De geleerde glimlachte pijnlijk: "Dat zal wel zoo zijn, vrouwtje!"

"Neen, dat zal zoo niet zijn, maar dat is zoo," zei zijne beminnelijke

wederhelft wier kenmerkende eigenschap was, dat zij bij tegenspraak

boos werd, maar als zij niet werd tegengesproken, woedend.

"Hebt u den naam van Byron al op den pilaar daarginds gezien," vroeg

Veervlug, die het papier in de handen hield, waarop hij in groote

opgewondenheid de letters had nagetrokken.

"Daar heb ik ten minste mijne oogen voor," was het antwoord.

Veervlug gebruikte de zijnen in deze oogenblikken om op zijn neus

te kijken.

"Ik dacht niet dat die Byron zoo beroerd leelijk schreef," zei de

Morder, het papier in handen nemende.

"Wat leelijk!" riep zijn vriend verontwaardigd. "Is dat

leelijk? had hij de letters dan in de zuil moeten beitelen, als een

steenhouwersknecht het op een zerk doet? Is er niet juist genie in de

scheefheid van die Y? In ieder der letters, zoo als zij daar staan,

ligt een idée; wie eenigszins poëtisch gestemd is, kan er zijn geheel

gedicht _the Prisoner_ in lezen.

"Dat is juist als in de handteekening van Calvyn," zei de geleerde. "Ik

heb er te huis een, die zonder eenigen twijfel echt is; maar al

wist ik niets van hem, dan dat hij deze letters geschreven had, zou

ik overtuigd wezen, dat hij de grootste man van zijne eeuw geweest

was. Als de heeren te Genève komen, noodig ik ze uit, om het eens te

komen zien."

"Het zal mij aangenaam zijn, lieve," viel de huisvrouw in, "als je

niet zoo maar iedereen uitnoodigt, om wegens zulke nesterijen mijn

huis te overloopen."

De lieve herhaalde zijne uitnoodiging niet, maar zeide: "Je hebt

gelijk, goede vrouw! Hoe gaarne ik de heeren zien zou, ik heb het

tegenwoordig nog al druk met mijn werk over den grooten Hervormer."

"Je weet heel goed, dat ik het daarom niet zeg," antwoordde de goede:

"jou getreuzel gaat mij niets aan; maar ik heb aan één man in mijn

huis al meer dan genoeg."

Het kostte den gelukkigen gemaal bij deze gelegenheid heel veel

moeite om over dit lieve gezegde te glimlagchen, en den vrienden heel

weinig, om bij hun besluit van geene visites meer op reis te maken,

te volharden.

Daar komt aan alle genoegens een einde: dit ondervond Bonnivard, toen

de Berners in 1536 zijnen kerker openden en zijne ketens losmaakten;

dit ondervonden ook de tegenwoordige bezoekers van Chillon, daar

een gendarme, uitmakende de helft der bezetting van het kasteel,

kwam waarschuwen, dat het bijna negen uur was, en dat de poorten dan

moesten gesloten worden. "'t Is de moeite naauwelijks waard om al die

trappen af te klimmen," zei de Morder, die al tweemaal geproponeerd

had om heen te gaan.

"Wil jij nog wat blijven?" zei Veervlug: "je kunt hier misschien wel

logeren; het steenen bed van den gevangene ligt nog gespreid."

"Julie, waar zit je toch?" riep de gade van den geleerde.

"Hier ben ik, tante!" zei Julie, die met Torteltak over het voor

en tegen van gevangen zijn gesproken had, bij welke gelegenheid de

jongeling iets heel aardigs had gezegd van zachtere en tevens sterkere

boeijen, dan die uit ijzer waren gesmeed.

"Je komt ook altijd achteraan," zei de tante tot de nicht, die voor

haar uit de trappen opging.

De vrienden volgden; alleen Holstaff was nog zoo in gepeins verzonken,

tegen de zuil leunende, dat hij niet scheen te bemerken, dat het

gezelschap aftrok.

"Kom dan toch, droomer!" riep Pols, terugkeerende en zijn vriend aan

den arm trekkende.

Doch naauwelijks had de vriend deze manoeuvre in het werk gesteld,

toen hij op eens een dreigend gebrom vernam, en terstond daarop een

allervervaarlijkste bulhond, die tot nu toe achter de cipiersvrouw had

gestaan, tegen zich zag opspringen en de scherpte der tanden van dit

vreeselijke dier in zijn vleesch boven den linker elleboog gevoelde.

"Hemel, wat is dat?" riep de vriend verschrikt uit.

"Die hond lijkt wel dol!" viel de cipiersvrouw in, terwijl zij het

dier bij den halsband terugtrok. "U moet het mij niet kwalijk nemen,

Mijnheer! maar hij is op den man geleerd, en daar u dien anderen heer

bij den arm trokt..."

"Wat zeg je daar, vrouw?" riep Pols verbleekende, daar het epitheton

_dol_, op een hond toegepast, die hem zoo even eene bloedige wond

had gebeten, hem niet geruststellend in de ooren klonk.

"Waarlijk, Mijnheer! ik kan het niet helpen; anders is de hond

zoo goed als een lam, maar sedert een paar dagen heb ik niets meer

over hem te zeggen. Gisteren nog, toen ik met hem om het slot voer,

springt hij in eens uit het bootje, in het diepste van het meer.

"Als hij dan in 's Hemels naam de watervrees maar niet heeft!" riep

onze vriend, terwijl hij met afgrijzen het bloed zag, dat zijn

lichtblaauw jasje reeds begon te verven. "Zegt mij, mijne vrienden! wat

zal ik beginnen?"

"Ik zou er maar een compres met azijn en water omleggen," zei

Torteltak, "dan zal het wel schikken."

"Wat beginnen zijne oogen raar te staan!" fluisterde Holstaff, zijne

handen wringende, Veervlug in.

"Drink een glas water," zei deze, terwijl hij zijn vriend den trap

naar boven op geleidde, "dan kunnen wij meteen eens zien, of gij de

watervrees soms ook al hebt."

"Neen maar, zonder gekheid," zei Pols, "die hond schijnt toch niet

te wezen zoo als hij behoort."

"Hij heeft je ten minste onbehoorlijk gebeten."

"Ik weet wel, dat ik nog niet dol ben," ging Pols voort, en zich

vermannende, voegde hij er pijnlijk glimlagchende bij: "en ik weet

wel, dat ik er niet razend van zal worden; maar zou je hier nergens

van die Biltsche dranken kunnen krijgen? dat kan toch nooit kwaad."

Het viel evenwel den vrienden zeer moeijelijk om aan dezen wensch van

Pols te voldoen, daar de gevraagde drank tot die soort van geheime

geneesmiddelen behoort, wier uitwerking, volgens de verklaring der

erfelijke eigenaars, allerheilzaamst is, maar die zeker, indien men,

aan de inspraak der algemeene menschlievendheid gehoor gevende,

ze algemeen bekend maakte, die heilzame kracht zouden verliezen.

De raad van Torteltak omtrent het verband van azijn en water werd

opgevolgd; de nicht van den geleerde stond met veel liefde haren fijnen

linnen zakdoek voor 't verband af, daar het roodgeruite katoentje van

Pols evenmin als de foulards zijner vrienden kon dienen. Hare tante

vond het evenwel gepast iets over de verregaande roekeloosheid van

sommige dames te zeggen, die zeker rijk genoeg moesten zijn, om zoo

maar een fijnen doek op te offeren, en tevens eene lieve aanmerking

te maken over menschen, die niet veel behoefden te veranderen om voor

dol te worden gehouden.

"Als Hieronymus Bolzec nog leefde of Michaël Servede," merkte de

geleerde aan, "die zouden er wel raad voor weten; want zij waren

zeer kundige _medici_, schoon zij ook in 't godsdienstige aan de

allerverfoeijlijkste ketterijen schuldig stonden."

Het was geen wonder dat de Geneefsche theoloog deze namen zoo

terstond bij de hand had, daar hij juist in deze dagen tot het

hoofdstuk genaderd was, waarin over Johannes Calvini zachtzinnigheid

en verdraagzaamheid gehandeld werd (de geleerde heer zou zijn werk

onvolledig hebben geacht, indien hij zijnen held niet alle mogelijke

deugden toekende), en waarin hij de opgemelde heeren, benevens

Castalio, Ochinus en anderen, als baarlijke duivels had leeren kennen.

"Je bent onverdragelijk, lieve!" voegde des geleerden vrouw hem toe,

"met altijd over dien Calvijn en zijne vrienden te spreken. Wat weten

die vreemde heeren van hem?"

"Met uw verlof, vrouwtje! Servetus en die anderen kunnen niet direct

gezegd worden, vrienden van Calvijn te zijn geweest."

"Maar uw beroemde landgenoot," viel Veervlug in, "is ons in 't geheel

zoo onbekend niet, als Mevrouw veronderstelt. Wij zijn Hervormde

Nederlanders, en in ons land komen daarenboven veelsoortige boeken

over de Hervormers uit. 't Zou mij dus in 't geheel niet verwonderen,

als Calvinus nu ook aan een beurt lag. In allen gevalle, daar is

bij ons veel over hem geschreven. Ik herinner mij, bij voorbeeld,

nog een heel lief vers van Vondel: _'t decretum horribile_."'

"'t Doet mij plaisir dit te vernemen," zei de geleerde.

"En 't zal mij nog meer plaisir doen, als ik er geen woord meer over

behoef te hooren," viel zijne teedere wederhelft in, door deze phrase

het gesprek over den Hervormer en alle de gesprekken, binnen de muren

van Chillon gehouden, besluitende.

Toen men aan den voet van het slot weêr in 't schuitje stapte, was

het geheel avond geworden. De maan wierp nu haren zachten en lieven

glans over het meer, en scheen over 't geheele landschap nog meer

rust en kalmte te verspreiden, schoon ook de dag stil en zoel was

voorbijgegaan. De maan doet zich eigenlijk zelden schoon voor, en

als zij mooi is, dan is zij, zoo als Veervlug beweerde, kaarsmooi;

maar toch trekt zij aan, toch is er iets zoets en liefelijks in

haar aangezigt; maar zeker is haar effect heerlijk en aantrekkend,

als zij met hare imposante kalmte, als beheerscheres der nacht, door

glinsterende sterren gelijfstaffierd, van hoog uit de lucht op het

meer van Genève neêrziet.

Voor al de vrienden was het dus een verrukkelijk gezigt, toen zij,

uit de duisternis van den kerker tot het licht terugkeerende, over het

meer hunne oogen deden weiden. Torteltak haalde zeer gepast Byron's

woorden aan:

"Lake Leeman woos me with its crystal face,

The mirror where the stars and mountains view

The stillness of their aspect in each trace,

Its clear depth yields of their far height and hue."

Alleen Pols, die in den wijdgeopenden stand zijner oogen, door den

schrik veroorzaakt, te gelijk de maan en het water zag, werd er

treurig door gestemd, en begon over het verband tusschen maanziekte

en watervrees te peinzen.

Het was reeds tien ure, toen men te Villeneuve aankwam, waar men

dien nacht het kwartier besteld had. Voordat men zich evenwel ter

ruste begaf, bragt men nog eene visite aan de familie Champal,

die, tijdens het bezoek van Byron te Chillon wonende, gezegd wordt

allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent den beroemden dichter te

kunnen mededeelen.

"Het is heel aangenaam voor ons," zei de oudste der dames, van

haren stoel afspringende en zich in hare volle lengte van ongeveer

vier voeten vertoonende, "het is aangenaam en vereerend tevens, zoo

naauw in aanraking te zijn geweest met den grooten man. Ik had hem

de trappen af in den kerker geleid, en hij had den geheelen tijd met

zijne gewone bescheidenheid en respect voor de sekse gezwegen, toen hij

mij op eens minzaam bij den arm nam en verzocht hem alleen te laten."

"En toen hij terugkwam," ging hare zuster voort, wier oogleden in

plaats van met wimpers, met roode randen waren versierd, "toen stiet

hij, in zijne dichterlijke gedachten verzonken, met zijn elleboog een

tafelbord van den schoorsteen. Ik heb de scherven bewaard, en zou ze

voor geen goud willen missen. Die lieve, groote man!"

"Wij waren toen jonge meisjes," zei de oudste, "mijne zuster

vijfendertig en ik vierendertig; maar wij hebben niets van zijne

losheid en ondeugendheid met vrouwen gezien. Dat is allemaal vast

laster."

"Ziet eens hier, Mijnheeren!" zei de jongste; "kijkt eens goed naar dat

portret." Zij wees hun op een kop, met rood en zwart krijt geteekend,

waarvan de trekken door grofheid en geesteloosheid uitmuntten:

"die lieve man, als ik nog aan hem denk!"

"Wien moet dat voorstellen?" vroeg Torteltak.

"Wel, mijn zaligen broeder," zei de oudste dame Champal; "die geleek

bij zijn leven sprekend op Byron."

"Op Byron?" riep Veervlug in verbazing.

"Ja toch, Mijnheer!" viel de jongste zuster in. "Wij vonden het

allebei; maar eigenlijk niet zoo zeer in zijn gezigt en postuur,

als wel in zijn gang. Mijn broeder trok ook zoo 'n beetje met zijn

eene been, net als de lieve groote man."

"Dat is heel merkwaardig," zei Pols.

"Maar heeft Byron toen terstond zijn gedicht geschreven?" vroeg

Torteltak: "nog in Chillon zelve?"

"Neen," was het antwoord; "van het schrijven heb ik niets gezien;

maar ik heb anders het boek gedrukt in eigendom."

"Eén ding is maar jammer in dat vers," zei de oudste zuster; "dat

plagt altijd mijn zalige broeder te zeggen, die ook heel knap was. Hij

heeft het gedicht alleen voorgelezen aan Mijnheer Hobhouse, en niet

aan ons. Mijn broeder had hem anders van veel belang kunnen wezen:

want Byron dacht, dat Bonnivard maar zes jaren had gevangen gezeten,

en mijn broeder wist zeker, dat het er zeven waren. Als hij dit nu in

tijds geweten had, zou het vers nog wat langer hebben kunnen worden."

Het spreekt van zelve, dat de vrienden dit ook heel bejammerden;

maar verwonderlijk is het, dat de belangrijke mededeelingen van de

dames Champal het effect van een _narcoticum_ op hen hadden. Zij

maakten hunne visite wat kort, om den nacht wat te verlengen.

Den volgenden avond kwamen Pols en zijne reisgenooten, na eenen

aangenamen stoomboot-togt over het lac Leeman, te Genève aan, en

namen hunnen intrek in het beroemde _Hotel des Bergues_.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 28 / 43 题