Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het Holstaff tegen
zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar te zien
opgaan.
Voor het logement _de Zwarte Arend_, te Art, stonden reeds langer dan
een half uur Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden in volkomene
besluiteloosheid wat te doen. Zij waren daar van Zug aangekomen met
het vaste plan om den Rigi te beklimmen, en zouden reeds terstond
dit voornemen hebben ten uitvoer gebragt, zoo niet de drijvende
wolkjes, die zij vóór eenige uren ontdekt hadden, tot dikke wolken
waren aangegroeid, en zich zoodanig om de kruin des bergs hadden
vastgehecht, dat men verzekerd kon wezen, op den top geen uitzigt te
zullen hebben dan in den digten sluijer, die het landschap overdekte
en de communicatie van het heldere zonlicht met het frissche groen
en het doorschijnend water afsloot. Wel konden zij, zonder zich
hierover te bekommeren, den togt aanvangen; maar zij liepen gevaar
eene vruchtelooze reis te maken, en het hemelsche vocht, dat tot
verfrissching van gras en geboomte bestemd was, in hunne kleederen op
te vangen. Zij hadden reeds de zekerheid het heerlijke schouwspel te
zullen missen, als de zon, achter het blaauwe gebergte neêrzinkende,
bij haar afscheid een purperen gloed om zich heen werpt; als die
gloed zich langzamerhand aan de valleien onttrekt, maar nog een krans
van warme en bonte kleuren om de witte en koude toppen van het hooge
gebergte slingert, totdat ook deze weldra in schemering verkwijnen en
in duisternis versterven; maar aan den anderen kant, de wolken konden
in den nacht in regen worden opgelost, en hoe heerlijk zou dan, van
den hoogsten top des Rigis, het opgaan der zon over het verfrischte
landschap te aanschouwen zijn!
De kastelein uit _de Arend_, om redenen, hem bekend, liever de
heeren nog niet willende afstaan, recommandeerde tot schâvergoeding
den zonsopgang over het Zugermeer, uit zijn logement gezien; en
Pols inclineerde hiertoe al spoedig, mits men, om toch ook een
ruim uitzigt te hebben, eene bovenkamer nam; maar Aloys Stadler,
een jeugdig winkelier in zwam, vuurslagen en tonderdoozen te Zug,
doch wiens nering minder winsten aanbood, dan het rondzwerven door
het gebergte als gids van rijke vreemdelingen, vreezende dat, zoo de
reis heden niet doorging, het zestal hem ontsnappen zou, en hij voor
niet zijn besten groenen rok, leverkleurigen pantalon en vuurroden
parapluie uit de kast zou hebben gehaald, bestreed dit voorstel met
warmte en kracht, door de verzekering te geven, dat in het gebergte na
regen altijd droog weêr volgt. Dit argument wist de kastelein niet te
weêrleggen, en ook de vrienden verkozen het in deze maar voor alles
afdoend te houden.
"Welaan dan, met moed!" riepen zij uit; de veldflesschen werden met
_kirschwasser_ gevuld, en de vreemdelingen met Alpenstokken, en de
gids met zijn rooden parapluie gewapend, begonnen den togt.
Het eerste uur gaans, wanneer men den Rigi van deze zijde beklimt,
loopt door weiden en bosschen, en de helling is zeer geleidelijk. Men
maakte dus de aanmerking reeds, dat de Alpenstokken heel wat meer
last dan gemak geven, en Veervlug begon over te hellen om aan de
afleiding van den naam des bergs van _Regina Montium_ boven dien van
_Mons Rigidus_ den voorkeur te geven. Stadler evenwel raadde hem aan
om zich niet met die afleidingen te vermoeijen, want dat zoo lang hem
en zelfs zijn vader, die ook gids geweest was, heugde, de berg nooit
een anderen naam dan Rigi had gedragen.--Het weêr hield zich beter
dan men gedacht had, en zonder tegenspoed bereikte men _das untere
Dächli_. Het uitzigt van dit punt is reeds schoon en ruim, en werd,
toen zij er aankwamen, genoten door een heer van omtrent 50 jaren. Hij
scheen in gepeins verzonken; maar op het zien der reizigers stond hij
eensklaps op en zeide: "Schoon niet waar? Ik zou wel plan hebben om
dit punt uit te teekenen."
"Wel, doe het eens, Mijnheer!" zei Torteltak; "ook nu met dit sombere
weder kan het een heel bevallig schilderijtje opleveren."
"Ja maar," zei de ander, "ik kan niet teekenen. Maar ik wil, zoodra ik
te huis kom, een meester nemen; en als ik de kunst onder de knie heb,
hier nog eens weêrom komen. Een leelijk gebrek in mijne opvoeding,
dat ik het niet geleerd heb. Als ik eens kinderen krijg, zal ik daar
beter in voorzien."
"Ik wil u niet tauxeren," zei Torteltak; "maar daar behoort nog al
iets toe, om zoo iets onder de knie te krijgen."
"Dat is niets, Mijnheer! vlijt en langdurige oefening kunnen daarin
veel te gemoet komen. Ik verbeeld mij, als ik eens een jaar of twaalf
in een _atelier_ doorbragt, en dan eens een Italiaansch kunstreisje
maakte, dat ik een heele bol kon worden. Dan verkocht ik mijne affaire,
en ik zou, geloof ik, nog wel naam kunnen maken als schilder. Doch
ik heb geen plan om de jonge schilders in hunne fantastische
kleedingswijze te imiteren, maar wel in hunne vrolijkheid. Ik gevoel
dat ik aanleg heb om schilder te worden; want ik ben altijd vrolijk."
Torteltak recommandeerde zich, om dan ook bij gelegenheid zijne
kunststukken eens te mogen zien, en de oude heer gaf hem terstond
zijn adreskaartje.
Boven _das untere Dächli_, waar de beschilderde kruisen den weg in
stations verdeelen, tot aan de kapel van _Maria zum Schnee_, wordt de
weg steiler en moeijelijker. "Het spijt mij," zeide de oude heer, "dat
ik het plan, dat ik had, toen ik hier de laatste maal was, om eenen
straatweg over den Rigi aan te leggen, niet ten uitvoer heb kunnen
brengen. Dat zou het beklimmen merkelijk gemakkelijker gemaakt hebben."
"Ik wou dat gij het gedaan hadt," zei De Morder, "want het is nu
in het geheel geen weg voor een fatsoenlijk man; zelfs met deze
miserabele stokken heeft men nog ieder oogenblik kans, om armen of
beenen te breken."
"'t Spijt mij ook," zei de oude heer; "maar ik werd gecontrarieerd;
niemand wilde acties nemen, en mijne middelen lieten het niet toe,
om het geheele geval voor eigen rekening te nemen. Dat heeft mij al
meermalen gehinderd in het uitvoeren van waarlijk goede plannen. Hier
in mijn portefeuille heb ik nog een project, om den loop van den Rijn,
bij den waterval van Schaffhausen, te verleggen, door het graven
van een kanaal van boven de stad tot aan Rheinau. Dat zou den handel
van Zwitserland verbazend bevorderen. Hier is het; zie het eens in,
Mijnheer!" zeide hij, zich tot Van Aartheim wendende.
"Het plan is mooi," zei deze, "maar het eenige, dat ik er op aan te
merken heb, is, dat het onuitvoerbaar is."
"Dat is mij meer gezegd," zei de oude heer, zonder zich eenigzins aan
deze aanmerking te ergeren; "maar het is geen reden, om het niet eens
te beproeven."
Tot aan het vierde kruis, waar zich de weg van Lowerz met dien van
Art en Goldau vereenigt, en waar de steilheid weêr vermindert, bleef
het weder goed, schoon de donkerheid, door de wolken veroorzaakt, op
de duisternis des avonds anticipeerde; maar toen begon een liefelijke
regen in overdadige mildheid neder te vallen. De gids bediende zich
van zijnen parapluie om droog te blijven, en raadde den reizigers
van hunne stokken gebruik te maken, om spoedig aan het _Hospitium_
te arriveren. Deze raad was evenwel gemakkelijker gegeven dan
opgevolgd. De weg werd er door den regen niet beter om. Sommigen
der reizigers begonnen te morren, zonder daarom de nederdaling des
regens te stuiten; de anderen stapten zoo moedig voort, alsof er
niets gebeurde; de oude heer zeide, dat hij wel plan zou hebben, om
zijn mac-intosh uit zijn valies te halen, zoo hij dat niet ongelukkig
te Zurich had laten liggen. Maar met dat al, de bui werd zoo hevig,
dat in weinige oogenblikken aller kleederen doortrokken werden,
en de omgebogen hoedenranden het water bij wijze van goten in den
hals en langs den rug uitstortten. Gelukkig bood, na een eindweegs,
eene overhangende rots eene schuilplaats aan, waar men ten minste
eenige oogenblikken de bui kon afwachten.
Een kleine vergoeding voor het doorgestane leed bood het uitzigt, dat
men van hier op de vallei had. De lucht was, zoo ver men zien kon,
met donkere wolken bedekt. Overal daalde de regen in dikke stralen
neder; maar op één punt was de lucht gebroken, en in het midden der
graauwkleurige landstreek zag men het schoone kleine meer van Lowerz
in een helder licht, en het bevallige eilandje Schwanau, waarover de
zon al haren glans scheen uit te storten.
"Neen maar waarlijk," zei Pols, terwijl hij zijne natte wangen en
voorhoofd afdroogde, "dit uitzigt is een gulden waard."
"Ik zou wel plan hebben," zei de oude plannenmaker, "om hier een stukje
lands te koopen en een koepel te bouwen; want het is hier een gezigt,
waaraan men zich niet kan verzadigen."
"Het zou een perfecte gelegenheid wezen voor een theetuin," zei Pols,
wien het op eens inviel, welke aangename middagen hij in der tijd bij
zijne tante te Rotterdam, die een theetuin in de Keerweerlaan had,
plagt door te brengen.
"Het is jammer, dat het voor u beiden wat ver van huis is," hernam
Torteltak, die op het kaartje van den ouden heer gezien had, dat hij
zijn domicilium te Stutgard hield.
"Dat is niets," zei deze: "heeft Mijnheer geen zaken omhanden?"
"Voorloopig nog niet," antwoordde Pols; "ik ben advocaat, maar ik
practiseer niet."
"Juist," zeide de ander, "dat is zoo goed als vrij man: dan moesten
wij zamen op dat eilandje Schwanau eene fabriek oprigten van zoeten
wijn, uit zure appelen getrokken; dat kan hier wel opnemen, want de
wijn is in deze streek niet best."
Pols glimlachte en zeide, dat hij zich nog eens bedenken zou. Hij
dacht in zichzelven: "Wat zou Mijntje wel zeggen, als ik haar eens
proponeerde om naar Schwanau te verhuizen!"
Omstreeks zeven ure bereikte men het _hospice_ en de woning der
Capucijnen: men had zich genoodzaakt gezien, de reis te vervolgen,
voordat de regen geheel ophield, daar de bui het air had nog niet
spoedig te zullen overdrijven. Een oud eerwaardig vader ontsloot de
deur en bood den reizigers verkwikking aan; hij leidde hen daarna rond
in het kleine gebouw, en introduceerde hen ook in zijne enge cel. Het
zag er treurig uit in dat bouwvallig vertrekje; het was maar gelukkig,
dat de kleine glasruitjes weinig licht toelieten om deze vervelooze
wanden en halfvermolmde meubels te beschijnen; maar toch, de Capucijner
zeide nog met zeker welgevallen: "Ziet, deze kamer is de mijne."
"Zij is waarlijk niet te ruim en te gemakkelijk," zei De Morder.
"Ik zou mij hier gruwelijk vervelen," zeide Pols: "des zomers zou
het nog gaan, als er veel vreemdelingen komen; maar 's winters moet
het hier al akelig eenzaam wezen."
"Ik zou wel plan hebben ook een klooster te laten bouwen, als zoo
iets bij de Lutherschen mode was," zeide de oude heer; "maar ik zou
het alles wat op een grooter en ruimer voet inrigten, en wat meer
gelegenheid tot amusementen geven, om de eentonigheid te verminderen."
De Capucijner glimlachte. "Gij zoudt er anders over denken," zeide hij,
"indien gij, zoo als ik, 60 jaren in deze cel gewoond hadt. Wat zou ik
hier meer verlangen? Is het hier niet ruim genoeg voor mij alleen? Heb
ik niet mijn kruisbeeld en mijn gebedenboek? En als ik 's avonds
den helderen hemel uit mijn venster aanschouw, zie ik dan niet mijne
toekomstige woning daar, nog hoog boven die maan en sterren? Zegt mij,
hebt gij in uwe ruime zalen en prachtige steden een helderder uitzigt?"
"Ik zou het lot van dien monnik in zijne enge cel begeerlijk kunnen
vinden," zei Van Aartheim tot Torteltak.
"Ik ook," zei deze; doch terwijl hij het oog sloeg op zijn fijne
polonaise, dacht hij: "Maar toch die grove pij; het is al te erg."
Op de Rigistaffel werd niet gepoosd, schoon De Morder, die vrij
vermoeid was, eene motie deed om hier te blijven, daar hij niet
wist waarom de _Kulm_ ook juist hooger dan de _Staffel_ moest
wezen. Gelukkig kwam weldra het _Wirthshaus_ van Burgi Ritschard
in het gezigt; want het werd zeer duister, en de regen hield nog
gestadig aan, schoon nu nog al met sneeuw vermengd. Het laatste eind
was echter het glibberigst, en het noodlottig gevolg hiervan was,
dat Holstaff, die in gepeins verzonken voortwandelde, uitgleed en
zijwaarts in een vijf à zes voeten diepen kuil viel. De eerste kreet
van den ongelukkige was: "Hemel! ik val in den afgrond!" maar de tweede
bragt de geruststellende tijding over, dat hij slechts zijne beenen
gebroken had, en dus onmogelijk een voet verder verzetten kon. Pols,
heel confuus, maar toch dadelijk hulp willende aanbrengen, vroeg
aan den gids, waar hier ergens de beste chirurgijn woonde. Aloys
Stadler antwoordde heel bedaard, dat hij de keuze had tusschen Zug
en Lucern. De andere vrienden staken de handen uit, en namen den
ongelukkige tusschen zich, die hun weldra verzekerde, dat hij geloofde,
slechts een zijner beenen gebroken te hebben, maar dat hij nog onzeker
was, welk van beiden. Hij klaagde tevens over eene hevige wondkoorts,
die hem terstond geattaqueerd had, en die, zoo hij de beenbreuk al
overleefde, hem zeker wel langzamerhand zou ondermijnen. De vrienden
troostten hem zoo goed zij konden. Pols stapte met Stadler driftig
vooruit, om vast alles in het logement te prepareeren, en vernam
van dezen, dat zijn vriend er toch nog beter afgekomen was dan de
_Königlich Preusische Oberförster_, Friedrich Wilhelm von Bornstett
_aus Rathenow_, die anno 1826, een weinig hooger op, in eene diepte
gevallen was van ongeveer 2000 voet, en zijne _Frau Gemahlin_ als
weduwe in het _Kulmhaus_ had achtergelaten.
"Wij komen met een zieke," zei Pols tot den kastelein, "iemand
die bijna doodgevallen is; dus zouden wij gaarne eene goede kamer
hebben, maar liefst niet voor aan 't huis, waar de drukte van
de passage is." De kastelein was in de gelegenheid hem van dien
kant gerust te stellen, en raadde hem aan, om maar in de groote
zaal intrek te nemen, omdat daar een warme kagchel stond en die
nu geheel tot hunne dispositie was. Weldra volgde de lijder, door
vier vrienden ondersteund, telkens bij het neêrzetten zijner beenen
onderzoekende, welk toch gebroken was, en nog immer in dezelfde
pijnlijke onzekerheid. Van Aartheim raadde hem voorloopig maar te
gaan zitten, en schreef een preparaat voor, dat den lijder in de
koorts en hun allen tegen den schrik dienstig zou zijn, uit een
mixtuur van Jamaica-rum, citroenen en suiker, aangelengd met kokend
water, bestaande. Holstaff werd ontkleed en kreeg drooge kleêren
van den kastelein; de gekwetste leden werden onderzocht; doch de
wonden schenen, oppervlakkig beschouwd, alleen de spieren getroffen
te hebben, die hier en daar van vel ontbloot of met bonte kleuren
geteekend waren. Pols, een weinig gerustgesteld, had het genoegen,
ditmaal den door hem meêgevoerden Spijkerbalsem te _zien_ appliceren.
Terwijl ook de andere vrienden zich zoo veel mogelijk in drooge
kleederen staken, vroeg Holstaff om papier en pennen; hij wilde
nog een brief aan zijne ouders schrijven, en vond het beter, dit nu
maar te doen, terwijl hij nog present was. Hij begon ook dadelijk
met bevende hand en vochtige oogen: "Lieve ouders! als gij dezen
ontvangt, is welligt..."--"Hier is een drankje," zei van Aartheim,
hem een glas rookenden punch aanbiedende; "om het half uur een
glaasje." Holstaff dronk het glas in één teug leêg, en ging daarna
voort met schrijven; "uw levensgeluk verstoord."--"Hoe gaat het
met de koorts?" vroeg Torteltak.--"Akelig," zei Holstaff; "ik begin
schrikkelijk te gloeijen."--Hij legde de pen neêr, en voelde zichzelven
den pols.--"Kom, je moest nog maar eens innemen," riep van Aartheim;
"het eerste glaasje was niet vol."--Holstaff nam den aangeboden drank
weêr heel gewillig in, en ging toen voort: "Een mijner vrienden zal
u mededeelen... Wie uwer," vroeg hij snikkende, "wil zich met den
brief aan mijne ouders belasten?"--"Komaan!" zei Pols; "je moet zoo
akelig niet praten."--"Wou Mijnheer een brief naar Holland bezorgd
hebben?" vroeg de oude heer: "ik heb plan, als alles wel lukt, binnen
kort een reisje derwaarts te ondernemen."--Holstaff bleef in gedachten
verzonken, totdat hij eindelijk, na nog een glaasje punch gedronken
te hebben, zijne vrees openbaarde, dat hij waarlijk onpresent zou
worden. En werkelijk, weldra stond hij op, en zonder aan het gevaar
te denken, waaraan hij zijne gebroken beenen exponeerde, liep hij
met groote stappen op en neder, jammerde, dat hij zijn brief niet had
afgeschreven, voordat de koorts zoo hevig werd. Torteltak raadde hem
troostend aan, om de boodschap bij den retour maar in persoon over te
brengen; en de ongelukkige lijder, geen beteren troost bij een der
vrienden vindende, zocht, door zich op een matras neder te vlijen,
heul en kalmte in de rust des slaaps.
Zijn voorbeeld werd door de anderen spoedig gevolgd; geen hunner
scheen lust te gevoelen om de koude bovenkamers te betrekken, en dus
werd de warme gezelschapszaal tot slaapvertrek ingerigt. De kastelein
beloofde, zoo het noodig was, hen bij tijds te zullen wekken, en in
de overtuiging hiervan sliepen zij gerust in.
Een half uur vóór zons-opgang gaf de wachter op de Belvedère het sein,
dat de regenwolken waren weggedreven, en de morgen helder en schoon
was. Haastig gaven de reizigers en ook Holstaff, die nog niet dood was,
aan die roepstem gehoor, en wachtten van het hoogste punt des bergs,
trillende van ongeduld, maar nog meer van koude, de aankomst van
de zon af. Daar zagen zij langzamerhand in het oosten... maar wij
willen maar niet trachten te beschrijven, wat wij zagen. Honderden
reisbeschrijvers hebben getracht dit tafereel met levendige kleuren
te malen, en hoe schoon zij het ook gedaan hebben, zij eindigen allen
met te zeggen, dat het er eigenlijk nog niets naar gelijkt; honderd
anderen hebben er zich afgemaakt, met te verklaren, dat geen mensch
in staat is, er eene flaauwe schets van te geven. Wij zullen, na die
afdoende uitspraak, maar niets anders zeggen dan dat de zon extra
mooi opging, dat het geheele panorama zich in zijne volle schoonheid
vertoonde, dat het opkomende licht weêr een heerlijk effect maakte
op de vallei aan de eene en de sneeuwbergen aan de andere zijde,
en dat de kastelein zijne gewone morgenverklaring aflegde, dat de
reizigers het uitmuntend troffen, want dat hij de zon nog nooit zoo
mooi had zien opgaan. De verrukking der vrienden was uitermate groot;
daar waren er, die, diep ontroerd van het heerlijk schouwspel beneden,
hunne oogen aanbiddend omhoog sloegen; daar waren er, die met hun
guide in de hand, de meren natelden, of zij er wel alle dertien op
hun post waren, en die bij elken toren, welken zij zagen, getrouw
informeerden, aan welke stad of dorp die toebehoorde; anderen weder
riepen, bij het zien van een zoo groot gedeelte van Zwitserland,
de schimmen op der Zwitsersche helden, van Divicon af, die eerst als
jongeling de legers der Romeinen versloeg, en vijftig jaren later,
Julius Caesar in het aangezigt weêrstond, tot de lange rij van dapperen
toe, die in de 14e eeuw de vrijheid van hun Vaderland tegen tiendubbele
magt bevochten; van Tell en het driemanschap van den Grutli, van de
Erlachs van Donnabuhl en Laupen, van de dappere Schwytzers, die zich
bij Morgarten onsterfelijke lauweren gaarden, van Ryzig en Chaldor,
de Tells van Appenzell, van Winkelried, die bij Sempach de speren der
vijandelijke ruiters op zijn eigen hart verzamelde, om zijne vrienden
de overwinning te verzekeren; daar waren er, die, zich in vrouwelijken
heldenmoed verdiepende, de gade van Werner Stauffacher aanriepen,
welke zelve haren man het zwaard in handen gaf, om de vrijheid van
het Vaderland te bevechten; en de dappere vrouwen en meisjes, die
door hare tegenwoordigheid alleen de Oostenrijkers verdreven, op den
berg Stoss terugwenschten; die beurtelings de zachte Julia Alpinula
aan de voeten van den Romeinschen Veldheer, het leven van haren vader
afsmeekende, en de wanhopige Helvetische vrouwen bewonderden, welke,
uit vrees haar kroost slaven te zien worden, hare zuigelingen tegen
de casques der vijanden verpletterden; daar waren er, die morden,
omdat zij Zwitserland een weinig te laat bezochten, om de prachtige
steden Aventicum en Vindonissa in haren grootsten bloei te zien; daar
waren er, die plan zouden hebben, om op dit uitzigt een vers te maken,
indien zij het door langdurige oefening zoo ver konden brengen, dat
zij geboren dichters werden; en eindelijk, die het allercharmantst,
maar toch verbazend koud vonden.
Toen zij eenige uren later den Rigi naar Kussnacht afdaalden,
bejammerde niemand hunner het, dat zij dezen morgen met het natte
pak van gisteren avond hadden moeten loopen; en zelfs Holstaff was
niet meer treurig, dat het effect, 't welk zijn laatst vaarwel bij
zijne ouders zou gemaakt hebben, door zijn al te spoedig herstel
vernietigd was.