HOOFDSTUK XXII.

Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den voortvlugtigen

_Van Aartheim_ handelt.

Eene schaakhistorie kan onaangename gevolgen hebben; dit ondervonden

onze vrienden. Maar dat er toch ook tallooze genoegens en veel

genietingen aan verbonden zijn, meende Torteltak, schoon hij nooit

geschaakt had, gerust te kunnen gelooven; en dus, als hij aan

de beeldschoone Anglaise uit het _Hôtel Colbert_ dacht, en zich

voorstelde, hoe aardig Van Aartheim, die nu toch waarlijk bleek

de schaker te zijn, den tijd met haar zou doorbrengen,--als hij

beredeneerde, hoe sterk hare liefde voor zijn vriend moest wezen, om

haar tot zulk een stap te doen besluiten,--dan kon hij bemerken, dat

zijn hart niet alleen voor heel veel liefde, maar ook voor evenveel

jaloezie vatbaar was. Dat hij zich, in hetgeen hij van hare liefde

dacht, niet vergiste, maar wel in hetgeen hij van ongestoord geluk

bij Van Aartheim veronderstelde, bleek hem uit een brief, dien hij,

twee dagen na zijn vertrek uit Bern, te Lausanne ontving.

Hoewel nu dit schrijven veel licht over de zaak verspreidde, en dus

voor den Bernschen Policie-Commissaris van het hoogste belang zou zijn

geweest, bleef er over vele zaken, en vooral over Van Aartheim's wijze

van handelen, nog zoo veel duisters, dat Torteltak maar ten halve

tevreden was. "Ik ben zeer gelukkig," schreef hij onder anderen,

"dat ik mijne geliefde heb kunnen redden van de gevaren, die haar

bedreigden. Ik heb mijn pligt gedaan, door haar tot een stap te

bewegen, die evenwel de oorzaak zal wezen, dat velen haar en mij

zullen veroordeelen. Nu, daar ik haar steeds aan mijne zijde zie,

heb ik daaraan een onuitsprekelijk genot te danken; maar het wordt

vergald door het denkbeeld, dat ik haar spoedig weêr zal moeten

verlaten,--dat ik door heilige pligten gedrongen word, wat mij het

liefst op de wereld is, aan nieuwe gevaren bloot te stellen,--en dat

ik haar, die zoozeer bescherming behoeft, de mijne moet onttrekken. Ik

kan u in deze vlugtige oogenblikken niet meêdeelen, hoe al die zaken

tot elkander in verband staan; maar dit moet ik u zeggen, dat ik tot

_Miss_ Cleford in de naauwste betrekking sta, dat ik haar gedurende

mijn vijfjarig verblijf in Engeland heb leeren kennen en dus moeten

beminnen, en dat ik waarschijnlijk nu reeds haar gelukkige echtgenoot

zou zijn, zoo niet de dood harer moeder haar onder de voogdijschap

van een wreed, slecht mensch had gesteld. Helaas, dat ik niet kan

voortgaan, zoo als ik begonnen ben, om mij tegen zijne schandelijke en

willekeurige handelwijze te verzetten! Ik word hiertoe aan den eenen

kant gedrongen door mijne lieve Jenny, die niets vuriger verlangt, dan

zich, op welke wijze ook, van haren voogd te ontslaan, en die behalve

dat bereid zou zijn, zich elke opoffering om mijnentwil te getroosten;

maar aan den anderen kant... Helaas! ik ben zeer ongelukkig." Hij

eindigde zijnen brief met de vrienden tegen den Engelschman te

waarschuwen, tegen wien hij had opgemerkt, dat Polsbroekerwoud met

regt kwade vermoedens had opgevat.

"Die waarschuwing verzoent mij weêr geheel met hem," zei Pols, toen

Torteltak den brief had voorgelezen.

"Maar zij komt beroerd laat," gromde De Morder.

"Ik wou toch dat ik den goeden jongen van dienst kon zijn," zei Pols,

die al de onaangenaamheden van Bern weêr vergat, en gelukkig zijn

noteerboekje niet voor zich had, waarop de boeten en kosten in een

geregtelijk proces de grootste post waren; "ik zou dien Mijnheer

Lurgrave wel eens willen spreken. Ik geloof dat ik hem, door bedaard

redeneren en door hem eens goed aan te tasten, wel tot betere gedachten

zou kunnen brengen. Jammer maar, dat die kerel niets dan Engelsch

schijnt te praten."

"Ik vind dat Van Aartheim wat beter door moest tasten," merkte

Torteltak aan; "ik wou wel eens zien, als ik het met het meisje eens

was, dat een voogd mij belette het doel mijner wenschen te bereiken."

"Ik voorzie een ongelukkig einde," zei Holstaff, "ik houd het er voor,

dat wij onzen vriend voor het laatst gezien hebben, tenzij wij hem

nog eenmaal aantreffen, door verraad omgebragt, terwijl de schoone

Interlaaksche bij zijn lijk nederknielt."

"Kom, kom!" zei Veervlug: "alles komt te regt. Ik stel mij liever voor,

nog eens op zijne bruiloft te galopperen, dan dat ik nu mijne voeten

al tot den begrafenispas exerceer."

Het was jammer voor Van Aartheim, dat de goede wil zijner vrienden

hem niet dienen kon; maar gelukkig, dat zij niet in de gelegenheid

gesteld werden, om te beproeven wat zij bij Lurgrave vermogten;

want het zou misschien in dezen gegaan zijn, zoo als het dikwijls

in de wereld loopt: door al te groote lievigheid en zucht om ons van

dienst te wezen, bereiden dikwijls onze vrienden, die weinig inzigt

in de zaken hebben, en even weinig menschenkennis, den weg, die ons

lijnregt naar den afgrond leidt; en als wij dan in de diepte zijn

neêrgevallen, troosten zij zichzelven en ons met: "Wij hebben toch

alles gedaan wat wij vermogten."

_Sir_ William Lurgrave was er niet direct de man na, om zich door

den eerzamen Rotterdamschen burgerman te laten ompraten. De redenen,

waarom hij het huwelijk zijner nicht met Van Aartheim belette, waren

aan weinigen buiten hem bekend; maar dat hij andere plannen met

haar had, was aan _Miss_ Cleford duidelijk geworden, toen hij haar

een zwaar gekneveld Franschman als zijn vriend had voorgesteld, tot

wien hij hoopte nog eenmaal in nadere betrekking te zullen staan. De

verloopen vriend was evenwel voor Van Aartheim niet gevaarlijk geweest;

want Jenny was niet bijzonder gesteld op een echtgenoot, in de school

der _débauches_ tot die betrekking gevormd, en de Franschman, die

op zijn dertigste jaar reeds afgeleefd was, kwam haar daarom niet

achtingswaardiger voor. Zij behoorde tot die dames, die in haar

gemaal minder ophebben met een prématuren ouderdom, dan met een,

die na een welbesteden jeugd volgt.

Wij zijn intusschen genoodzaakt _Miss_ Cleford met haren minnaar aan

hun goed fortuin over te geven, en hopen dat zij hunnen vervolger

steden ver achter zich zullen laten; want te Lausanne vinden wij in de

aanteekeningen onzer vrienden nog niets naders omtrent hun lot vermeld.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 26 / 43 题