HOOFDSTUK XXV.

Waarin aangetoond wordt, dat een interessante tour niet altijd

een gemakkelijke is.

De _mont Saint Bernard_ is een zeer beroemde berg. De meeste menschen,

die zich overigens weinig aan het bergwezen laten gelegen liggen,

kennen dezen, hetzij omdat zij weten, dat Bernard de Menthon er

voor omtrent duizend jaren een klooster stichtte, hetzij omdat zij,

als bewonderaars van menschenliefde, de edele zelfopoffering der

Bernardiner monniken waarderen, hetzij omdat zij de wonderen, door de

St. Bernardshonden verrigt, als admirabele feiten erkennende, nog al

dikwijls aan deze edele dieren denken. Dit laatste is bij de meesten

het groote punt van aanraking met deze bergketen, èn omdat deze dieren

vrij wat algemeener bekend zijn, dan hunne meesters, én omdat er geen

enkele hond bestaat, van de mopssoort af tot den Neufoundlandschen toe,

die niet nu en dan voor een St. Bernardshond doorgaat.

Het is om deze reden en omdat men langs dezen weg vrij gemakkelijk in

Italië kan komen, dat de berg door vele reizigers bezocht wordt. Maar

waarom men er ook heenga, men zal zich de moeite beloond vinden. Het

gesticht van den Italiaan, die zich verpligt rekende zijne ouders

in ongerustheid achter te laten, en vermoeide vreemdelingen met

een goed onthaal te verrassen, is zeer belangrijk. Het is een oud

en ruim gebouw, met goede en, dank zij de Engelsche mildheid, rijk

gemeubelde zalen, kabinetten van schilderijen en mineraliën, en,

wat hongerige en vermoeide reizigers nog meer te pas komt, perfecte

magazijnen van levensmiddelen, en wel luchtige, maar toch gemakkelijke

slaapcellen. De monniken zijn meest alle fatsoenlijke jongelieden, die

somtijds, uit wanhoop over mislukte liefdespeculatiën, op algemeene

menschenliefde speculeren; soms eene heilige roeping gevoelen om de

beste jaren van hun leven in barre en koude streken door te brengen,

zich een vroegtijdigen ouderdom te bereiden en kropgezwellen magtig

te worden.--De honden zijn groot, hebben lang haar, rieken de menschen

op een kwartier afstands, en doen nog iets meer dan gewone jagthonden,

die alleen het wild opstooten; voor het overige zijn zij, als anderen

van hun ras, gehecht aan hunne meesters, en niet onverschillig voor

veel brood en lekkere kluifjes.

Ik ken menschen, die zelden vergenoegd zijn en die toch zeer in hun

schik waren, toen zij in dit klooster waren aangeland, speciaal omdat

zij zich een dozijn uren al klimmende vermoeid hadden, en in het hartje

van den zomer door de sneeuw hadden gebaad en nog _par extraordinaire_

door eene hagelbui waren overvallen. Zoo zij zich evenwel veel moois

hadden voorgesteld, werden zij bitter teleurgesteld; want hoe hooger

men klimt, hoe treuriger aanzien alles aanneemt. De frissche levende

natuur maakt voor dorheid en naaktheid plaats, maar die, bij gebrek

aan trotsche vormen, volstrekt niet dien indruk geven, dien de stoute

woeste natuur verwekt; de rotsen zijn ruwe, maar logge klompen; de

weg is lang, maar zelden steil; de voet stuit dikwijls tegen scherpe

uitstekende punten, maar heeft zelden gelegenheid naar een précipice

uit te glijden; de sneeuw vormt geene avalanches, maar bedekt als een

tapijt den zacht glooijenden grond; en de waterstroomen storten dus

niet met donderend geweld naar den afgrond neêr, maar gaan voort als

beekjes, die weinig haast hebben. Het treffende afsteken van bloemen

naast eene zee van eeuwig ijs bestaat bij gebrek aan bloemen niet,

daar het dezen niet te vergen is uit loutere steenklompen voort te

komen. Hierbij komt, dat men overal te vergeefs naar een schoon uitzigt

op de vallei zoekt, daar overal nabijzijnde bergtoppen, en dergelijke

kleinigheden meer, dit onschuldig genoegen verhinderen. Slechts voor

ééne soort van menschen is er eigenlijk op weg wat moois te ontdekken:

voor dezulken namelijk, die met een hamer, een beitel en een linnen zak

reizen, en die magtig vergenoegd kijken, als zij een grijzen steen,

en daarnaast een zwarten, en verderop een donkerbruinen aantreffen,

en die eindelijk, gebukt onder den last dien zij torschen, juichen

om de belangrijke aanwinst voor hun kabinet.

Van Martigny ondernamen Pols en zijne vrienden de beklimming van

den St. Bernard. Zij moesten evenwel hunnen reisgenoot van de vorige

dagen vaarwel zeggen, omdat de waardige Van der Wieken een togt naar

Saxon in den zin had, waar zich, zoo als hij toevallig vernomen had,

eene stijfselfabriek moest bevinden. Voor dit verlies werden zij

echter spoedig schadeloos gesteld, daar zij, naauwelijks een uur

voortgegaan, een jongen Duitscher aantroffen, die geheel alleen den

berg wilde beklimmen, omdat hij zonder _guide_ den weg wel kon vinden,

maar die nu toch, om van het aangenaam gezelschap der Hollanders te

profiteren, zich wilde getroosten ook met hunne gidsen in gezelschap

te zijn, hoeveel hij anders ook tegen dat lastige menschensoort

mogt hebben. Dezelfde jongeling gaf onderweg nog vele blijken

van inschikkelijkheid; want schoon hij, toen de vrienden zich te

St. Pierre proviandeerden, zich daarmeê niet kon vereenigen, omdat

hij uit principe tegen eten op weg was, getroostte hij zich echter

zijn principe te verzaken, toen men later van den proviand gebruik

maakte, omdat zij niet alleen zouden eten en hem misschien voor een

zonderling aanzien.

Het eerste gedeelte van den togt viel, zoo als het gewoonlijk gaat,

het gemakkelijkst; maar lang voordat men aan het eind was, begon Pols

al te spreken van laatste loodjes, die het zwaarst wegen; en toen zij

nu de kleine _Morgue_ voorbij en nog maar een uur van het klooster

af waren, openbaarden sommigen de vrees van er niet te zullen komen,

beklaagden enkelen zich den togt te hebben ondernomen, en hoorde

men hier en daar een wensch uiten, en eischen aan de gidsen doen,

omtrent even verstandig als soms passagiers op een schip, die bij

evident gevaar, van den kapitein eischen, dat hij hen op eens bij den

huiselijken haard en bij vrouw en kinderen verplaatst. Het gezigt van

het doodenhuis had zeker niet veel bijgedragen om de vrienden wat op

te beuren; want een aantal ongelukkigen, die te laat uit de sneeuw

waren opgedolven, stonden en zaten en lagen daar dooreen, en het

onbepaald vertrouwen op de kunde en behendigheid der gidsen was wel

een weinig verminderd, toen een der hunnen bij die dooden een zijner

confraters had aangewezen. Zwijgend en langzaam gingen zij voort in

den guren avond; hoe verder zij gingen, hoe snerpender de koude werd,

en ieder minuut werd het licht flaauwer en de lucht zwarter. De

Morder beschuldigde het Gouvernement, dat het niets uitrigtte, om

die ongepermitteerde koude tegen te gaan, en dat er geen lantaarns

langs den weg hingen; Veervlug werd bang, dat de _Morgue_ misschien

het eigenlijke klooster was, en dat de monniken waren doodgevroren;

Holstaff kreeg weêr, als naar gewoonte, hoe ongelukkiger hij zich

gevoelde, zooveel meer liefde voor zijne ouders, die niet ongelukkig

waren. Pols klaagde over hevige koude en hoofdpijn, en dat hij zich

heel raar gevoelde; en hij bewees de gegrondheid dezer klagten, door

in het eind op den grond neêr te storten, en zonder eenige verdere

waarschuwing flaauw te vallen.

"Daar hebben wij het nu al!" riep de Morder. "Dacht ik het straks

niet? Dat is er weêr een voor het doodenhuis."

"Bedaar," zei de gids; "hij is nog niet geheel flaauw. Geef hem wat

aangelengd _kirschwasser_."

De jonge Duitscher gespte terstond de veldflesch van den flaauwen

Hollander los en vermengde het kirschwasser daaruit met een zeker

vocht, dat hij in zijne veldflesch meêvoerde, en dat uitstekend tot

aanlenging geschikt scheen. Voordat hij er echter den lijder aan

waagde, nam hij zelf eene goede teug, om zich te overtuigen, dat de

drank niet te sterk was.

"Waar ben ik?" riep Pols, zijne oogen openende.

"Op den grooten St. Bernard," antwoordde de Duitscher.

"Digt bij het klooster," voegde de gids er bij. "Zie maar voort te

gaan. Wij zullen u ondersteunen"

"Ik kan niet meer," zei de lijder met eene flaauwe stem.

"Nog maar een klein endje," voegde Torteltak hem toe, zelf meer in

hoop, dan in dadelijk geloof sprekende.

"Wat hoor ik daar?" riep Veervlug, verheugd opspringende.

Het waren de honden van den St. Bernard, die hunne meesters

waarschuwden, dat er menschen in aantogt waren.

"God dank!" riepen de vrienden in koor.

Daar zagen zij op kleinen afstand de deur openen, en eene flambouw,

die een helder licht wierp op twee menschen in lange, zwarte kleeding.

Als de geestelijken in het St. Bernardsklooster altijd reizigers zien,

die zoo gelukkig zijn in hun klooster te mogen ingaan en aan hunne

tafel te mogen aanzitten, als nu het geval was, dan hebben zij ten

minste eenige vergoeding voor al de moeite en ontberingen, die zij

zich moesten getroosten. Maar ook was hunne zorg voor de reizigers, en

inzonderheid voor den armen Pols, voorbeeldig. Deze lieten zich alles

met vreugde welgevallen en waren gansch niet onverschillig voor de

goede gaven, die hun werden voorgezet; en ook van de rust, die hun in

de naburige cellen werd aangeboden, maakten zij een dankbaar gebruik.

In den vroegen morgen noodigden de geestelijken hen uit om de eerste

mis bij te wonen. Het was sommigen der vrienden aangenaam en goed,

hier een uur in gemeenschappelijke Godsvereering door te brengen,

schoon ook de wijze hoe van de hunne verschilde; zij verheugden zich

te gelijk, daarbij in de gelegenheid gesteld te zijn, in de armbus van

het klooster hunne aalmoezen te werpen. Alleen de Duitscher onttrok

zich omdat hij niets aan de huisgenooten zijns geloofs wilde ontstelen.

Met eene wandeling in de omstreken van het klooster en in het bezien

der merkwaardige inrigtingen bragt men den morgen door. Veervlug vond

het gepast van dit hoogste bewoonde punt der aarde een brief aan de

zijnen te schrijven, die hij, om er een vrolijk denkbeeld aan te geven,

in dezer voege eindigde:

"Het is hier een eeuwige winter. Men ziet hier de spade gebruiken,

niet als daar ginds beneden, om het land tot een tweeden oogst voor

te bereiden, maar om eenigzins toegankelijk pad in de sneeuw te

graven. Geene door de zon verbrande handen binden de korenschoven

zaam, maar bleeke bevende vingeren sprokkelen het met moeite naar

boven gevoerde hout bijeen. Geen vrolijke meisjes huppelen hier in

bonten opschik rond, maar monniken in zwarte kleederen kruisen door

het gebergte, om verdoolde reizigers op te sporen. In plaats van een

"reis gelukkig", dat men u beneden toeroept, als men u den weg langs

den bloeijenden wijnberg aanwijst, heet het hier "_memento mori_"

daar men u op harde ongebaande rotspaden wijst. Ginds is alles vreugd,

hier is het ernst; daar leven, hier dood. Ja, de dooden zelve wonen

in onbedekte woningen boven den grond; want geen spade kan een graf

in de harde steenen graven. De grond opent zich niet alleen voor het

leven, maar ook voor den dood is hij gesloten."

Met dankbaarheid namen de vrienden afscheid van de herbergzame

monniken. De Duitscher beklaagde zich zeer, dat men hier niets kon

betalen, maar hoopte er later toch iets op te vinden. Nu was de reis

gemakkelijker dan gisteren; de weg aan het zuiden des bergs is minder

steil en wordt al spoedig schoon en aangenaam. Het panorama, dat zich

aan hen voordeed, was nu en dan heerlijk;--immers, het was Italië,

dat zij voor zich zagen; Italië, waarvan zij ten minste het voorportaal

zouden ingaan, al konden zij dan ook niet verder doordringen.

En weldra kozen zij zich kwartier te Aoste, waar zij een luxe van

cretins en kropgezwellen aantroffen, en van daar reisden zij over

Ivréa, Vercelli en Novara tot Milaan, het doel en het verstverwijderd

punt hunner reis.

Het eerst, wat zij bij hunne aankomst te Milaan deden, was naar brieven

te vragen aan het Postkantoor. Allen kregen zij goede berigten van

hunne betrekkingen. Torteltak nog een extra pakje, dat hij gretig

opende, en waarin hij vond--een _Series lectionum_ voor 1837-1838. Dit

was eene kleine attentie van Haak en Co. te Leyden.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 30 / 43 题