Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den voortvlugtigen
_Van Aartheim_ handelt.
Eene schaakhistorie kan onaangename gevolgen hebben; dit ondervonden
onze vrienden. Maar dat er toch ook tallooze genoegens en veel
genietingen aan verbonden zijn, meende Torteltak, schoon hij nooit
geschaakt had, gerust te kunnen gelooven; en dus, als hij aan
de beeldschoone Anglaise uit het _Hôtel Colbert_ dacht, en zich
voorstelde, hoe aardig Van Aartheim, die nu toch waarlijk bleek
de schaker te zijn, den tijd met haar zou doorbrengen,--als hij
beredeneerde, hoe sterk hare liefde voor zijn vriend moest wezen, om
haar tot zulk een stap te doen besluiten,--dan kon hij bemerken, dat
zijn hart niet alleen voor heel veel liefde, maar ook voor evenveel
jaloezie vatbaar was. Dat hij zich, in hetgeen hij van hare liefde
dacht, niet vergiste, maar wel in hetgeen hij van ongestoord geluk
bij Van Aartheim veronderstelde, bleek hem uit een brief, dien hij,
twee dagen na zijn vertrek uit Bern, te Lausanne ontving.
Hoewel nu dit schrijven veel licht over de zaak verspreidde, en dus
voor den Bernschen Policie-Commissaris van het hoogste belang zou zijn
geweest, bleef er over vele zaken, en vooral over Van Aartheim's wijze
van handelen, nog zoo veel duisters, dat Torteltak maar ten halve
tevreden was. "Ik ben zeer gelukkig," schreef hij onder anderen,
"dat ik mijne geliefde heb kunnen redden van de gevaren, die haar
bedreigden. Ik heb mijn pligt gedaan, door haar tot een stap te
bewegen, die evenwel de oorzaak zal wezen, dat velen haar en mij
zullen veroordeelen. Nu, daar ik haar steeds aan mijne zijde zie,
heb ik daaraan een onuitsprekelijk genot te danken; maar het wordt
vergald door het denkbeeld, dat ik haar spoedig weêr zal moeten
verlaten,--dat ik door heilige pligten gedrongen word, wat mij het
liefst op de wereld is, aan nieuwe gevaren bloot te stellen,--en dat
ik haar, die zoozeer bescherming behoeft, de mijne moet onttrekken. Ik
kan u in deze vlugtige oogenblikken niet meêdeelen, hoe al die zaken
tot elkander in verband staan; maar dit moet ik u zeggen, dat ik tot
_Miss_ Cleford in de naauwste betrekking sta, dat ik haar gedurende
mijn vijfjarig verblijf in Engeland heb leeren kennen en dus moeten
beminnen, en dat ik waarschijnlijk nu reeds haar gelukkige echtgenoot
zou zijn, zoo niet de dood harer moeder haar onder de voogdijschap
van een wreed, slecht mensch had gesteld. Helaas, dat ik niet kan
voortgaan, zoo als ik begonnen ben, om mij tegen zijne schandelijke en
willekeurige handelwijze te verzetten! Ik word hiertoe aan den eenen
kant gedrongen door mijne lieve Jenny, die niets vuriger verlangt, dan
zich, op welke wijze ook, van haren voogd te ontslaan, en die behalve
dat bereid zou zijn, zich elke opoffering om mijnentwil te getroosten;
maar aan den anderen kant... Helaas! ik ben zeer ongelukkig." Hij
eindigde zijnen brief met de vrienden tegen den Engelschman te
waarschuwen, tegen wien hij had opgemerkt, dat Polsbroekerwoud met
regt kwade vermoedens had opgevat.
"Die waarschuwing verzoent mij weêr geheel met hem," zei Pols, toen
Torteltak den brief had voorgelezen.
"Maar zij komt beroerd laat," gromde De Morder.
"Ik wou toch dat ik den goeden jongen van dienst kon zijn," zei Pols,
die al de onaangenaamheden van Bern weêr vergat, en gelukkig zijn
noteerboekje niet voor zich had, waarop de boeten en kosten in een
geregtelijk proces de grootste post waren; "ik zou dien Mijnheer
Lurgrave wel eens willen spreken. Ik geloof dat ik hem, door bedaard
redeneren en door hem eens goed aan te tasten, wel tot betere gedachten
zou kunnen brengen. Jammer maar, dat die kerel niets dan Engelsch
schijnt te praten."
"Ik vind dat Van Aartheim wat beter door moest tasten," merkte
Torteltak aan; "ik wou wel eens zien, als ik het met het meisje eens
was, dat een voogd mij belette het doel mijner wenschen te bereiken."
"Ik voorzie een ongelukkig einde," zei Holstaff, "ik houd het er voor,
dat wij onzen vriend voor het laatst gezien hebben, tenzij wij hem
nog eenmaal aantreffen, door verraad omgebragt, terwijl de schoone
Interlaaksche bij zijn lijk nederknielt."
"Kom, kom!" zei Veervlug: "alles komt te regt. Ik stel mij liever voor,
nog eens op zijne bruiloft te galopperen, dan dat ik nu mijne voeten
al tot den begrafenispas exerceer."
Het was jammer voor Van Aartheim, dat de goede wil zijner vrienden
hem niet dienen kon; maar gelukkig, dat zij niet in de gelegenheid
gesteld werden, om te beproeven wat zij bij Lurgrave vermogten;
want het zou misschien in dezen gegaan zijn, zoo als het dikwijls
in de wereld loopt: door al te groote lievigheid en zucht om ons van
dienst te wezen, bereiden dikwijls onze vrienden, die weinig inzigt
in de zaken hebben, en even weinig menschenkennis, den weg, die ons
lijnregt naar den afgrond leidt; en als wij dan in de diepte zijn
neêrgevallen, troosten zij zichzelven en ons met: "Wij hebben toch
alles gedaan wat wij vermogten."
_Sir_ William Lurgrave was er niet direct de man na, om zich door
den eerzamen Rotterdamschen burgerman te laten ompraten. De redenen,
waarom hij het huwelijk zijner nicht met Van Aartheim belette, waren
aan weinigen buiten hem bekend; maar dat hij andere plannen met
haar had, was aan _Miss_ Cleford duidelijk geworden, toen hij haar
een zwaar gekneveld Franschman als zijn vriend had voorgesteld, tot
wien hij hoopte nog eenmaal in nadere betrekking te zullen staan. De
verloopen vriend was evenwel voor Van Aartheim niet gevaarlijk geweest;
want Jenny was niet bijzonder gesteld op een echtgenoot, in de school
der _débauches_ tot die betrekking gevormd, en de Franschman, die
op zijn dertigste jaar reeds afgeleefd was, kwam haar daarom niet
achtingswaardiger voor. Zij behoorde tot die dames, die in haar
gemaal minder ophebben met een prématuren ouderdom, dan met een,
die na een welbesteden jeugd volgt.
Wij zijn intusschen genoodzaakt _Miss_ Cleford met haren minnaar aan
hun goed fortuin over te geven, en hopen dat zij hunnen vervolger
steden ver achter zich zullen laten; want te Lausanne vinden wij in de
aanteekeningen onzer vrienden nog niets naders omtrent hun lot vermeld.