Waarin zoo vele zaken voorkomen, dat het moeielijk zou wezen,
de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen.
Daar zijn verliezen, die niet treffend zijn, die niemands medegevoel
opwekken, waarbij het geen mensch zal invallen deelneming te betuigen,
waarvan dikwijls te spreken zelfs bespottelijk schijnt, maar die met
dat al verliezen zijn. Zoodanig was voor Polsbroekerwoud de dood
van zijn getrouwe Mijntje. De goede man was altijd zeer aan haar
gehecht geweest. Zij behoorde tot de nalatenschap zijner ouders; zij
had hem van zijne vroegste jeugd af met zorg en liefde overladen;
hij wist dat zij geheel en alleen voor hem leefde, en het was hem
gewoonte geworden alle huiselijke zaken door haar te zien besturen,
en bij zijne afwezigheid te weten, dat zij op haar post was en alles
goed behartigde. Daarom ook was hij altijd goed en vriendelijk, en
zelfs, schoon het nooit opspraak gaf, dikwijls vertrouwelijk met haar
geweest. Deze manier van omgaan was misschien wel heel _mauvais genre_;
want Mijntje was toch maar een meid, en zij werd voor al wat zij deed
betaald. Een fatsoenlijk mensch voldoet immers aan zijne verpligting,
als hij aan zijne dienstbaren, voor den tijd dien zij hem wijden, de
moeite die zij zich om zijnentwil getroosten, de zorg die zij aan zijne
zaken besteden, en de liefde waarmeê zij al wat hem aangaat bejegenen,
een jaarlijksch loon uitbetaalt, en meer nog dan hij verpligt is,
als hij hun eene kermis- of nieuwjaarsfooi toereikt. Waartoe woorden
aan hen te verspillen, zoo zij niet dienen moeten om orders te
geven? waartoe een blik op hen te slaan, dan om hen te doen zien, dat
hij om het minst verzuim gramstorig is? Een fatsoenlijk man bewaart
den afstand, die tusschen hem en zijne dienstboden bestaan moet,
somtijds eene uitzondering makende met jonge en mooie kameniers,
jegens welke hij kan meenen nog andere pligten te moeten vervullen.
Polsbroekerwoud was een burgerman, en koesterde ook in deze zeer
burgerlijke begrippen. Hij ging hierin zelfs zoo ver, dat hij meende,
dat dienstbaren somtijds onbetaalbare diensten kunnen bewijzen,
en onder dezulken telde hij zijn overledene Mijntje. Het scheen hem
dus een gemakkelijke pligt, haar altijd vriendelijk te bejegenen;
hij stelde er zich wezenlijk genoegen van voor, haar, die hem in
zijne jeugd zoo goed verzorgd had, eenen onbezorgden ouderdom te
verzekeren. Door haren dood werd hij hierin teleurgesteld en daar er
ook nog vele andere plannen voor de toekomst door verijdeld werden,
liet de noodlottige tijding nog langen tijd een zeer droevigen indruk
op hem na. Hierbij kwam het denkbeeld, dat, zoo hij te huis gebleven
was, de zaken misschien anders zouden geloopen zijn, schoon hij wel
wist dat zijne tegenwoordigheid haar niet in het leven zou hebben
behouden, maar dat hij dan toch in allen gevallen nu zelf over alles
het oog kon laten gaan.
De reis ging evenwel verder. Over de Vierwaldstädtersee voer men
naar Alpnach, en wandelde langs de meren van Sarnen en Lungern naar
den Brünig, om zoo het Berner Oberland te bereiken. Maar Pols ging
langzaam en zwijgend naast Aloys Stadler voort. Hij merkte naauwelijks
de schoonheden van het lieve kanton Unterwalden op; want in zijne
gedachten wandelde hij langs de Rotte bij zijne geboortestad, liet
zich aan de molens in het Zwaanhals overzetten, en trok als pelgrim
naar Krooswijk, om te zien waar de laatste rustplaats der overledene
was bereid.
Van het begin der excursie door het Oberland staat geen enkel woord
in zijn dagboek opgeschreven. Wij weten nogtans, dat hij Meyringen,
den Reichenbach en Handegg heeft bezocht; en het eerst vinden wij
zijne aanteekeningen weêr te Briënz, "aangekomen Zondag den 23 Juli,
des namiddags ten 2 ure, en van daar in een schuitje vertrokken
naar Interlaken, om _en passant_ den Giessbach te gaan bezigtigen,
in gezelschap van drie vreemde heeren."
Men had in het logement te Briënz deze vreemdelingen ontmoet. Zij
waren nog jonge menschen, schoon in bedaardheid van toon en deftigheid
van kleeding hunnen leeftijd twintig jaren vooruit. Een hunner had,
behalve de gewone bestanddeelen van een menschelijk aangezigt, nog een
schildpadden bril op den neus, kennelijk met effen, ongeslepen glazen,
maar die hij toch, waar iets bijzonder de opmerkzaamheid verdiende,
tot verheldering der voorwerpen uit de nabijheid zijner oogen
verwijderde. De tweede trok terstond de aandacht door de kunstige wijs,
waarmeê zijne bovenlip was omgekruld en aan zijn neus vastgehecht,
welke speling der natuur evenwel door een zwart bandje over de lip
en om de wangen gebonden, ten deele werd verborgen. De derde had met
gedekten hoofde niets opmerkelijks; maar als hij den hoed afnam, stond
men in twijfel of zijn hoofd zich bevlijtigde om door zijn haar heen
te groeijen, of dat het door een kapper bediend werd, die geen ander
model van haardragt kende, dan dat der bedelmonniken. Weinige maanden
geleden had dit drietal de Akademie van Zurich verlaten, met documenten
begiftigd, waardoor het hun vrijstond hunne systemata, of die hunner
hoogleeraren, op de ligchamen van het lijdende menschdom te appliceren.
Het was een warme middag, waarop dit gezelschap den togt over het
meer van Briënz ondernam. Dit ondervonden voornamelijk de roeijers,
drie stevige knapen, wie het zweet langs het aangezigt gudste, zonder
dat daarom hun ijver, om de schuit in eene snelle vaart te houden,
een oogenblik verflaauwde.
"Het is een ongezond leven, dat die schippers leiden, blootgesteld
aan hitte en koude," zei een der doctoren tot zijne compagnons, die
met hem onder den rooden parapluie van Stadler den fellen zonneschijn
ontweken; "zulke menschen kunnen nooit oud worden."
"Dat merk ik aan mijn vader," viel een der roeiers in: "die heeft
zijn heele leven op het meer gezwalkt, en is nu pas even zeventig;
verleden week maakte de stumpert nog een _spatziergang_ naar den
Faulhorn, om levensmiddelen in het _Kulmhaus_ te brengen, en hij kwam
nog zoo frisch als een hoen te huis."
"Dat is verbazend!" riep Pols uit.
"'t Is _contra naturam_," zei de doctor met de hazenlip.
"'t Zal hem nog wel eens opbreken," hernam zijn confrater met den
schildpadden bril.
"Ik zal hem de boodschap doen," zei de knaap; maar hij fluisterde een
zijner makkers toe: "Ik zat toch nog liever in de taaije verbrande
huid van den oude, dan in het bleeke vel van dien opbreker."
Van Aartheim was intusschen met Stadler in gesprek geraakt over de
Bergmannetjes, die in ouden tijd in het Oberland zulk eene groote
rol hadden gespeeld, en vernam tot zijne groote verbazing, dat dit
geslacht nog niet was uitgestorven; dat zij nog dikwijls te middernacht
op de hoogten vergaderden, en zich dansende den tijd kortten, en dat,
naarmate zij veel of weinig passen uitvoerden, de oogst rijkelijker of
schraler was. Hij werd evenwel gerustgesteld door de verzekering, dat
de kwaden onder hen verdwenen waren, sedert de vijftig dappere ridders
den grooten vrouwenschaker van het Haslithal, die het opperhoofd dier
booze geesten was, hadden verslagen.
De vrienden gaven hun verlangen te kennen, om iets naders van deze
belangrijke gebeurtenis te vernemen, en Aloys Stadler voldeed aan
hunne nieuwgierigheid door het volgende verhaal:
"Vóór eeuwen stond er op eene rots van den Hasliberg een kasteel,
door een ringmuur van ongenaakbare hoogte beschut, en van peilloos
diepe afgronden als grachten omgeven.
"De ridder, wien het toebehoorde, was uit verre streken gekomen, en
was jong en schoon. Hij leefde in zijn slot in weelde en overdaad;
vijftig knechten bedienden aan zijne tafel uit gouden schotels,
en vijftig maagden schonken hem wijn in gouden bekers.
"Als hij een togt door het dal deed, was hij door honderd geharnaste
ruiters vergezeld, met lange slagzwaarden gewapend; maar onder die
allen blonk hij uit door schoonheid en vlugheid, en de kracht waarmeê
hij zijn wapen zwaaide. De bewoners van het Haslithal kruisten zich en
sidderden, als hij hunne woning voorbijreed. Want de heilige kluizenaar
uit de grot had hun verhaald, dat hij met den Booze omging; en zij
zelve hadden te middernacht dwalende vlammen om de torens van zijn
kasteel gezien. Maar de schoone meisjes, die hem zagen voorbijrijden,
merkten op, dat de Booze er niet zoo verschrikkelijk uitzag, als
hunne ouders haar wel wilden doen gelooven.
"Maar sedert de ridder aan den Hasliberg woonde, werd er eens in
elke zeven weken door onzigtbare geesten een meisje uit het dal
geschaakt. Dit deden de kwade bergmannetjes, die in dienst van den
boozen ridder stonden. En na zeven weken keerde het meisje op dezelfde
manier terug, met een gouden beker in de hand, en had wonderen te
verhalen van het betooverde paleis, waar zij geweest was, maar ook
naar den zin der ouders al te veel wonderen van den schoonen ridder,
die haar geliefkoosd had.
"De ouders uit het dal en ook de jongelingen, wier bruiden met
gouden bekers begiftigd waren, deden dagelijks een bedevaart naar
den kluizenaar in de grot, die vastte en zich kastijdde, om het land
van die plaag te verlossen. Deze troostte hen altijd met de hoop,
dat weldra de Booze verjaagd zou worden, maar dat nog de tijd niet
gekomen scheen.
"Maar toen reeds vijftig van de honderd schoone meisjes van het
Haslithal door den ridder waren ontvoerd, kwam eens de kluizenaar
zelf in het dal, en verkondigde den bewoners, dat er den volgenden
dag redding zou komen.
"En ziet, daar kwamen in den vroegen morgen vijftig Noordsche
ridders, die een kruistogt naar het Heilige Land hadden gemaakt,
en die bij den terugkeer in het Oberland waren verdwaald geraakt,
en de beenderen eens Heiligen met zich voerden. Deze, door den
kluizenaar uit de grot aangemaand, ondernamen het den ridder te
bestrijden. Zij reden, met zwaarden en speren gewapend, tot aan den
voormuur van het slot. Maar toen zij naderden, opende zich de poort,
en vijftig vreeselijke bloedhonden vertoonden honderd rijen scherpe
tanden. Doch de kluizenaar hield hun de beenderen van den Heilige voor,
en de honden stortten gillende in den afgrond.
"Toen reden de dappere ruiters het slot binnen, versloegen de
krijgsknechten van den boozen ridder, die door dit wonder verschrikt
waren, staken het kasteel in den brand, en bleven het bewaken tot
het tot asch en puin was vernield; en zij zagen hoe de booze zelf in
vlammen verterend in den afgrond stortte.
"In zegepraal keerden de ridders naar het Haslithal terug, en dronken
wijn met de geredde landbewoners; maar de kluizenaar keerde terstond
weder naar zijn grot.
"Maar toen den volgenden morgen de ouders der vijftig maagden, die
nog niet in de magt van den Booze geweest waren, ontwaakten, waren
de ridders vertrokken, en ook de dochters waren niet te vinden. En
eenige dagen later keerden de meisjes terug, wel zonder gouden bekers,
maar toch niet veel onschuldiger dan hare speelnooten.
"De ramp en de redding beide waren in den beginne zeer onaangenaam
voor de minnaars in het Haslithal; maar toch zij gewenden zich
langzamerhand aan het denkbeeld dat er iets bijzonders met hunne
schoonen gebeurd was: en toen de minnaars er genoegen in namen,
schikten de meisjes en de moeders zich ook. En sedert dien tijd is
de eer bij de schoonen van het Haslithal eene zoo onverschillige zaak
geworden, dat de moeders zonder eenig bezwaar hare dochters voor geld
aan vreemdelingen afstaan."
"Zoo, is het dan toch waarheid, dat er nog altijd zulke mooie
meisjes in het dal gevonden worden, en dat de moeders er zoo raar meê
omspringen?" zei Torteltak, toen Stadler zijn verhaal geëindigd had:
"wij hadden dat toch wel eens kunnen gaan opnemen."
Pols vond de laatste aanmerking van zijn vriend alles behalve gepast,
en om dus eene andere wending aan het gesprek te geven, merkte hij
aan, dat het zeer warm was, speciaal op de plaats waar hij zat,
daar de zon hem vlak in het aangezigt scheen.
"Gij zult zeker spoedig hinder van de warmte hebben?" vroeg de doctor
met den schildpadden bril: "permitteer mij, dat ik u den pols eens
voel."
Pols stak zijne hand uit, en de medicus zag hem weldra zeer bedenkelijk
aan. Hij reikte vervolgens den arm van onzen vriend aan zijne beide
collega's over, die volkomen van dezelfde opinie schenen te zijn.
"Een congestieus gestel," zei de doctor met de hazenlip. "Mijnheer is
zeer vatbaar voor apoplexie. Hebt u nog nooit attaques van beroerte
gehad?"
"De Hemel beware mij!" riep Pols verschrikt uit.
"Ik herinner mij," zei de collega met de kale kruin, "eens met iemand
in gezelschap geweest te zijn, die juist zoo'n pols had als de uwe,
en die, bedaard met mij pratende, op een oogenblik dood bleef."
Pols, die toch al niet in de aangenaamste stemming dit togtje begonnen
had, werd door deze aanmerkingen niet vrolijker.
"Een streng dieet, rust en vermijding van alles wat echauffeert,
is misschien het eenige, dat u nog wat in het leven kan behouden,"
merkte de medicus met den schildpadden bril aan.
Het schuitje lag terwijl aan den Giessbach stil. Stadler noodigde de
heeren uit om het steile bergpad te beklimmen, een togtje dat niet
veel verkoeling beloofde, want de zon scheen brandend op het mulle
zand. Pols was wel ongerust, dat het hem kwaad zou doen; maar toch,
hij wilde niet gaarne achterblijven. Bevende van agitatie kwam hij
boven, en onder weg sprong hem de neus aan 't bloeden.
"_Molimen naturae_," merkte een der doctoren aan.
"'t Is een geluk," zei een zijner collega's; "zonder dat zou het mij
niet verwonderd hebben, als Mijnheer dood boven gekomen was."
Voor het _Wirthshaus_ aan de watervallen kommandeerden de vrienden
goeden Rijnwijn. Pols vroeg aan een der _medici_, of een glas water
niet beter voor hem zou wezen.
"Beter althans dan wijn," zeide deze; "maar 't zou u nu misschien te
veel verkoelen."
Onze vriend verfrischte zich dus op den warmen namiddag met een glas
laauw water en melk.
Wij willen op deze plaats geen uitspraak doen in het steeds
hangende geschil tusschen onderscheidene reisbeschrijvers, aan
welke der watervallen de voorkeur moet gegeven worden, dien van den
Reichenbach of dien van den Giessbach. De laatsten stroomen misschien
tusschen digter geboomte en zijn rijker aan water, twee zaken, die
het effect niet benadeelen; maar bij den eersten zijn de rotspunten
gemakkelijker te bereiken, tegen welke de nederstortende waterstroom
gebroken wordt. Dit ondervonden voornamelijk Veervlug en De Morder,
die, bijzonder begeerig om den oorsprong der cascades in oogenschouw
te nemen, als gemzen tegen de steilten opklommen, maar met minder
gemakkelijkheid en vlugheid dan deze hunnen weg naar de laagte wisten
weêr te vinden. De laatste ging zelfs zoo ver, dat hij zijn voet op
een lossen steen plaatste, terwijl hij nog driehonderd voeten van
den vlakken grond verwijderd was, aan het glijden raakte en in een
oogenblik vijftig voeten neêrdaalde, tevens een halfsleten jas en
een nieuwen zomerpantalon aan flarden scheurende.
"Dat kunt ge vlug," riep Veervlug hem toe, die terwijl aan een boomtak
hing te spartelen.
De Morder was gelukkig te land gekomen op een rotspunt aan de derde
cascade, waar hij veilig stond, maar evenveel uitzigt had om ooit weêr
het vaste land te bereiken, als wijlen Robinson Crusoe, gedurende de
vele maanden, die hij in stille afzondering van het menschdom sleet.
"Ik weet toch ook waarlijk niet, waar al die waaghalzerij toe dient,"
riep Pols, wien het angstzweet uitbrak over het lot zijner vrienden.
"Als hij in de cascade verdwaald raakt, wordt hij tot pap vermorseld,"
merkte de doctor met de hazenlip aan.
"En ook zonder dat," zei zijn collega met de kale kruin, "als hij
maar van de helft dier hoogte afvalt, is hij weg. Ik heb eens iemand
getrepaneerd, die zoo'n val gedaan had; maar met dat al, den volgenden
dag was hij er om koud."
"Help de heeren dan toch!" riep Pols den _guide_ toe.
Maar deze, die van de oogenblikken rust bij de herberg gebruik maakte
om zijne schoenen te lappen, antwoordde heel bedaard, terwijl hij den
pikdraad door het leder trok: "Voorloopig zie ik er nog geen kans
toe; want de plaats waar die eene heer staat, is ongenaakbaar. Ik
zal er den kastelein eens over spreken; want ik voor mij ben nooit
gids geweest op de ontoegankelijke rotsen van den Giessbach."
Veervlug was terwijl beneden gekomen, met de noodige schrammen en
bulten voorzien. Hij scheen volstrekt niet in de ongerustheid van Pols
over De Morder's lot te deelen; want hij voerde hem glimlagchende toe:
"'t Is jammer, dat het gedruisch van den waterval ons belet hem te
hooren; want ik denk dat hij weêr olijk aan 't brommen zal wezen."
Holstaff had al de klagten, die hij bijeen kon brengen, veil voor het
lot van zijnen ongelukkigen vriend; Van Aartheim en Torteltak trokken
hem met ladders, touwen en stokken te hulp; en ook Aloys Stadler,
toen zijne schoenen gelapt waren, met raadgevingen en aanwijzingen,
door zijne lange bergklimmende ondervinding gesuppediteerd. Het gevolg
van dit alles was, dat De Morder beneden kwam, en terwijl hij drie
glazen Rijnwijn inzwolg, verwenschingen uitbraakte tegen de beroerde
manier, waarop de wandelingen aan den Giessbach waren ingerigt.
Toen de grootste confusie, door dit geval veroorzaakt, wat over was,
noodigde de kastelein het gezelschap uit, om het beroemde concert
der bergbewoners te hooren, en de musicerende troep, grootendeels uit
zijne familie bestaande, schaarde zich in slagorde. De gevoelens der
reizigers over dit berggezang zijn zeer verschillend: sommigen, die
het in eene knorrige bui gehoord hebben, houden het voor krijschend
gegil; anderen, die er bedaard hun cigaar bij zaten te rooken,
vinden het lieve muziek; weêr anderen, die het na het gebruik van
eenige flesschen Rijnwijn vernamen, roemen het als hemelsche toonen,
zoo als men ze maar zelden op aarde hoort. Onze vrienden hadden er
aangename oogenblikken aan te danken, maar kwamen daarin overeen,
dat het beter moet voldoen in de open lucht, met accompagnement van
een gedruischmakenden bergstroom, dan in eene besloten zaal; weshalve
zij de zangers zouden raden, hunne concerten tot de rotsen van den
Giessbach te bepalen.
De overige uren, die het gezelschap verder op het meer van Briënz
doorbragt, gingen in kalm en ongestoord genoegen voorbij. Veervlug
neuriede van tijd tot tijd het laatste gedeelte der Ranz van
Oberhalsi na:
"Ach Schaetzeli habe gute Muth,
Am Frytig wei mer fahren,
Es ziger und Pelznideli
Das kast de essen lideli,
A dir will is nit spahren."
De doctoren openbaarden weinig ziektekunde meer; nog eenmaal slechts
vroegen zij aan Torteltak, die ten gevolge van gevatte koude een weinig
hoestte, of er niet vele leden zijner familie aan de tering gestorven
waren, en zij verontrustten zich over de gezonde kleur zijner wangen,
waarop zij hectische blesjes meenden op te merken. Torteltak behoorde
evenwel niet tot die menschen, die zich heel spoedig verontrusten,
en hunne vriendelijke en gepaste mededeeling maakte dus weinig indruk
op hem.
De avond begon reeds te vallen, toen men te Interlaken aankwam. Men
genoot dus niet het volle effect, dat de weelde dezer Engelsche
plaats in het midden der eenvoudiger en armere landstreek maakt;
maar men kon toch nog genoeg zien, hoe schitterend hare elegante
villa's tegen de nederige woningen der overige Zwitsersche dorpen
afsteken. Daar waren onder de vrienden, die terstond eenen kreet van
verontwaardiging tegen die verspillende Engelschen aanhieven, die al
het schoone der natuur door hunne kunst bedierven, en die zich niet
konden begrijpen, dat men, als men het buiten zoo heerlijk kan hebben,
zich binnen zoo op _comfort_ toelegt. Anderen hunner waren weêr van
meening, dat een elegant en smaakvol gebouw de schoone natuur zoo
veel niet meer tegenwerkt, als eene armoedige en bekrompen woning;
en die, helaas! zoo door den geest der weelderige negentiende eeuw
werden beheerscht, dat zij zich een genoegelijk buitenleven zonder
behelpen konden voorstellen, die een fijn dineetje in een lief en
luchtig salon op den duur de voorkeur gaven boven een rustiek maal
onder een ouden lindeboom; ja die zelfs liever in een zachten ronden
goedgevulden canapé de buitenlucht genoten, dan op de vierkante,
houten, groengeverfde, expresselijk daartoe vervaardigde tuinstoelen
der voorvaderen.
Tusschen deze elegante villa's gingen de vrienden voort, en hadden door
de geopende ramen en deuren het gezigt in prachtig verlichte zalen;
want onder de Engelsche natuurbedervers zijn zelfs aterlingen, die
niet elken avond tot 10 ure schemeren. Het meest echter rustte hunne
aandacht op de zaal van het groote _Hôtel Garni_ van Colbert, niet
zoo zeer om de pracht van het vertrek, als wel om eene der personen,
die er zich op dien oogenblik in bevonden. Het was een jong meisje
van misschien 18 of 20 jaren, een dier wezens, waaraan de natuur meer
moeite schijnt ten koste gelegd te hebben dan aan vijftig anderen,
maar zeker onder alle schoonen de schoonste. Heath heeft zijn _Book
of Beauty_ eenige jaren geleden met haar portret versierd, en men
zou moeijelijk eenen schoonheidskenner vinden, die het niet boven
al de ideale kopjes stelde, die in dat werk gevonden worden. Voor
iemand, die een afkeer heeft van een rijkdom van donkere lokken, die
over een sneeuwwit gelaat hare schaduw werpen, van heldere, teedere,
donkerblaauwe oogen, van geestig gevormde lippen, van fijne en tevens
volle ronde vormen, en van dergelijke zaken meer, had zij misschien
weinig aantrekkelijks. Onze vrienden behoorden niet tot dezulken; zij
toonden dit, door op de plaats, waar zij haar zagen, als vastgenageld
te blijven staan, en vonden geen termen om hunne verrukking uit te
drukken. Gelukkig was voor hen de duisternis, waarin zij zich bevonden,
en het heldere licht, dat de schoone omgaf; anders twijfelen wij,
of zij wel zoo lang ongestoord zouden hebben genoten. In het eind
vond Pols het gepast, zijn hart in deze woorden lucht te geven:
"Kijk, ik ben geen meisjesgek; maar om zoo'n engel zou ik in staat
zijn eene dwaasheid te begaan."
"Zij rappeleert mij volkomen een meisje," zei de doctor met de
hazenlip, "dat wij te Zurich in het ziekenhuis hebben gehad."
"Juist," zei zijn confrater met de kale kruin: "die meid van den
vischkooper; behalve dat die een weinig scheel keek."
"Ja wel," zei de derde collega: "ze is immers nog aan de pokken
gestorven. Weet je nog wel, hoe zwart zij op het laatst zag?"
De herinneringen, die het zien dezer schoonheid bij de _medici_
opwekten, werkten uit, dat de vrienden, om verdere dergelijke
aanmerkingen te ontwijken, met snellen tred voortstapten; vooral
scheen Van Aartheim door hun discours gekwetst, schoon hij het verst
van het raam was verwijderd geweest, en de minste aandacht aan de
schoone scheen te schenken. Ook Pols verliet eindelijk de plaats;
maar juist toen hij zich wilde verwijderen, zag hij een heer tot de
dame naderen, en zich vertrouwelijk naast haar nederzetten.
Hoe groot was zijne verbazing en schrik, toen hij in dien heer den
vreeselijken en gevreesden Lurgrave herkende! Haastig volgde hij de
vrienden, en besloot van zijne ontdekking niets meê te deelen, maar
een wakend oog over Torteltak te houden; want op eens stond hem weêr
het discours bij den leeuw te Lucern voor den geest.
Het kostte het zestal veel moeite in het drukbezochte Interlaken onder
dak te komen; eindelijk installeerden zij zich in het _Pension Baud_,
waar zij zich wel zouden moeten behelpen, maar toch dien nacht _logis_
konden krijgen. De drie doctoren moesten hen evenwel verlaten. Zij
namen nog in den laten avond een rijtuig aan naar Thun, waar zij
den volgenden dag een vergelijkend examen voor het stads doctoraat
moesten ondergaan. Te dien einde had men daar gezorgd, dat drie
policiebedienden, door veel op togten te staan, catarrhale koortsen
hadden gekregen, en had men drie gevangenen aangezegd, dat zij zich
tegen den volgenden morgen prepareren moesten, om hun regterbeen te
verliezen. Later werd door de vrienden vernomen, dat de _medicus_
met de hazenlip met den post begunstigd was, omdat hij in tien minuten
een diender aan het vomeren gekregen had, en in zestien en een halve
minuut het been eens misdadigers boven de knieschijf had geamputeerd.
In het _Pension Baud_ werd het overige van den avond niet al te
vrolijk doorgebragt. Pols maakte groote haast om de vrienden naar bed
te krijgen, en droeg vooral zorg, dat niemand hunner meer buiten de
deur kwam. Toen allen naar hunne kamers waren, ging hij zelf nog eens
op straat zien, of alles veilig was. Misschien was het zijne vrees,
of misschien dat werkelijk iemand zich bewoog,--hij meende in de
verte een man te ontdekken, die het huis bespiedde.
"Ziet gij daar niets?" vroeg hij den kastelein, die ook voor de
deur stond.
"Neen; waar moest dat iets wezen?" vroeg deze.
"Ik dacht dat ik wat boven dat jonge hout zag uitsteken."
"Ik zie niets dan den top van de Jungfrau," zei de kastelein.
"O, is het maar een _Jungfrau_" zei Pols, "dan is het niets; ik dacht
dat het een heer was."
Toen den volgenden morgen de vrienden zich aan het ontbijt verzamelden,
ontbrak Van Aartheim. Zij wachtten lang, maar informeerden eindelijk
bij den _Kellner_. Deze berigtte hun, dat die heer nog laat in den
avond vertrokken was, en een briefje voor den Heer Torteltak had
achtergelaten. Dit briefje behelsde, dat hij zich genoodzaakt zag,
hen voor eenigen tijd te verlaten, om redenen voor hem van het grootste
gewigt, maar dat hij hun spoedig nader bericht zou doen toekomen.
De reisgenooten zagen elkander verbaasd aan, maar nog meer, toen
weldra het gerucht hun ter ooren kwam, dat dien nacht de schoone
_Miss_ Cleford het _Hôtel Garni_ van Colbert had verlaten, en met
een Engelschman en een Hollander was doorgegaan.
"Dat had ik toch nooit achter Van Aartheim gezocht," zei Pols
verontwaardigd.
"Ik wist niet, dat men met dat meisje door kon gaan," zei Torteltak
peinzend.
"Die kunsten heeft hij den ridder van den Hasliberg afgezien,"
grinnikte Veervlug.
"Ik hield veel van Van Aartheim," zei De Morder; "maar ik dacht toch
altijd wel, dat hij het beroerd zou laten liggen."
Holstaff bragt zuchtend iets over het zedebederf der eeuw te berde.
"Komaan," zei Pols eindelijk, "het is niet anders. Wij moeten nu maar
zien, dat wij te Bern komen. Maar daar wij verder niet zullen dwalen,
konden wij, dunkt mij, hier wel met Stadler afrekenen.
Deze evenwel verzocht de reis uit liefhebberij meê te mogen maken. De
vrienden vonden dit heel aardig van hem; maar minder beviel het hun,
dat hij te Bern voor deze liefhebberij een dag geleide en een dag
retour in rekening bragt.