Waarin aangetoond wordt, dat een interessante tour niet altijd
een gemakkelijke is.
De _mont Saint Bernard_ is een zeer beroemde berg. De meeste menschen,
die zich overigens weinig aan het bergwezen laten gelegen liggen,
kennen dezen, hetzij omdat zij weten, dat Bernard de Menthon er
voor omtrent duizend jaren een klooster stichtte, hetzij omdat zij,
als bewonderaars van menschenliefde, de edele zelfopoffering der
Bernardiner monniken waarderen, hetzij omdat zij de wonderen, door de
St. Bernardshonden verrigt, als admirabele feiten erkennende, nog al
dikwijls aan deze edele dieren denken. Dit laatste is bij de meesten
het groote punt van aanraking met deze bergketen, èn omdat deze dieren
vrij wat algemeener bekend zijn, dan hunne meesters, én omdat er geen
enkele hond bestaat, van de mopssoort af tot den Neufoundlandschen toe,
die niet nu en dan voor een St. Bernardshond doorgaat.
Het is om deze reden en omdat men langs dezen weg vrij gemakkelijk in
Italië kan komen, dat de berg door vele reizigers bezocht wordt. Maar
waarom men er ook heenga, men zal zich de moeite beloond vinden. Het
gesticht van den Italiaan, die zich verpligt rekende zijne ouders
in ongerustheid achter te laten, en vermoeide vreemdelingen met
een goed onthaal te verrassen, is zeer belangrijk. Het is een oud
en ruim gebouw, met goede en, dank zij de Engelsche mildheid, rijk
gemeubelde zalen, kabinetten van schilderijen en mineraliën, en,
wat hongerige en vermoeide reizigers nog meer te pas komt, perfecte
magazijnen van levensmiddelen, en wel luchtige, maar toch gemakkelijke
slaapcellen. De monniken zijn meest alle fatsoenlijke jongelieden, die
somtijds, uit wanhoop over mislukte liefdespeculatiën, op algemeene
menschenliefde speculeren; soms eene heilige roeping gevoelen om de
beste jaren van hun leven in barre en koude streken door te brengen,
zich een vroegtijdigen ouderdom te bereiden en kropgezwellen magtig
te worden.--De honden zijn groot, hebben lang haar, rieken de menschen
op een kwartier afstands, en doen nog iets meer dan gewone jagthonden,
die alleen het wild opstooten; voor het overige zijn zij, als anderen
van hun ras, gehecht aan hunne meesters, en niet onverschillig voor
veel brood en lekkere kluifjes.
Ik ken menschen, die zelden vergenoegd zijn en die toch zeer in hun
schik waren, toen zij in dit klooster waren aangeland, speciaal omdat
zij zich een dozijn uren al klimmende vermoeid hadden, en in het hartje
van den zomer door de sneeuw hadden gebaad en nog _par extraordinaire_
door eene hagelbui waren overvallen. Zoo zij zich evenwel veel moois
hadden voorgesteld, werden zij bitter teleurgesteld; want hoe hooger
men klimt, hoe treuriger aanzien alles aanneemt. De frissche levende
natuur maakt voor dorheid en naaktheid plaats, maar die, bij gebrek
aan trotsche vormen, volstrekt niet dien indruk geven, dien de stoute
woeste natuur verwekt; de rotsen zijn ruwe, maar logge klompen; de
weg is lang, maar zelden steil; de voet stuit dikwijls tegen scherpe
uitstekende punten, maar heeft zelden gelegenheid naar een précipice
uit te glijden; de sneeuw vormt geene avalanches, maar bedekt als een
tapijt den zacht glooijenden grond; en de waterstroomen storten dus
niet met donderend geweld naar den afgrond neêr, maar gaan voort als
beekjes, die weinig haast hebben. Het treffende afsteken van bloemen
naast eene zee van eeuwig ijs bestaat bij gebrek aan bloemen niet,
daar het dezen niet te vergen is uit loutere steenklompen voort te
komen. Hierbij komt, dat men overal te vergeefs naar een schoon uitzigt
op de vallei zoekt, daar overal nabijzijnde bergtoppen, en dergelijke
kleinigheden meer, dit onschuldig genoegen verhinderen. Slechts voor
ééne soort van menschen is er eigenlijk op weg wat moois te ontdekken:
voor dezulken namelijk, die met een hamer, een beitel en een linnen zak
reizen, en die magtig vergenoegd kijken, als zij een grijzen steen,
en daarnaast een zwarten, en verderop een donkerbruinen aantreffen,
en die eindelijk, gebukt onder den last dien zij torschen, juichen
om de belangrijke aanwinst voor hun kabinet.
Van Martigny ondernamen Pols en zijne vrienden de beklimming van
den St. Bernard. Zij moesten evenwel hunnen reisgenoot van de vorige
dagen vaarwel zeggen, omdat de waardige Van der Wieken een togt naar
Saxon in den zin had, waar zich, zoo als hij toevallig vernomen had,
eene stijfselfabriek moest bevinden. Voor dit verlies werden zij
echter spoedig schadeloos gesteld, daar zij, naauwelijks een uur
voortgegaan, een jongen Duitscher aantroffen, die geheel alleen den
berg wilde beklimmen, omdat hij zonder _guide_ den weg wel kon vinden,
maar die nu toch, om van het aangenaam gezelschap der Hollanders te
profiteren, zich wilde getroosten ook met hunne gidsen in gezelschap
te zijn, hoeveel hij anders ook tegen dat lastige menschensoort
mogt hebben. Dezelfde jongeling gaf onderweg nog vele blijken
van inschikkelijkheid; want schoon hij, toen de vrienden zich te
St. Pierre proviandeerden, zich daarmeê niet kon vereenigen, omdat
hij uit principe tegen eten op weg was, getroostte hij zich echter
zijn principe te verzaken, toen men later van den proviand gebruik
maakte, omdat zij niet alleen zouden eten en hem misschien voor een
zonderling aanzien.
Het eerste gedeelte van den togt viel, zoo als het gewoonlijk gaat,
het gemakkelijkst; maar lang voordat men aan het eind was, begon Pols
al te spreken van laatste loodjes, die het zwaarst wegen; en toen zij
nu de kleine _Morgue_ voorbij en nog maar een uur van het klooster
af waren, openbaarden sommigen de vrees van er niet te zullen komen,
beklaagden enkelen zich den togt te hebben ondernomen, en hoorde
men hier en daar een wensch uiten, en eischen aan de gidsen doen,
omtrent even verstandig als soms passagiers op een schip, die bij
evident gevaar, van den kapitein eischen, dat hij hen op eens bij den
huiselijken haard en bij vrouw en kinderen verplaatst. Het gezigt van
het doodenhuis had zeker niet veel bijgedragen om de vrienden wat op
te beuren; want een aantal ongelukkigen, die te laat uit de sneeuw
waren opgedolven, stonden en zaten en lagen daar dooreen, en het
onbepaald vertrouwen op de kunde en behendigheid der gidsen was wel
een weinig verminderd, toen een der hunnen bij die dooden een zijner
confraters had aangewezen. Zwijgend en langzaam gingen zij voort in
den guren avond; hoe verder zij gingen, hoe snerpender de koude werd,
en ieder minuut werd het licht flaauwer en de lucht zwarter. De
Morder beschuldigde het Gouvernement, dat het niets uitrigtte, om
die ongepermitteerde koude tegen te gaan, en dat er geen lantaarns
langs den weg hingen; Veervlug werd bang, dat de _Morgue_ misschien
het eigenlijke klooster was, en dat de monniken waren doodgevroren;
Holstaff kreeg weêr, als naar gewoonte, hoe ongelukkiger hij zich
gevoelde, zooveel meer liefde voor zijne ouders, die niet ongelukkig
waren. Pols klaagde over hevige koude en hoofdpijn, en dat hij zich
heel raar gevoelde; en hij bewees de gegrondheid dezer klagten, door
in het eind op den grond neêr te storten, en zonder eenige verdere
waarschuwing flaauw te vallen.
"Daar hebben wij het nu al!" riep de Morder. "Dacht ik het straks
niet? Dat is er weêr een voor het doodenhuis."
"Bedaar," zei de gids; "hij is nog niet geheel flaauw. Geef hem wat
aangelengd _kirschwasser_."
De jonge Duitscher gespte terstond de veldflesch van den flaauwen
Hollander los en vermengde het kirschwasser daaruit met een zeker
vocht, dat hij in zijne veldflesch meêvoerde, en dat uitstekend tot
aanlenging geschikt scheen. Voordat hij er echter den lijder aan
waagde, nam hij zelf eene goede teug, om zich te overtuigen, dat de
drank niet te sterk was.
"Waar ben ik?" riep Pols, zijne oogen openende.
"Op den grooten St. Bernard," antwoordde de Duitscher.
"Digt bij het klooster," voegde de gids er bij. "Zie maar voort te
gaan. Wij zullen u ondersteunen"
"Ik kan niet meer," zei de lijder met eene flaauwe stem.
"Nog maar een klein endje," voegde Torteltak hem toe, zelf meer in
hoop, dan in dadelijk geloof sprekende.
"Wat hoor ik daar?" riep Veervlug, verheugd opspringende.
Het waren de honden van den St. Bernard, die hunne meesters
waarschuwden, dat er menschen in aantogt waren.
"God dank!" riepen de vrienden in koor.
Daar zagen zij op kleinen afstand de deur openen, en eene flambouw,
die een helder licht wierp op twee menschen in lange, zwarte kleeding.
Als de geestelijken in het St. Bernardsklooster altijd reizigers zien,
die zoo gelukkig zijn in hun klooster te mogen ingaan en aan hunne
tafel te mogen aanzitten, als nu het geval was, dan hebben zij ten
minste eenige vergoeding voor al de moeite en ontberingen, die zij
zich moesten getroosten. Maar ook was hunne zorg voor de reizigers, en
inzonderheid voor den armen Pols, voorbeeldig. Deze lieten zich alles
met vreugde welgevallen en waren gansch niet onverschillig voor de
goede gaven, die hun werden voorgezet; en ook van de rust, die hun in
de naburige cellen werd aangeboden, maakten zij een dankbaar gebruik.
In den vroegen morgen noodigden de geestelijken hen uit om de eerste
mis bij te wonen. Het was sommigen der vrienden aangenaam en goed,
hier een uur in gemeenschappelijke Godsvereering door te brengen,
schoon ook de wijze hoe van de hunne verschilde; zij verheugden zich
te gelijk, daarbij in de gelegenheid gesteld te zijn, in de armbus van
het klooster hunne aalmoezen te werpen. Alleen de Duitscher onttrok
zich omdat hij niets aan de huisgenooten zijns geloofs wilde ontstelen.
Met eene wandeling in de omstreken van het klooster en in het bezien
der merkwaardige inrigtingen bragt men den morgen door. Veervlug vond
het gepast van dit hoogste bewoonde punt der aarde een brief aan de
zijnen te schrijven, die hij, om er een vrolijk denkbeeld aan te geven,
in dezer voege eindigde:
"Het is hier een eeuwige winter. Men ziet hier de spade gebruiken,
niet als daar ginds beneden, om het land tot een tweeden oogst voor
te bereiden, maar om eenigzins toegankelijk pad in de sneeuw te
graven. Geene door de zon verbrande handen binden de korenschoven
zaam, maar bleeke bevende vingeren sprokkelen het met moeite naar
boven gevoerde hout bijeen. Geen vrolijke meisjes huppelen hier in
bonten opschik rond, maar monniken in zwarte kleederen kruisen door
het gebergte, om verdoolde reizigers op te sporen. In plaats van een
"reis gelukkig", dat men u beneden toeroept, als men u den weg langs
den bloeijenden wijnberg aanwijst, heet het hier "_memento mori_"
daar men u op harde ongebaande rotspaden wijst. Ginds is alles vreugd,
hier is het ernst; daar leven, hier dood. Ja, de dooden zelve wonen
in onbedekte woningen boven den grond; want geen spade kan een graf
in de harde steenen graven. De grond opent zich niet alleen voor het
leven, maar ook voor den dood is hij gesloten."
Met dankbaarheid namen de vrienden afscheid van de herbergzame
monniken. De Duitscher beklaagde zich zeer, dat men hier niets kon
betalen, maar hoopte er later toch iets op te vinden. Nu was de reis
gemakkelijker dan gisteren; de weg aan het zuiden des bergs is minder
steil en wordt al spoedig schoon en aangenaam. Het panorama, dat zich
aan hen voordeed, was nu en dan heerlijk;--immers, het was Italië,
dat zij voor zich zagen; Italië, waarvan zij ten minste het voorportaal
zouden ingaan, al konden zij dan ook niet verder doordringen.
En weldra kozen zij zich kwartier te Aoste, waar zij een luxe van
cretins en kropgezwellen aantroffen, en van daar reisden zij over
Ivréa, Vercelli en Novara tot Milaan, het doel en het verstverwijderd
punt hunner reis.
Het eerst, wat zij bij hunne aankomst te Milaan deden, was naar brieven
te vragen aan het Postkantoor. Allen kregen zij goede berigten van
hunne betrekkingen. Torteltak nog een extra pakje, dat hij gretig
opende, en waarin hij vond--een _Series lectionum_ voor 1837-1838. Dit
was eene kleine attentie van Haak en Co. te Leyden.