té," enz.--Gelukkig voor het gezelschap, als, wanneer Torteltak op

deze hoogte van zijn verhaal gekomen, of als hij maar even begonnen is,

de boodschap binnen komt: Daar is de knecht, om Jufvrouw T te halen,"

of "de koets van Juffrouw U is voor;" want in de gegeve omstandigheden

is het wel waarschijnlijk, dat die dames spoedig aan allen het sein van

vertrekken zullen geven, "omdat mama doodelijk ongerust zou zijn," of

"dat papa heel bang is, dat de paarden door het lang staan verkouden

zullen worden."--De lezer, wij zijn er zeker van, stemt met de dames

T en U in, en gunt gaarne aan Tortelzak, de rest van zijn verhaal

voor zich te houden.

In het reisjournaal van Polsbroekerwoud vinden wij weinig omtrent de

curiositeiten van Milaan vermeld. De reden hiervan is, dat de goede man

er niet heel veel van gezien had. Reeds te Ivréa was hij begonnen te

klagen over matheid en lusteloosheid; te Vercelli was hij op den inval

gekomen, dat het copieus gebruik van vruchten hem weêr op stel zou

helpen; te Novara werd hij bang, dat hij zijne maag wat sterk verkoeld

had, en zocht dit door eenige glaasjes Rosolio te herstellen: maar al

zijne huismiddeltjes hielpen hem weinig; zijne _malaise_ nam steeds

toe, en hij reed Milaan binnen, omtrent in even opgewekte stemming, als

waarin een detachement gevangenen de poort van Woerden binnenrukt. Toen

de vrienden nu in het _Albergo del Tudesco_ waren afgestapt, en de

overigen zich tot eene wandeling door de stad gereed maakten, besloot

Pols hen niet te vergezellen; maar, zich ten halve ontkleedende en,

niettegenstaande de brandende hitte hem groote druppelen uit de poriën

joeg, een wollen muts over het hoofd trekkende, vlijde hij zich op

een bed neder, in hoop wat aan 't uitwasemen te raken. Maar ook deze

kuur mislukte; want hoewel eene soort van cascade van zijne wangen

op de kussens neêrstortte, zijne benaauwdheid nam toe en werd in

't eind zoo hevig, dat hij aan de schel trok en met drift uitriep:

"Een doctor! cito een doctor!"--De doctor kwam en nam een paar dekens

van het bed; dit gaf al eenige verligting aan den patiënt. "Ik zal

u genezen", ging hij voort, "en wel op een zeer eenvoudige manier,

zonder mixtuurtjes en dergelijke kwakzalverijen,--door olie, alleen

door zuivere olie. Ik gebruik geen ander medicament, noch uit-

noch inwendig. Olie verzacht, lenigt, zuivert, neemt elken prikkel

weg. Alle ziekten ontstaan uit overprikkeling van een der deelen,

en dus is olie een alles afdoend geneesmiddel." Terstond na het

uiten dezer redenering ging Doctor Buonaventa tot de praktijk over;

hij zelf gaf hem een lepel van het frissche en smakelijke vocht in,

en riep eene oude dienstmaagd naar boven, die onzen vriend hoofd,

borst en polsen met olie moest inwrijven.

De doctor verliet zijn patiënt, en gelastte de oude meid, bij den

zieke te blijven en hem zooveel olie toe te dienen, als zij hem in kon

krijgen, en als hij ergens pijn gevoelde, het medicament uitwendig te

appliceren.--Hij liet Pols in verbazing achter over deze eenvoudige

manier van genezen, maar tevens met een vrij onaangenamen smaak in

den mond, en iets in zijn binnenste, dat naar walging zweemde.

"Geef mij toch een glas water!" vroeg hij na een poosje, met een

benaauwd gezigt zijne oppaster aanziende, die naast zijn bed had

post gevat.

"_Si, Signore!_" antwoordde de oude vrouw, die hem niet verstond,

maar die begreep, dat hij weêr eens wilde innemen; en eer hij er op

verdacht was, goot zij hem een tweeden lepel olie in de keel.

"Wijf, ben je razend?" riep Pols.

"_Si, Signore!_" en de vrouw stond alweêr met de flesch gereed.

"Terug!" riep onze vriend angstig. "O Hemel, ik word zoo wonderlijk!"

De vrouw merkte op, dat hij klaagde en terwijl de hand op zijn hart

hield. Zij goot olie op een wollen lap, en begon nu uit al hare magt

de pijnlijke plaats te wrijven.

Pols kon haar geen weêrstand bieden en zonk na deze kuur aemechtig

op zijn kussen neêr. Hij bleef eenigen tijd in deze positie, totdat

een dier vlugge en goêlijke huisdiertjes, die meermalen in dekens

en bedden omspringen, zich opgewekt gevoelde, nadere kennis met den

vreemden heer te maken, en daarom zijn hals tot tooneel verkoos voor

eenige gymnastische en acrobatische oefeningen.

Onze vriend was echter in dezen oogenblik niet tot dergelijke

amusementen gestemd, en dus schielijk zijne hand uit het dek trekkende,

trachtte hij het kleine kunstenaartje in arrest te nemen. Maar

naauwelijks zag de getrouwe oppaster deze beweging, of zij begreep

dat hier spoedige hulp noodig was, en dus den hals van den patiënt

rijkelijk met het vette vocht besproeijende, stelde zij wederom de

manoeuvre met den wollen lap in het werk.

Pols begreep dat het best zou zijn, zich maar volstrekt niet meer

te bewegen. Lang hield hij dit vol; maar eindelijk riep hij met eene

angstige stem: "Ach, kwamen mijne vrienden mij maar te hulp!"

"_Si, Signore!_" en de vrouw bragt hem den lepel weêr aan den

mond. Maar nu was het geduld van Pols ten einde. Hij hield zijne

tanden hardnekkig op elkander gesloten, en te gelijk opspringend,

greep hij de vrouw bij den arm.

Op dit oogenblik kwamen de vrienden van hunne wandeling terug. Zij

bleven verbaasd staan over het schouwspel, dat zij zagen. Daar stond

Pols ten halve ontkleed, met een dubbelen vlaggedoek om zijn middel

gewonden, de blaauwe muts tot over zijne wenkbraauwen getrokken,

zijn gelaat glimmende, en het vet, dat door zijne onverwachte

beweging hem van de lepel in 't gezigt was gespat, van wangen en

kin afvloeijende. Met geweld slingerde hij de vrouw van zich af,

die hem angstig aanzag, en haar medelijden en verbazing in de meest

gebruikelijke Italiaansche vloeken openbaarde. Wij zullen hare

uitboezemingen hier niet herhalen, maar verwijzen den weetgierigen

lezer naar den eersten den besten roman, waarvan Italië het tooneel is,

en waarin hij eene profusie van zoodanige kunsttermen zal aantreffen.

Het gelukte den vrienden de woede van Pols te matigen, door de

gedienstige waakster weg te zenden; maar het was minder in hunne

magt om de onaangename uitwerking der toegediende medicamenten tegen

te gaan; doch hier kwam de natuur te hulp, en de maag van Pols gaf

duidelijk te kennen, dat zij van al die vettigheid niet gediend

beliefde. Den volgenden morgen was hij reeds weêr zoover hersteld,

als toen hij den Doctor liet ontbieden, en toen deze hem een tweede

bezoek gaf, verleende de vrees voor nieuwe kuren hem kracht om

zich volkomen genezen te verklaren. Buonaventa verzocht hem, zijn

systeem in Holland bekend te maken, en had de edelmoedigheid, zich

met 20 liras voor twee visites te vergenoegen. Op de rekening van

Reichmann was beleefdelijk melding gemaakt van eenige vetvlakken op

beddengoed en tapijten. En toen de reizigers eindelijk vertrokken,

zag Pols onder het aantal bedienden, dat met uitgestoken handen tot

aan de poort van het hotel uitgeleide deden, nog eenmaal zijne waardige

waakster weder. Met weêrzin gaf hij haar het kleinst mogelijke fooitje,

waarvoor hij nu nog een krachtigen en zeer populairen vloek terugkreeg.

De reizigers verlieten Milaan; en toen zij van eene kleine hoogte

nog een laatsten blik op de prachtige stad sloegen, riep Veervlug in

verrukking uit: "Het is een land, overvloeijende van melk en honig!"

"En van olie!" voegde Pols er zuchtend bij.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 31 / 43 题