HOOFDSTUK XVIII.

Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het Holstaff tegen

zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar te zien

opgaan.

Voor het logement _de Zwarte Arend_, te Art, stonden reeds langer dan

een half uur Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden in volkomene

besluiteloosheid wat te doen. Zij waren daar van Zug aangekomen met

het vaste plan om den Rigi te beklimmen, en zouden reeds terstond

dit voornemen hebben ten uitvoer gebragt, zoo niet de drijvende

wolkjes, die zij vóór eenige uren ontdekt hadden, tot dikke wolken

waren aangegroeid, en zich zoodanig om de kruin des bergs hadden

vastgehecht, dat men verzekerd kon wezen, op den top geen uitzigt te

zullen hebben dan in den digten sluijer, die het landschap overdekte

en de communicatie van het heldere zonlicht met het frissche groen

en het doorschijnend water afsloot. Wel konden zij, zonder zich

hierover te bekommeren, den togt aanvangen; maar zij liepen gevaar

eene vruchtelooze reis te maken, en het hemelsche vocht, dat tot

verfrissching van gras en geboomte bestemd was, in hunne kleederen op

te vangen. Zij hadden reeds de zekerheid het heerlijke schouwspel te

zullen missen, als de zon, achter het blaauwe gebergte neêrzinkende,

bij haar afscheid een purperen gloed om zich heen werpt; als die

gloed zich langzamerhand aan de valleien onttrekt, maar nog een krans

van warme en bonte kleuren om de witte en koude toppen van het hooge

gebergte slingert, totdat ook deze weldra in schemering verkwijnen en

in duisternis versterven; maar aan den anderen kant, de wolken konden

in den nacht in regen worden opgelost, en hoe heerlijk zou dan, van

den hoogsten top des Rigis, het opgaan der zon over het verfrischte

landschap te aanschouwen zijn!

De kastelein uit _de Arend_, om redenen, hem bekend, liever de

heeren nog niet willende afstaan, recommandeerde tot schâvergoeding

den zonsopgang over het Zugermeer, uit zijn logement gezien; en

Pols inclineerde hiertoe al spoedig, mits men, om toch ook een

ruim uitzigt te hebben, eene bovenkamer nam; maar Aloys Stadler,

een jeugdig winkelier in zwam, vuurslagen en tonderdoozen te Zug,

doch wiens nering minder winsten aanbood, dan het rondzwerven door

het gebergte als gids van rijke vreemdelingen, vreezende dat, zoo de

reis heden niet doorging, het zestal hem ontsnappen zou, en hij voor

niet zijn besten groenen rok, leverkleurigen pantalon en vuurroden

parapluie uit de kast zou hebben gehaald, bestreed dit voorstel met

warmte en kracht, door de verzekering te geven, dat in het gebergte na

regen altijd droog weêr volgt. Dit argument wist de kastelein niet te

weêrleggen, en ook de vrienden verkozen het in deze maar voor alles

afdoend te houden.

"Welaan dan, met moed!" riepen zij uit; de veldflesschen werden met

_kirschwasser_ gevuld, en de vreemdelingen met Alpenstokken, en de

gids met zijn rooden parapluie gewapend, begonnen den togt.

Het eerste uur gaans, wanneer men den Rigi van deze zijde beklimt,

loopt door weiden en bosschen, en de helling is zeer geleidelijk. Men

maakte dus de aanmerking reeds, dat de Alpenstokken heel wat meer

last dan gemak geven, en Veervlug begon over te hellen om aan de

afleiding van den naam des bergs van _Regina Montium_ boven dien van

_Mons Rigidus_ den voorkeur te geven. Stadler evenwel raadde hem aan

om zich niet met die afleidingen te vermoeijen, want dat zoo lang hem

en zelfs zijn vader, die ook gids geweest was, heugde, de berg nooit

een anderen naam dan Rigi had gedragen.--Het weêr hield zich beter

dan men gedacht had, en zonder tegenspoed bereikte men _das untere

Dächli_. Het uitzigt van dit punt is reeds schoon en ruim, en werd,

toen zij er aankwamen, genoten door een heer van omtrent 50 jaren. Hij

scheen in gepeins verzonken; maar op het zien der reizigers stond hij

eensklaps op en zeide: "Schoon niet waar? Ik zou wel plan hebben om

dit punt uit te teekenen."

"Wel, doe het eens, Mijnheer!" zei Torteltak; "ook nu met dit sombere

weder kan het een heel bevallig schilderijtje opleveren."

"Ja maar," zei de ander, "ik kan niet teekenen. Maar ik wil, zoodra ik

te huis kom, een meester nemen; en als ik de kunst onder de knie heb,

hier nog eens weêrom komen. Een leelijk gebrek in mijne opvoeding,

dat ik het niet geleerd heb. Als ik eens kinderen krijg, zal ik daar

beter in voorzien."

"Ik wil u niet tauxeren," zei Torteltak; "maar daar behoort nog al

iets toe, om zoo iets onder de knie te krijgen."

"Dat is niets, Mijnheer! vlijt en langdurige oefening kunnen daarin

veel te gemoet komen. Ik verbeeld mij, als ik eens een jaar of twaalf

in een _atelier_ doorbragt, en dan eens een Italiaansch kunstreisje

maakte, dat ik een heele bol kon worden. Dan verkocht ik mijne affaire,

en ik zou, geloof ik, nog wel naam kunnen maken als schilder. Doch

ik heb geen plan om de jonge schilders in hunne fantastische

kleedingswijze te imiteren, maar wel in hunne vrolijkheid. Ik gevoel

dat ik aanleg heb om schilder te worden; want ik ben altijd vrolijk."

Torteltak recommandeerde zich, om dan ook bij gelegenheid zijne

kunststukken eens te mogen zien, en de oude heer gaf hem terstond

zijn adreskaartje.

Boven _das untere Dächli_, waar de beschilderde kruisen den weg in

stations verdeelen, tot aan de kapel van _Maria zum Schnee_, wordt de

weg steiler en moeijelijker. "Het spijt mij," zeide de oude heer, "dat

ik het plan, dat ik had, toen ik hier de laatste maal was, om eenen

straatweg over den Rigi aan te leggen, niet ten uitvoer heb kunnen

brengen. Dat zou het beklimmen merkelijk gemakkelijker gemaakt hebben."

"Ik wou dat gij het gedaan hadt," zei De Morder, "want het is nu

in het geheel geen weg voor een fatsoenlijk man; zelfs met deze

miserabele stokken heeft men nog ieder oogenblik kans, om armen of

beenen te breken."

"'t Spijt mij ook," zei de oude heer; "maar ik werd gecontrarieerd;

niemand wilde acties nemen, en mijne middelen lieten het niet toe,

om het geheele geval voor eigen rekening te nemen. Dat heeft mij al

meermalen gehinderd in het uitvoeren van waarlijk goede plannen. Hier

in mijn portefeuille heb ik nog een project, om den loop van den Rijn,

bij den waterval van Schaffhausen, te verleggen, door het graven

van een kanaal van boven de stad tot aan Rheinau. Dat zou den handel

van Zwitserland verbazend bevorderen. Hier is het; zie het eens in,

Mijnheer!" zeide hij, zich tot Van Aartheim wendende.

"Het plan is mooi," zei deze, "maar het eenige, dat ik er op aan te

merken heb, is, dat het onuitvoerbaar is."

"Dat is mij meer gezegd," zei de oude heer, zonder zich eenigzins aan

deze aanmerking te ergeren; "maar het is geen reden, om het niet eens

te beproeven."

Tot aan het vierde kruis, waar zich de weg van Lowerz met dien van

Art en Goldau vereenigt, en waar de steilheid weêr vermindert, bleef

het weder goed, schoon de donkerheid, door de wolken veroorzaakt, op

de duisternis des avonds anticipeerde; maar toen begon een liefelijke

regen in overdadige mildheid neder te vallen. De gids bediende zich

van zijnen parapluie om droog te blijven, en raadde den reizigers

van hunne stokken gebruik te maken, om spoedig aan het _Hospitium_

te arriveren. Deze raad was evenwel gemakkelijker gegeven dan

opgevolgd. De weg werd er door den regen niet beter om. Sommigen

der reizigers begonnen te morren, zonder daarom de nederdaling des

regens te stuiten; de anderen stapten zoo moedig voort, alsof er

niets gebeurde; de oude heer zeide, dat hij wel plan zou hebben, om

zijn mac-intosh uit zijn valies te halen, zoo hij dat niet ongelukkig

te Zurich had laten liggen. Maar met dat al, de bui werd zoo hevig,

dat in weinige oogenblikken aller kleederen doortrokken werden,

en de omgebogen hoedenranden het water bij wijze van goten in den

hals en langs den rug uitstortten. Gelukkig bood, na een eindweegs,

eene overhangende rots eene schuilplaats aan, waar men ten minste

eenige oogenblikken de bui kon afwachten.

Een kleine vergoeding voor het doorgestane leed bood het uitzigt, dat

men van hier op de vallei had. De lucht was, zoo ver men zien kon,

met donkere wolken bedekt. Overal daalde de regen in dikke stralen

neder; maar op één punt was de lucht gebroken, en in het midden der

graauwkleurige landstreek zag men het schoone kleine meer van Lowerz

in een helder licht, en het bevallige eilandje Schwanau, waarover de

zon al haren glans scheen uit te storten.

"Neen maar waarlijk," zei Pols, terwijl hij zijne natte wangen en

voorhoofd afdroogde, "dit uitzigt is een gulden waard."

"Ik zou wel plan hebben," zei de oude plannenmaker, "om hier een stukje

lands te koopen en een koepel te bouwen; want het is hier een gezigt,

waaraan men zich niet kan verzadigen."

"Het zou een perfecte gelegenheid wezen voor een theetuin," zei Pols,

wien het op eens inviel, welke aangename middagen hij in der tijd bij

zijne tante te Rotterdam, die een theetuin in de Keerweerlaan had,

plagt door te brengen.

"Het is jammer, dat het voor u beiden wat ver van huis is," hernam

Torteltak, die op het kaartje van den ouden heer gezien had, dat hij

zijn domicilium te Stutgard hield.

"Dat is niets," zei deze: "heeft Mijnheer geen zaken omhanden?"

"Voorloopig nog niet," antwoordde Pols; "ik ben advocaat, maar ik

practiseer niet."

"Juist," zeide de ander, "dat is zoo goed als vrij man: dan moesten

wij zamen op dat eilandje Schwanau eene fabriek oprigten van zoeten

wijn, uit zure appelen getrokken; dat kan hier wel opnemen, want de

wijn is in deze streek niet best."

Pols glimlachte en zeide, dat hij zich nog eens bedenken zou. Hij

dacht in zichzelven: "Wat zou Mijntje wel zeggen, als ik haar eens

proponeerde om naar Schwanau te verhuizen!"

Omstreeks zeven ure bereikte men het _hospice_ en de woning der

Capucijnen: men had zich genoodzaakt gezien, de reis te vervolgen,

voordat de regen geheel ophield, daar de bui het air had nog niet

spoedig te zullen overdrijven. Een oud eerwaardig vader ontsloot de

deur en bood den reizigers verkwikking aan; hij leidde hen daarna rond

in het kleine gebouw, en introduceerde hen ook in zijne enge cel. Het

zag er treurig uit in dat bouwvallig vertrekje; het was maar gelukkig,

dat de kleine glasruitjes weinig licht toelieten om deze vervelooze

wanden en halfvermolmde meubels te beschijnen; maar toch, de Capucijner

zeide nog met zeker welgevallen: "Ziet, deze kamer is de mijne."

"Zij is waarlijk niet te ruim en te gemakkelijk," zei De Morder.

"Ik zou mij hier gruwelijk vervelen," zeide Pols: "des zomers zou

het nog gaan, als er veel vreemdelingen komen; maar 's winters moet

het hier al akelig eenzaam wezen."

"Ik zou wel plan hebben ook een klooster te laten bouwen, als zoo

iets bij de Lutherschen mode was," zeide de oude heer; "maar ik zou

het alles wat op een grooter en ruimer voet inrigten, en wat meer

gelegenheid tot amusementen geven, om de eentonigheid te verminderen."

De Capucijner glimlachte. "Gij zoudt er anders over denken," zeide hij,

"indien gij, zoo als ik, 60 jaren in deze cel gewoond hadt. Wat zou ik

hier meer verlangen? Is het hier niet ruim genoeg voor mij alleen? Heb

ik niet mijn kruisbeeld en mijn gebedenboek? En als ik 's avonds

den helderen hemel uit mijn venster aanschouw, zie ik dan niet mijne

toekomstige woning daar, nog hoog boven die maan en sterren? Zegt mij,

hebt gij in uwe ruime zalen en prachtige steden een helderder uitzigt?"

"Ik zou het lot van dien monnik in zijne enge cel begeerlijk kunnen

vinden," zei Van Aartheim tot Torteltak.

"Ik ook," zei deze; doch terwijl hij het oog sloeg op zijn fijne

polonaise, dacht hij: "Maar toch die grove pij; het is al te erg."

Op de Rigistaffel werd niet gepoosd, schoon De Morder, die vrij

vermoeid was, eene motie deed om hier te blijven, daar hij niet

wist waarom de _Kulm_ ook juist hooger dan de _Staffel_ moest

wezen. Gelukkig kwam weldra het _Wirthshaus_ van Burgi Ritschard

in het gezigt; want het werd zeer duister, en de regen hield nog

gestadig aan, schoon nu nog al met sneeuw vermengd. Het laatste eind

was echter het glibberigst, en het noodlottig gevolg hiervan was,

dat Holstaff, die in gepeins verzonken voortwandelde, uitgleed en

zijwaarts in een vijf à zes voeten diepen kuil viel. De eerste kreet

van den ongelukkige was: "Hemel! ik val in den afgrond!" maar de tweede

bragt de geruststellende tijding over, dat hij slechts zijne beenen

gebroken had, en dus onmogelijk een voet verder verzetten kon. Pols,

heel confuus, maar toch dadelijk hulp willende aanbrengen, vroeg

aan den gids, waar hier ergens de beste chirurgijn woonde. Aloys

Stadler antwoordde heel bedaard, dat hij de keuze had tusschen Zug

en Lucern. De andere vrienden staken de handen uit, en namen den

ongelukkige tusschen zich, die hun weldra verzekerde, dat hij geloofde,

slechts een zijner beenen gebroken te hebben, maar dat hij nog onzeker

was, welk van beiden. Hij klaagde tevens over eene hevige wondkoorts,

die hem terstond geattaqueerd had, en die, zoo hij de beenbreuk al

overleefde, hem zeker wel langzamerhand zou ondermijnen. De vrienden

troostten hem zoo goed zij konden. Pols stapte met Stadler driftig

vooruit, om vast alles in het logement te prepareeren, en vernam

van dezen, dat zijn vriend er toch nog beter afgekomen was dan de

_Königlich Preusische Oberförster_, Friedrich Wilhelm von Bornstett

_aus Rathenow_, die anno 1826, een weinig hooger op, in eene diepte

gevallen was van ongeveer 2000 voet, en zijne _Frau Gemahlin_ als

weduwe in het _Kulmhaus_ had achtergelaten.

"Wij komen met een zieke," zei Pols tot den kastelein, "iemand

die bijna doodgevallen is; dus zouden wij gaarne eene goede kamer

hebben, maar liefst niet voor aan 't huis, waar de drukte van

de passage is." De kastelein was in de gelegenheid hem van dien

kant gerust te stellen, en raadde hem aan, om maar in de groote

zaal intrek te nemen, omdat daar een warme kagchel stond en die

nu geheel tot hunne dispositie was. Weldra volgde de lijder, door

vier vrienden ondersteund, telkens bij het neêrzetten zijner beenen

onderzoekende, welk toch gebroken was, en nog immer in dezelfde

pijnlijke onzekerheid. Van Aartheim raadde hem voorloopig maar te

gaan zitten, en schreef een preparaat voor, dat den lijder in de

koorts en hun allen tegen den schrik dienstig zou zijn, uit een

mixtuur van Jamaica-rum, citroenen en suiker, aangelengd met kokend

water, bestaande. Holstaff werd ontkleed en kreeg drooge kleêren

van den kastelein; de gekwetste leden werden onderzocht; doch de

wonden schenen, oppervlakkig beschouwd, alleen de spieren getroffen

te hebben, die hier en daar van vel ontbloot of met bonte kleuren

geteekend waren. Pols, een weinig gerustgesteld, had het genoegen,

ditmaal den door hem meêgevoerden Spijkerbalsem te _zien_ appliceren.

Terwijl ook de andere vrienden zich zoo veel mogelijk in drooge

kleederen staken, vroeg Holstaff om papier en pennen; hij wilde

nog een brief aan zijne ouders schrijven, en vond het beter, dit nu

maar te doen, terwijl hij nog present was. Hij begon ook dadelijk

met bevende hand en vochtige oogen: "Lieve ouders! als gij dezen

ontvangt, is welligt..."--"Hier is een drankje," zei van Aartheim,

hem een glas rookenden punch aanbiedende; "om het half uur een

glaasje." Holstaff dronk het glas in één teug leêg, en ging daarna

voort met schrijven; "uw levensgeluk verstoord."--"Hoe gaat het

met de koorts?" vroeg Torteltak.--"Akelig," zei Holstaff; "ik begin

schrikkelijk te gloeijen."--Hij legde de pen neêr, en voelde zichzelven

den pols.--"Kom, je moest nog maar eens innemen," riep van Aartheim;

"het eerste glaasje was niet vol."--Holstaff nam den aangeboden drank

weêr heel gewillig in, en ging toen voort: "Een mijner vrienden zal

u mededeelen... Wie uwer," vroeg hij snikkende, "wil zich met den

brief aan mijne ouders belasten?"--"Komaan!" zei Pols; "je moet zoo

akelig niet praten."--"Wou Mijnheer een brief naar Holland bezorgd

hebben?" vroeg de oude heer: "ik heb plan, als alles wel lukt, binnen

kort een reisje derwaarts te ondernemen."--Holstaff bleef in gedachten

verzonken, totdat hij eindelijk, na nog een glaasje punch gedronken

te hebben, zijne vrees openbaarde, dat hij waarlijk onpresent zou

worden. En werkelijk, weldra stond hij op, en zonder aan het gevaar

te denken, waaraan hij zijne gebroken beenen exponeerde, liep hij

met groote stappen op en neder, jammerde, dat hij zijn brief niet had

afgeschreven, voordat de koorts zoo hevig werd. Torteltak raadde hem

troostend aan, om de boodschap bij den retour maar in persoon over te

brengen; en de ongelukkige lijder, geen beteren troost bij een der

vrienden vindende, zocht, door zich op een matras neder te vlijen,

heul en kalmte in de rust des slaaps.

Zijn voorbeeld werd door de anderen spoedig gevolgd; geen hunner

scheen lust te gevoelen om de koude bovenkamers te betrekken, en dus

werd de warme gezelschapszaal tot slaapvertrek ingerigt. De kastelein

beloofde, zoo het noodig was, hen bij tijds te zullen wekken, en in

de overtuiging hiervan sliepen zij gerust in.

Een half uur vóór zons-opgang gaf de wachter op de Belvedère het sein,

dat de regenwolken waren weggedreven, en de morgen helder en schoon

was. Haastig gaven de reizigers en ook Holstaff, die nog niet dood was,

aan die roepstem gehoor, en wachtten van het hoogste punt des bergs,

trillende van ongeduld, maar nog meer van koude, de aankomst van

de zon af. Daar zagen zij langzamerhand in het oosten... maar wij

willen maar niet trachten te beschrijven, wat wij zagen. Honderden

reisbeschrijvers hebben getracht dit tafereel met levendige kleuren

te malen, en hoe schoon zij het ook gedaan hebben, zij eindigen allen

met te zeggen, dat het er eigenlijk nog niets naar gelijkt; honderd

anderen hebben er zich afgemaakt, met te verklaren, dat geen mensch

in staat is, er eene flaauwe schets van te geven. Wij zullen, na die

afdoende uitspraak, maar niets anders zeggen dan dat de zon extra

mooi opging, dat het geheele panorama zich in zijne volle schoonheid

vertoonde, dat het opkomende licht weêr een heerlijk effect maakte

op de vallei aan de eene en de sneeuwbergen aan de andere zijde,

en dat de kastelein zijne gewone morgenverklaring aflegde, dat de

reizigers het uitmuntend troffen, want dat hij de zon nog nooit zoo

mooi had zien opgaan. De verrukking der vrienden was uitermate groot;

daar waren er, die, diep ontroerd van het heerlijk schouwspel beneden,

hunne oogen aanbiddend omhoog sloegen; daar waren er, die met hun

guide in de hand, de meren natelden, of zij er wel alle dertien op

hun post waren, en die bij elken toren, welken zij zagen, getrouw

informeerden, aan welke stad of dorp die toebehoorde; anderen weder

riepen, bij het zien van een zoo groot gedeelte van Zwitserland,

de schimmen op der Zwitsersche helden, van Divicon af, die eerst als

jongeling de legers der Romeinen versloeg, en vijftig jaren later,

Julius Caesar in het aangezigt weêrstond, tot de lange rij van dapperen

toe, die in de 14e eeuw de vrijheid van hun Vaderland tegen tiendubbele

magt bevochten; van Tell en het driemanschap van den Grutli, van de

Erlachs van Donnabuhl en Laupen, van de dappere Schwytzers, die zich

bij Morgarten onsterfelijke lauweren gaarden, van Ryzig en Chaldor,

de Tells van Appenzell, van Winkelried, die bij Sempach de speren der

vijandelijke ruiters op zijn eigen hart verzamelde, om zijne vrienden

de overwinning te verzekeren; daar waren er, die, zich in vrouwelijken

heldenmoed verdiepende, de gade van Werner Stauffacher aanriepen,

welke zelve haren man het zwaard in handen gaf, om de vrijheid van

het Vaderland te bevechten; en de dappere vrouwen en meisjes, die

door hare tegenwoordigheid alleen de Oostenrijkers verdreven, op den

berg Stoss terugwenschten; die beurtelings de zachte Julia Alpinula

aan de voeten van den Romeinschen Veldheer, het leven van haren vader

afsmeekende, en de wanhopige Helvetische vrouwen bewonderden, welke,

uit vrees haar kroost slaven te zien worden, hare zuigelingen tegen

de casques der vijanden verpletterden; daar waren er, die morden,

omdat zij Zwitserland een weinig te laat bezochten, om de prachtige

steden Aventicum en Vindonissa in haren grootsten bloei te zien; daar

waren er, die plan zouden hebben, om op dit uitzigt een vers te maken,

indien zij het door langdurige oefening zoo ver konden brengen, dat

zij geboren dichters werden; en eindelijk, die het allercharmantst,

maar toch verbazend koud vonden.

Toen zij eenige uren later den Rigi naar Kussnacht afdaalden,

bejammerde niemand hunner het, dat zij dezen morgen met het natte

pak van gisteren avond hadden moeten loopen; en zelfs Holstaff was

niet meer treurig, dat het effect, 't welk zijn laatst vaarwel bij

zijne ouders zou gemaakt hebben, door zijn al te spoedig herstel

vernietigd was.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 22 / 43 题