HOOFDSTUK XXIV.

Geleidt de reizigers van Genève over Sallenches naar Chamounix en

van daar naar Martigny, en is eenigzins in afgebroken journaalstijl

geschreven.

Reizigers, die vóór eenige jaren Thun hebben bezocht, herinneren

zich zeker met aandoening de aangename uren, die zij aan den edelen

A. E. Rufenacht te danken hadden. Het kost hun gewis geene moeite

hem voor den geest terug te roepen, dien edelen _Gastgeber_ in het

_Freyenhof_, voor den werkkring geboren, waaraan hij zijn leven wijdde,

en die zich een _monumentum aere perennius_ heeft opgerigt in de harten

van wie maar eén nacht onder zijn dak huisvestten, of eens aan zijne

tafel aanzaten. Niemand hunner zal het tegenspreken, dat aan hem

de eerste plaats toekomt onder zijne ambtgenooten in Zwitserland,

welligt in de geheele bewoonde wereld; wien toch zou men kunnen

aanwijzen, die zoovele kasteleinsdeugden in zich vereenigt, als hij,

die zoo ieder het zijne weet te geven en tevens voor zichzelven te

zorgen,--die zoo de kunst verstaat de zwakheden zijner begunstigers

te vleijen, en die zijner onderhoorigen te straffen,--en die in zijn

pogen om u het logementsleven zóó aangenaam te maken, dat gij vergeet

in een hotel en niet bij vrienden te verkeeren, volkomen zou slagen,

zoo hij zich niet verpligt rekende u bij het vertrek eene kleine

Nota te overhandigen, die u van het tegendeel overtuigt.--Zoo was

het vroeger in het _Freyenhof_ te Thun, maar zoo is het nu niet

meer. Nog zal u de inrigting behagen van het hotel, nog zult gij er

wel en op uw gemak wezen, maar hem, den edelen kastelein, zult gij

er niet meer vinden. Rufenacht heeft Thun verlaten, en de directie

van het etablissement aan Knoerr overgedragen. De werkkring was voor

den grooten man te klein. Reeds lang had hij zwanger gegaan van een

ontwerp, welks volvoering in het eerst aan onoverkomelijke zwarigheden

onderhevig was; maar wat vermogten die bezwaren tegen zijn sterken

wil en zijn ondernemenden geest? Rufenacht's plan werd met een goeden

uitslag bekroond, en het _Hotel des Bergues_ te Genève verrees als

eene eerezuil voor zijn genie.

Het gesticht van den gastvrijen Zwitser is belangrijk, en voor menschen

van het vak de reis naar Genève overwaardig. Aanzienlijker personen

kunnen het natuurlijk niet tot het doel van hunnen togt maken; neen,

hunner is het, den dorst naar geleerdheid te voldoen, door de Akademie

van Calvyn te bezoeken en de leerstoelen te bezigtigen, ja somtijds

een geheel uur te wijden aan het opdoen van grondige kennis; hunner

is het rondom het standbeeld van Jean Jaques te wandelen en in den

stoel van Voltaire uit te rusten, en alzoo veel dieper in den geest

dier auteurs in te dringen, dan die te huis hunne werken bestuderen;

zij mogen hunne mechanische kennis vermeerderen door horlogieradertjes

te zien slijpen en wijzerplaten polijsten. Hoeveel aangenamer en

belangrijker zijn hunne souvenirs dan die men zich in gezelligen

kring, onder vrolijke gesprekken, in het hotel vergadert! Hoe zoudt

gij den naam van Rufenacht durven noemen, daar zij u spreken van Besa,

De Saussure, Necker, Rousseau en Bautte!

En met dat al, wij rekenden ons verpligt van het _Hotel des Bergues_

te spreken, omdat ons reisgezelschap, bij hunne aankomst te Genève,

noch aan de schatten van geleerdheid en kunst dacht, die deze stad

bevat, noch zelfs oogen had voor het heerlijke panorama, dat het

meer voor hen en de hooge bergketen in 't verschiet aanbood. De

vrienden verkeerden in dien toestand, dien men zich, als men te

huis aan reizen denkt, niet kan voorstellen, doch dien men op reis,

helaas! meermalen leert kennen, waarin men minder gevoelig is voor

al de schoonheden van natuur en kunst, dan voor een goed _diner_

en een gemakkelijken fauteuil. Het is eene wel treurige, maar toch

stellige waarheid, dat niet alleen het ligchaam uitgeput wordt, maar

ook de geest te veel vermoeid en oververzadigd door de veelvuldige

indrukken van schoonheid. Maar in zulk eene positie is het misschien

best te doen zoo als ons vijftal deed. Zij etabliseerden zich in het

hotel, en aten en dronken, alsof dit het eenig doel geweest ware,

waarmede zij zich honderde uren van hunne woonplaats hadden verwijderd.

In deze stemming van opgewondenheid zou het sommigen der vrienden

zeer aangenaam geweest zijn eenige hunner goede kennissen, vrolijker

en minder vermoeid dan zij, te hebben mogen aantreffen, om, in hun

gezelschap zittende, den avond door te brengen. Torteltak bejammerde

het zeer, dat Van Aartheim het adres der Hunshows, die buiten

Genève de zomermaanden doorbragten, niet vóór zijn subiet vertrek

aan hen had afgegeven. Aangenaam was hem dus de verrassing, toen hij

tegen den avond, uit wanhoop op het _Ile de Rousseau_ ronddwalende,

op eens zijnen naam hoorde noemen en de hand van _Miss_ Emma in de

zijne gevoelde.

Onze vriend brandde van verlangen om de Engelschen het gebeurde met

Van Aartheim meê te deelen, en hij zocht reeds naar zachte termen om

het gedrag van den jongeling in een niet al te ongunstig licht voor

te dragen, toen Hunshow hem voorkwam: "En uw vriend is met mijne

schoone landgenoot doorgegaan?"

Torteltak zag hem verbaasd aan; hij dacht niet dat het geval zooveel

_éclat_ gemaakt had en reeds in Genève bekend was; maar hij begreep

er niets meer van, toen de Engelschman er bijvoegde: "Hij is mij voor

geweest. Ik ben met hetzelfde plan naar Interlaken gereisd."

De jongeling sloeg onwillekeurig het oog op Mevrouw Hunshow, maar

zag niets van verstoordheid in hare blikken. Integendeel zeide zij

op vergenoegden toon: "Van Aartheim heeft zeer edel gehandeld, en

onze geheele familie zal er hem altijd erkentelijk voor blijven."

De blikken der jonge dames bevestigden dit gezegde harer

zuster. Torteltaks verbazing groeide meer en meer aan. Hij verzocht om

nadere inlichtingen. Hij vernam evenwel niets anders, dan dat Lurgrave

zeer slechte dingen met _Miss_ Cleford voorhad; dat Van Aartheim, door

haar aan zijne magt te onttrekken, dit plan had verijdeld, en daarin op

de meestmogelijk kiesche manier was te werk gegaan. Voor het overige

openbaarde Hunshow zijne vreugde dat hij den jongeling toevallig had

leeren kennen, die zulke gewigtige diensten had bewezen aan de schoone

Jenny, welke hij zijne lieve bloedverwant noemde, en bleek uit zijne

discoursen, dat ook het tegenwoordig verblijf der vlugtelingen hem

bekend was, schoon hij het niet geraden scheen te vinden, dit aan

iemand te openbaren. Het was onzen vriend wel aangenaam zooveel tot

regtvaardiging van zijnen voormaligen reisgenoot te hooren, in wien hij

zich meende bedrogen te hebben; maar hij had, aan den anderen kant,

bijna liever niets vernomen dan deze halve mededeeling, die zijne

nieuwsgierigheid op eene zware proef stelde. Peinzend verliet hij,

na een paar aangename uren in hun gezelschap te hebben doorgebragt, de

Engelschen. Het zou hem moeielijk geweest zijn zichzelven rekenschap

te geven van de gewaarwordingen, die in zijn binnenste oprezen. Hoe

vriendschappelijk hij omtrent Van Aartheim gezind was, hij misgunde

hem toch wel een weinig de naauwe betrekking, waarin hij tot de schoone

Cleford stond; hij misgunde hem verder de toejuiching van de bevallige

Emma. Waarom wist hij zelf niet; maar hij had oogenblikken, waarin hij

zich verbeeldde verliefd te zijn, en in die oogenblikken stond hem nu

eens het beeld van Jenny, dan eens dat van Emma, dan eens Ambrosine,

dan weêr een ander landgenootje, voor den geest. Torteltak behoorde

tot die menschen, die eenen schat van liefde in hun hart bezitten,

maar van die soort, waarvan de bron misschien in eigenliefde en

ijdelheid te zoeken is, en die dan ook, wat de gehalte betreft om

duurzaam geluk aan te bieden, wel wat te wenschen overlaat.

Toen de reizigers hunne krachten weêr wat hersteld hadden, kwam de lust

ook terug om verder te gaan. Nadat zij dus van Genève gezien hadden,

wat hun behaagde of behagelijk was voorgekomen, namen zij een rijtuig

aan naar Sallenches, om vandaar nog denzelfden dag naar Chamounix

voort te reizen. Zij hadden bij deze gelegenheid het genoegen partij te

maken met een Hollandsch heer, met wien Pols den vorigen avond aan de

publieke tafel zeer gelieerd was geraakt, door een warm en hartelijk

gesprek over het lieve en schoone Vaderland. Deze heer was Mijnheer

Cornelis van der Wieken van Zaandam, trotsch op zijn naam, die al lang

het eigendom zijner familie was; trotsch op zijne geboorteplaats, die

hij als een door de natuur begunstigd plekje gronds beschouwde. Zijn

goed gevuld ligchaam, zijne ruime, stevige en glanzende kleederen,

zijne massief gouden overhemdsversierselen, zijn zwaar horlogie

in drie kasten, en meer andere uiterlijkheden, deden vermoeden dat

hij een welgesteld man was, en zoo het niet hollend met den man is

achteruitgegaan, zou het ons zeer verwonderen, als de Prijsvraag over

het verval van een en ander te Zaandam onlangs ten zijnen behoeve

was uitgeschreven. De man was voor het overige zijn gezelschap wel

waard; want behalve dat hij zeer onderhoudend over het houtzagen en

olieslaan sprak, betaalde hij zijn zesde gedeelte in het rijtuig nog

voordat men afreed, en vergenoegde hij zich met het zuidwesterhoekje,

zoo als hij de plaats achteruit tegen den bok aan, noemde.

De weg naar Sallenches over Bonneville en Cluse levert eene heerlijke

afwisseling van schoone gezigtspunten op. Het zachte schilderachtige,

dat de omstreken van Genève aan de andere zijde hebben, neemt

hier langzamerhand af, en maakt plaats voor woester en trotscher

natuurtooneelen. Een der vrienden maakte de opmerking, dat hij nergens

schooner boschpartijen gezien had; maar Mijnheer Van der Wieken deed

hem opmerken, dat er veel te weinig zuiver regtopgaande stammen te

vinden waren, en nam hieruit aanleiding om eene lofrede te houden

op de Noorsche juffers en deelen en andere houtsoorten, waarvan

hij eene belangrijke collectie te huis had. Hij loste overigens de

bedenking van Pols, waarom deze landstreek zoo weinig bewoond was,

op, door hem te doen opmerken, dat de grond ongeschikt was tot het

aanleggen van kanalen, en dus de verhuizingen zeer moeijelijk en

kostbaar moesten wezen.

Men zou zich onderweg niet lang hebben opgehouden zoo men zich niet

verpligt had gerekend den achthonderd voet hoogen heuvel te beklimmen,

van waar men de _Grotte de Balme_ ingaat. De ingang van dit hol

is vrij ruim; maar wanneer men eenige voetstappen is voortgegaan,

huivert men bijna om verder door te dringen. Uw voet glijdt uit op den

glibberigen ongebaanden grond; zware steenklompen boven u dreigen u

te verpletteren, of, door achter u neêr te storten, den toegang tot

de bewoonde wereld af te sluiten. In het midden der grot ontdekt uw

oog eenen afgrond, die in een bodemloozen waterkolk eindigt.

"Hier," zeide de vrouwelijke guide tot de reizigers, "had vóór

twee jaren de ontmoeting plaats tusschen Hudson Lowe en Lascases

en Bertrand. Deze laatsten kwamen in den namiddag in de grot, en

zagen in het boek de naam van den Cipier van St. Helena. In woedende

drift zochten zij hem op, en vonden hem bij deze versteening, waar

Mevrouw Bertrand, een jaar vroeger eenige gelijkenis met het graf

van Napoleon vindende, deze woorden geschreven had: '_Honneur à

l'immortel; mort au traitre._' Zij troffen Hudson Lowe aan, terwijl

hij bezig was deze woorden uit te wisschen. '_Mort au traitre!_' riep

Bertrand en greep den Engelschman bij den kraag. "Bereid u tot den

dood," voegde hij er bij; "want hier zult gij sterven." Hudson Lowe

bragt verontschuldigingen in, en ik smeekte, half dood van schrik,

om zijn leven. Ik bad den Franschman te bedenken, dat hij een moord

zou begaan. De vrienden van Napoleon gaven aan mijn smeeken gehoor, en

vergenoegden zich met hem te doen neêrknielen voor de beeldtenis van

het graf, en vergiffenis te vragen aan de schim des Keizers. Daarna

lieten zij hem zijn eigen naam, dien hij in 't boek geschreven had,

met eigen hand verbranden, en joegen hem voor zich de grot uit."

"Dat is verbazend belangrijk!" riep Pols.

"Oui, le conte est fort bon,

Il faut en rire."

neuriede Torteltak.

"Ik zal u de echtheid van mijn verhaal bewijzen," zei de vrouw. "Voor

in de grot heb ik nog het boek, en gij zult zien, dat er een blad

uitgescheurd is."

Torteltak kon bij zulke evidente bewijzen niet blijven twijfelen.

"'t Is een fatiguante tour," zei Pols, toen zij den terugtogt aannamen;

"maar 't is mooi."

"'t Zou mij heel wat meer bevallen," zei Mijnheer Van der Wieken,

die van tijd tot tijd over den ongelijken en glibberigen grond

struikelde, "als zij hier een effen baan maakten en dien smerigen

grond wat afschrobden. Bij ons zouden er die muren ook zoo haveloos

niet uitzien. Een groen verfje zou ze heel wat opknappen."

Men was weêr aan den uitgang der grot genaderd; en op eens was men

uit den duisteren nacht in de koude grot, op den helderen dag in de

liefelijke natuur overgeplaatst. Van de hoogte van Balme zag men

de vruchtbare landstreek in een licht, zoo als zich anders nooit

aan het oog voordoet, schitterend en helder, en te gelijk zacht en

blauw. Jammer dat de oogen zich weêr langzamerhand aan het licht

gewenden, en alles dus weêr de gewone tinten verkreeg; maar toch het

uitzigt was schilderachtig schoon over de frissche korenvelden door

welig hout begroeid, en in het verschiet op den spitsen toren en de

smaakvolle woningen van Maglan.

Het liefelijke dorp trok de aandacht van al de vrienden; maar het

oog van den Zaandammer bleef strak op de korenvelden gevestigd.

"Hier met eene geliefde in den arm te mogen leven!--welk een

genot!" riep Torteltak uit.

"Hier te mogen sterven!" zuchtte Holstaff.

"Is het niet of de grond met geboende matjes is belegd?" riep Van

der Wieken uit, terwijl hij Pols de korenvelden in de vallei aanwees.

Pols stemde volkomen in met de opmerking van den Zaandammer.

In stille overpeinzing over alles wat men gezien had, vervolgde men

den togt. Pols merkte nog eens met juistheid aan, dat men zulke dingen

toch in Holland niet vond, en zijn Zaandamsche vriend moest hem gelijk

geven. "Maar," voegde hij er bij, "als Mijnheer van der Beek bij ons

te Broek het zag, dan zoudt ge toch iets zien gebeuren, zoo waar ik

Van der Wieken heet. Hij zou zoo'n grot op zijn buitenplaats laten

aanleggen, want hij durft geld besteden voor wat moois; daarvoor

hebt ge maar _de spinnende vrouw_ en _den blaffenden hond_ in het

boerenhuisje, en _den Dominé_ in den Chineschen tempel te zien."

De vrienden hadden plan, om van Sallenches den naasten weg door te

reizen naar Chamounix; maar een arm dienstmeisje uit het hotel,

waar zij gedineerd hadden, wendde zich smeekend tot Torteltak,

om zich een half uur langer rijdens te getroosten, en _en passant_

te Saint Gervais een drankje af te geven, dat zij voor haren zieken

minnaar had bereid. De schoone oogen van het meisje wekten bij onze

vrienden menschlievendheid genoeg op, om zich dit voorstel te doen

welgevallen. En waarlijk, zij hadden reden er zich over te verheugen;

want behalve dat de zieke minnaar heel dankbaar was, hadden zij er

het genoegen aan te danken, dat zij er de heerlijke ligging en de

uitmuntende inrigting der baden van Saint Gervais door leerden kennen,

en dat de ongunstige opinie, die zij na hun bezoek te Baden-Baden tegen

alle badplaatsen hadden opgevat, eenigzins werd gewijzigd. Want hier

ontsproot de heilzame bron niet, opdat de grond, die ze omringde,

door menschelijke boosheid zou worden ontheiligd. Hier werden niet

naast het gedenkteeken der Hemelsche goedheid, gedenkteekenen van

wereldsche ondankbaarheid opgerigt. Hier werd het geneesmiddel, dat

de natuur aanbood, niet door de weelde krachteloos gemaakt. Het was

een zondagmiddag; de vrienden gingen de hoofddeur van het Badhuis

in, en meenden weder eene courzaal te zien. Daar zagen zij de vromen

neêrgeknield in het huis Gods, en hoorden zij den zegen des Hemels

afsmeeken in het zacht gezang, dat lijdenden aanhieven. Eene kleine

schaar was in de kerk en in de nabijzijnde vertrekken verzameld,

en ook daar lag het Woord des Heeren opengeslagen.--Het verwonderde

de vrienden niet langer, dat de badplaats Saint Gervais zoo weinig

bekend is en zoo weinig bezocht wordt.

Langs den nu geheel ongebaanden weg reed men in de kleine ijzeren

rijtuigen over rotsklompen en naast afgronden en door bergstroomen

heen, en bereikte tegen het vallen van den avond de _Prieuré_

van Chamounix.

"Deze vallei is toch zeer merkwaardig," zei Pierre Marie Payot tot

de vrienden, die hij als gids naar den Montanvert geleidde. "Het is

dan ook de bewondering en verrukking van alle reizigers, en wij zien

op dit heerlijkste plekje der wereld de aanzienlijkste menschen uit

alle landen."

"Maar gij hebt toch Czaar Peter hier nooit gezien," viel Van der

Wieken in, "zoo als wij bij ons."

"Dien juist niet, maar wel Alexandre Dumas; ik heb zelf de eer gehad

zijn guide te zijn, schoon hij van mij zooveel melding niet gemaakt

heeft als van mijn ongelukkigen broeder."

"Zijt gij waarlijk de broeder van Gabriel Payot!" riep Veervlug

verrukt uit. "Vertel mij dan toch eens het regte: hoe is het met uw

broeder afgeloopen?"

"Hoe! hebt gij het verhaal dan niet gelezen, dat Mijnheer Dumas op

mijn broeder gemaakt heeft van zijn reis naar Engeland en zijn dood,

toen hij hier terugkwam?"

"Was het dan toch waarheid?" vroeg Veervlug. "Ik meende dat het

tragisch eind een zuiver verdichtsel was, dat zoo bij het verhaal

behoorde."

"Ik zal u de waarheid met mijn eigen hand opschrijven," antwoordde

de gids: "als gij dan ook eens een boek schrijft, komt er mijn eigen

handteekening in gedrukt; als gij maar niet zoo doet als Mijnheer

Dumas, en mij vergeet. Hier zijn wij juist aan de bekende fontein

van de schoone Claudine, die rijkelijk laat Mevrouw Belton wierd."

"Is dat nu die fontein?" vroeg Van der Wieken, die de Fransche

litteratuur tot op Florian had bijgehouden. "Is het anders niet dan dit

straaltje, dat uit den grond opkomt? Men had er meer partij van kunnen

trekken, als men er bij voorbeeld een bronzen walvisch op had gemaakt."

"Die groeijen zoo bij ons te land niet," zeide de guide, die juist

zijn autograaph aan Veervlug overhandigde, van den volgenden inhoud:

Marie Gabriel Payot, _mort an 1833, a prai son retour dan

Gleterre tombes aus es callié de la Couronne._

Pierre Marie Payot, _votre Guyde_.

"Ik geloof niet," voegde hij er zuchtend bij, "dat hij van de trappen

zou zijn gevallen, als hij niet zooveel geld bij zich gehad had;

maar dit blijft onder ons."

Tot hiertoe was de weg gebaand en de opklimming gemakkelijk geweest;

maar nu ging het verder langs smalle paden, door sneeuwvallen in de

rotsen uitgehold. Van tijd tot tijd vertoonde zich in de openingen

in het geboomte, dat bijna den geheelen berg bedekt, de schoone

vallei van Chamounix, die tot in het midden der vorige eeuw door de

omgevende bergketen van de bewoonde wereld afgescheiden en voor ieder

menschelijk oog verscholen bleef; maar toch was het reeds vroeger

een door de natuur begunstigd plekje, en toen de eerste bewoners in

het dal neêrdaalden, vonden zij den grond bereid, en vruchtbaarder

dan het land, dat zij verlieten. Sedert heeft de vallei een gansch

ander aanzien verkregen, schoon er de weelde nog minder dan elders

is doorgedrongen, en de natuur zich nog in hare eenvoudigheid voordoet.

Op den top van den Montanvert zijn de grasvelden welig, en de

alpenrozen bloeijen er mild en overvloedig; maar ziet, op eens opent

zich voor uwe oogen de grond, en ziet gij in een diepte neder, met ijs

bedekt; zoover uw oog reikt, strekt zich ter linker en regter zijde de

sneeuwvallei uit, in ongelijke massa's opgehoopt, en tegenover u ziet

gij steile bergtoppen, naakt en dor; het is als eene uitgestrekte zee,

in het midden van een woedenden storm op een oogenblik tot ijs gestold.

Onze reizigers staarden in stomme verbazing dit treffend en majestueus

schouwspel aan. Gewaarwordingen kwamen in hen op, die zij vroeger

niet hadden gekend. Daar waren er, wie de tranen langs de wangen

stroomden, en die hunne oogen van de zee beneden hen eerbiedig naar

den hemel opsloegen.

"Je zoudt zeggen, waar komt al dat ijs zoo op eens van daan?" riep

Pols verbaasd uit.

"Kent gij een sterker bewijs voor Gods almagt?" vroeg hem Pierre

Marie Payot.

"Neen," riep Van der Wieken; "want... Hemel, ziet gij dat daar voor

u? Zoudt gij niet zweren, dat dit een oliemolen was, en ziet, het is

toch maar een ijsklomp."

Huiverend en niet zonder angst volgden de vrienden den gids op een

tour over de _Mer de Glace_, en daarna, opgewonden door wat zij gezien

hadden, naar het hotel van Charlet en Simond in de vallei terug.

En toen zij den volgenden dag over de _Tête Noire_ tot Martigny

waren voortgereisd en door een aanhoudenden regen doornat waren,

gaf Pols zijne vrees te kennen, dat nu zeker de _Mer de Glace_ zou

gesmolten zijn.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 29 / 43 题