HOOFDSTUK XXI.

Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en zijne vrienden

het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft achtergelaten.

De geruchten, die 's morgens te Interlaken in omloop waren geweest,

dat _Miss_ Cleford door Lurgrave en Van Aartheim was geschaakt,

waren wat den laatsten betreft misschien gegrond, maar de eerste was

er tot zijne groote wanhoop volkomen onschuldig aan. Niet voor in

den morgen had de Engelschman het geval vernomen; en de natuurlijke

wijze, waar hij zijne woede in vloeken en verwenschingen openbaarde,

en de haast, waarmede hij in eene postchais vertrok, om de vlugtenden

te achterhalen, deden vermoeden dat, zoo hij eenigzins in het geval

betrokken was, hij zich dan met de rol van _dupe_ moest vergenoegen.

In weinige uren had Lurgrave Bern bereikt; doch daar het voortvlugtige

paar bijna zes uren op hem vooruit had, en hij volstrekt niet wist,

welken kant zij heengegaan waren, behoefde het hem niet te verwonderen,

dat zij hem niet dadelijk bij zijne intrede in die stad onder de

oogen kwamen. Hij vond het evenwel naar den staat der zaken behoorlijk

steeds woedend te blijven, en zich in dollen ijver tot de policie te

wenden, om Van Aartheim, die hem zijne nicht en pupil, _Miss_ Cleford,

had ontvoerd, te doen gevangennemen, schoon deze waarschijnlijk het

Bernsche territoir reeds uren ver achter zich gelaten had; en om tevens

vijf Hollandsche heeren, die nog dien dag in de stad zouden aankomen,

als medepligtigen aan dat feit te doen arresteren.

Ten gevolge hiervan genoten onze vrienden te Bern eene eer, die hun

nog nergens was te beurt gevallen. Van hooger hand waren terstond

toebereidselen gemaakt om hen naar behooren te recipiëren; en toen

zij nu aan de _Porte d'en bas_ gekomen waren, en hunne paspoorten

hadden overgelegd, vonden zij twee policiebeambten gereed om hen naar

hun hotel te geleiden, terwijl een derde van hunne aankomst aan de

overheid berigt ging brengen.

Met bevreemding sloeg het vijftal, gewoon om bijna onopgemerkt in

de Zwitsersche steden aan te komen, al de beleefdheden gade, waarvan

zij de voorwerpen waren.

"Neemt men omtrent alle vreemdelingen deze formaliteiten in

acht?" vroeg Veervlug aan een hunner geleiders.

"Volstrekt niet," antwoordde deze; "maar omtrent ulieden zijn ons

buitengewone orders gegeven."

"Het is zeker een misverstand," fluisterde Pols Torteltak in; "zij

houden ons vast voor vermomde Hertogen en Prinsen."

Deze merkte evenwel in de policiebeambten, schoon in zeer versleten

lichtblaauw uniform gekleed en met dikke knuppels gewapend, weinig

op, dat hem aan eene eerewacht deed denken; en ook de blikken, die de

steeds aangroeijende volksmenigte op hen wierp, schenen iets anders

uit te drukken, dan de opgewondenheid en toejuiching, die het gemeen

gewoonlijk aan Prinsen en Vorsten, hetzij inlandsche of vreemde,

met vreugde ten koste legt.

Tot dusverre was deze deftige ontvangst evenwel niet onaangenaam;

want behalve dat onzen vrienden de moeite bespaard werd om den weg

naar het _Hôtel du Faucon_ te vragen, werden zij in de gelegenheid

gesteld om met één _coup d'oeuil_ een groot gedeelte van de Bernsche

bevolking te zien; maar toen zij nu in het hotel waren aangekomen,

en zich voorstelden, zonder al die getuigen op hun eigen gelegenheid

een wandeling door de stad te gaan maken, contrarieerde het hen

eenigzins dat de geleiders hen verzochten eerst het bezoek van den

Policie-Commissaris af te wachten.

Dit bezoek kwam spoedig. Een donkerblaauw heer, die aan de natuur en

aan zijne ouders één been te danken had, en aan de kunst van zijn oom,

een talentvol timmerman, het andere, strompelde de kamer in; zijne

zijde was versierd met een degen, zijne hand gewapend met een stok,

waarvan de knop een beer voorstelde, en, naar de uitgewerktheid van

het kunststuk te oordeelen, een zoodanige, tot welks fatsoenering de

moederlijke tong nog weinig heeft bijgedragen De eigenaar van dit

alles haastte zich een stoel te bereiken, zijne leden, zoover zij

daarvoor vatbaar waren, tot zitten te buigen, en het kunstproduct

zijns ooms onder de tafel te wringen.

"Mag ik vragen," zei Polsbroekerwoud, wiens verbazing hoe langer hoe

grooter werd, "mag ik vragen, waaraan wij de eer..."

"Accoord," antwoordde de Commissaris; "maar niemand heeft hier iets

te vragen dan ik."

En terwijl hij dit zeide, ontvouwde hij eenige papieren, waaronder

zich ook de reispassen der vrienden bevonden; en een er van in handen

nemende, riep hij: "Wie uwer is Eduard van Torteltak?"

"Die ben ik," zei deze.

"Dan zult gij mij op de volgende vragen zonder omwegen en zonder

terughouding antwoorden. Hoe heet gij?"

"Wel, Eduard van Torteltak, denk ik."

"Dat is een ontwijkend antwoord, maar dat misschien veel licht over

de zaak zal verspreiden. Hoe oud zijt gij?"

"Drieëntwintig jaren."

"Nog zoo jong," riep de Commissaris verontwaardigd uit, "en dan al

medepligtig aan een schelmstuk, dat naauwelijks in een oud afgeleefd

man moest opkomen!"

"Mijnheer! ik verzoek explicatie van zulke beleedigende uitdrukkingen."

"Accoord, Mijnheer! maar ik heb hier geen explicatie te geven. Van

waar zijt gij dezen morgen gekomen?"

"Van Interlaken," antwoordde Torteltak met verkropte woede.

"Accoord," zei de Commissaris; "dat verspreidt licht over de zaak."

Successivelijk werden al de vrienden één voor één opgeroepen, om

hunnen naam, ouderdom en laatste nachtkwartier op te geven, en de

Commissaris, die alles naauwkeurig opteekende, merkte aan, dat de

zaak hoe langer hoe meer helderheid verkreeg. Eindelijk stond hij op,

verklaarde het verhoor afgeloopen, en haalde uit zijne papieren een

tarief, krachtens hetwelk ieder der heeren genoodzaakt was hem 1

franc en 4 Batzen voor zijn onderhoudend gezelschap te betalen. De

vrienden bragten hiertegen maar niet veel in, daar zij hoopten, dat

hiermede de zaak aan een einde zoude zijn. Maar helaas! voordat de

Commissaris vertrok, gaf hij den policiebeambten de uitdrukkelijke

order, om niemand der arrestanten een minuut uit het oog te verliezen,

en te zorgen, dat geen hunner het hotel verliet.

"Dat wordt te erg!" riep Veervlug, zich tusschen den Commissaris en de

deur plaatsende. "Ik zeg u, Mijnheer, dat wij zulk eene willekeurige

manier van handelen moede zijn, en dat wij, zonder ons verder aan

deze hemelsblaauwe verklikkers te storen, onzen weg zullen gaan."

"Accoord," zei de ambtenaar; "dat zou licht in de zaak geven." En

zich tot de policiedienaars wendende, voegde hij er bij: "Zoodra een

hunner oproerig wordt, zendt gij om assistentie, en wij zullen hen

naar het _Blauhaus_ transporteren."

Deze uitspraak van den Commissaris verspreidde zooveel licht over

de treurige omstandigheden, waarin onze vrienden zich bevonden, dat

zij elkander wanhopig begonnen aan te zien; want het _Blauhaus_ te

Bern, dit wisten zij, heeft wonderlijk veel overeenkomst met hetgeen

men elders spin-, rasp-, tucht- of in het algemeen correctioneel

gevangen-huis noemt.

Wanneer men op reis, door slecht weer, of door gescheurde kleeren, of

door gekwetste voeten, of door andere dergelijke dikwijls voorkomende

omstandigheden, genoodzaakt is een ganschen namiddag en avond in zijn

logement door te brengen, en men heeft geene brieven naar huis te

schrijven,--als dan het tarief der comestibles en de prijscourant

der wijnen grondig bestudeerd zijn, de uren van het vertrek van

diligences en stoombooten meermalen zijn nagezien, de vreemde

couranten herhaalde reizen zijn doorgeloopen, de verteringen van den

laatsten dag naauwkeurig zijn opgeteekend,--dan weet men al niet veel

bijzonders meer te doen, dan zijn naam op de glasruiten te snijden,

met de voeten de zandfiguurtjes op den vloer te derangeren, of zich

door andere dergelijke opwekkende amusementen den tijd te korten. Dan

komt dikwijls bij den reiziger voor plaisir de vraag op, waarom hij

zich nu niet liever in zijn gezellig studeervertrek, of in zijn nog

gezelliger familiekring kan bewegen; dan vergeet hij somtijds al de

genoegens, die hij reeds op zijne togten gesmaakt heeft, en die hem

nog wachten, en komt hij langzamerhand tot de overtuiging, dat een

booze daemon de eerste uitvinder van het reizen is, om ongelukkige

stervelingen van verveling en heimwee te doen omkomen.

In een toestand, aan dezen grenzende, bevonden zich Pols en zijne

vrienden in het _Hôtel du Faucon_ te Bern. En was het wonder? Waren

zij niet de treurigste slagtoffers van hunnen reislust? Verleid door

de voorstelling van verscheiden weken, door geen enkele zorg gekweld,

in volkomen ongestoorde vrijheid, niets dan genot te smaken, hadden zij

den togt aanvaard. Helaas! hoe verschillend van deze voorstelling was

de uitkomst? Moesten zij daarom smarten gevoeld, ongemakken verdragen,

gevaren getrotseerd hebben, om eindelijk honderde mijlen van hunne

woning hunne vrijheid te verliezen, als gevangenen te zuchten, en

misschien als veroordeelden in eenen kerker te verkwijnen? En dat

alles onschuldig!

"Waren wij ons maar van eenig misdrijf bewust," riep Pols uit;

"dan zou die pijnigende onzekerheid ons zoo niet kwellen."

"Maar ik geloof niet, dat die bewustheid ons veel geruster zou maken,"

merkte Torteltak aan.

"Wij zijn slagtoffers van een schandelijk verraad," troostte zich

De Morder.

"Als onze betrekkingen in Holland het hooren, treuren zij zich dood,"

wond Holstaff zich op.

"De receptie van die Bernsche Beeren laat veel te wenschen over,"

zei Veervlug, die door dit gezegde weêr een weinig vrolijker werd.

In deze en dergelijke uitroepingen werd het eerste uur na het vertrek

van den Policie Commissaris doorgebragt.

"Ik moet toch eens zien, dat ik er achter kom," zei Pols, en zich

daarom tot een der bewakers wendende, die standvastig bij de deur post

hielden, stopte hij hem twee Zwitsersche francs in de hand. "Daar,

vriend! dat is voor u."

"Dankje wel, Mijnheer!" zei de vriend.

"Maar zeg mij nu eens, wat is de reden, dat wij hier gevangen moeten

blijven?"

"Ik kan u op mijn woord verklaren, dat ik er niets van weet," was

het antwoord.

Pols had dus de satisfactie, voor omtrent negenentwintig stuivers

Hollandsch te vernemen, dat de policiedienaar even weinig van de zaak

begreep als hij.

"Als Mijnheer het mij gevraagd had," zei de andere wachter vrij luid

tot zijn confrater, "dan....

"Wat dan?" vroeg De Morder driftig, terwijl hij de handgreep met de

francs, die hij van Pols bespied had, navolgde.

"Dan zou ik den heeren hetzelfde antwoord hebben moeten geven," zei

de wachter, terwijl hij dankbaar het geld opstak; "maar ik heb anders

ook nog wel gemerkt, dat het niet gemakkelijk met u zal afloopen;

ik heb al hooren praten van het _Schallenwerk_."

De Morder vernam dus meer voor zijn geld dan Pols, vooral toen

de vriendelijke policiedienaar door de verklaring van het woord

_Schallenwerk_, als synoniem met _dwangarbeid_, nog eenig meerder

licht over de zaak verspreidde.

Deze mededeeling gaf aanleiding tot nieuwe aanmerkingen, te veel om

op te noemen, en misschien zouden zij zich dien avond doodgetreurd

hebben, zoo niet Torteltak uit voorzigtigheid drie flesschen wijn en

twee spellen kaarten had doen aanrukken. Beide deze troostgronden

vonden tamelijk goeden ingang bij de gevangenen, en menig potje

_commerce_ werd door menige flesch Neuchateller vervrolijkt. Tamelijk

opgewonden gingen zij naar bed, en sommigen hunner merkten niet eens,

dat de onbezweken trouwe wachters de deuren hunner slaapkamers achter

hen afsloten.

Den volgenden morgen ten negen ure kwam er eene aanschrijving van den

Policie-Commissaris, ten gevolge waarvan zijne beambten de vrienden

uitnoodigden tot eene wandeling naar de _Rathhausplatz_, om eene

contra-visite aan den vriendelijken bezoeker van gisteren te brengen.

De zaal in het _Rathhaus_ te Bern, waar Schout en Vennerheeren van den

kleinen Raad zich met civile, correctionele en criminele affaires bezig

houden, heeft nog al overeenkomst met vele andere geregtszalen. Boven

den schoorsteen staat een geblinddoekte juffrouw met weegschalen,

waarin niet altijd gewogen wordt; links en regts van haar hangen

schilderijen, waarop Salomo en Brutus op de meest gebruikelijke wijze

worden voorgesteld. Dit standbeeld en deze afbeeldingen zijn zoodanig

geplaatst, dat zij den delinquenten terstond in het oog vallen en

met schrik vervullen, en tevens geen invloed kunnen uitoefenen op

de uitspraak der regters, voor wie zij door de hooge ruggen hunner

gestoelten verborgen zijn. Deze daarentegen hebben vlak het gezigt

op eene groote klok, opdat ze, in de drukte hunner bezigheden, nooit

het etensuur vergeten mogen. Voorts ligt op het groene kleed der tafel

voor ieder gestoelte eene massa wit papier, dat altijd zuiver blijft,

en eenige versneden pennen, die nooit met inkt bemorst worden. Een

balie scheidt dit gedeelte der zaal af van een kleine tusschenruimte,

voor het publiek afgezonderd, en waarin tien à twaalf personen op

elkaêr kunnen worden gepakt.

Voordat het evenwel onzen vrienden vrijstond, al deze merkwaardigheden

in oogenschouw te nemen, moesten zij twee en een half uur in de kamer

der aangeklaagden vertoeven, een klein afgeschoten hokje, waarin

nooit zon of maan indiscrete blikken kan werpen, en dat overigens een

allergeschiktst vertrek is voor die soort van zieken, welke zich van

frissche en gezonde lucht moet menageren.

Het was dus voor allen eene aangename boodschap, toen het berigt kwam,

dat de Raad voltallig was, en de aangeklaagden voor moesten komen. Kalm

en onverschrokken, gerust op hunne onschuld, traden zij de zaal binnen,

en geen hunner beefde terug voor de tabbaarden van den ouden Schout

en de jonge Vennerheeren, schoon daaruit diepe doordringende blikken

op de misdadigers te voorschijn kwamen.

Het begin van dit verhoor had veel van het vroegere. De Schout begon

weêr te vragen: "Joachim Polsbroekerwoud, hoe is uw naam? Hoe oud zijt

gij? Van waar kwaamt gij gisteren alhier aan?" en zoo voorts met al

de aangeklaagden. Tusschen ieder dezer vragen vond de President het

evenwel noodig, eens te kugchen en omtrent de inkleeding der volgende

vraag zijnen buurman, een der jonge Vennerheeren, te raadplegen,

iets dat daarom geschiedde, zoo als de vrienden later vernamen,

omdat de tachtigjarige Schout aan eene volkomene memorieloosheid

laboreerde. Zijn mederegter aan de andere zijde hield zich intusschen

onledig met zijn repetitiehorlogie, dat driemaal in elke vijf minuten

aan de geheele vergadering verkondigde, hoe laat het eigenlijk was.

Toen deze allergewigtigste vragen tot aller genoegen beantwoord

waren, wees de buurman den President, dat hij zich tot den Policie

Commissaris moest wenden, waarop Zijn Ed. Achtb. de vraag uitbragt:

"Werner Birnbaum, hoe is uw naam?" maar, terstond door gemelden buurman

nader ingelicht, zijne vraag veranderde in: "Welke zijn uwe rapporten

omtrent de arrestanten?"

Deze diende hierop een verslag in, hoe op Maandag den 24sten Juli

A. D. 1837, na de stichting van Bern het 646ste, des namiddags ten half

vier ure, door de poort van Solothurn, of, gelijk zij thans genoemd

werd, _la Porte d'en bas_, in de stad Bern waren binnengekomen vijf

personen, welker namen blijkens hunne paspoorten waren, enz.

Hoe hij, Werner Birnbaum, eerste Commissaris van Policie van Bern,

_Préfekture Bern_, _Division du centre_, _Canton Bern_, nadat hem

hunne paspoorten waren overgeleverd, zich begeven had naar het _Hôtel

du Faucon_ in de _Rue des Juifs_, waarheen zijne beambten gemelde

personen hadden geleid, enz.

De slotsom zijner berigten was, dat voor het grootste gedeelte de

mondelinge verklaringen der arrestanten omtrent namen en ouderdom

overeenkwamen met hetgeen dienaangaande op hunne passen was

aangeteekend, met uitzondering evenwel van de verklaring van Eduard

van Torteltak, die omtrent zijn naam onzeker scheen, en Joachim

Polsbroekerwoud, die voor zijn ouderdom 35 jaren had opgegeven,

terwijl hij op zijn pas slechts 34 jaren had bereikt;--dat, wat de

signalementen betrof, alles in orde was, behalve dat bij de _signes

particuliers_ op de pas van August Holstaff geen melding gemaakt wordt

van de naden, die, gelijk Schout en Vennerheeren zichzelve konden

overtuigen, zijn gelaat versierden. Dat hij voorts aan den Raad in

bedenking gaf, of de paspoorten op zichzelve wel geldig waren als

Hollandsche paspoorten, omdat er geen enkel woord Hollandsch in te

lezen stond.

De Regter met het repetitie-horlogie, dat gedurende dit verslag

achtentwintig malen geslagen had, proponeerde, om de zaak te

bespoedigen, deze kleine verschillen over het hoofd te zien, daar

de stukken op de Bureaux van Buitenlandsche zaken zelden met zulk

eene nauwkeurigheid werden bewerkt, dat zij het examen van een

Policie-Commissaris konden doorstaan. Wat de taal betrof, waarin

de stukken waren opgesteld, hij kon verzekeren, dat het Fransch

in Holland de algemeen gebruikelijke taal was, en dat slechts door

het gemeen en in enkele landprovinciën een _patois_ gesproken werd,

waarin misschien nog sporen van hetgeen men vroeger de Hollandsche

taal noemde, te ontdekken waren.

Deze juiste wederlegging werd door al de regters als voldoende

aangenomen, tot groote wanhoop van den Policie-Commissaris, die al

het licht, dat hij over de zaak verspreid had, plotseling in dikke

duisternis zag veranderen, en daar zijne werkzaamheden in deze zaak

afgedaan schenen, naar huis strompelde, waar hij zijn houten been,

stok en andere _insignia_ tot nader order in de kast wegsloot.

De vijf arrestanten en ook de Schout begonnen te hopen, dat nu ook

hunne taak was afgedaan, toen de laatste op nieuw aan zijnen tabbaard

werd getrokken en den Procureur van den raad verzoeken moest, de

eigenlijke beschuldiging voor te dragen.

Hierop stond een lang, bleek menschenhater van zijnen zetel op,

en sprak eene soort van verhandeling uit, waarin hij aantoonde,

dat de verdorvenheid des menschdoms zich openbaarde in het plegen

van gruwelen en misdaden; dat naarmate die verdorvenheid toenam, ook

het getal dier gruwelen en misdaden aanwies; dat de geschiedenis van

oudere en nieuwere tijden deze stelling door voorbeelden kon staven;

dat onder de misdrijven, het meest in gebruik eerste plaatsen toekwamen

aan moord, diefstal en vrouwenroof; en dat degenen, die zich op deze

gruwelen toelegden, gezegd konden worden tot het slechtste gedeelte

van het menschdom te behooren; dat hij met het diepste leedwezen,

ja zelfs met afgrijzen ontdekt had, dat van de laatstgenoemde dier

gruwelen hier de quaestie was; en dat hij zich met innige droefheid

gedrongen zag te verklaren, dat de naamlijst der vreemdelingen, die

Zwitserland tot het tooneel dezer menschonteerende handelingen hadden

verkozen, met de namen van Van Aartheim en zijne medepligtigen stond

vergroot te worden.

Hierop legde hij de aanklagt bloot van _Sir_ William Lurgrave, tegen

den voortvlugtigen schaker en de arrestanten hier tegenwoordig, wier

medepligtigheid nog wel niet ten volle bewezen was, maar, door gemis

aan directe bewijzen van het tegendeel, zeer waarschijnlijk werd;

en hij besloot zijne rede met te betoogen, dat de eenige voldoende en

het kwaad in den grond weerende straf de doodstraf was, blijkens de

voorbeelden der Heeren Von Schwanau en Wolfenschiess, die, in vroeger

eeuw door de jongelingen van Art en door den beleedigden Conrad von

Baumgarten omgebragt, zich later nooit meer aan dergelijke gruwelen

te buiten gingen; maar daar de wet, in hare veroordeelenswaardige

zachtheid en kwaadaanmoedigende laxiteit, zulk eene straf voor de

genoemde misdaad niet toestond, hij zich vergenoegen moest met

den eisch tegen de vijf gedaagden, hier tegenwoordig van eene

gevangenisstraf van 20 jaren en eene geldboete van 1000 _francs_.

Nadat de lange heer zijn gemoed in deze lieve oratie had lucht

gegeven, nam hij zijne plaats aan de groene tafel weêr in, en

de Schout, die zich weêr aan den tabbaard voelde trekken, bragt

de vraag in het midden, of men nu niet tot het condemneren zou

overgaan. Zijn buurman met het repetitie-horlogie vond het niet

kwaad, mits het spoedig geschiedde, daar het uur verliep en hij

dien middag visch moest eten. Een der andere Vennerheeren evenwel

maakte ZEd. Achtb. opmerkzaam, dat het niet direct met de wet zou

strijden, indien men vooraf den gedaagden gelegenheid gaf, om hunne

verontschuldigingen voor te brengen.

De verbazing, waarin al, wat zij gezien en gehoord hadden, de vrienden

gedompeld had, maakte het hun in den beginne moeielijk een woord te

uiten. In het eind stond Veervlug, door zijne betrekking den loop van

regtszaken eenigzins begrijpende, op, en maakte in weinige woorden

aan den Raad bekend, dat zij niet alleen niet medepligtig aan, maar

zelfs geheel onkundig van het feit waren, aan Van Aartheim ten laste

gelegd; dat een zijner vrienden een briefje van dien heer had, hetwelk

misschien de regters zou kunnen overtuigen, maar dat hij in allen

geval eischte, dat de aanklager zijne bewijzen tegen hen aanvoerde.

Hierop nam de procureur het briefje van Torteltak in handen, hetwelk

hij verklaarde nooit _à décharge_ te kunnen getuigen, als in eene

taal geschreven, die niemand der regters verstond, maar veeleer de

suspicie tegen hen scheen te versterken, daar voor de handteekening

de zeer verdachte letters T. T. gelezen werden. De Vennerheer naast

den Schout vond het laatste verzoek van Veervlug, om de bewijzen van

den aanklager te hooren, evenwel zeer billijk, en stelde daarop de

gewone manoeuvre bij ZEd. Achtb. buurman in het werk, waarop deze

een beambte gelastte, den aanklager William Lurgrave te ontbieden.

De beambte kwam spoedig terug met het berigt, dat gemelde heer niet

meer in het _Hôtel de la Couronne_ te vinden was; en daar de heer met

het repetitie-horlogie den Schout bij zich ten eten verzocht had,

verklaarde de laatste de vergadering gesloten en geadjourneerd tot

morgen ten negen ure, hetwelk in de taal der ingewijden beteekent

tusschen half twaalf en twaalven.

De arrestanten hadden verlof naar hunne kamer in het _Hôtel

du Faucon_ terug te keeren, waar zij dien avond, in plaats van

_commerce_, _treize_ speelden, en Champagne in plaats van Neuchateller

dronken. Daar is niets, dat den mensch zoo debaucheert, als geforceerd

arrest.

De tweede zitting had den volgenden morgen in dezelfde zaal en op

hetzelfde uur plaats. Maar de leden van den kleinen Raad te Bern

waren heden in pijnlijke onzekerheid. De aanklager was nergens meer te

vinden, en de kastelein uit _de Kroon_ had verklaard, dat hij zijne

rekening had betaald en was voortgereisd. Toen dus de arrestanten

weêr binnenkwamen, drong de Schout in het eerst aan op eene spoedige

bekentenis, maar zag daar spoedig van af, omdat de beschuldigden

niets te bekennen hadden. Wederom trok zijn buurman aan den tabbaard,

en na het gewoonlijk daarop volgende consult, verzocht de Schout met

luider stemme den Procureur tot de strikvragen over te gaan. Deze

vroeg hierop, met doordringende blikken de arrestanten aanziende,

welke de kleur was der japon, die _Miss_ Cleford aan had, toen zij

geschaakt werd; hoeveel paarden er voor de postchais stonden, waarin

de vlugtelingen waren vertrokken; met welke hand Van Aartheim haar in

het rijtuig had geholpen, enz. De vrienden ontkwamen gelukkig uit al

deze listig gesponnen valstrikken, en de regters begonnen zich zeer

weinig op hun gemak te gevoelen.

Zij maakten dus gebruik van den in die positie noodigen en

gebruikelijken maatregel. De arrestanten moesten buiten staan.

De uitslag der beraadslagingen van Schout en Vennerheeren kwam

hierop neêr:

"De kleine Raad, etc.

Overwegende, dat de aanklager zijne beschuldiging niet met bewijzen

gestaafd heeft, maar heimelijk is vertrokken;

"Verklaart hem buiten eisch gesteld.

"Overwegende verder, dat de aangeklaagden niet van medepligtigheid,

hun ten laste gelegd, kunnen beschuldigd worden;

"Verklaart hen van beschuldiging ontheven.

"Edoch: de Raad overwegende, dat een der partijen de kosten van het

proces moet betalen;

"Dat degene, ten wiens laste zij moesten komen, door af te reizen,

zich aan die betaling heeft onttrokken;

"Is genoodzaakt van de andere partij de kosten te eischen.

"Maar tevens overwegende, dat de wet niet toestaat de kosten te

eischen, dan van de partij, ten wiens nadeele het vonnis geveld is;

"Overwegende, dat de aangeklaagden, door vroeger in betrekking te

hebben gestaan tot den vermoedelijke schuldige, den schijn des kwaads

tegen zich hebben;

"Echter in aanmerking nemende, dat zij, volkomen onschuldig schijnende,

ligt dienen te worden gestraft;

"Veroordeelt hen tot eene geldboete van 5 Batzen, en alzoo ook tot

betaling der kosten."

De vrienden betaalden met vreugd de boete, en ook met bereidwilligheid,

schoon niet met vreugd, de kosten, ten bedrage van 176 Zwitsersche

francs en 7 1/2 Batzen.

Het was geen half uur later, toen Joachim Polsbroekerwoud en zijne

vrienden de stad Bern verlieten, en zij zouden misschien in wanhoop

terstond naar Holland zijn teruggekeerd, zoo zij niet bemerkt hadden,

dat zij de _Barrière de Morat_ waren uitgegaan, en den weg naar

Friburg waren ingeslagen.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 25 / 43 题