HOOFDSTUK XXIII.

Waarin de lezer een geruimen tijd in het kerkerhol van Chillon

moet verzuchten.

De invloed van het ligchaam op den geest, en vice versa, behoort tot

die dingen, die volstrekt niet meer in twijfel getrokken, maar toch

veelvuldig betoogd worden. Het levert, even als de onsterfelijkheid der

ziel en het pligtmatige der deugd, sinds eeuwen her, aan verhandelaars

en schrijvers ruime stof, om veel in het midden te brengen, dat

volkomen overeenkomt met hetgeen anderen reeds hebben gezegd. Het

onderwerp is trouwens even zoo goed als een ander, in zoover het alleen

dient om den schrijver of spreker te amuseren en te stichten; en vooral

is het uitnemend geschikt, zoo als het ook heel veel gebruikt wordt,

om tot inleiding te dienen, en den spreker of auteur op den weg te

helpen, daar het, als het met het eigenlijke onderwerp niet in het

minste verband staat, kan blijven liggen voor hetgeen het is.

De invloed, dien de toestand des ligchaams op de stemming der ziel

uitoefent, blijkt, zoo als onder alle omstandigheden, ook na het

gebruik van een goed _diner_. Als men heel gezellig en vrij lang

getafeld heeft, als de verschillende zintuigen van gezigt, reuk en

smaak aangenaam zijn gestreeld, en men door keur van spijs of drank

eene behoorlijke voeding, vulling en verkwikking heeft bewerkstelligd,

zonder daarin tot overladens toe te zijn voortgegaan, dan deelt de

aangename toon, die in het ligchaam heerscht, zich ook aan de ziel

mede, en hoewel in dien toestand de geest misschien niet tot bijzondere

inspanning geschikt is, hij is vatbaar voor genot en ontvankelijk en

gevoelig voor de indrukken, die zich aan hem voordoen.

Het was na een goed diner in _le Croix blanche_ te Vevay (en hier

eindigt de inleiding van dit XXXIIIste Hoofdstuk), dat Pols en zijne

vrienden zich op eene wandeling _derrière l'aile_ aan het oostelijk

gedeelte van het meer van Genève begonnen te oriënteren. Het was

een heerlijke namiddag; het blaauw des hemels, hier reeds schoon,

als de hemel van Italië, scheen in helderheid en doorschijnendheid

met dat van de watervlakte te wedijveren; ongestoord wierp het licht,

dat reeds begon naar het westen te dalen, zijne stralen op het meer,

slechts aan het zuidelijk gedeelte door de schaduwen van het hoog

gebergte bepaald. De koude der sneeuwtoppen in het verschiet scheen

door de zachtheid der kleuren, waarvan zij schitterden, getemperd;

en het duister der schaduw, die de groene heuvels digt aan den oever

op het water wierpen, werd door lichtstralen, door de rotsopeningen

heendringende, gebroken.

Het verwondert u niet, wanneer gij in de lieflijke wandeldreven van

Vevay dit heerlijk uitzigt geniet, dat de dichterlijke verbeelding

van Jean Jacques hier de helden van zijnen roman ten tooneele voerde;

ja het kost uwe minder dichterlijke verbeelding weinig moeite, als gij

op deze door de natuur begunstigde plaats aan uwe linkerzijde Chillon

en Clarens en tegenover u de rotsen van Meillerie ziet, ze wederom

met die personen te bevolken, wier bestaan gij hier bijna niet in

twijfel zoudt durven trekken, schoon gij ook zeker weet dat zij er

nooit bestonden. "_Allez à Vevay,_" zoo beroept er zich de auteur

zelf op, "_visitez le pays, examines les sites, promenez vous sur le

lac, et dites si la nature n'a pas fait ce beau pays pour une Julie,

pour une Claire et pour un Saint Preux;--mais ne les y cherchez pas._"

Onder den invloed van al dat schoon, dat zij zagen, en ook van

hetgene zij niet zagen, maar zich aan den leiddraad van Rousseau's

verbeelding voorstelden, maakten onze vrienden den tour over Clarens,

Montreux, Chillon en Villeneuve naar Meillerie. Torteltak zocht met

belangstelling naar het plaatsje, waar de beroemdste aller eerste

kussen werd gegeven, en gevoelde zich sterk om hetzelfde effect te

sorteren en even opgewonden te worden als de minnaar van Julie, zoo

er maar eene even lieflijke dame te vinden was, die het met hem wilde

wagen; Holstaff treurde op de rotsen van Meillerie, en gluurde even

gevoelig en met hetzelfde succes, als de heer die er vroeger logeerde,

naar den overkant van het meer; met diepen weemoed betastte hij zijn

geluk, met dezelfde versierselen pronkende, die eens de trots en

het gelaat van Saint Preux uitmaakten; maar helaas! hij had ze op de

Fransche school overgeërfd, terwijl de ander ze aan de _Inoculation de

l'Amour_ dankte. Beide, hij en Torteltak, werden minzaam maar ernstig

door Pols aangevallen, die verklaarde, dat de _Nouvelle Heloise_ een

heel overdreven boek was, en dat hij al die kunsten van den minnaar

van Julie heel leelijke dingen vond, die niet te pas kwamen; dat hij

nooit zoo ver had moeten gaan van haar zijne liefde te verklaren,

ja zelfs dat hij haar nooit lief had moeten hebben; en dat hij, Pols,

wel altijd zou oppassen, een meisje, dat hij toch nooit kon trouwen,

zulke dingen in het hoofd te brengen. De Morder, schoon zich heel

weinig interesseerende in de historie, kon toch niet nalaten tegen

de koude berekenende nutbeoogers te ijveren, die, om den weg over

den Simplon te repareren, de rotsen van Meillerie zoo jammerlijk

hadden geschonden, en zich eenige niet zeer vleijende uitdrukkingen

te veroorloven tegen de monniken van den Saint Bernard die het bosquet

van Julie tot het tooneel eener houtveiling hadden vernederd.

Het begon intusschen avond te worden; de zon was al tot eene redelijke

diepte neergedaald, en de maan, die reeds eenigen tijd aan den hemel

had post gevat, wachtte met haar gewone geduld het oogenblik af, waarop

het licht des dags geheel zou zijn verdwenen om haar minder schoon maar

toch lief en vriendelijk aangezigt over de aarde te doen lichten. Zij

scheen niet jaloersch op de magt, die de koningin des dags over al wat

leeft uitoefent, en den schittergloed, waardoor deze haar flaauweren

glans overschenen en haar bijzijn naauwelijks deed vermoeden; evenmin

als menig eene dier lieve, oudere zusters, die op weinig schoonheid

kunnen roemen, en die, terwijl de beeldschoone jongste als _Reine du

Bal_ de feestzaal rondzweeft, met kalmte en gelatenheid tapisserie

maakt, totdat de vermoeide danser hare zuster eenen anderen _cavalier_

overlevert, en aan hare zijde komt uitrusten. De vrienden, die tot

St. Gingouph per rijtuig waren teruggekeerd, klommen hier af, om

over het meer naar Chillon te worden gevoerd. Dat zij nog steeds in

opgewonden stemming verkeerden, bleek aan de wijze, waarop zij zich

tot de schippers wendden, en als eene gunst verzochten, in hunne

vaartuigen de blaauwe wateren van het meer te mogen doorklieven,

en de gereedheid, waarmede zij den hoogen prijs betaalden dien deze

Savoyardsche natuurkinderen, in hunne naïve begeerte naar vreemd

goud, eischten; daar zij het heiligschennis zouden hebben geacht,

met de bewoners van dit aardsche Paradijs over een zoo nietig ding,

als geld, te twisten.

Wanneer in onze dagen reizigers het kasteel van Chillon binnentreden,

dan bekommeren zij zich gewoonlijk weinig om het doel, waarmeê Amedeus

IV het vóór zes eeuwen stichtte, en geven zij zich naauwelijks de

moeite om op te merken, waarom het door zijne ligging en sterkte voor

de Graven van Savoye van zooveel belang was. Met weinig opgewondenheid

bezoekt men de ruime vertrekken, waar nog sporen der weelde en

grootheid van het vorstelijk huis te ontdekken zijn, omdat men in de

geheele reeks van Graven en Hertogen minder belang stelt, dan in den

edelen staatsgevangene, in wiens kerker men met weemoed vertoeft.

"Chillon! thy prison is a holy place,

And thy sad floor an altar--for 't was trod,

Until his very steps have left a trace,

Worn, as if thy cold pavement were a sod,

By Bonnivard!--May none those marks efface!

For they appeal from tyranny to God."

't Was al vrij duister, toen ons reisgezelschap den trap naar den

onderaardschen kerker afdaalde. Door de naauwe opening, hoog in den

muur van het gewelf, drong evenwel nog juist zooveel licht door,

als noodig was om al de akeligheid van het verblijf te vertoonen.

"'t Is hier een beroerde inrigting voor een gevangenis," zei De Morder:

"je kunt waarachtig geen hand voor oogen zien."

"Ik vind het een allermelancholiekst verblijf," zei Pols.

"Kunt gij u begrijpen," viel Veervlug in, "dat Bonnivald zich hier

zes jaren heeft kunnen amuseren?"

Holstaff stond reeds met de hand aan den ring, die den gevangene

aan den pilaar had vastgekluisterd, en betastte de steenen zuil,

door de wrijving der steenen uitgehold. Zijn medegevoel in het lot

van Bonnivald was bij deze gelegenheid zoo sterk, dat hij later aan

zijne vrienden verklaarde, in de vijf minuten, die hij aan dien pilaar

doorbragt, al de smarten, angsten en verschrikkingen geconcentreerd

te hebben gesmaakt, die de voorstander van Genève's privilegiën en

vrijheid in zes jaren gevoelde, en die "zijne hairen vergrijsden en

zijn wenkbraauwbogen vergraauwden."

Ons reisgezelschap was evenwel niet het eenige in de _souterrain_ van

Chillon. Een heer en twee dames waren eenige oogenblikken vroeger,

geleid door de cipiersvrouw, neêrgedaald. De heer was een Geneefsch

geleerde, van omtrent veertig jaren, waarvan hij er vijfentwintig

onafgebroken had doorgebragt in het verzamelen van bouwstoffen voor

een allerbelangrijkst werk over den grooten Johannes Calvinus, dat,

behalve eene uitvoerige uiteenzetting van 's mans handelingen met

betrekking tot de Hervorming, ook een allerherderst licht zou werpen

over zijne daden en lotgevallen, die daarmede niet in betrekking

stonden. Twee jaren had hij besteed in onderzoekingen, of de groote man

in den morgen of in den namiddag van den 10 Juli 1509 was geboren, en

vervolgens had hij eene reis ondernomen, om uit te vorschen, welke de

juiste ouderdom zijner moeder was, toen zij hem ter wereld bragt; iets

dat hij, na zeven jaren omwandelens en voor 20,000 francs onkosten,

thans met vrij groote waarschijnlijkheid wist te bepalen. Op die reis

had hij echter, behalve deze belangrijke aanwinst voor de wetenschap,

ook nog eene merkwaardige aanwinst voor zichzelven gedaan, daar hij

juist te Nojon, in Picardye, een meisje had leeren kennen, dat hem

geschikt voorkwam den roem met hem te deelen, dien hij zich door zijne

geleerde schriften zou verwerven. Sedert zeven jaren was deze vrouw

aan hem verbonden, en nog steeds naar de lauweren wachtende. Zij was

hem in dien tusschentijd eene bijna even trouwe hulpe geweest, als

wijlen de gade Trommii haren gemaal. Zij was eene dier lieflijken,

die den pligt om haren echtgenooten hunne gebreken onder het oog te

brengen, zoo ver drijven, dat zij hen van den morgen tot den avond

met aantijgingen en verwijten overladen, en die meesterlijk de kunst

verstaan, om op het pad harer geliefden de rozen zóó te strooijen,

dat de doornen hun de voeten kwetsen moeten. Zij was ruim dertig

jaren oud en niet misdeeld van schoonheid, hoewel op haar gelaat

minder aantrekkende bevalligheid gevonden werd, dan wel een zeker

iets, dat respect inboezemde en aanried, een betamelijken afstand

te houden, en denken deed aan de triviale uitdrukking van katjes,

die men niet zonder handschoenen moet aanraken.--De andere dame, die

bij dit gelukkige echtpaar behoorde, was eene nicht, een zacht jong

meisje van achttien jaren, die door tante uit louter goedgunstigheid

en medelijden was opgenomen, daar deze zich om harentwil de opoffering

getroost had eene meid minder te houden, en die door den lieven toon,

waarop zij bejegend werd, meermalen tot tranen toe werd geroerd, en

alzoo tot de overtuiging kon komen, dat het zoogenaamd genadebrood

geen droog eten is.

"En was Bonnivard getrouwd?" vroeg de Geneefsche geleerde aan de

cipiersvrouw.

"Ik heb ten minste een romantisch verhaal gelezen," antwoordde deze,

"waarin vermeld stond van zijne gade, die van verdriet stierf."

De Geneefsche geleerde had op zijne lippen om te zeggen: "Dan had

zijne gevangenschap ten minste ééne goede zijde!" Maar gelukkig hield

hij het binnen, en zei liever: "Het was dan toch ook verschrikkelijk

hard voor die vrouw!"

"Ten minste als hij haar gelukkig maakte," merkte zijne gade aan. "Daar

zijn anders wel echtgenooten, wier bijzijn, eerder dan hun afzijn,

hunne vrouwen in het graf zou helpen."

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 27 / 43 题