Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste dagen van
zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen bitter
wordt teleurgesteld.
Het is wel aangenaam voor vreemdelingen, in een hotel te logeren,
dat in eene niet al te breede straat gelegen is; want indien er in
zulk een straat nog al veel passage is, dan noemt men het een vrolijke
stand; dan kan men, op eene bovenkamer logerende, als men zijn ligchaam
ter halverwege uit het venster steekt, verscheidene menschen op het
hoofd zien, en eene aangename en bonte verwarring van vilten, stroo-
en zijden hoeden ontwaren; men heeft daarenboven den vrijen inkijk bij
de overburen, kan zich vermaken met het gezigt van heeren, die hunne
kin en wangen voor een scheerspiegeltje inzeepen; van dames, die een
kastanjebruinen tour over vuurroode haren vastbinden; van moeders, die
hare geluijerde lievelingen in zulk eene positie plaatsen, dat zij zich
bont en blaauw moeten schreeuwen; van oudere telgjes, die figuurtjes
op de glasruiten duimelen, en, als zij u ontdekken, dikwijls gereed
zijn u de inspectie hunner tongen te vergunnen; van dienstmeisjes,
die uit het raam van een bovenvertrek een luchtje scheppen, eene
bezigheid, waaraan zij bij hare mevrouwen den veelbeteekenenden
naam geven van eene kamer op te ruimen; indien verder de familie
in eene voorkamer dejeuneert, kan men opmerken, hoe oneindig veel
aftreksels men van eene zeer geringe dosis thee kan maken, en hoe
groot een aantal boterhammen de kinderen aan groote brokken in den
mond en kruimels op den grond kunnen consumeren. Men ziet dan schrale
en overdadige _dejeuners_, met slappe thee of met sterken Portwijn,
met magere boterhammetjes of met _foie gras_, met beefstuks of met
pillen; ja, daar zijn logementen, waar men de overburen met gloeijende
en saprijke sleep-asperges ziet ontbijten.
Dit genoegen misten onze reizigers in het _Hôtel du Cygne_ te Lucern,
daar dit logement ongelukkig niet in eene straat, maar aan het _Lac
des quatre Cantons_ is gelegen. Zij moesten zich dus vergenoegen met
het uitgestrekte uitzigt over het blaauwe meer, tot waar het zich
bepaald ziet door de bevallige heuvelen, rijk met dennen en ander hout
begroeid; daar achter zagen zij de lange bergketen van den vruchtbaren
Rigi met welig groen omzoomd, tot de sombere rotsen van den Pilatus,
tegen wier spitsen zich de wolken braken; het hoog en frisch geboomte
spiegelde zich in het helder doorschijnend water; vruchtbare velden
waren als een bloemenkleed tegen de helling des bergs uitgespreid,
en gaven eene aangename afwisseling aan het oog, dat in het verder
verschiet gerust had op de hooge bergrotsen, wier naaktheid alleen
door een sneeuwgewaad wordt bedekt.
Het kostte den vrienden weinig moeite om het den kastelein te vergeven,
dat hij aan deze plaats tot de oprigting van zijn etablissement de
voorkeur gegeven had boven de enge straten der stad. Moesten zij
zich al vergenoegen met het gezigt op bergen en meren, waar zich
slechts weinige menschen bewogen, in plaats van een groot aantal
hunner natuurgenooten in een klein bestek bijeen te zien; welnu, het
stond hun vrij hunne verbeelding den vollen teugel te laten, en het
liefste plekje, dat zij voor zich zagen, met die zij het liefst om
zich wenschten te bevolken. Het is een privilegie van den reiziger,
om eene landstreek, die hem bij uitstek bevalt, de zijne te denken, en
op die manier kan hij eigenaar zijn zonder kooppenningen te betalen,
en een talrijk gezelschap honderden mijlen ver overvoeren zonder een
stuiver reisgeld uit te geven. Het is een privilegie, waarvan vooral
jonge menschen, die in de kracht van hunnen wenschleeftijd zijn, die
nog niet al te veel in de wereld der wezenlijkheid te huis behooren,
en door een lange tehuisblijf-onderving tot het resultaat gekomen
zijn, dat er geen land beter is dan het hunne, en in dat land geen
plekje aangenamer dan juist dat, waar zij wonen, nog al eens gebruik
maken. Zij doen echter wijs, indien zij deze droomen en jeugdige
voorstellingen in hun eigen borst bewaren, en ze vooral niet aan
menschen, die wijs en van ondervinding zijn, meêdeelen; want velen
hunner zijn voorkomend genoeg, om den jeugdigen gloed, dien de tijd
langzaam en behoedzaam verkoelt, door hunne ijskoude aanmerkingen op
eenmaal uit te blusschen.
Daar waren er zeker onder de vrienden, die allen, met uitzondering
van Pols, reeds een geruimen tijd in den morgen op het balkon van het
hotel hadden neêrgezeten, wie de landstreek, op welke zij het uitzigt
hadden, tot zulke bespiegelingen aanleiding gaf. Zij hadden daarom
ook naauwelijks opgemerkt, dat hun waardige vriend heden tegen zijne
gewoonte laat uit zijne slaapkamer te voorschijn kwam, en misschien zou
zijne aankomst in hun midden nog niemands aandacht getrokken hebben,
zoo niet een extra glans van genoegen en de bijzondere sierlijkheid
zijner kleeding al te in het oog loopend was geweest. De blaauwe jas
toch had heden voor een zwarten rok plaats gemaakt; een uitvoerige
jabot kwam uit een wit vest te voorschijn, en een zomerpantalon
met roode streepjes (een patroontje, dat hem zijn kleêrmaker in
der tijd, als zeer gedistingueerd, had aanbevolen) voltooide zijn
kostuum; een treffend schoon horlogiebandje, met kraaltjes gewerkt,
hing over het vest, en eindigde in een kolossalen gouden sleutel,
opgevuld met menschenhaar, afkomstig van de hoofden van de oude lieden
Polsbroekerwoud en den jeugdigen Joachim zelven, voorgesteld onder
de gedaante van twee kirrende tortels en een jong duifje op den rand
van het nest.
Geen der vrienden kon de oorzaak bevroeden dezer belangrijke
gedaanteverwisseling. Pols was bij hen te wel bekend, als weinig werk
makende van zijn toilet; en schoon ook nu zijn dos alles behalve
datgene was dat men een goede kleeding noemt, hij scheen het er op
toegelegd te hebben, om eens mooi voor den dag te komen. De goede
man werd dus dadelijk met allerhande vragen bestormd, en had de
satisfactie van werkelijk effect te maken. In het eind gaf hij te
kennen, dat deze feestkleeding zijn gewone was op elken 22sten Juli,
als zijnde de belangrijke dag, waarop hij het eerste levenslicht had
gezien. Een stroom van gelukwenschen daalde nu neder over het hoofd
van den jarige, en men juichte hem toe wegens den inval om zich dezen
dag zoo feestelijk te tooien.
Deze uitdrukking was maar half in den geest van Pols. Hij was zoo
gewoon den dag, waarop hij geboren was, jaarlijks plegtig te vieren, en
hij had van zijne vroegste jeugd altijd zoo velen om zich gezien, die
dan in feestelijke stemming waren, dat het hem bijna vreemd voorkwam,
dat er menschen zouden kunnen bestaan, die den 22sten Juli niet als
een merkwaardigen dag beschouwden. Hij kon het zich nog voorstellen,
hoe hij als een klein kind op dit feest altijd zijn beste pak mogt
dragen; hoe hij 's morgens bij zijn ontwaken voor zijn bedje een
grooten koek zag liggen, met eene inscriptie _ter uwer verjaring_,
_op uwen geboortedag_, _tot gelukwensching_, of iets dergelijks, en
hoe dan de persoon, die hem deze verrassing bereid had, niemand anders
dan zijn goede Mijntje, het oogenblik van zijn ontwaken bespiedde,
om zijne vreugd te genieten; hoe hem dan beneden van vader en moeder
teedere omarmingen en warme kussen wachtten, en hoe hij begeerig
zijne oogen naar de tafel opsloeg, waar de feestgeschenken lagen
uitgespreid; hoe hij nooit op dien dag naar school behoefde te gaan,
maar zelf naar het afgebrande huis mogt wandelen, om besten _janhagel_
te koopen, waarop neef en nicht Van Kroesen en oom en tante Molslag
en Jansje uit de Lommerdstraat, als zij hunne gelukwenschen hadden
uitgestort, werden getracteerd. Hij stelde zich nog de avonden van die
feestdagen voor, waarop hij met dat lieve Jansje en nog een paar andere
nichtjes huishoudentje speelde; want in zijne kinderjaren behaagde
hem de conversatie met meisjes oneindig meer dan die met zijne woeste
kernuiten, aan welke hij dikwijls een blaauw oog of een bloedneus te
danken had. De verjaardagen uit dezen tijd van zijn leven stonden onzen
vriend het duidelijkst voor den geest, en gaven hem de genoegelijkste
herinneringen. Maar later toch ook waren het aangename feesten; de
_cadeaux_ werden langzamerhand grooter. Zijn vader schonk den leerzamen
jongeling bij zulke gelegenheden menig solied boekwerk: Van der Aa,
_Geschiedenis van den Oorlog_; Kok, _Vaderlandsch Woordenboek_, of
dergelijken. Zijne moeder liet altijd een kolossalen tulband bakken;
want ook de feesten werden deftiger, en Joachim wist zich reeds heel
goed als held van de partij te houden. Gedurende zijn verblijf te
Leyden plagt hij 's morgens eene uitgebreide waterchocolaadpartij te
geven, en verder eene lieve _soirée_ aan zijne uitverkorenen, waar
dan de stroopzolen en de peperkoek, die per pakschuit van Rotterdam
arriveerden, werden genuttigd. Was het dus wonder, dat Pols, die nog
nooit zijn verjaardag ongevierd had doorgebragt, zich ook heden te
Lucern in zijne feestkleeding vertoonde?
Helaas! dat het onschuldigst genoegen zoo vaak door de omstandigheden
wordt verstoord! Moest juist heden een heir van onaangenaamheden en
droevige voorvallen tegen den feestvierenden jongeling aanrukken? Moest
al zijne vreugde vergald worden, en zijn vijfendertigste verjaardag
met zwarte kleuren in zijn dagboek worden aangeteekend!
Toen men zich op weg begaf, om de merkwaardigheden der stad in
oogenschouw te nemen, moest men, daar het water van het meer door
zwaren regen en dubbelen toevoer van de bergstroomen tot eene onmatige
hoogte gestegen was, om uit het logement op de hoogere straten te
komen, over planken en noodbruggen voortgaan, daar de weg voor het
hotel geheel en al overstroomd was. Deze onaangenaamheid had evenwel
voor Pols iets aangenaams, daar het hem onwillekeurig aan Rotterdam
bij springvloed deed denken. Hij stapte dus vrolijk over de smalle
planken voort; maar ziet, eene calêche, die door het water heenrijdt,
passeert hem, en de onzachte beweging der paardenpooten in den
stroom is oorzaak dat zijn hagelwitte jabot geheel door slijkspatten
bezoedeld wordt. "Het is onaangenaam," zegt Pols; doch hij troost
zich, en haalt zijn bonten zakdoek voor den dag, om de ramp zoo veel
mogelijk te herstellen. Maar helaas! door de te hevige wrijving met
den doek springt het beeldschoone horlogiebandje los, en de gouden
sleutel, met de zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksgeluk
zijner ouders, ploft eensklaps in het water. Dit is te veel! Schrik en
droefheid betwisten zich het regt over des jongelings gelaatstrekken;
maar zijn besluit is spoedig genomen; hij bukt, waagt zijn geheelen arm
en het beste ongedecartiseerde laken aan het modderige vocht--en niet
te vergeefs; want hij redt het voorwerp, dat hem van onberekenbare
waarde is; maar ach! door den val is het glas gebroken, en de haren
projectilen zijn van haren glans en zuiverheid beroofd. Treurig slaat
Pols zijn oog er op, maar terstond is hij weêr met den zakdoek gereed;
hij wil de vochtige vleugels der diertjes zachtkens afdroogen; doch
hij berekent niet, dat haar eenige hechtsel aan het plaatje lijm is,
en zijne verbazing grenst aan wanhoop, toen hij bemerkt dat de veertjes
aan den doek kleven. Gelukkig is nog slechts het duifje op het nest
gewond; dit verlies is nog beter te herstellen, dan wanneer een der
kirrende tortels eene kwetsuur had ondergaan. Behoedzaam draagt hij
de schilderij dus naar het logement terug, in hoop dat de vochtigheid
verder aan de arme dieren geen letsel zal doen. Dit was de eerste ramp,
die Polsbroekerwoud op zijnen vijfendertigsten verjaardag trof.
Na eenige uren in het bezigtigen der inrigtingen binnen de stad te
hebben doorgebragt, bezochten de vrienden ook de plaats, waar de
beroemde Leeuw van Thorwaldsen te zien is. Dit waardige gedenkteeken
van den heldenmoed der Zwitsersche garde, te Parijs in 1792 betoond,
wekt, door het eenvoudige en poëtische der gedachte van den grooten
meester, aller bewondering op, en zoo het dienen moet om den moed
en trouw der brave Zwitsers in het geheugen te bewaren en aan de
nakomelingschap over te brengen, het is verwonderlijk hoeveel meer het
monument vermaard is dan het moedig gedrag der helden zelf. Nu evenwel
is de oude Zwitser nog als guide daar, om u het feit, waarvan hij zelf
deelgenoot was, in het geheugen terug te roepen; en het is opmerkelijk,
met hoeveel meer warmte en natuurlijkheid hij van de verdediging der
Tuileriën spreekt, dan wanneer hij, om u op de schoonheid van het
gedenkteeken aandachtig te maken, altijd dezelfde geleende woorden
bezigt: "_L'expression du lion mourant est sublime; le tronçon de
la lance qui l'a percé est resté enfoncé dans son flanc; il étend sa
griffe redoutable comme pour repousser une nouvelle attaque; ces yeux
à demi fermés, vont s'eteindre pour jamais, et cependant son regard
semble menacer encore; sa façe majestueuse offre l'image d'une noble
douleur et d'un courage tranquille et resigné._"
Terwijl de vrienden een zijpad insloegen, om de rots, waarin de leeuw
uitgehouwen is, van naderbij in oogenschouw te nemen, bleef Pols bij
den ouden Zwitser, dien hij vond dat zoo aardig kon keuvelen, en van
wien hij nog eens iets naders van de zaak wilde vernemen. Daarom de
inscriptie van het monument nog eens overlezende en ziende _Fortissimi
pugnantes ceciderunt Duces XXVI_, Milites circiter _DCCLX_, zeide
hij tot den veteraan:
"_Mais il y a beaucoup de morts la dessous._"
De Zwitser keek hem verwonderd aan; hij kon zich geen denkbeeld
maken, dat iemand eene rots van honderde voeten hoog, een soort
van berg van het hardste steen, als eene simpele zerk beschouwde,
die men op een graf gelegd had. "_Je ne comprends pas_," zeide hij,
zijn hoofd schuddende.
Pols begreep dat hij zich verkeerd had uitgedrukt; daarom het gesprek
eenen anderen draai gevende, zei hij:
"_Mais c'etait la une fameuse bataille aux Tuilleries._"
"_Morbleu_," zeide de Zwitser, "_c'etait un carnage; nous étions un
contre quatre._"
"Dat was moordenaarswerk," riep Pols met verontwaardiging.
Maar naauwelijks had hij dit woord uitgesproken, of hij voelde zich
heel onzacht bij den schouder grijpen. Verschrikt zag hij om. Hij
meende in het eerst, dat hij met een van de revolutionaren te doen
had, die het in der tijd de Zwitsers zoo benaauwd hadden gemaakt,
en prepareerde zich om eene verzoenende phrase in het midden te
brengen, toen hij in den persoon, die hem aangreep, een der Franschen
herkende, die hij in de Heidelbergsche _Schlossruïnen_ had ontmoet,
en aan zijne zijde den anderen cavalier en de dame, welke nu in eene
intime conversatie was met een Engelschman, die er alles behalve
gedistingueerd uitzag. Pols wist niet, waar hij zich bevond, en
indien de pijnlijke gewaarwording, door de onzachte aangrijping van
zijn arm veroorzaakt, hem niet voor die dwaling behoed had, hij zou
gemeend hebben te droomen. In het eerst wist hij niet wat te doen,
zich bedaard houden of driftig opstuiven, toen hij, bedenkende,
dat het voor de dame, die zich ten zijnen opzigte zoo vergist had,
onaangenaam zou wezen hem te herkennen, besloot zich vreemd te houden,
evenwel geheel alleen om harentwille; want hij was, na den goeden
afloop der vorige historie, volstrekt niet bang meer. Maar hoe vreemd
kwam het hem voor, toen op eens de dame zelve naar hem toekwam, en,
hem ombeschaamd aanziende, lagchende zeide:
"_Eh bonjour, mon cher Milord!_"
"_Comment, Madame?_" zei Pols ontzet; want nu eerst werd het hem
duidelijk, dat de dame mede in het complot tegen hem betrokken was.
"_Lache!_" riep een der cavaliers hem toe.
"_Poltron!_" begroette hem de andere.
Onze vriend voelde zich het bloed naar 't hoofd stijgen; hij
werd driftig en bedroefd tevens over deze nieuwe onaangenaamheid,
waarin hij zich op zijn vijfendertigsten verjaardag geplaatst zag. De
Zwitser was intusschen in de kapel gegaan, waar hij hoopte nog eenige
afbeeldingen van het monument te verkoopen. Pols bleef dus alleen,
even als de garde in 92, één tegen vier. Het was daarom eene uitkomst
voor hem, toen hij Van Aartheim zag aankomen, en de dame, dezen ziende,
onmiddellijk den arm van den Engelschman losliet, en onder den uitroep:
"_Mille tonnerres, c'est encore lui!_" met de Fransche cavaliers in
de kapel retireerde, schoon de Engelschman hun ook toeriep, dat zij
maar blijven moesten, want dat die heer zoo kwaad niet was, als zij
wel dachten.
Nu meende Pols dat de zaak weêr gered was; hij had de magt gezien,
die Van Aartheim over de Fransche gelukzoekers uitoefende; hij meende
nu, dat hun Engelsche complice ook slecht van de reis zou komen. Groot
was dus zijne verbazing, toen deze, in plaats van eenigszins confuus
te worden, de linkerhand uitstak, en zijnen vriend op familjaren toon
begroette "_How do you do_, Van Aartheim?"
Deze scheen heden volstrekt geen lust te gevoelen, om op den toon,
waarop hij te Heidelberg sprak, te beginnen; wel met eenigen weêrzin,
maar toch zonder aarzelen, nam hij de aangeboden hand aan, en mompelde
naauwelijks hoorbaar: "Mr. Lurgrave!"
Gedurende het discours, dat nu volgde, had Pols schoon hij maar enkele
woorden begreep, gelegenheid om zich zoo veel te ergeren als het hem
maar lustte; want de Engelschman, die op zeer hevigen en onbeschaamden
toon sprak, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij, of niemand,
een schurk was, scheen over Van Aartheim zulk een _poids_ te hebben,
dat deze steeds concessies deed en bijna altijd op verzoekenden toon
tot hem sprak. Zij schenen zich beiden weinig om Pols te bekommeren,
en deze zou, daar hij toch in Van Aartheim teleurgesteld was, weinig
op het discours hebben gelet, zoo niet de Engelschman den naam
Torteltak met het vereerend epitheton van _damned_ genoemd had. Nu
begon hij scherper toe te luisteren, zonder daardoor evenwel eene
syllabe meer te verstaan. Eindelijk, toen ook de andere vrienden
weêr in het gezigt kwamen, verliet Lurgrave de Hollanders en sloot
zich weêr aan het Fransche reisgezelschap aan; fier passeerde hen de
dame, aan den arm van den Engelschman vertrekkende, en de cavaliers,
die haar volgden, keken de vrienden trotsch aan, met overmoed hunne
vreeselijke knevels omhoogstrijkende.
De terugwandeling was geenszins door vrolijkheid gekenmerkt. Van
Aartheim was stil en afgetrokken. Pols zag beurtelings hem wantrouwend
en Torteltak deelnemend aan. Hij vreesde zeer dat tegen dezen vriend
een aanslag gesmeed werd, en wist voorloopig nog volstrekt niet, hoe
hij dat geval behandelen moest. Hij begon te wenschen dat Veervlug
dien vreemdeling maar nooit in hun midden gebragt had; maar van den
anderen kant kon hij toch niet gelooven, dat hij een slecht mensch
was. Hij had gedurende de dagen, die zij te zamen hadden doorgebragt,
zulk eene edele denkwijze aan den dag gelegd en allen zoo zeer aan zich
geboeid, dat hij òf een goed mensch, òf een vreeselijk huichelaar moest
wezen. Dit en de vrees, dat de twee natte tortels niet goed zouden
opdroogen, martelden den goeden Pols zoodanig, dat hij oogenblikken
had, waarin hij geheel vergat, dat hij heden zijnen vijfendertigsten
verjaardag vierde.
Zoo kwamen zij in het logement aan, waar in de groote zaal de
_Oberkellner_ hen te gemoet kwam met brieven uit Holland, die hij op
hun verzoek van de post had doen halen. In een oogenblik verdwenen
van aller gelaat de wolken van droefgeestigheid en wantrouwen en
ontevredenheid Wie ooit, al was het maar weinige weken, buiten 's lands
gereisd heeft, kan zich van hunne vreugde een denkbeeld maken. Men
moge al het besluit nemen, om zich die weken niet over betrekkingen en
vrienden te bekommeren, en zich met het denkbeeld van "geen tijding,
goede tijding" tevreden stellen; daar zijn oogenblikken, waarin men
één enkelen regel van eene geliefde hand met goud zou willen betalen;
men gunt zich naauwelijks den tijd, om den brief open te breken en
te ontvouwen; men leest de phrase "alles is wel" wel honderdmalen
over, en schoon men zich volstrekt niet ongerust gemaakt heeft,
is het toch alsof er een pak van het hart valt; men verneemt met de
grootste belangstelling de onbeduidenste kleinigheden, die in den
brief vermeld zijn; want niets omtrent geliefde betrekkingen is in die
oogenblikken onbeduidend, niets eene kleinigheid; men vergeet geheel
waar men zich bevindt, en droomt zich in het midden van de zijnen;
en men is teleurgesteld, wanneer men het papier neêrgelegd heeft,
dat men de hand, die ons schreef, niet hartelijk kan drukken.
Vier der vrienden riepen dan ook nu spoedig elkander toe: "bij mij
is alles wel," en verdiepten zich verder in de lectuur. Van Aartheim
slaakte een diepen zucht, maar zeide toch: "bij mij ook." Maar Pols, de
arme Pols! Hij las den brief, werd bleek, herlas hem nog eens, en legde
hem neder met de woorden: "Dat mij ook dit nog heden moest treffen!"
De brief, dien hij ontving, was van den volgenden inhoud:
Rotterdam, 13 Juli 1837.
Waarde Neef!
"Ik ben frisch en gezond, en verwensche van uwé het zelfde
te hooren; ware het anders, het zou mij van harte leed
wezen. Maar ik bevind mij in de treurige omstandigheid, uwé
te moeten melden, als dat gisteren avond, omstreeks half
acht ure, uwé huishoudster en dienstmaagd Mijntje Boer,
na eene ziekte van slechts weinige dagen, in den ouderdom
van 58 jaren en 4 maanden is overleden. Ik denk, uwé deze
tijding ook regt leed zal doen; maar vond mij toch verpligt
van dit meê te deelen aan uwé adres, zoo als ik het van uwé
heb opgeteekend. Heb alles zelf bezorgd voor een eerlijke
begrafenis; verhope na uwé genoegen zal wezen, waaraan niet
vertwijfel; verwensche uwé verder veel genoegen en gezondheid,
en verblijve na groetenissen
"Uwé hoogachtende Neef
Leendert van Kroesen."
P.S. Mijne vrouw wil, voor ik deze sluit, ook nog een woordje
bijvoegen.
"Waarde Neef Joachim!"
"Uwe zult wel hebben staan te kijken, toen mijn man het u
schreef, van Mijntje. Ik kan uwe dan ook wel zeggen, ik er
geheel kapot van ben geweest, zoo zelfs, de meester mij een
drankje heeft voorgeschreven. Want Mijntje was toch heusch
een goede meid, en knap voor haar werk, en nog zoo zindelijk,
en eerlijk en trouw als goud, al kwam zij tot hooger jaren. Zij
was ook altijd uwe trouwe zorg, en die van uwes vader en moeder
zaliger, en dat bleef ze tot aan haar dood toe. Zij tobde er
wat over, toen zij zoo verslimmerde, zij het huis zoo maar half
schoongemaakt achterliet; en ik heb haar tusschenbeiden nog al
eens gaan opzoeken, daar zij dan ook heel dankbaar voor was,
moet ik zeggen. Ik ging gisteren avond nog eens naar haar
toe; maar toen zag ik zelfs wel, zij hard verminderde. Ik
zei nog tegen haar: "wel Mijntje, hoe gaat het?" maar zij
knikte flaauwtjes. En toen zei ze een kort poosje later:
"zal je toch wel de groetenis doen aan den jongen heer?" maar
toen heeft ze ook niet meer gesproken; en net kwam de meester,
en hij zei, hij geen pols meer voelde, en om half acht was zij
al dood. Mijn meid en de meid van den schrijnwerker, schuins
over de deur, hebben haar afgeleid, en alles zal eerlijk
en ordentelijk toegaan, en mijn man heeft alles heel goed
bezorgd. Jongens, jongens, zei ik 's avonds tegen mijn man;
wie had dat kunnen denken! Zondag vier weken, toen uwe nog
t'huis was en toen wij naar de avondkerk gingen, zat zij nog
voor het gordijntje en groette zoo opgemonterd. Maar nu hebben
wij, omdat uwes huis zoo lang niet leeg zou staan, er voor zoo
lang Pietje van Sannetje de plooister ingezet, die haar man op
't geelgieten gaat en dan 's nachts meê het huis bewaakt. Dat
zijn toch ook eerlijke menschen. Nu, waarde neef Joachim! zal
ik eindigen; ik zou u nog wel veel willen schrijven, maar ik
zit midden in het inmaken, en dat zou bederven. Maar toch,
ik moet uwe nog eens vertellen, mijn zoon Hendrik een goed
oog heeft laten vallen op Paauwtje Vet van de Botersloot. Nu,
ik heb er niets tegen, want het is een eerlijk meisje, en ik
heb er nooit een onvertogen woord van gehoord. Maar nu zal
ik toch heusch eindigen; na vele groetenissen van ons allen
"Uwe waarde Nicht
S. van Kroesen,
geb. Molslag."
Dit was de derde ramp, die Pols op zijn vijfendertigsten verjaardag
trof. De vrienden betuigden hem, zoo hartelijk zij vermogten, hunne
deelneming; maar Pols bleef stil en zeide: "Niemand weet, hoeveel ik
aan Mijntje verlies; zij was geen gewone meid, maar als het ware eene
tweede moeder."
De _Kellner_ kwam annonceren, dat het _diner_, door den Heer
Polsbroekerwoud besteld, gereed was. Werktuigelijk volgden deze en
de overige vrienden, die zeer verwonderd waren, in een bijzonder
apartement een zeer fijn _diner_ te zien aangerigt. Op het midden der
tafel stond eene groote taart, versierd met zinnebeeldige figuurtjes,
die op geboorte en geboortedagen betrekking hadden.
"Ik had dat dezen morgen zoo besteld," zei Pols, terwijl hij zich
zuchtend aan de tafel plaatste, "weinig vermoedende, dat ik mijn
vijfendertigsten verjaardag zoo treurig zou moeten vieren."