HOOFDSTUK XXVII.

Waarin veel beredeneerd en weinig bewezen wordt, én waarin de

reizigers eene herberg aantreffen, waar op het uithangbord _vrij

wijn_ niet maar voor de leus geschreven is.

"De liefde tot zijn lant is ieder aangeboren,"

zegt Vondel, en zijn levensbeschrijver merkt aan, dat hij het bewees,

"weinig jaren voor zijn doodt naar Keulen reisende, en zijn vermaak

neemende met op de bedtsteê te klimmen, daar hij ter weerelt quam." Men

kan dit gezegde van onzen dichter maandelijks als motto aantreffen

voor den Staat der runderen, schapen, varkens enz., die zich in de

Bedelaarskoloniën van ons dierbaar vaderland bevinden. En zoo dit

alles nog niet genoeg is, om dezulken te weêrleggen, die aan die

aangeboren liefde twijfelen, of die andere landen boven het hunne

verkiezen, zij worden krachtig, gemoedelijk en met zachtzinnigheid

overtuigd door de schoone regelen van een later dichter:

"Dat hij verga, die, diep verbasterd,

Den vaderlandschen grond miskent."

En met dat al, daar zijn voorbeelden van sommigen, die, in Holland

gewonnen en geboren, terwijl zij, in zeer aangenaam gezelschap

in den vreemde reizende, landen aanschouwden nog schooner dan

het hunne, in sommige oogenblikken vergaten te juichen om hun

voorregt, als "op Nederlandschen grond geteeld." Tot verbetering

dier stemming kan misschien somtijds dienstig zijn eene zeer wijze

en verstandige redenering, waarin het vaderland als het puikje

aller landen wordt voorgesteld, en waarin al de voorregten worden

aangetoond, die de bewoners van dat dierbaar en begunstigd plekje

gronds bezitten. Maar meer nog dan al die redeneringen strekken vaak

toevallige omstandigheden en ontmoetingen, om bij den verketterden

of dwalenden reiziger de liefde tot zijn land weêr op te wekken. Als

hij bij voorbeeld begint te bemerken, dat zijn geldbuidel slechts

weinige sequinen meer bevat, en hij bedenkt, dat hij te huis nooit

voor geldgebrek te vreezen heeft, of als hij na een vermoeijenden

togt op een hard en morsig leger de rust te vergeefs zoekt, dan,

ja dan zou ook hij gaarne "zijn vermaak neemen met op de bedsteê te

klimmen, daar hij ter weerelt quam."

Ook onder de vrienden van Polsbroekerwoud was het nu en dan niet

pluis met de warme liefde voor het land "aan de baren ontwoekerd en

door de voorvaderen vrijgestreden." Het ergst maakte het Veervlug,

die altijd met vergelijkingen aankwam, als iets bijzonder schoons

hun oog trof. Pols kwam dan wel tusschenbeiden met "daar is toch

maar één Holland," of de alles afdoende uitspraak "Oost west, thuis

best." Maar dan begon zijn vriend: "Wat! al heeft ook mijn wieg in

een moeras gestaan, en al hebben mij bijna dertig jaren de nevelen

van het Noorden de oogen verduisterd, ik vind het denkbeeld niet

verschrikkelijk van een bruidsbed tusschen de bloemalpen een helderen

zuidelijken hemel boven een grijs hoofd. Neen, het zou beleedigen

worden van den Schepper om die drassige landen, door menschelijke

kunst aangewonnen, door menschenhand omdijkt, de voorkeur te geven

boven de bloeijende valleijen, door de hand der Almagt met een

keten van bergen omgeven. Moge ik bewaard blijven voor zulk eene

verblinding!"--Het zou Pols zeker gemakkelijk geweest zijn om zijn

vriend in bondige en betoogende redeneringen te weêrleggen; maar hij

vond bij zulke gelegenheden meer kracht van overtuiging in den uitroep:

"Nu, ik blijf toch maar zeggen "Holland bovenal!" al heb ik er kind

noch kraai, nu Mijntje dood is."

Wij moeten het echter tot eer van Veervlug zeggen, dat, in weêrwil van

al zijne bespiegelingen en uitboezemingen, in zijn hart altijd nog veel

gevoel overbleef voor hetgeen hem aan zijn vaderland verbond. Bij

al de voorstellingen van geluk, in die heerlijke vreemde landen

te smaken, haalde hij eene menigte voorwerpen, waaraan hij zich

verknocht gevoelde, en die met hem tot de landverhuizing zouden

moeten besluiten; en dan zelfs twijfelde hij somwijlen, of hij op

vreemden grond wel ooit zoo gelukkig zou kunnen wezen, als op de

plaats, waaraan zich zoo vele aangename en teedere herinneringen

verbonden. Maar het meest ontwaakte bij hem en bij al de vrienden

de liefde en het verlangen naar zijn geboortegrond, toen zij Milaan

verlatende, de terugreis aannamen. Tot nu toe hadden zij terwijl

zij voortreizende de schoonheden van Duitschland en Zwitserland

bewonderden, altijd nog één punt voor oogen, het grenspunt van hun

togt. Hoe schoon zij alles vonden, hoe veel genoegen zij smaakten,

daarheen wendde zich met verlangen hun oog; het was als het doel

waarnaar zij streefden, dat elken dag de bereiking nader kwam, en

dus steeds hun verwachting hooger spande. Dit doel was nu bereikt,

en schoon zij ook op den terugtogt misschien nog evenveel nieuwe

schoonheden zouden ontdekken en aangename gewaarwordingen gevoelen,

zij moesten weêr een nieuw rustpunt voor oogen hebben, en dit was

nu de terugkomst in het vaderland. Als op eenmaal deden zich nu weêr

stemmen in hen hooren, lang onderdrukt of verdoofd. Een zoet verlangen

ontwaakte, aangename voorstellingen van de vreugde des wederziens,

van geluk en rust, kregen dagelijks meer en meer voedsel, en daar

waren spreekwoorden noch uitroepen van Pols, noodig om de vrienden

in eene behoorlijke vaderlandlievende stemming te houden.

Tegen den middag van den eersten dag hunner terugreize kwamen zij

te Sesto Calende aan, waar zij zich in de stoomboot inscheepten,

om den tour op het Lago Maggiore te maken. Het was misschien wel

beschamend voor Hollandsche jongelingen, waarvan sommigen nog niet hun

geheel vaderland hadden doorkruist,--die het oostelijk gedeelte van

Drenthe niet hadden gezien, en den heerlijken weg tusschen Breda en 's

Bosch slechts bij reputatie kenden,--om zich in 't gezigt der kusten

van het Lombardijsche meer te verlustigen, en de woeste majesteit,

vereenigd aan de schoonheden van eene zachte en lagchende natuur te

bewonderen; bij velen hunner kwam misschien een stil verwijt op, dat

zij Schiermonnikoog nog niet kenden, terwijl zij op Isola Bella aan

wal stapten; maar toch, in weelde en genot doorwandelden zij de lanen

van laurier- en oranjeboomen; in stille verrukking rustten zij onder

de hooge bloeijende cypressen, en lieten zij van de terrassen voor het

marmeren paleis der Boromei hun oog over de blaauwe wateren weiden,

waarin de welige bloemtrossen en het donker groen zich spiegelden.

Het was al den vrienden aangenaam, dat Van Aartheim zich te Milaan

weêr bij hen had aangesloten, en ten minste zeker tot Straatsburg met

hen zou reizen. De achting en liefde, die zij voor hem gevoelden,

was, nadat zij een gedeelte zijner lotgevallen kenden, niet

verminderd. Onwillekeurig oefende zijne tegenwoordigheid eenen

gunstigen invloed op hen uit, en een zeker _poids_, dat hij over

allen had, liet zich zeer goed gevoelen, zonder dat het iemand hunner

drukte. Maar De Morder beteugelde in zijn bijzijn aanmerkelijk zijne

ontevredenheid, want Van Aartheim wist heel aardig zijne grieven te

wegen en weg te redeneren; Holstaff was bang voor zijn spottenden

glimlach; Torteltak gevoelde eerbied voor iemand, die meisjes

zoover kon brengen, dat zij zich lieten schaken, en die daarin niets

buitengewoons scheen te vinden: in één woord, allen beijverden zich

minder om zich van hun slechtste of bespottelijkste zijde te doen

zien, en hadden tevens de satisfactie al het goede, dat zij bezaten,

te zien op prijs gesteld. Pols alleen bleef steeds dezelfde, omdat

hij maar ééne zijde had waaraan hij zich kon vertoonen.

Een ligt schuitje voerde de reizigers over de grondelooze watervlakte,

die Isola Bella van het vaste land scheidt. Te Baveno stapten zij in

een _albergo_ af, die de roeijers hun gerecommendeerd hadden, en die

er uitwendig zeer schilderachtig, inwendig zeer morsig uitzag. De

waardin begroette hen als _Eccellenza's_ en _Augustissimo's_, en

gaf zich de moeite, om de bovenste laag stof van tafel en stoelen

weg te nemen, de kippen, die in de kamer patrouilleerden, een wenk

te geven om een ander vertrek te zoeken, en door eene manoeuvre

met haar voorschoot eenige honderden insecten, die tegen glazen en

muren een middagslaapje namen, om te brengen; welke laatste handgreep

tevens het gelukkig gevolg had, dat de overige gevleugelde diertjes,

klaar wakker geworden, onrustig begonnen om te zwerven, en zich door

gonzende koorzangen wat op te vrolijken.

In weêrwil van al deze bemoeijingen der goede waardin scheen het

sommigen der heeren toe, dat hare receptiezaal geen zeer comfortabel

verblijf was. De temperatuur scheen hun ook al zoo geschikt voor

bloeijende aloës, als voor afgematte reizigers; zij zagen dus elkander

aan, of zij hier wel blijven wilden: maar de gulle gastvrouw plaatste

de stoelen zoo in hunne nabijheid, en verzekerde hun zoo dringend,

dat zij van harte welkom waren en haar volstrekt niet geneerden,

dat zij het zeker als eene onbeleefdheid zou hebben opgenomen, indien

de heeren terstond weer vertrokken waren. Om hare redenen kracht bij

te zetten, bragt zij ongevergd een paar flesschen wijn op tafel, en

verzocht hare gasten, te doen of zij te huis waren. De goedhartige

toon, waarop de oude vrouw dit alles zeide, bevestigde de vrienden

in hun plan, om haar niet voor het hoofd te stooten. Zij plaatsten

zich dus zoo veel op hun gemak, als in de gegevene omstandigheden

mogelijk was, en maakten van den aangeboden wijn gebruik.

"Daar is een vreemde smaak aan dien wijn," voegde De Morder de waardin

toe; "iets van harst of teer."

"Dat zou ik hopen," antwoordde zij: "ik heb ze in nieuwe vaten geperst,

en die zouden niet veel deugen, als zij niet een beetje van dien

smaak afgaven. Maar anders is de wijn goed, niet waar? Hij is van

mijn eigen grond, en ik heb hem met mijne dochter alleen bereid;

daar zijn geen andere handen aan geweest."

Deze verklaring en de verschijning der dochter, wier wangen en vingeren

getuigden, dat zij geen overdadig gebruik van waschwater maakte,

bragt niet veel bij, om den heeren een _haut gout_ aan den flaauwen

en troebelen landwijn te doen ontdekken. Zij hadden overigens te veel

dorst en waren te lang op reis, om zich verder in bespiegelingen te

verdiepen, wat er al met het vocht kon gebeurd zijn eer zij het in

flesschen voor zich zagen.

Na een uurtje poozens, wilden zij hunnen togt voortzetten; maar

de gastvrouw scheen geheel andere plannen te hebben: zij wist de

vrienden te overtuigen, dat zij eerst moesten dineren, en dan,

als het wat koeler was, konden opwandelen. En terwijl spreidde zij

reeds een servet over de tafel uit, dat misschien van den Maartschen

bleek was gekomen, maar dan toch in dien tusschentijd herhaalde malen

gebruikt. Hare dochter bragt de schotels, op welker randen zij de

sporen harer lieve vingeren achterliet; en zelfs aan het opdoen der

spijzen kon men bemerken, dat zij het gebruik van vorken en lepels bij

zulke gelegenheden voor noodelooze weelde hield. "Nu maar toegetast,"

riep de gulle waardin: "het is kostelijk eten, en alles met de beste

olie toebereid."

"Met olie?" riep Pols verschrikt: "alles? ook die macaroni?"

"Neen, die is met Parmesaansche kaas gestoofd. Ik wil er nog wat

meer op doen." Zij raspte de kaas en strooide ze met hare vingeren

op den schotel.

Terwijl zij aten, onderhield de waardin hare gasten over de menigte

reizigers, die bij haar logeerden, en scheen er niet tegen te hebben,

dat onze vrienden dit voorbeeld zouden volgen. "Ik heb boven fraaije

apartementen, waar Prinsen en Graven en Baronnen geslapen hebben,

en de aanzienlijkste reizigers uit alle landen hebben mij altijd

hunne tevredenheid betuigd." De _Eccellenza's_ van heden gaven echter

duidelijk te kennen, dat zij geen plan hadden, het getal dier tevredene

logés te vergrooten, en stellig nog dien avond tot Fariolo moesten

voortreizen. In het eind berustte zij in hun voornemen, maar begon

nu uit te vorschen, welke landslieden zij aan tafel had. Zij begon te

raden--Engeland, Frankrijk, Rusland, en zoo vele Europeesche staten,

als haar maar bij naam bekend waren.

"Ik zal het u maar zeggen," zeide een hunner: "wij zijn Hollanders."

Zeer natuurlijk zouden de reizigers het gevonden hebben, als de

waardin van Baveno nu gevraagd had, in welk werelddeel Holland te huis

behoorde, daar men hun aan het Postkantoor te Milaan verklaard had,

dit land niet te kennen, en een beroemd Historicus te Genève, het

Groot-Hertogdom Holland onder de Duitsche Staten had opgeteld; maar

tot hunne verbazing begon de vrouw op eens luide vreugdekreten voort

te brengen, en eenige Heiligen aan te roepen om in haar blijdschap

te deelen, terwijl zij hare dochter uit de keuken binnenhaalde,

meer gillende dan sprekende: "Cilie, zie dan toch! het zijn, bij den

Heiligen X., Hollanders!"

"Toch niet van Leyden?" vroeg Cilie.

Pols, den naam _Leyden_ hoorende, een der weinige woorden, die

hij van het gesprek verstond, legde zijn vork neêr, en zijn mond,

die zich voor een beet macaroni geopend had, bleef in deze positie,

om moeder en dochter verbaasd aan te gapen. Torteltak tastte in zijn

zak, of hij misschien zijn pas verloren had en die in de handen der

vrouw was geraakt.

"Ja, van Leyden," riep de moeder, die een der heeren had zien

knikken. "Kent gij mijn zoon niet, mijn Piëtro, of mijn neef? Ja,

gij moet ze kennen; want zij wonen in uwe stad."

"Maar vertel dan toch, wie zijn zij? wat doen zij?" vroeg Veervlug.

"Mijn neef handelt er, een mooije, rijke handel, in galanteriën. Hij

woont er al lang; maar voor twee jaren schreef hij aan mijn zoon,

die regter was te Locarno, maar niet rijk, dat hij naar Holland

moest komen, dat hij daar eene uitmuntende betrekking voor hem wist,

en dat hij in weinige jaren zoo rijk kon worden als de Boromeï."

"_Santa Maria!_" riep de dochter op eens: "wat lijkt hij op Piëtro!" En

zij trok hare moeder tot voor Torteltak, dien zij al gedurig met

aandacht had beschouwd.

"Als de eene engel den anderen," riep de moeder, hem verrukt aanziende.

"Maar wie is dan toch die Piëtro?" vroeg Torteltak.

"Wel mijn zoon, die naar zijn neef in Holland reisde, en die door

zijn invloed terstond zeer voordeelig werd geplaatst als eerste

élève bij een schoorsteenveger en rookverdrijver, en die nu zelf al

schoorsteenvegersbaas is."

"Zoo!" zeide Torteltak koeltjes, even alsof deze frappante gelijkenis

hem niet ten toppunt van verrukking voerde.

"Dan geloof ik, dat ik hem wel gekend heb," viel Veervlug in: "een

mooije jongen, een beetje een fat; maar zijne handen gelijken veel

op die zijner zuster."

Torteltak moest, of hij wilde of niet, lagchen, en keek beurtelings

zijne blanke handen en die van het meisje van Baveno aan.

"Ja, gij kent hem," zeide de vrouw, met welgevallen de vrienden

aanziende.

"Kom, moeder! drink eens op de gezondheid van uw zoon!" zei van

Aartheim, haar een glas aanbiedende.

"Dank je wel, lieve, goede Eccellenza's!" zei de moeder, terwijl

een traan in haar glas viel "Ik beveel mijn Piëtro wel aan uwe

Eccellenza's aan. Hij is een brave, beste jongen..... En als de

schoorsteenen van Uwe Eccellenza's vuil zijn."..... voegde zij er na

eenige oogenblikken bij.

"Wij zullen om hem denken, vrouwtje! en als ge misschien een lettertje

aan hem wilt meêgeven..."

"Dank je Eccellenza's wel; maar ik kan niet best schrijven, en mijn

zoon niet best lezen. Maar druk hem eens hartelijk de hand voor mij;

dat zal hij beter verstaan."

Terwijl drukte de moeder de hand van Torteltak, en zij zou hem

misschien wel hebben willen omhelzen, omdat hij zoo op Piëtro geleek;

maar onze vriend zag hiervan de noodzakelijkheid niet in, te minder

omdat hij die commissie dan toch niet letterlijk had kunnen volvoeren.

Een half uur daarna namen de vrienden afscheid van hunne gulle

gastvrouw. Toen zij de rekening inleverde, maakte een der vrienden

haar opmerkzaam, dat zij den wijn had vergeten te noteren.

"Ik zou mij voor Uwe Eccellenza's en voor alle Heiligen schamen,"

antwoordde zij, "indien ik mij den wijn liet betalen, waarmeê mijn

zoons gezondheid is gedronken."

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 32 / 43 题