Geleidt de reizigers van Genève over Sallenches naar Chamounix en
van daar naar Martigny, en is eenigzins in afgebroken journaalstijl
geschreven.
Reizigers, die vóór eenige jaren Thun hebben bezocht, herinneren
zich zeker met aandoening de aangename uren, die zij aan den edelen
A. E. Rufenacht te danken hadden. Het kost hun gewis geene moeite
hem voor den geest terug te roepen, dien edelen _Gastgeber_ in het
_Freyenhof_, voor den werkkring geboren, waaraan hij zijn leven wijdde,
en die zich een _monumentum aere perennius_ heeft opgerigt in de harten
van wie maar eén nacht onder zijn dak huisvestten, of eens aan zijne
tafel aanzaten. Niemand hunner zal het tegenspreken, dat aan hem
de eerste plaats toekomt onder zijne ambtgenooten in Zwitserland,
welligt in de geheele bewoonde wereld; wien toch zou men kunnen
aanwijzen, die zoovele kasteleinsdeugden in zich vereenigt, als hij,
die zoo ieder het zijne weet te geven en tevens voor zichzelven te
zorgen,--die zoo de kunst verstaat de zwakheden zijner begunstigers
te vleijen, en die zijner onderhoorigen te straffen,--en die in zijn
pogen om u het logementsleven zóó aangenaam te maken, dat gij vergeet
in een hotel en niet bij vrienden te verkeeren, volkomen zou slagen,
zoo hij zich niet verpligt rekende u bij het vertrek eene kleine
Nota te overhandigen, die u van het tegendeel overtuigt.--Zoo was
het vroeger in het _Freyenhof_ te Thun, maar zoo is het nu niet
meer. Nog zal u de inrigting behagen van het hotel, nog zult gij er
wel en op uw gemak wezen, maar hem, den edelen kastelein, zult gij
er niet meer vinden. Rufenacht heeft Thun verlaten, en de directie
van het etablissement aan Knoerr overgedragen. De werkkring was voor
den grooten man te klein. Reeds lang had hij zwanger gegaan van een
ontwerp, welks volvoering in het eerst aan onoverkomelijke zwarigheden
onderhevig was; maar wat vermogten die bezwaren tegen zijn sterken
wil en zijn ondernemenden geest? Rufenacht's plan werd met een goeden
uitslag bekroond, en het _Hotel des Bergues_ te Genève verrees als
eene eerezuil voor zijn genie.
Het gesticht van den gastvrijen Zwitser is belangrijk, en voor menschen
van het vak de reis naar Genève overwaardig. Aanzienlijker personen
kunnen het natuurlijk niet tot het doel van hunnen togt maken; neen,
hunner is het, den dorst naar geleerdheid te voldoen, door de Akademie
van Calvyn te bezoeken en de leerstoelen te bezigtigen, ja somtijds
een geheel uur te wijden aan het opdoen van grondige kennis; hunner
is het rondom het standbeeld van Jean Jaques te wandelen en in den
stoel van Voltaire uit te rusten, en alzoo veel dieper in den geest
dier auteurs in te dringen, dan die te huis hunne werken bestuderen;
zij mogen hunne mechanische kennis vermeerderen door horlogieradertjes
te zien slijpen en wijzerplaten polijsten. Hoeveel aangenamer en
belangrijker zijn hunne souvenirs dan die men zich in gezelligen
kring, onder vrolijke gesprekken, in het hotel vergadert! Hoe zoudt
gij den naam van Rufenacht durven noemen, daar zij u spreken van Besa,
De Saussure, Necker, Rousseau en Bautte!
En met dat al, wij rekenden ons verpligt van het _Hotel des Bergues_
te spreken, omdat ons reisgezelschap, bij hunne aankomst te Genève,
noch aan de schatten van geleerdheid en kunst dacht, die deze stad
bevat, noch zelfs oogen had voor het heerlijke panorama, dat het
meer voor hen en de hooge bergketen in 't verschiet aanbood. De
vrienden verkeerden in dien toestand, dien men zich, als men te
huis aan reizen denkt, niet kan voorstellen, doch dien men op reis,
helaas! meermalen leert kennen, waarin men minder gevoelig is voor
al de schoonheden van natuur en kunst, dan voor een goed _diner_
en een gemakkelijken fauteuil. Het is eene wel treurige, maar toch
stellige waarheid, dat niet alleen het ligchaam uitgeput wordt, maar
ook de geest te veel vermoeid en oververzadigd door de veelvuldige
indrukken van schoonheid. Maar in zulk eene positie is het misschien
best te doen zoo als ons vijftal deed. Zij etabliseerden zich in het
hotel, en aten en dronken, alsof dit het eenig doel geweest ware,
waarmede zij zich honderde uren van hunne woonplaats hadden verwijderd.
In deze stemming van opgewondenheid zou het sommigen der vrienden
zeer aangenaam geweest zijn eenige hunner goede kennissen, vrolijker
en minder vermoeid dan zij, te hebben mogen aantreffen, om, in hun
gezelschap zittende, den avond door te brengen. Torteltak bejammerde
het zeer, dat Van Aartheim het adres der Hunshows, die buiten
Genève de zomermaanden doorbragten, niet vóór zijn subiet vertrek
aan hen had afgegeven. Aangenaam was hem dus de verrassing, toen hij
tegen den avond, uit wanhoop op het _Ile de Rousseau_ ronddwalende,
op eens zijnen naam hoorde noemen en de hand van _Miss_ Emma in de
zijne gevoelde.
Onze vriend brandde van verlangen om de Engelschen het gebeurde met
Van Aartheim meê te deelen, en hij zocht reeds naar zachte termen om
het gedrag van den jongeling in een niet al te ongunstig licht voor
te dragen, toen Hunshow hem voorkwam: "En uw vriend is met mijne
schoone landgenoot doorgegaan?"
Torteltak zag hem verbaasd aan; hij dacht niet dat het geval zooveel
_éclat_ gemaakt had en reeds in Genève bekend was; maar hij begreep
er niets meer van, toen de Engelschman er bijvoegde: "Hij is mij voor
geweest. Ik ben met hetzelfde plan naar Interlaken gereisd."
De jongeling sloeg onwillekeurig het oog op Mevrouw Hunshow, maar
zag niets van verstoordheid in hare blikken. Integendeel zeide zij
op vergenoegden toon: "Van Aartheim heeft zeer edel gehandeld, en
onze geheele familie zal er hem altijd erkentelijk voor blijven."
De blikken der jonge dames bevestigden dit gezegde harer
zuster. Torteltaks verbazing groeide meer en meer aan. Hij verzocht om
nadere inlichtingen. Hij vernam evenwel niets anders, dan dat Lurgrave
zeer slechte dingen met _Miss_ Cleford voorhad; dat Van Aartheim, door
haar aan zijne magt te onttrekken, dit plan had verijdeld, en daarin op
de meestmogelijk kiesche manier was te werk gegaan. Voor het overige
openbaarde Hunshow zijne vreugde dat hij den jongeling toevallig had
leeren kennen, die zulke gewigtige diensten had bewezen aan de schoone
Jenny, welke hij zijne lieve bloedverwant noemde, en bleek uit zijne
discoursen, dat ook het tegenwoordig verblijf der vlugtelingen hem
bekend was, schoon hij het niet geraden scheen te vinden, dit aan
iemand te openbaren. Het was onzen vriend wel aangenaam zooveel tot
regtvaardiging van zijnen voormaligen reisgenoot te hooren, in wien hij
zich meende bedrogen te hebben; maar hij had, aan den anderen kant,
bijna liever niets vernomen dan deze halve mededeeling, die zijne
nieuwsgierigheid op eene zware proef stelde. Peinzend verliet hij,
na een paar aangename uren in hun gezelschap te hebben doorgebragt, de
Engelschen. Het zou hem moeielijk geweest zijn zichzelven rekenschap
te geven van de gewaarwordingen, die in zijn binnenste oprezen. Hoe
vriendschappelijk hij omtrent Van Aartheim gezind was, hij misgunde
hem toch wel een weinig de naauwe betrekking, waarin hij tot de schoone
Cleford stond; hij misgunde hem verder de toejuiching van de bevallige
Emma. Waarom wist hij zelf niet; maar hij had oogenblikken, waarin hij
zich verbeeldde verliefd te zijn, en in die oogenblikken stond hem nu
eens het beeld van Jenny, dan eens dat van Emma, dan eens Ambrosine,
dan weêr een ander landgenootje, voor den geest. Torteltak behoorde
tot die menschen, die eenen schat van liefde in hun hart bezitten,
maar van die soort, waarvan de bron misschien in eigenliefde en
ijdelheid te zoeken is, en die dan ook, wat de gehalte betreft om
duurzaam geluk aan te bieden, wel wat te wenschen overlaat.
Toen de reizigers hunne krachten weêr wat hersteld hadden, kwam de lust
ook terug om verder te gaan. Nadat zij dus van Genève gezien hadden,
wat hun behaagde of behagelijk was voorgekomen, namen zij een rijtuig
aan naar Sallenches, om vandaar nog denzelfden dag naar Chamounix
voort te reizen. Zij hadden bij deze gelegenheid het genoegen partij te
maken met een Hollandsch heer, met wien Pols den vorigen avond aan de
publieke tafel zeer gelieerd was geraakt, door een warm en hartelijk
gesprek over het lieve en schoone Vaderland. Deze heer was Mijnheer
Cornelis van der Wieken van Zaandam, trotsch op zijn naam, die al lang
het eigendom zijner familie was; trotsch op zijne geboorteplaats, die
hij als een door de natuur begunstigd plekje gronds beschouwde. Zijn
goed gevuld ligchaam, zijne ruime, stevige en glanzende kleederen,
zijne massief gouden overhemdsversierselen, zijn zwaar horlogie
in drie kasten, en meer andere uiterlijkheden, deden vermoeden dat
hij een welgesteld man was, en zoo het niet hollend met den man is
achteruitgegaan, zou het ons zeer verwonderen, als de Prijsvraag over
het verval van een en ander te Zaandam onlangs ten zijnen behoeve
was uitgeschreven. De man was voor het overige zijn gezelschap wel
waard; want behalve dat hij zeer onderhoudend over het houtzagen en
olieslaan sprak, betaalde hij zijn zesde gedeelte in het rijtuig nog
voordat men afreed, en vergenoegde hij zich met het zuidwesterhoekje,
zoo als hij de plaats achteruit tegen den bok aan, noemde.
De weg naar Sallenches over Bonneville en Cluse levert eene heerlijke
afwisseling van schoone gezigtspunten op. Het zachte schilderachtige,
dat de omstreken van Genève aan de andere zijde hebben, neemt
hier langzamerhand af, en maakt plaats voor woester en trotscher
natuurtooneelen. Een der vrienden maakte de opmerking, dat hij nergens
schooner boschpartijen gezien had; maar Mijnheer Van der Wieken deed
hem opmerken, dat er veel te weinig zuiver regtopgaande stammen te
vinden waren, en nam hieruit aanleiding om eene lofrede te houden
op de Noorsche juffers en deelen en andere houtsoorten, waarvan
hij eene belangrijke collectie te huis had. Hij loste overigens de
bedenking van Pols, waarom deze landstreek zoo weinig bewoond was,
op, door hem te doen opmerken, dat de grond ongeschikt was tot het
aanleggen van kanalen, en dus de verhuizingen zeer moeijelijk en
kostbaar moesten wezen.
Men zou zich onderweg niet lang hebben opgehouden zoo men zich niet
verpligt had gerekend den achthonderd voet hoogen heuvel te beklimmen,
van waar men de _Grotte de Balme_ ingaat. De ingang van dit hol
is vrij ruim; maar wanneer men eenige voetstappen is voortgegaan,
huivert men bijna om verder door te dringen. Uw voet glijdt uit op den
glibberigen ongebaanden grond; zware steenklompen boven u dreigen u
te verpletteren, of, door achter u neêr te storten, den toegang tot
de bewoonde wereld af te sluiten. In het midden der grot ontdekt uw
oog eenen afgrond, die in een bodemloozen waterkolk eindigt.
"Hier," zeide de vrouwelijke guide tot de reizigers, "had vóór
twee jaren de ontmoeting plaats tusschen Hudson Lowe en Lascases
en Bertrand. Deze laatsten kwamen in den namiddag in de grot, en
zagen in het boek de naam van den Cipier van St. Helena. In woedende
drift zochten zij hem op, en vonden hem bij deze versteening, waar
Mevrouw Bertrand, een jaar vroeger eenige gelijkenis met het graf
van Napoleon vindende, deze woorden geschreven had: '_Honneur à
l'immortel; mort au traitre._' Zij troffen Hudson Lowe aan, terwijl
hij bezig was deze woorden uit te wisschen. '_Mort au traitre!_' riep
Bertrand en greep den Engelschman bij den kraag. "Bereid u tot den
dood," voegde hij er bij; "want hier zult gij sterven." Hudson Lowe
bragt verontschuldigingen in, en ik smeekte, half dood van schrik,
om zijn leven. Ik bad den Franschman te bedenken, dat hij een moord
zou begaan. De vrienden van Napoleon gaven aan mijn smeeken gehoor, en
vergenoegden zich met hem te doen neêrknielen voor de beeldtenis van
het graf, en vergiffenis te vragen aan de schim des Keizers. Daarna
lieten zij hem zijn eigen naam, dien hij in 't boek geschreven had,
met eigen hand verbranden, en joegen hem voor zich de grot uit."
"Dat is verbazend belangrijk!" riep Pols.
"Oui, le conte est fort bon,
Il faut en rire."
neuriede Torteltak.
"Ik zal u de echtheid van mijn verhaal bewijzen," zei de vrouw. "Voor
in de grot heb ik nog het boek, en gij zult zien, dat er een blad
uitgescheurd is."
Torteltak kon bij zulke evidente bewijzen niet blijven twijfelen.
"'t Is een fatiguante tour," zei Pols, toen zij den terugtogt aannamen;
"maar 't is mooi."
"'t Zou mij heel wat meer bevallen," zei Mijnheer Van der Wieken,
die van tijd tot tijd over den ongelijken en glibberigen grond
struikelde, "als zij hier een effen baan maakten en dien smerigen
grond wat afschrobden. Bij ons zouden er die muren ook zoo haveloos
niet uitzien. Een groen verfje zou ze heel wat opknappen."
Men was weêr aan den uitgang der grot genaderd; en op eens was men
uit den duisteren nacht in de koude grot, op den helderen dag in de
liefelijke natuur overgeplaatst. Van de hoogte van Balme zag men
de vruchtbare landstreek in een licht, zoo als zich anders nooit
aan het oog voordoet, schitterend en helder, en te gelijk zacht en
blauw. Jammer dat de oogen zich weêr langzamerhand aan het licht
gewenden, en alles dus weêr de gewone tinten verkreeg; maar toch het
uitzigt was schilderachtig schoon over de frissche korenvelden door
welig hout begroeid, en in het verschiet op den spitsen toren en de
smaakvolle woningen van Maglan.
Het liefelijke dorp trok de aandacht van al de vrienden; maar het
oog van den Zaandammer bleef strak op de korenvelden gevestigd.
"Hier met eene geliefde in den arm te mogen leven!--welk een
genot!" riep Torteltak uit.
"Hier te mogen sterven!" zuchtte Holstaff.
"Is het niet of de grond met geboende matjes is belegd?" riep Van
der Wieken uit, terwijl hij Pols de korenvelden in de vallei aanwees.
Pols stemde volkomen in met de opmerking van den Zaandammer.
In stille overpeinzing over alles wat men gezien had, vervolgde men
den togt. Pols merkte nog eens met juistheid aan, dat men zulke dingen
toch in Holland niet vond, en zijn Zaandamsche vriend moest hem gelijk
geven. "Maar," voegde hij er bij, "als Mijnheer van der Beek bij ons
te Broek het zag, dan zoudt ge toch iets zien gebeuren, zoo waar ik
Van der Wieken heet. Hij zou zoo'n grot op zijn buitenplaats laten
aanleggen, want hij durft geld besteden voor wat moois; daarvoor
hebt ge maar _de spinnende vrouw_ en _den blaffenden hond_ in het
boerenhuisje, en _den Dominé_ in den Chineschen tempel te zien."
De vrienden hadden plan, om van Sallenches den naasten weg door te
reizen naar Chamounix; maar een arm dienstmeisje uit het hotel,
waar zij gedineerd hadden, wendde zich smeekend tot Torteltak,
om zich een half uur langer rijdens te getroosten, en _en passant_
te Saint Gervais een drankje af te geven, dat zij voor haren zieken
minnaar had bereid. De schoone oogen van het meisje wekten bij onze
vrienden menschlievendheid genoeg op, om zich dit voorstel te doen
welgevallen. En waarlijk, zij hadden reden er zich over te verheugen;
want behalve dat de zieke minnaar heel dankbaar was, hadden zij er
het genoegen aan te danken, dat zij er de heerlijke ligging en de
uitmuntende inrigting der baden van Saint Gervais door leerden kennen,
en dat de ongunstige opinie, die zij na hun bezoek te Baden-Baden tegen
alle badplaatsen hadden opgevat, eenigzins werd gewijzigd. Want hier
ontsproot de heilzame bron niet, opdat de grond, die ze omringde,
door menschelijke boosheid zou worden ontheiligd. Hier werden niet
naast het gedenkteeken der Hemelsche goedheid, gedenkteekenen van
wereldsche ondankbaarheid opgerigt. Hier werd het geneesmiddel, dat
de natuur aanbood, niet door de weelde krachteloos gemaakt. Het was
een zondagmiddag; de vrienden gingen de hoofddeur van het Badhuis
in, en meenden weder eene courzaal te zien. Daar zagen zij de vromen
neêrgeknield in het huis Gods, en hoorden zij den zegen des Hemels
afsmeeken in het zacht gezang, dat lijdenden aanhieven. Eene kleine
schaar was in de kerk en in de nabijzijnde vertrekken verzameld,
en ook daar lag het Woord des Heeren opengeslagen.--Het verwonderde
de vrienden niet langer, dat de badplaats Saint Gervais zoo weinig
bekend is en zoo weinig bezocht wordt.
Langs den nu geheel ongebaanden weg reed men in de kleine ijzeren
rijtuigen over rotsklompen en naast afgronden en door bergstroomen
heen, en bereikte tegen het vallen van den avond de _Prieuré_
van Chamounix.
"Deze vallei is toch zeer merkwaardig," zei Pierre Marie Payot tot
de vrienden, die hij als gids naar den Montanvert geleidde. "Het is
dan ook de bewondering en verrukking van alle reizigers, en wij zien
op dit heerlijkste plekje der wereld de aanzienlijkste menschen uit
alle landen."
"Maar gij hebt toch Czaar Peter hier nooit gezien," viel Van der
Wieken in, "zoo als wij bij ons."
"Dien juist niet, maar wel Alexandre Dumas; ik heb zelf de eer gehad
zijn guide te zijn, schoon hij van mij zooveel melding niet gemaakt
heeft als van mijn ongelukkigen broeder."
"Zijt gij waarlijk de broeder van Gabriel Payot!" riep Veervlug
verrukt uit. "Vertel mij dan toch eens het regte: hoe is het met uw
broeder afgeloopen?"
"Hoe! hebt gij het verhaal dan niet gelezen, dat Mijnheer Dumas op
mijn broeder gemaakt heeft van zijn reis naar Engeland en zijn dood,
toen hij hier terugkwam?"
"Was het dan toch waarheid?" vroeg Veervlug. "Ik meende dat het
tragisch eind een zuiver verdichtsel was, dat zoo bij het verhaal
behoorde."
"Ik zal u de waarheid met mijn eigen hand opschrijven," antwoordde
de gids: "als gij dan ook eens een boek schrijft, komt er mijn eigen
handteekening in gedrukt; als gij maar niet zoo doet als Mijnheer
Dumas, en mij vergeet. Hier zijn wij juist aan de bekende fontein
van de schoone Claudine, die rijkelijk laat Mevrouw Belton wierd."
"Is dat nu die fontein?" vroeg Van der Wieken, die de Fransche
litteratuur tot op Florian had bijgehouden. "Is het anders niet dan dit
straaltje, dat uit den grond opkomt? Men had er meer partij van kunnen
trekken, als men er bij voorbeeld een bronzen walvisch op had gemaakt."
"Die groeijen zoo bij ons te land niet," zeide de guide, die juist
zijn autograaph aan Veervlug overhandigde, van den volgenden inhoud:
Marie Gabriel Payot, _mort an 1833, a prai son retour dan
Gleterre tombes aus es callié de la Couronne._
Pierre Marie Payot, _votre Guyde_.
"Ik geloof niet," voegde hij er zuchtend bij, "dat hij van de trappen
zou zijn gevallen, als hij niet zooveel geld bij zich gehad had;
maar dit blijft onder ons."
Tot hiertoe was de weg gebaand en de opklimming gemakkelijk geweest;
maar nu ging het verder langs smalle paden, door sneeuwvallen in de
rotsen uitgehold. Van tijd tot tijd vertoonde zich in de openingen
in het geboomte, dat bijna den geheelen berg bedekt, de schoone
vallei van Chamounix, die tot in het midden der vorige eeuw door de
omgevende bergketen van de bewoonde wereld afgescheiden en voor ieder
menschelijk oog verscholen bleef; maar toch was het reeds vroeger
een door de natuur begunstigd plekje, en toen de eerste bewoners in
het dal neêrdaalden, vonden zij den grond bereid, en vruchtbaarder
dan het land, dat zij verlieten. Sedert heeft de vallei een gansch
ander aanzien verkregen, schoon er de weelde nog minder dan elders
is doorgedrongen, en de natuur zich nog in hare eenvoudigheid voordoet.
Op den top van den Montanvert zijn de grasvelden welig, en de
alpenrozen bloeijen er mild en overvloedig; maar ziet, op eens opent
zich voor uwe oogen de grond, en ziet gij in een diepte neder, met ijs
bedekt; zoover uw oog reikt, strekt zich ter linker en regter zijde de
sneeuwvallei uit, in ongelijke massa's opgehoopt, en tegenover u ziet
gij steile bergtoppen, naakt en dor; het is als eene uitgestrekte zee,
in het midden van een woedenden storm op een oogenblik tot ijs gestold.
Onze reizigers staarden in stomme verbazing dit treffend en majestueus
schouwspel aan. Gewaarwordingen kwamen in hen op, die zij vroeger
niet hadden gekend. Daar waren er, wie de tranen langs de wangen
stroomden, en die hunne oogen van de zee beneden hen eerbiedig naar
den hemel opsloegen.
"Je zoudt zeggen, waar komt al dat ijs zoo op eens van daan?" riep
Pols verbaasd uit.
"Kent gij een sterker bewijs voor Gods almagt?" vroeg hem Pierre
Marie Payot.
"Neen," riep Van der Wieken; "want... Hemel, ziet gij dat daar voor
u? Zoudt gij niet zweren, dat dit een oliemolen was, en ziet, het is
toch maar een ijsklomp."
Huiverend en niet zonder angst volgden de vrienden den gids op een
tour over de _Mer de Glace_, en daarna, opgewonden door wat zij gezien
hadden, naar het hotel van Charlet en Simond in de vallei terug.
En toen zij den volgenden dag over de _Tête Noire_ tot Martigny
waren voortgereisd en door een aanhoudenden regen doornat waren,
gaf Pols zijne vrees te kennen, dat nu zeker de _Mer de Glace_ zou
gesmolten zijn.